1. Rassenkeuze suikerbieten

1.1 Inleiding

versie: december 2021

Elk jaar stelt de Werkgroep Rassenonderzoek Suikerbieten in november/december de Aanbevelende Rassenlijst samen. Dit gebeurt aan de hand van de resultaten van het door het IRS uitgevoerde rassenonderzoek. Voor opname op de rassenlijst moeten de rassen minimaal drie jaar onderzocht zijn en de financiële opbrengst moet beter zijn dan het gemiddelde van de beste vier rassen op de bestaande lijst. Deze rassen worden dan ingedeeld in de N-rubriek (N = nieuw). De gegevens van de overige rassen op de rassenlijst zijn gebaseerd op de laatste vier jaar onderzoek en opgedeeld in de A-rubriek (A = aanbevolen) en B-rubriek (B = beperkt aanbevolen). In uitzonderlijke gevallen als een nieuw ras niet voldoet aan de eis voor financiële opbrengst, maar wel een bijzondere eigenschap heeft (resistentie of kwaliteit) of bijdraagt aan de genetische diversiteit, dan kan deze opgenomen worden in de B-rubriek.

De tabellen uit de rassenlijst worden door het IRS overgenomen in de Brochure Suikerbietenzaad (zie hoofd­stuk 1.6, Brochure Suikerbietenzaad) die het IRS voor Cosun Beet Company samenstelt voor de hoofdbestelling in december.

Om ervaring op te doen met in ontwikkeling zijnde rassen, is het mogelijk dat kweek­bedrijven zaad van twee jaar onderzochte rassen in het verkeer brengen. Dit mag tot een maximum van 1000 eenheden. Mede om telers op de hoogte te brengen van de potentiële mogelijkheden van deze rassen, worden ze in de Brochure Suikerbietenzaad opgenomen. Naast de gegevens uit de rassenlijst staan hierin dus ook de resul­taten behaald met rassen na twee jaar onderzoek.

1.2 Bietenzaad

versie: maart 2024

1.2.1 Oppassen met bietenzaad

Bietenzaad bevat gewasbeschermingsmiddelen (fungiciden en soms ook het insecticide Force) en daarom is het advies om handschoenen te dragen bij het omgaan met het zaad. Bij het gebruik van pillenzaad, waar het insecticide Force in zit, mag het zaad niet bloot komen te liggen in verband met giftigheid voor vogels en zoogdieren. Uitzaai van gepilleerd zaad met insecticide (Force) is alleen toegelaten met behulp van precisiezaai. Zorg voor een goede bedekking van het zaad (gesloten zaaivoren) bij het zaaien en verwijder gemorst zaad om vogels en zoogdieren te beschermen. Resten van behandeld zaad mogen nooit worden verspreid of vervoederd aan dieren (bron: www.ctgb.nl).

1.2.2 Verzaaibaarheid

Alleen in het geval dat er vanuit de praktijk signalen komen dat er met een partij bietenzaad iets aan de hand is, zal een controle op verzaaibaarheid plaatsvinden.

De controle vindt zo nodig plaats over drie zaaimachines: Monosem, Monopill S en Monozentra. De eerste twee behoren tot het type binnenvuller, de laatste is een buitenvuller. De controle van binnenvullers gebeurt bij een rijsnelheid van 7 km/h. Bij een buitenvuller (Monozentra) is dat 5 km/h. Bij de beoordeling van de verzaaibaarheid is de norm dat tenmin­ste 95% van de cellen gevuld moet zijn met één zaadje. De zaadbreuk mag maximaal 2% bedragen. Zaadbreuk wordt bepaald door in het verzaaide zaad de halfnaakte en naakte zaden te tel­len. Voor andere machines verwijzen wij u voor verdere informatie en advies naar de fabri­kant of importeur.

1.2.3 Benodigde hoeveelheid zaaizaad

In onderstaande tabel kunt u bij een gekozen zaaiafstand nagaan hoeveel pakken à 100.000 zaden nodig zijn voor een bepaald oppervlakte. Het aantal eenheden zaad kunt u ook uitrekenen met de optie op de zaadbestelsite van Cosun Beet Company.

Tabel 1.2.1 Benodigde hoeveelheid zaaizaad (exclusief schep- of vulzaad).

te zaaien oppervlakte in hectare
zaaiafstand 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
15 cm 1,3 2,7 4,0 5,3 6,7 8,0 9,3 10,7 12,0 13,3
16 cm 1,3 2,5 3,8 5,0 6,3 7,5 8,8 10,0 11,3 12,5
17 cm 1,2 2,4 3,5 4,7 5,9 7,0 8,2 9,4 10,6 11,8
18 cm 1,1 2,2 3,3 4,4 5,6 6,7 7,8 8,9 10,0 11,1
19 cm 1,1 2,1 3,2 4,2 5,3 6,3 7,4 8,4 9,5 10,5
20 cm 1,0 2,0 3,0 4,0 5,0 6,0 7,0 8,0 9,0 10,0
21 cm 1,0 1,9 2,9 3,8 4,8 5,7 6,7 7,6 8,6 9,5
22 cm 0,9 1,8 2,7 3,6 4,5 5,5 6,4 7,3 8,2 9,1

Het is aan te raden goed notie te nemen van de gegevens op het officiële label op de ver­pakking en voor eventuele controle of claims deze labels minimaal tot na de campagne te bewaren.

Meer informatie over bietenzaad kunt u vinden in de Brochure Suikerbietenzaad, hoofdstuk 1.6.

1.2.4 Bewaaradvies overgebleven bietenzaad

Tot en met zaaiseizoen 2017 werd geadviseerd om geen overgebleven geprimed bietenzaad te bewaren voor het volgende teeltseizoen, er was geen veilige methode voor bekend. In 2015-2017 zijn door het IRS uiteenlopende bewaarmethoden onderzocht. Twee methoden bleken het risico op achteruitgang van de kwaliteit van geprimed bietenzaad bij éénjarige bewaring te minimaliseren:

  1. het bewaren van suikerbietenzaad in een hermetisch afsluitbaar vat waarin bietenzaad wordt ingedroogd met silicagel;
  2. het bewaren van suikerbietenzaad in een afgesloten plastic zak bij -18°C.

In het onderzoek werden deze bewaarmethoden onder ongunstige veldomstandigheden (vroeg en diep zaaien) beproefd. Het opkomstverloop van zaad bewaard met deze methoden was vergelijkbaar met die van nieuw zaad. Bovendien bleef de werking van de actieve stoffen in het pillenzaad op peil. Het bleek dat voornamelijk vocht de kwaliteit van geprimed bietenzaad aanzienlijk kan verminderen. Voorkom daarom elke blootstelling aan vocht voor, tijdens en na het zaaien, anders kan de kwaliteit al aangetast zijn voordat het bietenzaad de bewaring in gaat. De luchtvochtigheid wordt vaak onderschat, in een geïsoleerde loods kan het vooral voor aangebroken originele verpakkingen al te vochtig zijn.

De geadviseerde bewaarmethoden zijn vooral van toepassing op zaad dat u wilt bewaren voor het volgende jaar. Indien u zaad in hetzelfde zaaiseizoen nog wilt gebruiken is het voldoende om dit droog in de originele verpakking te bewaren. Voor de langere bewaring hebben de bovenstaande methoden de meerwaarde dat de kiemenergie en actieve stoffen beter worden geconserveerd ten opzichte van alleen droog wegzetten. Daarnaast wordt met deze methoden tijdens de langere bewaring het risico op een aantasting van de kwaliteit door een hoge luchtvochtigheid geminimaliseerd. Zorg dat altijd duidelijk is welk ras bewaard wordt en wanneer het is ingezet; bijvoorbeeld door een kopie van het NAK-label duidelijk zichtbaar aan de buitenkant van een vat, ton of plastic zak te bevestigen. Dit geldt ook voor de eventuele veiligheidsinstructies.

De volgende aandachtspunten zijn van toepassing bij het uitvoeren van de bewaarmethoden:

  1. Hermetisch afsluitbaar vat met silicagel
  • Zorg dat het bietenzaad hermetisch kan worden afgesloten van de omringende lucht door een zuurkoolvat of weckfles te gebruiken (figuur 1.2.1). Zorg altijd dat er een intacte rubberen afsluiting in het deksel zit.

S:\IRS\POST\vanOverveld\Samengevoegde foto\Bewaring nr.2 - nr. 17.jpg

Figuur 1.2.1 Hermetisch afsluiten van de omringende lucht, links een zuurkoolvat (ook bekend als wijdmondvat of voerton), rechts een weckfles. Beiden hebben in het deksel een rubber dat voor een hermetische afsluiting van de omgeving zorgt.

  • Voeg een zak met silicagel toe, daarmee wordt het zaad ingedroogd. Tot een half pak overgebleven bietenzaad geeft 250 gram silicagel voldoende werking, voor hoeveelheden tussen een half en vol pak is 500 gram silicagel nodig (figuur 1.2.2). Sluit het vervolgens met het deksel af.
  • Gebruik zo droog mogelijke silicagel; nieuw uit de verpakking of bij hergebruik terugdrogen conform de aanwijzingen van de leverancier.

S:\IRS\POST\vanOverveld\Samengevoegde foto\Bewaring nr.18 - nr. 9.jpg

Figuur 1.2.2 Silicagel in een luchtdoorlatende zak van 250 gram, welke tot een half pak restzaad voldoende is, tussen een half en heel pak zijn twee zakjes nodig. Silicagel is verkrijgbaar in zakjes in verschillende formaten.

  • Zet dit vat in het donker weg, dat kan bijvoorbeeld in de kelder of op kamertemperatuur.
  • Let op dat het zaad niet in een ruimte (bijvoorbeeld op zolder) wordt bewaard, waarbij het in de zomer erg warm (>35°C) kan worden. Dan kan de kwaliteit alsnog aangetast worden.
  1. Afgesloten plastic zak bij -18°C
  • Gebruik een schone stevige plastic zak zonder beschadigingen, zodat er geen vocht uit de lucht op het bietenzaad kan condenseren tijdens het bewaren en ontdooien.
  • Druk voor het afsluiten de lucht uit de plastic zak, dit verkleint de kans op het scheuren van het plastic en condensvorming binnen in de zak (figuur 1.2.3).

http://cos0mb1547.cosun.org/irs/pcache/10004/31/lt-bewaring_pillenzaad-15_11123.jpg

Figuur 1.2.3 Stevige goed afgesloten plastic zak zonder lucht.

  • Pillenzaad is behandeld met actieve stoffen, voorkom daarom dat pillenzaad in een vriezer in contact kan komen met levensmiddelen en houd het buiten bereik van kinderen.
  • Ontdooi het bietenzaad een dag voor het zaaien en open de plastic zak vlak voor zaaien, zo wordt condensvorming vanuit de lucht op het koude bietenzaad voorkomen.
  • Om scheuren van de plastic zak te voorkomen kan de zak met zaad in een box, doos of ton worden bewaard tijdens het invriezen.

1.3 Schietergevoeligheid

versie: december 2021

Een suikerbiet is een tweejarige plant. In het eerste jaar verkeert zij in de vegetatieve fase en vormt reservevoedsel wat opgeslagen wordt in een wortel. In het tweede jaar gaat zij over in de gene­ratieve fase en gaat een bloeiwijze vormen en zaad produceren (figuur 1.3.1). Onder bepaalde omstandigheden kan de suikerbiet echter al in het eerste jaar in de generatieve fase komen en ontstaat als het ware een eenjarige vorm. Dan ontstaan schieters.

Er zijn ook wilde soortgenoten van de suikerbiet die eenjarig zijn of onkruidbieten afkomstig van schieters vanuit een vorige teelt. Die vormen in het eerste jaar een vrij kleine wortel en gaan in datzelfde jaar bloeien en zaad vormen. Zaden van wilde soorten kwamen vroeger soms voor in zaadpartijen, maar dit is tegenwoordig zeldzaam (zie ook paragraaf 1.3.3). Onkruidbieten komen helaas wel vaker voor, door het niet op tijd verwijderen van schieters in een vorige bietenteelt (zie ook paragraaf 1.3.4).

1.3.1 Wanneer ontstaan schieters?

De opwekking van schietervorming in suikerbieten wordt ingezet door vernalisatie. Dit is een biochemisch proces in de plant dat in gang gezet wordt door koude omstandigheden of andere stresscondities. Vanaf het moment dat het zaad vocht heeft opgenomen tot in juni is de hoeveelheid koude bepalend hiervoor. De vernalisatie is het sterkst tussen 3 en 12ºC. Hoe langer een dergelijk lage tempera­tuur aanhoudt, hoe erger de vernalisatie. Er zijn enkele factoren die de schietervorming bevorderen:

  • stress, zoals door vertraging van de veldopkomst door veel regen, diep zaaien, een korst of door zware herbicidedoseringen;
  • een (te) hoge stikstofgift.

Bietenplanten met voldoende vernalisatie gaan schieten bij een daglengte van meer dan twaalf uur. Het proces van vernalisatie kan (deels) teruggedraaid worden door hoge temperaturen en veel licht. Dit proces heet devernalisatie. Stijgt de temperatuur vrij snel na de koudeperiode naar waarden boven de 20ºC, dan neemt de gevoeligheid voor schietervorming weer af. Ook door veel zonlicht wordt de schietervorming beperkt. Op een donkere zandgrond waar de zon op straalt, stijgt de bodem­temperatuur vaak vrij snel. Hierdoor worden op deze grond minder snel schieters gevormd in vergelijking met een klei- of zavelgrond onder gelijke weersomstan­dig­heden. Achter een bomenrij op het zuiden waar minder zonlicht op het perceel komt, zien we vaak meer schieters dan verder op het perceel.

