Versie: april 2023
Het kaliumadvies is, net als het fosfaatadvies, gebaseerd op de kaliumtoestand van de grond en de behoefte van het gewas. Op grondmonsteranalyses staan vaak verschillende waarden die een indicatie geven van de kaliumtoestand in de grond. Naast het K-getal zijn dit de K-CaCl2 en K-CEC. De K-CEC geeft aan in welke mate kalium het CEC bezet. Het is daarvoor ook nodig om de omvang van het CEC te weten. Het CEC is de Engelse afkorting voor het kationenadsorptiecomplex en geeft aan hoeveel kationen de grond kan vasthouden. De adviezen die in de teelthandleiding en in het Handboek Bodem en Bemesting zijn opgenomen, zijn gebaseerd op het K-getal. De CBAV werkt aan een actualisatie van de gewasgerichte adviezen.
Voor de verschillende grondsoorten is vastgesteld naar welke kaliumtoestand (K-getal) van de grond men minimaal moet streven. In tabel 4.5.1 staan de streefgetallen en het traject waarbinnen wordt geadviseerd om de toestand te handhaven.
Vooral voor de klei- en lössgronden is het realiseren van de streefgetallen belangrijk, omdat op deze gronden het opbrengstniveau afhankelijk is van de kaliumtoestand van de grond. Op deze gronden gaat een te laag K-getal (lössgrond K-HCl) namelijk ten koste van de opbrengst, ongeacht of de kaliumgift hierop wordt aangepast. Dit geldt vooral voor aardappelen en dus ook voor een bouwplan met aardappelen. Voor een bouwplan zonder aardappelen gelden geen streefgetallen. Een goede kaliumvoorziening is gunstig voor zowel de wortelopbrengst als het suikergehalte van suikerbieten.
Tabel 4.5.1 Het voor een bouwplan met aardappelen gewenste K-getal.
grondsoort | streefgetal | toestand handhaven |
zand en dal | 11 | 11 t/m 17 |
zeezand | 11 | 11 t/m 15 |
zeeklei | ||
<12% lutum | 14 | 14 t/m 20 |
>12% lutum | 18 | 18 t/m 26 |
rivierklei | ||
<8% lutum | 14 | 14 t/m 20 |
8-18% lutum | 18 | 18 t/m 26 |
>18% lutum | 14 | 14 t/m 26 |
löss | 15 (K-HCl) | 15 t/m 20 (K-HCl) |
Op kleigronden met <12% lutum wordt K-getal 14 als streefgetal aangehouden, omdat K-getal 18 op deze gronden door uitspoeling waarschijnlijk niet gehandhaafd zal kunnen blijven. Op rivierklei met meer dan 18% lutum houdt men als streefgetal 14 aan, omdat wel erg grote hoeveelheden kalium nodig zouden zijn om K-getal 18 te bereiken. Dit omdat deze grond kaliumfixerend is.
4.5.1 Hoogte van de kaliumgift
a. Bodemgericht advies
Als de kaliumtoestand van de bouwvoor beneden de streefwaarde ligt, is het aan te bevelen een zogenaamde reparatiebemesting uit te voeren. De hoeveelheden die hiervoor nodig zijn, staan op het adviesformulier. Wil men de totale kaliumbemesting over een bepaalde periode vaststellen, dan moet men de hoeveelheid die nodig is om de toestand te verhogen, vermeerderen met de afvoer in deze periode. Bij goede opbrengsten bedraagt de kaliumafvoer (met gewas + uitspoeling in de winter) op zand- en dalgrond gemiddeld 200 kg K2O per hectare per jaar en op de overige gronden 150 kg. Om de bestaande toestand te handhaven moet men dus in vier jaar tijd op zand- en dalgrond 800 kg K2O per hectare en op de overige gronden 600 kg K2O toedienen. De afvoer van kalium met de bieten kan men nauwkeurig bepalen op basis van het kaliumgehalte van de bieten, dat op het uitslagenformulier van Cosun Beet Company staat.