In het algemeen is het beter niet te zaaien voor 10 maart. Is de grond in de eerste helft van maart bekwaam om te zaaien, let dan op de weersvoorspelling voor de lange termijn. Blijft de maximumtemperatuur volgens de weersvoorspelling lang onder de 12°C, dan loopt u extra risico op schieters en heeft u weinig voordeel, omdat het zaad dan langzaam kiemt.

1.3.2 Onkruidbieten

Vaak zien we in de bietenpercelen de schieters pleksgewijs voorkomen (figuur 1.3.2). Dit heeft dan niets te maken met plekken met stress tijdens de op­komst of met minder instraling van de zon door bijvoorbeeld een bomenrij. Het pleksgewijs optreden van schieters wijst op de aanwezigheid van onkruidbietenzaad in de grond. Door het niet goed bestrijden van schieters in het verleden, is door de schieters rijp zaad geproduceerd en is dit zaad in de grond achter­gebleven. Als de plekken goed bekeken worden, staan veel van de schieters niet of niet goed in de rij. Dat wijst op de aanwezigheid van onkruidbietenzaad in de grond. Vrijwel alle onkruidbieten gaan in het eerste jaar schieten.

1.3.3 Waarom zijn schieters een probleem?

Het grootste probleem wordt gevormd door de zaadproductie van de schieters. Deze kun­nen voor de toekomst een groot onkruidprobleem veroorzaken (zie 1.3.4). Schieters concurreren bovendien sterk met de niet geschoten bieten voor voedingstoffen en vocht, maar vooral nemen ze veel licht weg voor de omringende planten. Duits onderzoek heeft uitgewezen dat bij 10% schieters rekening gehouden moet worden met een verlies aan suikeropbrengst van 5 tot 15%.

Geschoten bieten zijn moeilijker te rooien. Het suikergehalte van schieters is lager en de gehal­ten aan K+Na en aminoN hoger, waardoor de WIN sterk daalt.

1.3.4 Laterale schieters

In sommige jaren zien we schieters die niet in het centrum van de plant, maar aan de zijkant van de kop verschijnen. Deze zogenaamde laterale schieters zijn in feite ‘slapende’ zijknoppen die uitgroeien tot een bloeistengel. Als dit er erg veel zijn, dan is het mogelijk om ze te verwijderen door ze van de kop af te scheuren, maar het kan een tijdelijke oplossing zijn. Het risico bestaat dat de basis van de zaadstengel weer opnieuw uitloopt. Het voordeel is dat de biet behouden blijft.

1.3.5 Ook fytosanitair probleem

Onkruidbieten kiemen niet alleen in suikerbieten, maar ook in andere gewassen. Afhankelijk van de onkruidbestrijdingsmiddelen die in die gewassen gebruikt worden, kunnen ze ook in die gewas­sen tot volle ontwikkeling komen. Zo zijn er al onkruidbieten gevonden in uien, cichorei, tarwe en erwten. Onkruidbieten in andere gewassen dan suikerbieten houden wel de ziekten en plagen van de bieten in stand. Met name het witte bietencysteaaltje is op plekken met onkruidbieten vaak een groot probleem.

Het probleem van de onkruidbieten wordt verder besproken in de paragraaf 6.1.8 ˈOnkruidbietenˈ in het hoofdstuk Onkruidbeheersing.

afb 1 - deel A schietergevoeligheid - Betatip hfst 1

Figuur 1.3.1 Een schieter in een bietenveld. Op tijd verwijderen van de schieter voorkomt dat er later een onkruidprobleem ontstaat.

Figuur 1.3.2 Pleksgewijs optreden van schieters; een duidelijke aanwijzing dat hier sprake is van onkruidbieten.

1.4 Rassenkeuze

versie: december 2023

De gegevens over de rassen in de rassenlijst zijn verkregen uit onderzoek dat minimaal gedu­rende drie jaar is verricht op meerdere proefvelden, die verspreid over het land zijn aangelegd. Dit is een solide basis voor een verantwoorde rassenkeuze. Bij de rassenkeuze dient een teler eerst te kiezen voor de juiste resistenties, bestaande uit resistenties tegen (aanvullend) rhizomanie, rhizoctonia en bietencysteaaltjes. Het onderstaande diagram is een hulp bij die keuze:

Diagram Description automatically generated

Naast het diagram heeft IRS in 2022 de video ‘Aanbevelende Rassenlijst: hulp bij het kiezen van een geschikt bietenras voor uw perceel’ gemaakt. Ook deze video kunt u gebruiken bij het kiezen van het juiste bietenras:

1.4.1 Rhizomanie

Alle in Nederland verkochte suikerbietenrassen zijn sinds 2007 partieel resistent tegen rhizomanie. Deze resistentie berust op het gebruik van één resistentiegen (Rz1). Ook bij toepassing van deze rassen kunnen later in het seizoen een beperkt aantal planten met een bleekgeel of bleekgroen verkleurd loof voorkomen. Dit zijn de zogenaamde ˈblinkersˈ, waarvan er niet meer dan circa 2-5% egaal verspreid op een perceel aanwezig mogen zijn.

Eind 2010 is vastgesteld dat op percelen met extreem veel blinkers (meer dan circa 2-5%) of op plekken en stro­ken met blinkers een resisten­tiedoorbre­kende variant (bijvoorbeeld met de nadere variant aanduiding AYPR, TYPR of VYPR) van het rhizomanievirus voorkomt. Deze varianten doorbreken de resistentie van het resistentiegen (Rz1). Om dergelijke varianten te beheersen is aanvullende resistentie nodig. Een ras met aanvullende resistentie tegen rhizomanie bevat twee resistentiegenen (Rz1 en Rz2). Op de Aanbevelende Rassenlijst en in de Brochure Suikerbietenzaad wordt de mate van aanvullende resistentie expliciet vermeld bij deze rassen in de laatste kolom ’aanvullende rhizomanieresistentie’ (aangegeven met zeer goed, goed of matig).

Meer informatie over rhizomanie kunt u lezen in paragraaf 10.7.1 ‘Rhizomanie’ van de teelthandleiding. Wilt u meer weten over hoe de mate van aanvullende resistentie in rhizomanieresistente rassen in de Brochure Suikerbietenzaad wordt bepaald? Bekijk dan ook eens onderstaande video ‘Bepaling mate van aanvullende resistentie van rhizomanieresistente rassen’:

1.4.2 Rhizoctonia

De bodemschimmel Rhizoctonia solani kan veel schade aan de bieten veroorzaken. Chemische bestrijding is niet mogelijk en daarom is het kiezen van een geschikt bietenras voor het perceel een belangrijke stap in de beheersing. Rhizoctoniaresistente rassen beperken veelal de schade. Is er risico op rhizoctonia, dan is het advies om een rhizoctoniaresistent ras te bestellen. Of er rhizoctonia op een perceel zal voorkomen is nooit met zekerheid te voorspellen, maar het risico is groot als in een gebied veel rhizoctonia voorkomt en in het bouwplan regelmatig goede waardplanten van rhizoctonia voorkomen. De bekendste waardplant is maïs, maar ook gladiolen, lelies en enkele vollegrondsgroenten, zoals (was)peen, kunnen rhizoctonia vermeerderen. In de bovenstaande gevallen is een rhizoctoniaresistent ras de beste keuze. Op percelen waar een risico op rhizoctonia bestaat komen soms ook bietencysteaaltjes voor. In dat geval is het advies om een rhizoctoniaresistent ras te gebruiken met tevens bietencysteaaltjesresistentie.

Het resistentieniveau van de rassen verschilt. Dit wordt in tabel 1 van de rassenlijst weergegeven in de kolom ’ rhizoctoniaresistentie’ met de aanduiding zeer goed, goed of matig. Deze classificatie is gebaseerd op een cijfer voor rhizoctonia-aantasting (ziekte-index) gemeten in kunstmatig geïnfecteerde proeven. Als een teler veel rhizoctonia verwacht, dan kan hij het beste kiezen voor een ras met een (zeer) goede resistentie.

Ondanks dat rhizoctoniaresistente rassen de schade aanzienlijk kunnen beperken is de resistentie van deze rassen is niet volledig. Vooral bij een vroege aantasting kan nog plantuitval plaatsvinden. Bij een zware besmetting kunnen ook later in het seizoen deze bietenrassen aangetast worden en gaan rotten. De kans op schade door rhizoctonia neemt toe door een slechte structuur en door de teelt van waardgewassen. Zorg daarom ook voor een goede structuur van de grond en beperk de teelt van bieten na risicovolle gewassen. Goede voorvruchten zijn: granen, aardappelen, blad­rammenas en gele mosterd. Alle rhizoctoniaresistente rassen zijn ook resistent tegen rhizomanie. De relatieve opbrengst- en kwaliteitsgegevens van deze rassen en het resistentieniveau staan vermeld in tabel 1 van de Brochure Suikerbietenzaad.

Meer informatie over rhizoctonia kunt u lezen in paragraaf 10.5.1 ˈRhizoctoniaˈ van de teelthandleiding. Wilt u meer weten over hoe de mate van resistentie in rhizoctoniaresistente rassen in de Brochure Suikerbietenzaad wordt bepaald? Bekijk dan ook eens onderstaande video ‘Bepaling mate van resistentie in rhizoctoniaresistente rassen’:

1.4.3 Bietencysteaaltjes

In vrijwel alle teeltgebieden komen aantastingen door bietencysteaaltjes voor. Er zijn twee soor­ten: het witte bietencysteaaltje (Heterodera schachtii) en het gele bietencysteaaltje (Heterodera betae). Bietencysteaaltjesresistente rassen beperken de vermeerdering van en de schade door zowel het witte als het gele bietencysteaaltje. Deze rassen zijn partieel resistent. Dit betekent dat er nog altijd vermeerdering kan zijn van het bietencysteaaltje. De vermeerdering is echter wel flink minder dan bij de vatbare rassen. Vanwege de kans op vermeerdering zijn naast de keuze voor het juiste ras ook nog aanvullende maatregelen nodig, zie hiervoor hoofdstuk 10.2.3 ˈBietencysteaaltjesˈ.

De relatieve opbrengst- en kwaliteitsgegevens van de partieel resistente rassen staan vermeld in tabel 2 van de Brochure Suikerbietenzaad. Op proef­velden met een matige tot zeer zware beginbesmetting van bietencysteaaltjes is de opbrengst van de resistente rassen aanzienlijk hoger dan die van de vatbare rassen. De teler dient er zich echter wel van bewust te zijn dat ook de partieel resistente rassen enige schade ondervinden bij zeer hoge dichtheden en dat aanvullende maatregelen dus nodig zijn. De in de tabel vermelde opbrengsten zijn bepaald op proefvelden waar bietencysteaaltjes zijn waargenomen.

Onder niet besmette omstandigheden is de financiële opbrengst van de meeste van de bietencysteaaltjesresistente rassen vergelijkbaar met die van de rhizomanieresistente rassen. In tabel 3 van de Brochure Suikerbietenzaad kan de teler bietencysteaaltjesresistente rassen vergelijken met rhizomanierassen zonder bietencysteaaltjesresistentie onder niet-besmette omstandigheden. Al bij een lichte besmetting of bij twijfel over de aanwezigheid van bietencysteaaltjes kan het lonen om een bietencysteaaltjesresistent ras te kiezen. De teler dient wel rekening te houden met hogere zaadkosten voor deze rassen. Heeft het perceel geen bietencysteaaltjes (bij voorkeur met een grondmonsteranalyse vastgesteld), dan kan de teler eveneens een keuze maken uit de lijst van rhizomanieresistente rassen. Het advies is om bij een rotatie van suikerbieten of andere waardplanten van bietencysteaaltjes (bijv. spruitkool of koolzaad) van 1 op 5 of krapper te kiezen voor een bietencysteaaltjesresistent ras.

1.4.4 Bladgezondheid cercospora

In de Aanbevelende Rassenlijst en Brochure Suikerbietenzaad is vanaf 2022 ook informatie opgenomen over de bladgezondheid van rassen ten aanzien van cercospora op basis van drie jaar onderzoek. De bladgezondheid wordt weergegeven met een klassering die loopt van cijfer 9 (zeer hoge bladgezondheid) tot 4 (zeer lage bladgezondheid). Waarom het kiezen voor een ras met een hoge score voor bladgezondheid cercospora belangrijk is wordt uitgelegd in de video: ‘Bladschimmelbeheersing Deel 3: Rasgevoeligheid

De indeling van de rassen is gebaseerd op waarnemingen die in de periode 2018-2023 zijn uitgevoerd op speciaal aangelegde proefvelden voor beoordeling van de bladgezondheid van rassen. Deze proefvelden zijn aangelegd in regio’s waar een hoge bladschimmeldruk verwacht werd en tijdens het groeiseizoen zijn geen fungicidebespuitingen uitgevoerd. In 2018-2023 ontstond vooral aantasting door cercospora en niet of nauwelijks door andere bladschimmels. Daardoor konden alleen voor cercospora betrouwbare gegevens verzameld worden.

Tijdens het onderzoek waren in september/oktober duidelijke verschillen in aantasting zichtbaar tussen de rassen in het veld. Op dat moment zijn de rassen beoordeeld. Uiteindelijk vertoonden echter bijna alle rassen, behalve die met cijfer 9, een dermate zware aantasting dat het blad massaal afstierf wat een (forse) opbrengstderving geeft. Daarom dient er rekening mee gehouden te worden dat aandacht voor bladschimmelbeheersing tijdens het seizoen onverminderd nodig blijft, ook bij rassen met een hoog cijfer voor bladgezondheid. Keuze van een ras met hoge bladgezondheid is echter niet voldoende om schade te voorkomen. Ook bij deze rassen ligt de schadedrempel bij de eerste aantasting/vlekjes. Hierbij speelt ook mee dat we in Nederland te maken hebben met vijf bladschimmels: cercospora, stemphylium, ramularia, roest en meeldauw. Om schade te voorkomen moeten ze allemaal beheerst worden. Bladvlekken kunnen op elkaar lijken, maar toch veroorzaakt zijn door verschillende schimmels. Dit heeft ook als consequentie dat de bladgezondheid van rassen ten aanzien van een van deze bladschimmels niets zegt over de bladgezondheid ten aanzien van een andere bladschimmel. Er blijven dan altijd nog vier andere over die schade kunnen doen.

Om schade veroorzaakt door de vijf bladschimmels, cercospora, stemphylium, ramularia, roest en meeldauw te voorkomen, moeten ze worden bestreden. Hiervoor is de bladschimmelwaarschuwingsdienst actief. Voor alle rassen geldt dat als er een waarschuwing (sms) uitgaat, ze gecontroleerd moeten worden op bladschimmels. Pas wanneer na een grondige controle de eerste vlekjes van één of meerdere bladschimmels zijn gevonden, is het nodig om een bespuiting met een fungicide uit te voeren. Zie voor meer informatie: www.irs.nl/bladschimmel en paragraaf 10.4 ˈBladschimmelsˈ in de teelthandleiding.

1.4.5 Conviso Smart

Voor percelen waar onkruidbieten of bepaalde probleemonkruiden verwacht worden is de inzet van een Conviso Smart ras te overwegen. Conviso Smart rassen hebben een resistentie tegen het herbicide Conviso One. Sinds 2019 zijn op beperkte schaal de eerste ervaringen in de praktijk opgedaan met een Conviso Smart ras. Op de Aanbevelende Rassenlijst en in de Brochure Suikerbietenzaad zijn inmiddels diverse Conviso Smart rassen opgenomen. Deze rassen zijn beperkt beschikbaar en alleen te bestellen als deze voor de onkruidbeheersing noodzakelijk worden geacht. In onderstaande video wordt het Conviso Smart-systeem uitgelegd:
<iframe width="560" height="315" src="https://www.youtube.com/embed/03RQBQoGPs8" title="YouTube video player" frameborder="0" allow="accelerometer; autoplay; clipboard-write; encrypted-media; gyroscope; picture-in-picture; web-share" allowfullscreen></iframe>
Zie voor meer informatie paragraaf 6.1.6 ‘Conviso Smart systeem’ in de teelthandleiding.

1.4.6 Aphanomyces

In 2021 is op diverse percelen op zand- en dalgrond na overvloedige neerslag in mei en juni aantasting door aphanomyces ontstaan. Bij diverse rassen is in meer of mindere mate aantasting waargenomen, waarbij vooral het ras Caprianna KWS gevoelig bleek te zijn voor aphanomyces. Deze informatie was niet eerder naar voren gekomen in de drie eerdere jaren waarin dit ras onderzocht was en waarin aphanomyces op de proefvelden en in de praktijk niet of nauwelijks tot problemen heeft geleid. Om het risico te beperken is het advies om het ras Caprianna KWS niet te zaaien op zand- en dalgrond. Er vindt nader onderzoek plaats van de gevoeligheid voor aphanomyces van de rassen die de komende jaren beschikbaar komen voor de praktijk.

1.4.7 Wortelknobbelaaltjes

Voor percelen met besmettingen met het maiswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi) en/of het bedrieglijk maiswortelknobbelaaltje (Meloidogyne fallax) zijn er twee suikerbietenrassen (Redukto en Jemina KWS) beschikbaar met resistentie tegen deze aaltjes. Deze bietenrassen hebben een zeer hoog resistentieniveau tegen beide aaltjes en zijn daarmee voor telers van pootgoed, aardappelen en vollegrondsgroenten een zeer waardevolle aanvulling op de beheersing van deze aaltjes binnen het bouwplan. Door suikerbieten te telen als voorvrucht voor schadegevoelige gewassen kan veel schade in andere gewassen worden voorkomen. Er dient wel in acht genomen te worden dat deze rassen niet over rhizoctonia- en aanvullende rhizomanieresistentie beschikken.

Meer informatie over de beheersing van wortelknobbelaaltjes is te vinden in:

1.5 Financiële opbrengst

versie: december 2023

De financiële opbrengst van de rassen is berekend voor gemiddelde Nederlandse omstandig­heden. Voor een goede rassenkeuze spelen echter ook de omstandigheden op perceelsniveau een rol. Is bijvoorbeeld bekend dat op een bepaald perceel het suikergehalte vaak laag is, dan kan een ras met een relatief hoog suikergehalte de financiële opbrengst verhogen. Bij problemen met de winbaarheid is het nodig eerst na te gaan wat hiervan de oorzaak is. Is het gehalte aan K+Na erg hoog, overweeg dan een ras met weinig K+Na. Is het gehalte aan aminoN te hoog, overweeg dan een ras met een laag gehalte aan aminoN. Is de grondtarra op het beoogde perceel een probleem, dan kan er soms financieel voordeel te behalen zijn door een ras te kiezen met weinig meegeleverde grond. Dit eventuele voordeel zal in de meeste gevallen minder dan 1% zijn.

1.5.1 Uitgangspunten bij de berekening van WIN en financiële opbrengst

De financiële opbrengst van de rassen op de Aanbevelende Rassenlijst is berekend op basis van de uitbetalingsregeling van Cosun. Daarbij wordt een bietenprijs aangenomen van € 50,00 per ton netto biet bij 17% suiker. Onder netto biet wordt verstaan: de gewassen biet inclusief de kop, maar zonder groen. Verrekening vindt plaats voor:

gehalte: Bij 17% suiker vindt geen verrekening plaats. Bij lagere suikergehalten wordt een korting toegepast (bijvoorbeeld bij 16% suiker € 4,50 per ton netto biet), terwijl bij hogere gehalten een toeslag wordt gegeven (bijvoorbeeld bij 18% suiker € 4,50 per ton netto biet).

WIN: De WIN-verrekening is vergelijkbaar met die van Cosun. Bij WIN 91 vindt geen verrekening plaats. Bij een lagere WIN wordt een korting toegepast (bijvoorbeeld bij WIN 90 € 0,59 per ton netto biet), terwijl bij hogere WIN een toeslag wordt gegeven (bijvoorbeeld bij WIN 92 € 0,59 per ton netto biet).

tarra: € 14,85 per ton tarra. Aangezien alleen met grondtarra (meegeleverde grond) gerekend wordt, is een aftrek van de geleverde kop niet van toepassing.

De in de rassenproeven gemeten gemiddelde opbrengst en kwaliteit van de rassen wordt omgerekend naar een verhoudingsgetal. De WIN en de financiële opbrengst worden vervolgens berekend op basis van de volgende uitgangspunten, overeenkomend met het meerjaars gemiddelde van de leveringen bij Cosun:

wortelopbrengst (t/ha) 85,0

suikergehalte (%) 17,0

grondtarra (%) 10,0

aminoN (mmol/kg biet) 10,0

K+Na (mmol/kg biet) 40,0

1.6 Brochure Suikerbietenzaad

versie: december 2023

De Brochure Suikerbietenzaad geeft de gemiddelde resultaten weer van het rassenonderzoek (Cultuur en Gebruikswaarde Onderzoek (CGO)) van suikerbieten van 2020-2023. Deze zijn gebruikt voor het vaststellen van de Aanbevelende Rassenlijst 2024 door de Commissie Samenstelling Aanbevelende Rassenlijst (CSAR). Ze zijn verkregen uit onderzoek dat gedurende minimaal drie jaar is verricht op meerdere proefvelden, verdeeld over de teeltgebieden in het land. In de brochure (voorheen Zaadbrochure) worden ook de resultaten gegeven van de rassen die (nog) niet op de rassenlijst staan en waarvoor slechts twee jaar CGO-onderzoek plaatsvond. De eigenschappen van de rassen staan in de tabellen 1 tot en met 3. De cijfers uit de verschillende tabellen zijn niet onderling vergelijkbaar. Aanvullende informatie over teelttechnische achtergronden voor de rassenkeuze vindt u in de paragrafen 1.1 t/m 1.5 van het hoofdstuk rassen van de teelthandleiding.

1.7 Rassenbulletin suikerbieten

versie: december 2023

Dit rassenbulletin geeft de gemiddelde resultaten weer van het cultuur- en gebruikswaardeonderzoek (CGO) van suikerbieten van 2020-2023. Dit onderzoek is gecoördineerd door het IRS en gefinancierd door kweekbedrijven, Cosun Beet Company en telers.
In het overzicht van eigenschappen zijn de resultaten van het onderzoek van 2023 meegenomen. De gemiddelde resultaten van 2020-2023 zijn gebruikt voor het vaststellen van de Aanbevelende Rassenlijst 2024 door de Commissie Samenstelling Aanbevelende Rassenlijst (CSAR) (zie persbericht CSAR). In dit rassenbulletin worden ook de resultaten gegeven van de rassen die niet in de Aanbevelende Rassenlijst of
Brochure suikerbietenzaad staan en waarvoor vier, drie of slechts twee jaar CGO-onderzoek plaatsvond.

Wanneer in het bulletin wordt gesproken over resistentie, wordt partiële resistentie bedoeld. Dat wil zeggen dat bij ernstige rhizoctoniabesmetting bij de rhizoctoniaresistente rassen rotte bieten kunnen voorkomen en dat bij gebruik van bietencysteaaltjesresistente rassen er nog wel vermeerdering van bietencysteaaltjes kan optreden.

De Brochure Suikerbietenzaad (voorheen Zaadbrochure) is te vinden in paragraaf 1.6. Aanvullende informatie over teelttechnische achtergronden voor de rassenkeuze vindt u in de paragrafen 1.1 t/m 1.5 van het hoofdstuk rassen van de teelthandleiding.

2. Grondbewerking/ zaaibedbereiding

2.1 Grondbewerking en zaaibedbereiding voor suikerbieten

Versie: mei 2019

Een goed zaaibed is een eerste vereiste voor een vlotte kieming en opkomst van de bieten. Een vlakke ondergrond en voldoende losse grond om het zaad af te dekken zijn hierbij van wezen­lijk belang. De grondbewerking(en) voorafgaande aan de bietenteelt moeten zo worden uitgevoerd dat het mogelijk is een goed zaaibed te maken. Grondsoort en vochtgehalte bepalen het tijdstip en de wijze van uitvoering van de zaaibed­be­reiding. Belangrijk is het aantal bewerkingen zo klein mogelijk te houden, ook hier geldt het uitgangs­punt ‘overdaad schaadt’.

2.1.1 Het ideale zaaibed

Een goed zaaibed maakt zaaien in de vochtige (aangedrukte of bezakte) grond mogelijk. Hier-door is de opkomst veel minder afhankelijk van regen in de eerste weken na het zaaien (figuur 2.1.1). Het is belangrijk dat er voldoende droge, goed verkruimelde grond als toplaag op het zaaibed aanwezig is. Deze toplaag moet van een niet te fijne structuur zijn, om ver­slemping en winderosie tegen te gaan en een egale dikte van 2-3 cm hebben. De toplaag ligt op het eigenlijke zaaibed: een vlakke, stevige en enigszins vochtige bouwvoor (figuur 2.1.2).

Uiteraard dient voor elke grondsoort de grond bekwaam te zijn voor bereiding en berijding bij alle grondbewerkingen. Zorg dat er zo min mogelijk werkgangen nodig zijn om het zaaibed klaar te leggen, om inspo­ring en verdichting van de grond te beperken. Insporing en verdichting veroorzaken onregel­ma­tige gewassen met een ongunstig gevolg voor de opbrengst. Ook kan dit leiden tot vertakte bie­ten, met meer kans op tarra! Zo min mogelijk werkgangen heeft uiteraard ook een voordeel op het gebied van arbeid, tijd, brandstof en dus kosten.

Leg het zaaibed bij voorkeur klaar in dezelfde richting als het ploegen en zaaien. Om het ideale zaaibed te bereiken, geldt voor elke grond een specifieke aanpak.

Figuur 2.1.1 Ook op een zaaibed waar de toplaag uit harde kluitjes bestaat kan de veldopkomst goed zijn als alle zaadjes in de vochtige grond zijn gezaaid.

Figuur 2.1.2 Het effect van een goed zaaibed op de opkomst. Een goed zaaibed maakt zaaien in de vochtige (aangedrukte of bezakte) grond mogelijk (links). Hierdoor is de opkomst ook bij uitblijven van regen in de eerste weken na het zaaien goed. Bij een te diep zaaibed waarbij niet in de vochtige grond gezaaid wordt is de opkomst afhankelijk van neerslag na het zaaien (rechts). Blijft het lange tijd droog dan is de opkomst zeer laag en onregelmatig, in extreme gevallen zelfs 0% (naar Klooster & Meijer, 1974).

2.1.2 Klei- en zware zavelgronden (meer dan 17,5% lutum)

Op klei- en zware zavelgronden wordt de hoofdgrondbewerking doorgaans in het najaar uitge­voerd. Voor de opbrengst van de bieten maakt het niet uit welke hoofdgrondbewerking men kiest (ploegen, spitten, cultivateren), mits de totale bouwvoor goed losgemaakt wordt en er geen storende lagen meer aanwezig zijn. Voor een goed zaaibed, egaal van dikte, is het een vereiste dat het land vlak de winter in gaat. Daarom is het vaak nuttig om het ploegwerk te egaliseren. Dit kan men doen door een snedeverdeler of een extra werktuig aan de ploeg te koppelen, dat met messen of schijven de sneden egaliseert. Egaliseren in een extra werkgang, direct na het ploegen of gedu­rende de winter, kan in principe ook. Men krijgt echter niet elke winter de kans om dit uit te voe­ren. Op zware kleigronden (circa >35% lutum) kan men dan vaak met één bewerking in het voorjaar het zaaibed gereed leggen of is zelfs geen zaaibedbe­reiding nodig. Als de grond niet vlak genoeg de winter uitkomt, is het niet altijd te vermijden het zaai­bed in twee werkgangen klaar te maken. Rijdt dan beide keren in dezelfde richting en rijd de twee­de keer ‘halve slag verschoven/versprongen’, zodat overal één keer wordt gereden.