Rekenvoorbeeld: bij een wortelopbrengst van 87 ton per hectare en een kaliumgehalte van de biet van 37 mmol per kg biet is de afvoer van kalium: 87 * 37 (mmol K) * 39,1 (atoomgewicht K) * 1,205 (omrekeningsfactor K K2O)/1000= 152 kg K2O per hectare (1,74 kg K2O/ton bieten).
b. Gewasgericht advies
Uit kaliumproeven van het IRS bleek er geen duidelijk verband te zijn tussen de reactie van de opbrengst en interne kwaliteit van de suikerbieten enerzijds en de kaliumvoorraad (K-getal) van de grond anderzijds. Wel bleek dat in de meeste gevallen een kaliumbemesting van meer dan 100 kg K2O per hectare de financiële opbrengst van de bieten verhoogde. De hoogte van de kaliumgift (tot 300 kg K2O/ha) had nauwelijks invloed op de interne kwaliteit. Op grond van deze resultaten is het daarom verstandig om, ongeacht het K-getal, de suikerbieten te bemesten met 150 à 200 kg K2O per hectare. Met deze hoeveelheid compenseert men tevens de afvoer van kalium met de bieten.
4.5.2 Tijdstip van toediening
De kalium kan men toedienen in het najaar of in het voorjaar. Eventueel is een gift in het twee- tot vierbladstadium van de bieten ook mogelijk.
Op kleigrond heeft najaarstoediening de voorkeur. Op proefvelden waren de positieve effecten van kalium bij najaarstoediening wat groter dan die bij voorjaarstoediening. Bij voorjaarsaanwending is de kans op zoutschade bij gebruik van een chloorhoudende kaliummeststof groter dan bij een chloorarme kaliummeststof. Dit geldt vooral als het toedieningstijdstip kort (circa twee weken of minder) voor het zaaien is. Op kaliumfixerende grond dient men de kalium in het voorjaar te geven. Vooral rivierklei en zoete getijdenafzettingen (Zuid-Holland) zijn kaliumfixerend. Op zand- en dalgronden, waar de meststoffen ingewerkt worden, is het voorjaar het geschiktste toedieningstijdstip.
4.5.3 Keuze van de meststof
Kalium uit dierlijke mest is gelijkwaardig aan kalium uit kunstmest. In tabel 4.3.2 staan de kaliumgehalten van de belangrijkste dierlijke mestsoorten en compost. In tabel 4.5.2 staan enkele kaliummeststoffen. Voor de NPK- en PK-meststoffen: zie respectievelijk paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.1 en paragraaf 4.4.3, tabel 4.4.3.
Tabel 4.5.2 Enkele van de belangrijkste kaliummeststoffen. Waarden zijn onbekend als niets is ingevuld.
naam/soort | gehalte (%) | be1 | |||
K2O | MgO | Cl | SO3 | ||
vaste meststoffen | |||||
Kali 60 | 60 | 0 | 45 | 0 | 0 |
Korn-Kali2 | 40 | 6 | 36 | 12 | +3 |
Kaliumsulfaat | 50 | 0 | <3 | 45 | 0 |
Patentkali | 30 | 10 | <3 | 42 | -2 |
vloeibare meststoffen | |||||
Kalimix3 | 25-28 | 0 | <1 | 30-40 | |
NatuC4 | 1,4-1,6 | 0 | <0,01 | 3-3,5 | |
PPL plus5 | 14-16 | 0 | <0,15 | 32-37 |
1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend;
2 Korn-kali bevat tevens 4% Na2O per hectare.
3 Kalimix bevat tevens 0,5-1,5% N, 4-7% Na2O en 0,2-0,5% P2O5.
4 NatuC bevat tevens 0,8-1,0% N, 0,5-0,6% Na2O en 0,2-0,3% P2O5.
5 PPL plus bevat tevens 0,4-0,5% N, 0,2-0,6% Na2O en 0,2-0,5% P2O5.
Kaliumgebrek
Kaliumgebrek treedt voornamelijk op als gevolg van een te lage kaliumbeschikbaarheid. Vaak is een te geringe kaliumbemesting hier de oorzaak van. De symptomen van een gebrek worden als eerste zichtbaar aan de randen van het oudere blad. Deze verkleuren geel en krullen naar binnen. Later sterft dit af en worden midden op het blad bronskleurige plekken tussen de nerven zichtbaar. Het nog groene blad kleurt wat donkerder. Een gebrek kan worden bestreden door een kalium(houdende) meststof toe te dienen. Een bladbespuiting is echter niet snel rendabel.
Figuur 4.5.1 Kaliumgebrek kan het gevolg van een te lage kaliumbeschikbaarheid zijn, maar ook een te ruim magnesiumaanbod kan de kaliumopname belemmeren.