Tijdens verschillende zaaibedbereidingsdemonstraties, gehouden in de jaren negen­tig, bleek het belang van goede egalisatieplaten en egaal berijden! De uitvoering van de trekker is (bijna) net zo belang­rijk als de keuze van de zaaibedcombinatie (figuur 2.1.3). Zorg voor een trekker op lage bandendruk door brede banden of dubbellucht op een lage spanning (0,4 bar). Bij zaai­bedcombinaties met een werkbreedte tot circa 3,5 meter is een belaste rol tussen de wielsporen een zeer goed hulpmid­del om een egale dikte van het zaaibed te realiseren. Op deze manier kan men in één werkgang vooral ook de onderkant van het zaaibed vlak krijgen. De druk op deze rol moet zo groot zijn dat een zaaibed ontstaat dat overal 2-3 cm diep is. Hoe min­der de in­spo­ring hoe eenvou­diger (en dus goedkoper) de zaaibedbereiding kan zijn. Wanneer de zaai­bed­combi­natie, naast eggentanden en verkruimelrollen, beschikt over één of twee goed instel­bare, veerbelaste egalisatieplaten, is het goed mogelijk om ook bij een minder ideale uitgangssituatie een geschikt zaaibed te maken in één werkgang. Op basis van onderzoek in de jaren negentig is geen voorkeur aan te geven voor een aangedreven of niet-aangedreven zaai­bed­bereidings­werktuig. Met beide typen is een uitstekend zaaibed te maken in één werkgang.

Figuur 2.1.3 Streef naar één bewerking, waarbij de bouwvoor gelijk­matig wordt aangedrukt.

2.1.3 Lichte zavelgronden (8 tot 17,5% lutum)

In de praktijk zien we op dit soort gronden een grote diversiteit in de grondbewerking, waarbij met name het tijdstip van de hoofdgrondbewerking nogal varieert. Deze gronden worden zowel in het late najaar (december) als het vroege voorjaar (januari, februari en maart) geploegd. Als deze grond één tot twee maanden voor het zaaien geploegd ligt, kan die bij drogend weer harde bonken maken die tijdens de zaaibedbereiding moeilijk fijn te krijgen zijn. Het gebruik van een snedemixer of verdeler kan zorgen voor een betere verkruimeling van de grond. Onderzoek uit begin jaren negentig heeft aangetoond dat het zeker niet noodzakelijk is om deze gronden voor 1 februari te ploegen. Ploegen, spitten of cultivatoren vlak voor het zaaien behoort op deze gronden ook tot de mogelijkheden. Een aanvullende zaaibedbereiding is bij gebruik van een voren­pakker, even­tueel gevolgd door enkele egaliseerrollen, vaak niet nodig.

2.1.4 Zand- en dalgronden

In het algemeen moet men zand- en dalgronden eerst bewerken met een cultivator om eventuele sporen van het najaar los te trekken en te egaliseren. Door dit in het najaar uit te voeren, kan men plasvorming in de winter voorkomen. De hoofdgrondbewerking wordt op zand- en dal­gronden in het voorjaar uitgevoerd en is tevens de zaaibedbereiding. Men kan kiezen uit ploegen of cultivateren in combinatie met (een) vorenpakker(s) of spitten in combinatie met vorenpakker(s) of een rol. Er is geen duidelijke voorkeur voor één van deze grondbewerkings­methoden. Als men kiest voor ploegen luidt het advies om voorafgaand daaraan een bewerking met een cultivator uit te voeren net na het toe­dienen van de meststoffen. Werk hier­bij niet te diep, zodat er nog voldoende vaste grond is om goed te kunnen ploegen. Voor de lemige zandgronden luidt het advies te ploegen zonder voren­pakker(s). Lemige zandgronden kenmerken zich door een grotere structuurgevoeligheid, vooral als de ontwatering te wensen overlaat, waardoor natte plekken in het perceel ontstaan. Deze gronden moet men na het ploe­gen niet aandrukken, zodat de vaak wat koudere, natte grond eerst kan opdrogen. Vervolgens moet men één of twee dagen wachten om met een zaai­bedcom­binatie een zaaibed te maken. Deze zaaibedcombinatie bestaat uit een vastetandcultiva­tor met één rij tanden met een grote tandafstand en een vorenpakker.

Een belangrijke eis die men aan de vorenpakker of vorenpakkercombinatie moet stellen, is dat deze voldoende zwaar moet zijn om een goede aansluiting van de bouwvoor op de ondergrond en een goed zaai­bed te realiseren. Bij een ploegdiepte van 25 cm moeten de ringen van de vorenpakker een diameter van mini­maal 70 cm hebben.

Vooral op stuifgevoelige gronden is het belangrijk om de grond niet te fijn te maken, maar een grofkluiterige bovenlaag te houden. Spoor aan spoor rijden om een mechanische verdichting aan te brengen, raden wij sterk af in verband met de slechtere werking en een hogere kans op stuiven. Bovendien kan dit leiden tot een te sterke verdichting bovenin de bouwvoor.

2.1.5 Lössgronden

Een lössgrond kan men het beste in het voorjaar (eind februari tot begin april) ploegen, cultivatoren of spitten, waarna de zaaibedbereiding direct volgt. Houd de tijd tussen hoofdgrondbewerking en zaaibed­bereiding goed in de gaten. De zaaibedbereiding moet uitgevoerd worden, zodra de grond begint ‘op te grijzen’. Let vooral op bij scherp drogend weer. De zaaibedbereiding kan men uitvoeren met een zaaibedcombinatie of met een aangedreven werktuig, zoals een rotor­kopeg. De tanden van de rotorkopeg moeten ongeveer zeven centimeter diep werken. Laat bij voorkeur de grond tussen de zaaibedbereiding en het zaaien weer even ‘opgrijzen’, daarmee voorkomt u een verslempte zaaivoor.

Kleefaarde moet men wél voor de winter ploegen, waarna in het voorjaar een zaaibed van enkele centimeters gemaakt wordt.

Op watererosiegevoelige gronden is men vaak aangewezen op een niet-kerende grondbewer­king. Hierbij is de ploeg vervangen door bijvoorbeeld een aangedreven woeler-freescombinatie of een woeler-rotoregcombinatie, die de bouwvoor goed los maakt en zorgt voor een vrij grove toplaag. Deze grondbewerking bevordert het waterbergend vermogen van de grond en vermindert de kans op verslemping van de bovengrond.

2.1.6 Niet kerende grondbewerking

Op alle grondsoorten kan de hoofdgrondbewerking niet-kerend worden uitgevoerd door middel van spitten, vaste tand cultivator, woeler of bouwvoorlichter (eventueel in combinatie met een rotoreg). Wanneer de gehele bouwvoor voldoende diep wordt losgemaakt om de verdichting door de oogst van het voorgewas op te heffen, ondervindt de bietenopbrengst hiervan geen schade (zie de bovenstaande paragrafen over de verschillende grondsoorten). Wel kan het zijn dat het moeilijker is om een goed zaaibed te maken door bijvoorbeeld losse grond waar de poten van de woeler of cultivator door de grond zijn getrokken en deze niet volledig bezakt zijn. In zulke gevallen zal de uiteindelijke veldopkomst onregelmatiger en lager zijn. Een onregelmatig gewas leidt tot meer verliezen bij de oogst. In het algemeen is de grond (met name de lichte of gediepploegde gronden) iets stuifgevoeliger na een niet kerende grondbewerking.

Wanneer niet kerende grondbewerking (NKG) wordt gecomineerd met het bewerken van alleen de strook waar de zaaivoor komt (strokenbewerking of strip-till) wordt dit voor elke grondsoort gedaan op het tijdstip dat de grond traditioneel bewerkt wordt. Voor klei- en zware zavelgronden betekent dit dat de stroken dus in het najaar op bouwvoordiepte bewerkt worden (in bijvoorbeeld een groenbemester). Hierdoor kan de losgemaakte grond weer bezakken en verweren in de winter. RTK-GPS is onontbeerlijk om bij het zaaien de zaaivoor precies midden op de bewerkte strook te plaatsen. Wanneer de verwering in de winter op de strook niet voldoende is zal met een aangepast werktuig alsnog op de strook een zaaivoor gemaakt moeten worden om een goede veldopkomst te bereiken.

Op zand- en dalgronden kan de strokenbewerking gelijktijdig met het zaaien worden uitgevoerd. Afhankelijk van of en hoe de dierlijke mest wordt aangewend is bij een groenbemester of graan- of graszaadstoppel de kans op stuifschade kleiner.

Wanneer men in het kader van de vergroeningsregels een groenbemester de winter over laat staan en deze niet onderwerkt of alleen stroken bewerkt, dient men de zaaimachine met schijfkouters uit te rusten om stropen van de gewasresten te voorkomen (zie ook hoofdstuk 3, zaaimachines). Ook neemt de kans op schade door bijvoorbeeld slakken toe op met name kleihoudende gronden (zie hoofdstuk 10.9.1).

2.2 Lage druk in de banden spaart bodemstructuur

Versie: mei 2019

De lucht in de bouwvoor wordt onder gemiddelde omstandigheden binnen een etmaal ververst. Bij verdichting, verslemping of versmering van de grond komt het zuurstofgehalte te snel op een te laag niveau. Alle reden om zuinig te zijn op de bodemstructuur, zeker in het voorjaar (zie figuur 2.2.1). Structuurschade telt het hele groeiseizoen door: lagere opkomst, vertakte bieten, slechtere groei onder droge omstandigheden, meer kans op schade door bodemschimmels en lagere opbrengsten. De beste preventie voor schadelijke verdichting is werken onder gunstige omstandig­heden en het gebruik van lage bandendruk. Daarbij geldt dat één werkgang van een zware machine met lage bodemdruk beter is dan meerdere werkgangen met een veel lichtere machine.

art Tijink - fig 1 - succescyclus

Figuur 2.2.1 De rol van een goede bodemstructuur in de succescyclus voor hoge suikeropbrengsten (naar SBU, 2002).

2.2.1 Bandendruk omlaag

Een lagere bandendruk geeft minder insporing (zie figuur 2.2.2). In figuur 2.2.2 is ook te zien dat een lagere bandendruk, bij een constante wiellast, een minder diep werkende bodemdruk geeft. Dit voordeel gaat verloren als betere bandentechniek wordt gebruikt om bij gelijke bandendruk de wiellast te verhogen; dan dringt de druk dieper in de bodem.

Het effect van lage bandendruk is het grootst beneden 1 bar. Lage bandendruk is te bereiken door bredere of meer banden te gebruiken. Dubbellucht is een relatief goedkope manier om een lage bandendruk te realiseren. Naast een verminderde insporing, leidt het gebruik van een lage bandendruk tot meer werkbare dagen waarbij de bodem ‘schadevrij’ te berijden is. Ook leidt verminderde insporing tot een lager brandstofverbruik.

bandspanning

Figuur 2.2.2 Een lagere bandendruk vermindert, bij constante wiellast, de insporing en de
dieptewerking van de bodemdruk (naar Söhne, 1953, 1956).

2.2.2 Gelijkmatig aandrukken

De banden moeten zo'n lage druk op de bodem uitoefenen dat deze de bouwvoor niet verdicht, maar licht aandrukt. Een praktische vuistregel is een gemiddelde bodemdruk van 0,5 bar1 in het vroege voorjaar. Een bodemdruk van 0,5 bar komt overeen met een bandendruk van ongeveer 0,4 bar. Het beste is het gehele oppervlak gelijkmatig aandrukken met dezelfde lage bodemdruk.

C:\Users\dam.IRS\AppData\Local\Microsoft\Windows\Temporary Internet Files\Content.Outlook\S0KVKB5E\Figuur 2.6-grond_bewerking-136.jpg

Figuur 2.2.3 Gelijkmatig aandrukken met lage druk van de hele bouwvoor in het voorjaar.

C:\Users\dam.IRS\AppData\Local\Microsoft\Windows\Temporary Internet Files\Content.Outlook\S0KVKB5E\Figuur 2.7 - FT_20140918_0030.jpg

Figuur 2.2.4 Een moderne radiaalband laat bij een juiste (lage) bandendruk zijn ‘bolle wangen’ zien. Rijden op lage druk op de akker geeft min­der wiel­slip en bespaart daar­mee 15 tot 20% op brand­stof.

1 1 bar = 1 kg/cm2 = 10 ton/m2 = 100 kPa.

2.2.3 Gevolgen verdichting

Een verdichte laag direct onder het zaaibed geeft vertakte bieten. Een verdichte bouwvoor remt de wortelgroei naar diepere lagen. Onder natte omstandigheden komt dit door zuurstofgebrek. De hoge indringingsweerstand werkt belemmerend op de wortelgroei onder droge omstandigheden. Een minder diepe doorworteling heeft tot gevolg dat de ondergrond minder benut wordt voor de voorziening van vocht en voedingsstoffen. Als het dan lang droog blijft, blijven de bieten stil staan in groei.

De gevolgen van bodemverdichting zijn ernstig bij rijden onder te natte omstandigheden in het voorjaar. De dan optredende structuurschade heeft ook gevolgen voor de opkomst en de gevoeligheid voor ziekten en plagen. Tevens is de trekkracht­behoefte een stuk hoger bij de najaarsgrondbewerking.

U vraagt zich misschien af hoeveel opbrengst verloren gaat door bodemverdichting. In een vierjarig onderzoek van Wageningen UR gaf rijden op lage bandendruk (0,4 bar in het voorjaar en 0,8 bar in de rest van het jaar) 4% hogere opbrengsten bij suikerbieten. Dit vergeleken met rijden op 0,8 bar (voorjaar) en 1,6 bar (rest van het jaar) en uitvoering van de werkzaamheden onder optimale omstandigheden. Berekeningen voor een 60-hectare-akkerbouwbedrijf toonden aan dat de extra investeringen om op lage druk te rijden een klein positief saldo opleveren. Je hebt dan wel de voordelen van extra werkbare dagen en een betere bodemstructuur. Meer werkbare dagen is voor de loonwerker een zeer belangrijk argument om op lage druk te rijden (zie figuur 2.2.5).

art Tijink - fig 2 - bodemdruk

Figuur 2.2.5 De voordelen van rijden op lage bodemdruk.

verdichting-diepte

Figuur 2.2.6 Bodemverdichting door transport van een last van 12 ton over een bewerkte bouwvoor. 100 = één keer rijden met 12 ton op 3 bar bandendruk (p). Een bandendruk van 0,75 bar geeft minder verdichting dan 3 bar. Bij 0,75 bar bandendruk geldt: in één werk­gang rijden met 12 ton geeft minder verdichting in de bouw­voor dan vier keer rijden met 3 ton (naar Rüdiger, 1989).

2.2.4 Eén werkgang

Werken in één werkgang is het beste voor de bodem. Figuur 2.2.6 laat twee interessante zaken zien. Allereerst dat lage bandendruk minder verdichting geeft dan hoge bandendruk. Ten tweede is te zien dat, bij een gelijke bandendruk, één keer rijden met een zware trekker van 12 ton de bouwvoor minder verdicht dan vier keer rijden met een lichte trekker van 3 ton. Deze uitkomst onderstreept dat de bandendruk en het aantal keren rijden het meest bepalend zijn voor de bouwvoorverdichting en niet het voertuiggewicht.

Enkele regels voor bodemvriendelijk rijden:

  • werk onder gunstige omstandigheden. Op zand- en dalgrond kan enkele uren wachten na een regenbui al veel schade voorkomen;
  • bandendruk in het voorjaar: 0,4 bar;
  • bandendruk in de rest van het jaar: 0,8 bar;
  • houd de bandendruk altijd beneden 1,5 bar om de ondergrond te sparen. Beter is systematisch onder 0,8 bar;
  • kies brede banden of veel banden;
  • combineer werkzaamheden tot één werkgang. Als twee keer bewerken echt nodig is, rijd dan de tweede keer in dezelfde richting op een halve spoorbreedte ‘versprongen’, zodat het gehele oppervlak één keer wordt bereden;
  • sluit géén compromis tussen veld- en wegtransport (lage bandendruk in het veld en hoge bandendruk bij wegtransport);
  • rijd niet meer dan strikt nodig is;
  • RTK GPS geeft mogelijkheden het transport op vaste paden te leggen;
  • gebruik de technische specificaties uit de bandenboekjes om het maximale uit uw banden te halen.

C:\Users\dam.IRS\AppData\Local\Microsoft\Windows\Temporary Internet Files\Content.Outlook\S0KVKB5E\Figuur 2.10 -SUSY.jpg

Figuur 2.2.7 Ideaal: gunstige omstandigheden, zaaibed maken en zaaien in één werkgang en rijden met een lage bandendruk.

2.3 Vaste spuitpaden in suikerbieten: meer werkbare dagen

Versie: mei 2019

Al jarenlang worden machines groter, breder en zwaarder. Dit geldt ook voor de spuitmachines. Bredere machines vragen om grotere spoorbreedtes. Zwaardere machines vragen om meer of bredere banden om een lage bandendruk te bereiken. Met vaste spuitpaden in suikerbieten kunt u bredere banden gebruiken, dit betekent meer werkbare dagen! Bij een 24-meter-spuit zal dit hooguit één procent opbrengst kosten.

Vooral na natte jaren groeit de belangstelling om bredere banden te monteren onder de zelf­rij­dende spuit of de trekker met de getrokken spuit. Een brede band in combinatie met een lage bandendruk betekent meer werkbare dagen. Dit kan het verschil zijn tussen op tijd en te laat spuiten!

Als men werkelijk bredere banden en een grotere spoorbreedte wil toepassen, is in bieten een systeem met vaste spuitpaden het meest geschikt.

2.3.1 Bieten kunnen compenseren

Het IRS heeft in het verleden onderzocht hoe goed bieten kunnen compense­ren. Het bleek dat een open plek in de rij gedeeltelijk gecompenseerd wordt door een hogere wortelopbrengst van de aan beide zijden naastliggende rijen. Ook de planten in de twee daar­naast liggende rijen kunnen zelfs compenseren.

2.3.2 Hoe vaste spuitpaden aanleggen?

Dit kan op diverse manieren. De meest simpele wijze is tijdens het zaaien geen rekening te houden met de geplande spuitpaden. Dit betekent geen extra tijdverlies en geen kans op fouten in het voorjaar. Met RTK GPS is de kans op fouten minimaal. Een iets geavanceerdere wijze is het element te legen, een element op te tillen (het zaait dan nog steeds) of de aandrijving van een element tijdelijk uit te schakelen, bijvoorbeeld door de ketting van het kettingwiel te halen. Dit kost in het voorjaar wat extra tijd, maar hier staat een geringe besparing op de zaaizaadkosten tegenover. Bij een spuit van 24 meter is dit 4,2% per hectare, afhankelijk van de zaadprijs en zaadhoeveelheid betekent dit globaal tussen 8 en 13 euro per hectare.

Weer iets geavanceerder is een systeem waarbij men de aandrijving per element elektrisch in en uit kan schakelen vanuit de cabine van de trekker.

De meest geavanceerde manier is een zaaimachine met een elektrische aandrijving per element. Men beschikt dan tevens over een elektronische controle of het element ook zaait. Bij een elektrische aandrijving kan men met behulp van een druk op de knop bepaalde elementen uitschakelen. Tevens heeft dit de mogelijkheid om de zaaiafstand in de vier gewasrijen naast de spuitpaden te verlagen van bijvoorbeeld 20 cm naar 18 cm. Dit heeft als voordeel dat de bieten in de rijen naast de spuitpaden minder exceptioneel groeien. Meerrijige oogstsystemen kunnen dan beter kopwerk leveren.

Let op: Wanneer u een element niet laat zaaien, is het spuitpad pas zichtbaar na opkomst.

2.3.3 Ervaringen in het buitenland

In Zweden heeft men het systeem onderzocht bij een rijenafstand van 50 cm en een afstand tussen de spuitpaden van 24 meter. De conclusie was dat de suikeropbrengst circa 1% lager was bij het systeem met spuitpaden.

In Duitsland was de suikeropbrengst 1,4% lager bij spuitpaden op 24 meter en minder dan 1% bij 32 meter.

2.3.4 Conclusie

Veel werkbare dagen vereist een relatief lage bandendruk. Lage bandendruk betekent bij steeds breder en zwaarder wordende machines bredere banden en grotere spoorbreedten. Als men kiest voor een systeem van spuitpaden in aardappelen en suikerbieten, betekent dit voor het laatste gewas waarschijnlijk een niet meetbaar opbrengstverlies. De genoemde onderzoeken in het buitenland gaan uit van spuitbreedtes van 24 meter. Bij een mechanisatiegraad waar de behoefte ontstaat naar grotere spoorbreedten is de spuit vaak breder, zodat het eventuele opbrengstver­lies evenredig geringer is. Dit opbrengstverlies is zeer snel terugverdiend als men in natte perioden toch op tijd kan spuiten en beter rooiwerk is te leveren. Als de spuitpaden systematisch met RTK GPS worden aangelegd, zijn deze ook te gebruiken voor transport om eventuele hierdoor veroorzaakte structuurschade op vaste plekken te leggen.

Aspecten van vaste spuitpaden in bieten:

  • vereist een aangepaste mechanisatie;
  • meer werkbare dagen;
  • beperkt de insporing;
  • eventueel zaaiafstand aanpassen naast spuitpaden;
  • rijenafstand kan 50 cm blijven;
  • minder rooiverlies doordat bieten niet in diepe sporen vallen bij het lichten;
  • bij een afstand tussen de spuitpaden van 24 meter of meer is het eventuele suikerverlies hooguit 1 procent;
  • op tijd kunnen spuiten kan een beter bestrijdingsresultaat tegen lagere kosten (minder bespuitingen) betekenen. Een eventueel opbrengstverlies is dan snel gecompenseerd.

3. Zaaien

3.1 Vroeg of laat zaaien?

versie: november 2022

Het IRS adviseert suikerbieten te zaaien zodra de grond bekwaam is, maar niet vóór 1 maart. Zo vroeg mogelijk zaaien levert geld op en vermindert de (kans op) schade door onder andere aaltjes en rhizoctonia. De extra risicoˈs van vorst zijn zeer gering.

3.1.1 Overwegingen

Het tijdstip van zaaien hangt voornamelijk af van de toestand van de grond. Of deze bekwaam is en zonder versmering en verdichting bewerkt kan worden, zal men met eigen ervaring en inzicht moeten beoordelen.

Een lage temperatuur bij de beginontwikkeling van de planten verhoogt de kans op schieten. Vuist­regel hierbij is dat meer dan veertig dagen met een maximumtemperatuur onder 12ºC later in het seizoen een schieterprobleem kan veroorzaken. De kans op een dergelijk aantal koude dagen is bij zaai in februari nog groot. Vanaf begin maart is de kans daarop kleiner, mits de ver­wachte maximumtemperatuur in de erop volgende periode van tien dagen niet te vaak onder de 12ºC blijft. Rassen met resistentie tegen rhizoctonia en/of bietencysteaaltjes zijn wat gevoeliger voor schieten. Let bij deze rassen extra goed op de weersverwachting bij vroege zaai en zorg voor een vlotte opkomst, onder andere door niet te diep te zaaien en een goed zaaibed klaar te leggen.

Vroeg zaaien kan betekenen dat de opkomst trager is door een lage temperatuur. Het is dan extra belangrijk om voor een goede conditie van het zaaibed te zorgen. Wordt op korte termijn na het zaaien hevige regen voorspelt, dan is het beter te wachten op percelen die gevoelig zijn voor korstvorming. Zaai ook niet te diep en neem eventueel een iets nauwere zaaiafstand (bijvoorbeeld 19 in plaats van 22 cm).

De risicoˈs op aantasting door kiemschimmels zijn door de bescherming door fungiciden in de pil gering. Zie voor meer informatie het gewasbeschermingsbulletin. Door het verbod op neonicotinoïden vanaf 2019 is de kans op schade door plaaginsecten in het beginstadium van de ontwikkeling groter dan voorheen. Bij ondiepe zaai is er een grotere kans op muizenschade. Houd daarmee rekening en bied zo nodig op tijd alternatief voer aan.

Andere ziekten (bijvoorbeeld bietencysteaaltjes en rhizoctonia) ontwikkelen zich juist pas later in het seizoen. Vroeg gezaaide bieten zijn dan verder in ontwikkeling en hebben al een zekere weerstand. In dat geval kan vroeg zaaien meehelpen deze ziekten goed te beheersen. Bij een droogtegevoelige grond is vroeg zaaien van belang om tijdig een diep wortelstelsel te krijgen.

3.1.2 Vroeg zaaien levert extra groei en dus financieel rendement op

Vroeg zaaien van de bieten leidt gemiddeld door de jaren heen tot extra groei en geeft daardoor een hogere financiële opbrengst. Met behulp van het groeimodel SUMO zijn de verbeteringen gekwantificeerd (zie tabel 3.1.1. en figuur 3.1.1.). Met dit groeimodel kan een opbrengstprognose berekend worden op basis van zaaidatum en dagelijkse weergegevens.

Tabel 3.1.1 Berekeningen met het groeimodel SUMO bij gemiddeld weer en een bietenprijs van €45,-.

zaaidatum wortelopbrengst

(t/ha)

suikeropbrengst

(t/ha)

verschil in financiële

opbrengst t.o.v. 1 maart

(€/ha)

01 maart 96,1 16,7
15 maart 93,6 16,2 -144
31 maart 89,8 15,4 -292
15 april 84,8 14,4 -525
30 april 78,5 13,1 -843
15 mei 70,7 11,4 -1271

Figuur 3.1.1 Invloed van zaaidatum op wortel- en suikeropbrengst, berekend met
SUMO op basis van gemiddeld weer. Elke dag uitstel van zaaien kost
in maart gemiddeld ruim 200 kg wortelopbrengst per dag. In april is
dat circa 375 kg per dag en in mei 600 kg per dag.

3.1.3 Geen extra vorstrisicoˈs bij vroeg zaaien

Jonge bietenplanten zijn net na opkomst het meest gevoelig voor vorst, vooral bij grote ver­schil­len tussen de dag- en de nachttemperatuur. Het aantal dagen met flinke vorst aan de grond (zie tabel 3.1.2.) neemt vanaf de tweede decade van maart tot ver in april bijna niet af. Dat betekent dat vroege zaai vanaf begin maart het risico op bevriezen van de bietenplanten weinig ver­hoogt, omdat het pakweg twee weken duurt voordat de bieten boven staan.

Tabel 3.1.2 Gemiddeld aantal nachten met temperaturen onder -3°C op 10 cm hoogte per decade (periode 1986-2005; bron: KNMI).

februari maart april
station/decade III I II III I II III
Eelde 2,9 2,7 1,6 2,2 1,7 1,8 1,1
Rotterdam 2,4 2,5 1,7 1,9 1,7 1,1 0,7
Volkel 2,9 2,8 2,5 2,7 2,3 1,6 0,8

Er is dus geen reden om het zaaien uit te stellen vanwege vorstrisico. Probeer wel te vermijden dat in het vroege voorjaar de bovengrond los wordt gemaakt, daar dat bij nachtvorst een snelle afkoeling van de luchtlaag erboven bevordert. Dus niet schoffelen in perioden dat nachtvorst kan voorkomen.

3.2 Zaaimachines

versie: maart 2020

Vrijwel al het suikerbietenzaad wordt gezaaid met mechanische precisiezaaimachines. In sommige gevallen wordt een pneumatische zaaimachine gebruikt. Bij een pneumatische zaai­machine worden de zaadjes uit de zaadbak op de zaaischijf meegenomen met behulp van een onderdruk (vacuüm) of overdruk (Becker/Kongskilde Demeter Aeromat). Een mechanische zaaimachine gebruikt geen lucht, maar heeft zaaischijven die de zaadjes uit de zaadbak mee­nemen met behulp van gaatjes. De essentie van de werking van een pneumatische zaaimachine komt verder grotendeels overeen met die van een mechanische precisiezaai­machine.

Wanneer een pneumatische zaaimachine wordt gebruikt van het onderdrukprincipe, moet de luchtstroom naar het grondoppervlak of in de grond worden gericht via zogenaamde deflectoren.

3.2.1 Werking mechanische precisiezaaimachine

Twaalfrijige mechanische precisiezaaimachines zaaien het grootste deel van het areaal. Een zaaielement bestaat uit een aantal essentiële onderdelen, zie figuur 3.2.1 Het begint met een kluitenruimer om stenen en eventueel grove kluiten weg te schuiven. De voorlooprol dient om het zaaibed enigszins aan te drukken en is een onderdeel van de zaaidiepteregeling. Het zaaikouter dient een scherpe voor te maken, waar het zaadje in komt te liggen. Eén of meerdere aandrukrollen zorgen voor goed contact tussen zaad en grond om het voor kieming benodigde vocht bij het zaad te krijgen en het toedekken van het zaad met losse grond. Het zaaihuis, met een voorraadbak en een zaaischijf, zorgt voor het gedoseerd toestromen van het zaad naar de zaaivoor.

We kennen buitenvullers en binnenvullers. Buitenvullers hebben langzaam draaiende schijven met 36 tot 60 gaatjes, die de zaadjes meenemen uit de voorraadbak (zie figuur 3.2.1). Nieuwe machines zijn bij alle merken praktisch alleen nog maar binnenvullers. Deze machines zijn niet geschikt voor het verzaaien van naakt zaad. Ze hebben zaaischijven met vier tot acht cellen en hierbij is de omtreksnelheid van de zaaischijven praktisch gelijk én tegengesteld aan de rijsnelheid (zie figuur 3.2.2). Hierdoor valt het zaadje vrijwel zonder horizontale snelheid recht omlaag. Het zaadje verrolt in de zaaivoor minder snel dan bij de zaaischijven met veel cellen. IRS-onderzoek heeft aangetoond dat met binnenvullers de onderlinge plantafstanden regelma­tiger zijn en dat dit de oogstbaarheid van de bieten vergroot (betere kwaliteit kopwerk: minder te diep gekopte bieten en minder bladresten).

teelt6

Figuur 3.2.1 Zaaielement van een buitenvuller met een schematische weergave van de werking van de onderdelen. (Bron: Kverneland Accord)

teelt7

Figuur 3.2.2 Het zaaihuis van een binnenvuller met vijf cellen in de zaai-schijf. (Bron: Kverneland Accord) O=omtreksnelheid, R=rijsnelheid

Telkens moet er één zaadje worden meegenomen. Dit is alleen mogelijk wanneer de afmetin­gen van de cellen en de zaadjes met elkaar in overeenstemming zijn. Afstrijkers zorgen ervoor dat er slechts één zaadje in elke cel zit (bij sommige binnenvullers ontbreken afstrijkers). Uitwerpers verwijderen de zaadjes die niet zonder meer de cel verlaten.

De zaadjes moeten niet alleen op regelmatige onderlinge afstand komen te liggen, maar ook op goede diepte.

Drukrollen

Drukrollen zijn er in diverse uitvoeringen. Een conische drukrol met een rubberen Monoflex band of twee drukrollen in V-vorm geven over het algemeen de hoogste veldop­komst met de minste spreiding (figuur 3.2.3 en 3.2.4). De vingerdrukrol wordt vooral geadviseerd op droge, zware gronden.

monoflexband bron kverneland

Figuur 3.2.3 Monoflex drukrol. (Bron: Kverneland)

H:\Temp\zaaien&planten_machine-84.jpg

Figuur 3.2.4 Twee drukrollen in V-vorm.

Rijsnelheid

Het zaairesultaat wordt niet alleen bepaald door de perfectie en afstelling van de machine, maar ook door de rijsnelheid. De gewenste rijsnelheid is bij buitenvullers ongeveer 5 km per uur, bij binnenvullers tot ongeveer 7 km per uur. Wordt er sneller gereden dan 7 km per uur, dan kan de bedekking van het zaad onregelmatig worden door een onrustige loop van de zaaielementen (afhankelijk van de kwaliteit van het zaaibed). Ook kan het aantal missers toenemen, omdat het zaad onvoldoende tijd krijgt om in de cel te komen (afhankelijk van de zaaischijf en zaaiafstand; bepalend is in dit geval de omtreksnelheid van de zaaischijf). Bij binnenvullers kan het aantal missers toenemen bij een te lage rijsnelheid, omdat de centrifugaalkracht onvoldoende is om de cellen te vullen en/of gevuld te houden.

3.2.2 Onderhoud

Het onderhoud van de zaaimachine is een jaarlijks terugkerende klus. Het is echter noodzakelijk voor het goed blijven functioneren van de zaaimachine en daarom heeft het IRS in samenwerking met LandbouwMechanisatie een poster over het onderhouden en afstellen van de mechanische presiciezaaimachine gemaakt. Hij is tezamen met COSUN Magazine december 2012 door de abonnees ontvangen. De poster met tips over het onderhoud en afstellen van de zaaimachine vindt u hier: de poster.

Algemeen

Door een verkeerde afstelling of slijtage van onderdelen, zoals afstrijkers, uitwerpers, zaai­schij­ven en dergelijke, kunnen zaadjes beschadigen. Controleer deze onderdelen dan ook regelmatig en vervang ze wanneer slijtage is opgetreden. Verder is het van groot belang dat de cellen in de zaaischijven schoon zijn in verband met de vulling.

Begin met het schoonmaken van de machine. Controleer lagers, kettingen, markeurs en schar­nierpunten. Ze moeten soepel en zonder speling bewegen. Bij meerdere aandrijfwielen kan verschil in bandendruk een verschil in zaaiafstand tussen elementen geven.

Indien de zaaimachine voorzien is van een zogenaamde doorzaai-inrichting, let er dan op dat de snijschijven scherp zijn.

Alles op een lijn

Zorg dat de afzonderlijke onderdelen van de elementen in elkaars verlengde staan. Toedek­organen die niet midden boven het zaad lopen, geven geen juiste toedekking van het zaad. Let erop dat de zaaielementen haaks ten opzichte van de bevestigingsbalk staan. Vooral bij verticaal opklapbare delen krijgen de buitenste elementen tijdens het transport soms grote schok­ken. Controleer de rijafstand, meet deze tussen de punten van de kouters.

Zaadbreuk

De afstand tussen afstrijkrol en zaaischijf moet bij de Monozentra 0,7 mm zijn en bij de Hassia Exakta 1,45 mm (beide met een speling van 0,1 mm). Meet dit op vier plaatsen aan de omtrek van de schijf. Soms hebben machines te kampen met zaadbreuk. De oorzaak is een te krappe of te ruime afstand tussen afstrijkrol en zaaischijf. Bij de Monozentra kan dit al optreden bij een afstand van <0,6 mm.

Zaaischijven

De zaaischijf zorgt voor de afstand tussen de planten in de rij, door de omtreksnelheid en het aantal cellen ten opzichte van de rijsnelheid. Ook zorgt de zaaischijf ervoor dat er op elke plaats één zaadje en dus één plant komt. Het contact met het zaad en het continu draaien van de schijven betekent dat ze kunnen slijten. Een versleten zaaischijf kan leiden tot meer dubbelen of meer missers, soms in combinatie met pilbreuk. Het effect hiervan staat beschreven in paragraaf 3.2.4 ˈHet effect van goede zaaischijvenˈ.

Schijven van buitenvullers, zoals de Monozentra en Hassia Exakta, kan men zelf niet keuren; de meting van de diepte van de cellen vereist precisieapparatuur. Stuur deze op naar het IRS, zie paragraaf 3.2.3 ˈHet keuren van zaaischijvenˈ. Bietentelers en loonwerkers kunnen de zaaischijven van binnenvullers, zoals van de Monopill, zelf controleren (zie figuur 3.2.5). De celgrootte bepaalt in eerste instantie of elke cel wordt gevuld met precies één zaadje. De celdiameter is te contro­leren met een een­vou­dige meetstift. Het principe is heel eenvoudig: past de stift met het smalle gedeelte in de cel, dan is de cel te groot. Deze meetstift wordt bij de machine geleverd. Mocht u niet meer be­schik­ken over een dergelijke stift, dan kunt u een nieuwe meet­stift aan­vragen bij de importeur of de schijven opsturen naar het IRS.

Figuur 3.2.5 Met een speciaal meetstiftje zijn de schijven van de Monopill te controleren. (Bron: Kverneland Accord)

Als volgens deze meetmethode de schijven nog goed zijn, dan moet de schijf gecontroleerd worden op slijtage, zie figuur 3.2.6.

3zaaischijf-1

Figuur 3.2.6 Drie schijven van de Kverneland Monopill. De linker schijf vertoont geen slijtage, de middelste heeft een putje van 1,5 mm. De rechter schijf heeft een putje van 2,5 mm en kan men beter vervangen.

Bij de Monopill is een 4-mm-zaaischijf aan te bevelen.

Speling van het lager van de as waarop de zaaischijf is bevestigd, heeft een nadelige invloed op een goede cel­vulling. Bij het monteren van de zaaischijf moeten de letters op de zaaischijf zichtbaar blijven. De Monopill heeft een kunststof uitstrijker. Deze rust met wat druk tegen de zaaischijf. Bij slijtage wordt deze druk minder. Wanneer deze zo ver is versleten dat ze tegen de afdekplaat rust en praktisch vrijloopt van de zaaischijf, is het zaak de uitstrijker te vervangen.

Bij de Kleine Unicorn moet een staafje van 5,0 mm in de cel passen, een afwijking van 0,1 mm mag nog. Hierbij gelden twee voorwaarden: de zaaischijf moet gemonteerd zijn en het staafje moet in de richting van het midden van de zaaischijf wijzen, dus als het ware schuin ten opzichte van de cel. Als dit niet past, moet de storing verholpen worden. De Unicorn heeft een uitwerpplaatje. Dit moet zo ingesteld worden dat het nét vrijloopt van de zaaischijf.

Bij de Meca 2000 van Monosem moet men de cellen controleren met een schuifmaat. De diameter moet 5,5 mm (speling: 0,1 mm) zijn. In het zaaihuis zit een borsteltje dat eventuele vastzittende zaden verwijdert. Dit is nastelbaar, bij slijtage moet men de borstel iets naar buiten verplaatsen.

Bij de Monozentra kan na langdurig gebruik van pillenzaad een slijtgroef in het zaai­huis ontstaan, zie figuur 3.2.7. Kleinere zaden kunnen op den duur zo eerder de cel verlaten, zodat de zaden op een onregelmatige afstand komen te liggen. Deze groef vullen met vloeibaar staal is een lastige klus, omdat het moeilijk hecht aan het zaaihuis. Een betere oplossing is een zaaistrip te (laten) monteren. Het huis moet hiervoor eerst afgedraaid worden om ruimte te maken voor de strip. De Hassia Exakta kent dit probleem van de slijtgroef niet.

teeltmapslijtgroef fig 6

Figuur 3.2.7 Bij dit zaaihuis is een slijtgroef zichtbaar.

Zaaidieptecontrole

Controleer de zaaidiepte door de elementen op een vlakke vloer en de wielen op een verhoging te plaatsen, zie figuur 3.2.8.

zaaidiepte bepalen

Figuur 3.2.8 Voor de juiste zaaidiepte controleert men alle elementen afzonderlijk.

Kies een instelling van de zaaidiepte waarbij de kouters de vlakke vloer net niet raken. Als het verschil tussen de elementen groter is dan vijf millimeter, probeer dan eerst de oorzaak op te zoeken. Soms is enige speling in de bevestigingspunten van het element aanwezig. Gebruik deze om de elementen gelijk te zetten. Ook slijtage van zaaikouters kunnen afwijkende zaai­diepten veroorzaken. Soms is verschil in zaaidiepte tussen afzonderlijke elementen niet te verhelpen. Een handige oplossing is dan een verstelbare aanduiding van de zaaidiepte, zodat alle elementen precies gelijk gezet kunnen worden, zie figuur 3.2.9.

zaaidieptereg1

Figuur 3.2.9 Een verstelbare aanduiding van de zaaidiepte.

Kouters

Kouters moeten scherp zijn. Dit bevordert een goede plaatsing van het zaad. In een smalle zaai­voor verrolt het zaadje minder, waardoor de onderlinge plantafstand regelmatiger is. In een smalle zaaivoor heeft het zaadje ook een beter contact met de vochtige ondergrond. Dit is gun­stig voor een snelle en hoge veldopkomst.

kouterdetail1

Figuur 3.2.10 Links een scherp kouter met de juiste druppel­vorm, rechts een versleten kouter.

De onderzijde van het kouter heeft een soort druppelvorm, vier millimeter breed en vijf millimeter hoog. Wanneer door bijvoorbeeld niet-kerende grondbewerking (eventueel in combinatie met een groenbemester) veel gewasresten op het perceel aanwezig zijn, dient men de zaaimachine met schijfkouters uit te rusten om stropen te voorkomen (figuur 3.2.11). Ook wordt aanbevolen om de toestrijker te vervangen door een of twee schijfjes (figuur 3.2.12).

Figuur 3.2.11 Het monteren van een schijfkouter voorkomt stropen op percelen met veel gewasresten.

Figuur 3.2.12 Twee schijfjes die dienen als toestrijker. Op percelen met veel gewasresten aan de oppervlakte voorkomt dit stropen.

3.2.3 Het keuren van zaaischijven

Een goed werkende zaaischijf is een eerste vereiste voor goed zaaiwerk. Slijtage en bescha­digingen aan de schijven kunnen het zaaibeeld sterk benadelen. Bietentelers en loonwerkers kunnen al enige jaren de zaaischijven van de bietenzaaimachine laten keuren door het IRS, zie figuur 3.2.13.


Figuur 3.2.13
Verloop van het aantal goed- en afgekeurde zaaischijven door het IRS.

Het IRS heeft de indruk dat er nog flink wat zaaimachines van het type buitenvuller worden gebruikt voor het bieten zaaien, waarvan niet regelmatig (eens per vier jaar of iedere 250 hectare) de zaaischijven worden gekeurd. Zaaischijven van binnenvullers kan men vaak gemakkelijk zelf keuren, zie paragraaf 3.2.2 ˈOnderhoudˈ. Op verzoek keurt het IRS deze schijven ook.

De celgrootte bepaalt in eerste instantie of elke cel wordt gevuld met precies één zaadje.

De test geeft uitslag over wel of niet meer geschikt zijn van de zaaischijven voor het verzaaien van bietenzaad. Het IRS voorziet de gekeurde schijven van een keurmerk, met daarbij vermeld het jaartal van keuring. Het keurmerk geeft aan of de schijf goed- dan wel afgekeurd is. De inzender van de zaaischijven ontvangt een keuringsrapport.

Om een indruk te krijgen van de zaaischijvenkeuring, kunt u op de website van Boerderij de fotoreportage ˈZaaischijvencontrole voor goede start nieuwe groeiseizoenˈ bekijken.

1528

Figuur 3.2.14 Een micrometer meet de celdiepte van de schijf.

De keuring is gratis, als de volgende voorwaarden worden nageleefd:

  • de inzender van de schijven betaalt de verzendkosten;
  • nummer de schijven zodat u weet uit welk element ze komen;
  • stuur alleen zeer goed gereinigde schijven en uitwerpers op;
  • schijven aanbieden in een stevige verpakking, zorg dat ze niet kunnen beschadigen tijdens het transport;
  • op en in de verpakking duidelijk naam, straat, postcode, woonplaats en telefoonnummer van de afzender vermelden.

Zaaischijven insturen kan jaarlijks van begin november tot eind januari. Houd de berichtgeving in de gaten voor de exacte data voor het komende seizoen.

De schijven kan men sturen naar:

IRS t.a.v. Zaaischijvenkeuring

p.a. Cosun innovation center

Kreekweg 1

4671 VA Dinteloord

3.2.4 Het effect van goede zaaischijven

Het contact van de zaaischijf met het zaad en het continu draaien van de schijven betekent dat ze kan slijten. Een versleten zaaischijf kan leiden tot meer dubbelen, meer missers of pilbreuk, afhankelijk van het type zaaimachine. Dit verslechtert de kwaliteit van het zaaien: meer dub­bele planten, meer missers en een grotere variatie in plantafstand. Belangrijk is dus te zorgen dat de zaaischijf aan de daarvoor gestelde normen voldoet. Hiervoor kunnen de zaaischijven naar het IRS worden opgestuurd voor de zaaischijvenkeuring, zie paragraaf 3.2.3.

Demonstratie ˈZaaischijvenˈ op Beet Europe 2010

Op het terrein van Beet Europe 2010 lag een demonstratie van het effect van goed- en afgekeur­de zaaischijven. De zaaischijven waren van het type Monopill (figuur 3.2.15). In een twaalfrijige zaaimachine werden zes goedgekeurde en zes afgekeurde zaaischijven gemonteerd. De afge­keurde zaaischijven hadden elk slechts één of twee cellen (van de in totaal vijf) waar de paspen doorheen viel. Van alle 42 rijen op het demonstratieveldje is de afstand van plant tot plant gemeten en het aantal dubbelen en missers genoteerd.

IRS_Teelt-zaaischijf-11

Figuur 3.2.15 Twee van de gebruikte zaai­schijven op de demonstratie bij Beet Europe 2010. De zaai­schijven van het type Monopill zijn afgekeurd als het smalle gedeelte van de meegeleverde paspen door één of meer cellen van de schijf heen kan steken (bovenste schijf). Bij een goedgekeurde schijf blijft de paspen in de cel steken (onderste schijf). Het verschil is een fractie van een millimeter.

Het resultaat was een grotere variatie in afstand tussen de planten en significant meer missers bij de afgekeurde zaaischijf (figuur 3.2.16). Door de onregelmatigere stand wordt het goed koppen bij de oogst ook moeilijker (figuur 3.2.17). Het kopmes van de bietenrooier heeft tijd en daardoor ruimte tussen twee opeenvolgende planten nodig om zich goed af te stellen. Bij gemiddelde rooisnelheden is dit een fractie van een seconde. Wanneer de planten onregelmatig staan, gaat de kwaliteit van het kopwerk variëren. Bij planten die te dicht op elkaar staan, zoals in figuur 3.2.17 op de rechter foto, is de kans groot dat één of zelfs beide planten niet optimaal worden ge­kopt.

BE06 zaai-goed DSC_7406 BE07 zaai-slecht DSC_7409

Figuur 3.2.16 Fotoˈs van de demonstratie ˈZaaischijven 2010ˈ in Lelystad, genomen in juni: links het resultaat van het zaaien met goedgekeurde en rechts met afgekeurde schijven van de Monopill. Bij de drie goedgekeurde zaaischijven was de plant­afstand homogener en waren er minder missers. Bij de afgekeurde zaaischijven nam het aantal missers sterk toe.

IMG_4543 IMG_4538

Figuur 3.2.17 Foto van de demonstratie in oktober ˈZaaischijven 2010ˈ in Lelystad. Links staan de bieten op 22 cm en rechts op 15 cm. Bij versleten zaaischijven nam de variatie in plantafstand toe. De bieten stonden onregelmatiger. Dit beïnvloedt de kwaliteit van het kopwerk. Voor een goede oogst­kwaliteit is een regelmatig gewas belangrijk.

Overige typen zaaimachines

Ook de zaaischijven van andere typen zaaimachines zijn aan slijtage onderhevig. Zo kunnen de cellen van de buitenvullers (Hassia Exakta en Monozentra) uitslijten, hierdoor neemt de kans op dubbelen en breuk van de pil toe. Wanneer stukjes van de afgebroken pil worden gezaaid, neemt ook het aantal missers toe. Bij andere binnenvullers, zoals bijvoorbeeld de Kleine Unicorn, neemt bij slijtage de grootte van de cellen toe en daardoor ook het aantal dubbelen sterk toe (figuur 3.2.18 en 3.2.19).

IMG_4346

Figuur 3.2.18 Links een goedgekeurde en rechts een afgekeurde zaaischijf van de Kleine Unicorn.

gewasstand_slecht-75

Figuur 3.2.19 Door slijtage aan de zaaischijven neemt de kans op dubbelen toe.

3.3 Zaaidiepte

versie: maart 2020

Precisiezaai vereist een prima zaaibed; vlak, niet te grof maar ook niet te fijn, met een egale dikte van 3-4 cm op een vlakke, bezakte ondergrond met zo min mogelijk wielsporen. Een juiste zaaidiepte is zeer belangrijk. Bietenzaad hoort op de vaste ondergrond te liggen, bedekt met 1,5 à 2 cm losse grond. Naarmate men later zaait en de grond zwaarder is, moet de bedekkings­hoogte iets groter zijn, 2 à 3 cm. In een los of te diep los gemaakt zaaibed zaait men gemakke­lijk te diep. Als noodmaatregel kan men de kluitenruimer gebruiken om een beetje losse grond opzij te schuiven. Met de toestrijkers kan meer of minder losse grond op het zaad gebracht worden. Maak gebruik van de mogelijkheden die de zaaimachine biedt.

Een scherp zaaikouter maakt een smalle scherpe zaaivoor, die een goede plaatsing van het zaad bevordert.

De onderstaande figuur (3.3.1) geeft een beeld van de ideale ligging van het zaad. Ook toont dit dat een goede vlakligging van de UonderkantU van het zaaibed van groot belang is en dat insporing tot het minimum beperkt moet worden.

teelt10

Figuur 3.3.1 Een tekening van het ideale zaaibed.

Controleer tijdens het zaaien regelmatig de volgende aandachtspunten:

  • zaaidiepte
  • zaaiafstand en zaairegelmaat1
  • zaaisnelheid
  • afstand tussen de aansluitrijen
  • zaadvoorraad in de zaadbakken
  • bedekken en aandrukken van het zaad
  • losse bovenlaag
  • verstopping kouters

De werkelijke zaaiafstand kan afwijken van de tabel op de machine. Negatieve wielslip van een aandrijfwiel kan hiervan een reden zijn.

De slip wordt groter naarmate het zaaibed losser is. Bijvoorbeeld bij zandgronden als de kopakkers geploegd zijn zonder vorenpakker en het perceel met vorenpakker. Bij twaalf- of meerrijige machines zijn er vaak meerdere aandrijf­wielen. Als de buitenste aandrijfwielen niet in een trekkerspoor lopen en de binnenste aan­drijfwielen wel, dan kan er verschil in wielslip en dus verschil in zaaiafstand bestaan. Een andere mogelijkheid is een verkeerde bandspanning van het aandrijfwiel. Het geheel kan gemakkelijk leiden tot een afwijking van 10%, zeg maar 2 cm. Bij elektrisch aangedreven zaaimachines speelt bovenstaande problematiek geen rol.

3.4 Zaaiafstand en standdichtheid

versie: november 2022

Uit onderzoek van het IRS in de jaren 1997, 1998 en 1999 bleek dat de standdichtheid in het traject van 55.000 tot 105.000 planten per hectare niet van grote invloed is op de suiker- en wortelopbrengst en, bij de toen geldende bieten- en zaadprijs, op het saldo van de bietenteelt (zie tabel 3.4.1). Met een bietenprijs van 45 euro is de financiële opbrengst berekend. Het saldo is, met aftrek van de kosten voor bietenzaad, met een bietenzaadprijs van 225 euro per eenheid anno 2022 berekend.

Tabel 3.4.1 Plantaantal, wortelopbrengst, suikergehalte, suikeropbrengst, grondtarra en saldo per zaaiafstand. Gemiddelden van acht proeven in de periode 1997-1999, uitgedrukt in verhoudingsgetallen, waarbij de uitkomst bij 84.000 planten/ha = 100

zaai-
afstand
(cm)
plantaantal
(1000/ha)
wortel-
opbrengst
suiker-
gehalte
suiker-
opbrengst
grond-
tarra
fin.
opbr
2022
saldo
2022
38,6

26,0

19,7

15,9

13,3

11,1

43

65

84

105

125

142

96

100

100

97

98

93

98

99

100

99

100

101

94

99

100

98

98

94

83

93

100

107

117

123

92

98

100

96

98

94

96

100

100

94

94

87

Bij hogere plantaantallen daalt de externe kwaliteit (grondtarra neemt toe) en stijgt de interne kwaliteit (suikergehalte). De wortelopbrengst, suikeropbrengst en het saldo bereiken de hoogste waarden tussen de 62.000 en 84.000 planten per hectare. Op basis van de huidige verrekening is het saldo licht verschoven; de lagere kosten voor zaaizaad leiden op basis van de acht proeven tot een iets hoger saldo bij een zaaiafstand van 26 centimeter. Het saldo wordt ook beïnvloedt door de verschillende opkomstpercentages in de proeven.

Om het optimum te bepalen zijn van alle behandelingen uit het bovengenoemde onderzoek de berekende saldoˈs uitgezet tegen de plantaantallen (figuur 3.4.1). Het optimum lag bij ongeveer 72.500 planten per hectare. Voor zand- en dalgrond lag het optimum iets hoger.


Figuur 3.4.1
De relatie tussen het saldo als verhoudingsgetal en het plantaantal.

Op basis van dit onderzoek en van ervaringen in de praktijk is het algemene advies: streef naar een homogeen plantbestand tussen 70.000 en 90.000 per hectare. Het gewenste aantal planten verschilt per perceel binnen de aangegeven range. Factoren die hierop van invloed zijn:

  • zaaitijdstip. Bij vroege zaai zal het advies iets hoger liggen dan bij late zaai;
  • perceelsomstandigheden. Weet een teler welke veldopkomst hij kan verwachten, dan kan het advies daarop worden aangepast. Als dat niet goed te voorspellen is (bijvoorbeeld als het niet zijn eigen grond is), dan zal voor de zekerheid een plantaantal in de bovenste range van het advies gekozen moeten worden;
  • onkruiddruk, bladbedekking. Op percelen met een hoge onkruiddruk is een hoger plant­aantal gewenst;
  • risicoˈs van insectenschade (o.a. door voorvrucht). Deze kan invloed hebben op wegval van planten (bijvoorbeeld door emeltenschade na een graszaadteelt). Streef in die gevallen een hoger plantaantal na;
  • weersomstandigheden voor en na de zaai en zaaibedkwaliteit. Bij ongunstige omstandig­heden een hoger plantaantal nastreven dan bij gunstige omstandigheden.

De benodigde zaaiafstand is te berekenen met de formule:

zaaiafstand = 20.000 × verwachte veldopkomst (%) / gewenst plantaantal.

Wanneer men zeker is van een gebruikelijke veldopkomst (80% of hoger), kan met een zaaiafstand van 23 cm een plantaantal van 70.000 behaald worden. Is de verwachte veldopkomst lager (70%) en wil de teler een plantaantal van 80.000 planten, dan zal hij een zaaiafstand van 18 cm moeten gebruiken. Het is echter altijd beter om de oorzaken voor een lage veldopkomst weg te nemen dan om de lage veldopkomst te compenseren door nauwer te zaaien. In het laatste geval zal het gewas onregelmatiger zijn en meer gaten vertonen.

3.5 Overzaaien of niet overzaaien

versie: december 2022

De opkomstperiode is elk jaar opnieuw een spannende aangelegenheid. Tel regelmatig de opkomst en beoordeel de regelmaat van de stand van de bieten. Om eventuele verschillen in zaaimachine-elementen te constateren, gaat men als volgt te werk: zet diagonaalsgewijs op het perceel een aantal telstroken uit van tien meter rijlengte en het aantal rijen van de gebruikte zaaimachine. Het gemiddeld aantal planten per tien meter rij vermenigvuldigd met 2000 geeft het plantaantal per hectare. Doe dit tijdens de opkomst om de dag en daarna wekelijks. Men krijgt dan een betrouwbaar beeld van de standdichtheid en weet of er nog planten bijkomen of juist planten wegvallen. Hierbij kan de temperatuursom als leidraad dienen.

Temperatuursom = som van (dagelijkse gemiddelde etmaaltemperatuur - 3) vanaf zaaien, waarbij negatieve waarden niet worden meegeteld

Gemiddeld is de 50%-opkomst bereikt bij 90 graaddagen. Bij een gemiddelde etmaaltempe­ra­tuur van 12°C is de opkomst na 90/(12-3) = 10 dagen.

Met behulp van de applicatie ˈ(Over)zaai, opkomst en groeiˈ kan iedereen zijn of haar eigen zaaidatum invoeren en laten berekenen wanneer de opkomst- en groeipuntsdatum bereikt worden.

Behalve het plantaantal per hectare speelt ook de plantverdeling een belangrijke rol. Met een plantaantal van 40.000 à 50.000 per hectare kan nog een redelijke opbrengst per hectare worden gehaald, als deze planten regelmatig over het veld verdeeld zijn. Men moet dan ook niet te snel tot overzaaien besluiten. Wanneer de verwachte hogere opbrengst bij overzaaien alleen als surplussuiker (tegen wereldmarktprijs) kan worden afgezet, is overzaaien nog minder zinvol. De extra kosten bedragen, afhankelijk van de keuze van het zaaizaad, de grondbewerking en de onkruidbestrijding, 200 tot 350 euro per hectare. Vooral wanneer laat wordt overge­zaaid, is er sprake van een korte groeiperiode met als gevolg een aanzienlijke opbrengstderving. Bij de afweging overzaaien of niet overzaaien, dient men naar de oorzaak van de slechte opkomst te kijken en na te gaan of er nog kansen op herstel zijn.

Wanneer er te ondiep gezaaid is en er daardoor zaden nog niet gekiemd zijn, kan na regen nog wel herstel optreden. Wanneer er sprake is van vreterij, moet men nagaan of aan dit uitdun­ningsproces al een einde is gekomen of niet. Bij nachtvorst-, hagel- en stuifschade moet worden nagegaan of het groeipunt wel of niet dood is. Zo niet, dan zijn er nog kansen op herstel. Als er sprake is van een harde, droge korst treedt er vaak na regen en hoge temperatuur een verbete­ring op in de opkomst. De korst moet dan niet al te dik zijn. Als men besluit om de korst mechanisch te breken, dan moet dit ˈs ochtends vroeg gebeuren met een lage rijsnelheid. Er zijn verschillende mogelijkheden om dit te doen. Volveldsrollen met cambridgerollen of gladde rollen raden we af. De drukverschillen over de werkbreedte zouden plantjes kunnen beschadigen op plekken met hoge druk of geen effect hebben op plekken waar de korst niet geraakt wordt. Dieptewiel­tjes (Farmflexbandjes) van schoffelapparatuur kunnen redelijk goed werk leveren.

De beste uitvoering van korstbreekapparatuur bij een proef in 1992 is te zien op figuur 3.5.1. De pijl geeft het element aan. Het bestond uit een velg van een kruiwagenwiel met daarop stukken hoekijzer gelast.

Goede praktijkervaringen zijn er ook met de elementen van de zaaimachine, waarbij het kouter is verwijderd. Tevens zijn er ook ervaringen opgedaan met een wiedeg. Dit heeft een positief effect zolang de korst niet te dik is.

Als de groei van de bieten reeds zover is dat de eerste bieten reeds boven staan, is men eigen­lijk te laat. Een vrij groot gedeelte van de plantjes zit dan waarschijnlijk al in de korst en zal een bewerking niet overleven. Is men er wat vroeger bij, de planten staan nog niet boven en de grootste planten zitten nog onder in plaats van in de korst, dan kan het voordelig zijn om de korst te breken. Pas er wel voor op dat de korst niet gaat schuiven maar alleen breekt, zeker als de kiemen al in of tegen de korst zitten. Een schuivende korst kan de bieten die erin vastzitten afbreken. Dit is enigszins te regelen door de druk op de wieltjes en de rijsnelheid te variëren. Een stukje proberen met een bepaalde afstelling en dan controleren is de beste werkwijze. Een beregening van circa 15 mm met een niet te grove druppel kan het bietenplantje ook net door de korst helpen. Hierover staat meer informatie in paragraaf 4.15.1.

teeltmap fig 13

Figuur 3.5.1 Verschillende uitvoeringen van apparatuur om een korst te breken. Bij een proef in 1992 gaf het aangegeven element de beste resultaten; veel haarscheuren in de korst zonder beschadiging van de kiemplantjes.

De beslissing tot het al of niet overzaaien, moet men niet onnodig lang uitstellen. Hierbij moet men rekening houden met het zaaitijdeffect en onderscheid maken of het perceel in de Flevo­polders of elders ligt. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat bieten op gronden in de Flevo­polders meer kunnen compenseren. Overzaaien na 26 mei of bij plantaantallen boven de aantal­len die zijn genoemd in tabel 3.5.1, is niet rendabel. Wanneer bijvoorbeeld op 8 april is gezaaid en op 28 april wordt overwogen om over te zaaien, dan is het kritieke plantaantal 40.000 per hectare. Voor de Flevopoldergronden geldt dat het kritische plantaantal, ongeacht de zaaidatum en overzaaidatum, ruim 10.000 planten per hectare lager is dan genoemd in tabel 3.5.1 Dit is bepaald op basis van PPO-agv-onderzoek en berekening met SUMO. Is het plantaantal op dat moment hoger, dan is het niet rendabel om over te zaaien.

 

zaai-datum

overzaaidatum
11/3 15/3 19/3 23/3 27/3 31/3 4/4 8/4 12/4 16/4 20/4 24/4 28/4 2/5 6/5 10/5 14/5 18/5 22/5 26/5 30/5 3/6
3/3 58 57 55 53 52 50 48 46 44 42 39 37
7/3 58 56 54 52 50 48 46 44 42 40 38 36
11/3 57 55 53 51 49 47 45 43 41 38 36 34
15/3 57 55 50 48 46 44 42 39 37 35 32
19/3 56 54 52 49 47 45 43 40 38 35 33 31
23/3 56 53 51 48 46 44 41 39 36 34 31
27/3 55 53 50 47 45 42 40 37 35 32 30
31/3 54 52 49 46 44 41 39 36 33 31
4/4 54 51 48 45 43 40 37 34 32
8/4 53 50 47 44 41 39 36 33 30
12/4 53 49 46 43 40 37 34 31
16/4 42 49 45 42 39 36 33 30
20/4 51 58 44 41 38 34 31
24/4 50 47 43 40 36 33 30
28/4 50 46 42 38 35 31
2/5 49 45 41 37 33 30
6/5 48 44 40 36 32
10/5 47 43 38 34 30

Tabel 3.5.1 Maximaal aantal planten per hectare (×1000) waarbij overzaaien nog rendabel is bij verschillende combinaties van zaai- en overzaaidata. Uitgangspunten voor de onder­liggende berekeningen zijn: een gemiddelde bietenopbrengst van 87 ton per hectare en een suikergehalte van 17% bij een zaaidatum van 9 april; kosten van overzaai 275 euro per hectare, een bietenprijs van 45 euro per ton en geen surplus­bieten. Voor een speci­fie­kere berekening wordt verwezen naar het teeltbegeleidingsprogramma de applicatie ˈhttps://www.irs.nl/alle/applicaties/applicatie-overzaai-opkomst-en-groeiˈ.

(Bron: IRS - Groeimodel SUMO en teeltbegeleidingsprogramma Betakwik; PPO-agv: A.L. Smit, 1986: Overzaaien van bieten).

3.6 Horizontale bieten

versie: maart 2020

3.6.1 Inleiding

Soms groeien bieten horizontaal in plaats van verticaal. Als het worteltje van het kiemplantje zijn weg zoekt naar beneden, kan het zijn dat dit niet direct gebeurt, maar eerst een stukje horizontaal gaat. Uit onderzoek blijkt de vorm van het kouter, het weer na het zaaien en de zwaarte van de grond van invloed te zijn. Het kouter kunt u vervangen, het weer en de zwaarte van de grond niet.

In droge zomers zullen horizontaal of scheef gegroeide bieten achterblijven in groei. Bij de oogst is goed kop- en ontbladerwerk onmogelijk. Een opbrengstderving van enkele honderden euroˈs per hectare is dan niet uitgesloten.

Figuur 3.6.1 Horizontaal groeiende bieten. Op het rechtse plaatje is de pil nog zichtbaar onder de biet.

3.6.2 Veldonderzoek

In 1999 en 2000 heeft het IRS veldonderzoek uitgevoerd naar de invloed van de vorm van het zaaikouter op de horizontale groei van suikerbieten (figuur 3.6.1) op zavelgronden met een lutum­gehalte van 10 tot 21%. Het betrof een twaalfrijige zaaimachine van het merk en type Hassia Exakta-S. Er zijn twee typen kouters onderzocht: een type met een verwisselbaar mes (fuguur 3.6.2) en een type uit één geheel (figuur 3.6.3). Elk type kouter was op zes elementen gemonteerd. Het verwisselbare mes had een dikte van circa twee millimeter en stak circa twee centimeter onder het kouter uit. Het kouter uit één geheel was min of meer gelijk aan het eerste kouter, maar dan zonder verwisselbaar mes.

3.6.3 Invloed op horizontale bieten

De vorm van de kouters, het weer na het zaaien en de grondsoort hadden een invloed op de horizontale groei van de bieten.

kouterwissel koutereengeheel

Figuur 3.6.2 Het kouter met een verwisselbaar mes. Figuur 3.6.3 Het kouter uit één geheel.

3.6.3.1 Kouters

Er bleek een duidelijk verschil in horizontale groei tussen de bieten die gezaaid waren met het element met het ene type kouter en het element met het andere type. Het kouter uit één geheel verminderde de horizontale groei met ongeveer tweederde ten opzichte van het kouter met een verwisselbaar mes. Gemiddeld over beide jaren veroorzaakte het kouter uit één geheel 3,7% horizontale bieten en het kouter met verwisselbaar mes 10,6%.

3.6.3.2 Het weer na het zaaien

Ook was een duidelijk jaareffect aanwezig. Dit had te maken met het weer na het zaaien van de bieten. In 1999, met gemiddeld 11,3% horizontale bieten, bleef het ruim een week droog na het zaaien. In 2000 is het de dag nadat het zaaien klaar was, gaan regenen. Dit heeft zes dagen lang geduurd, met als gevolg duidelijk minder horizontaal of scheef gegroeide bieten, namelijk gemiddeld 3,2%.

3.6.3.3 Iets meer op zware zavelgronden

Het verschijnsel van horizontale bieten leek ongeveer drie keer zo sterk op te treden op lichte zavelgronden (lutumgehalte 10-15%) dan op zware (lutumgehalte 18-21%) of enigszins moeilijk bewerkbare zavelgronden.

3.6.4 Verklaring

De verklaring lijkt te zijn dat het kouter met het verwisselbare mes een gleuf maakt net onder de zaaivoor. De gleuf heeft de breedte van het mes (ongeveer 2 mm) en is, afhankelijk van de slijtage van het mesje, tot maximaal 2 centimeter diep. Deze gleuf is te smal voor het zaadje om erin te vallen. Vooral bij een slechtere structuur en sterk drogend weer na het zaaien, is het goed denkbaar dat de wand van de gleuf verhardt. Het is dan voor het worteltje moeilijk om direct naar beneden te gaan.

3.6.5 Vervang de kouters

De machine Hassia Exakta-S is uit de productie genomen. Toch draaien er in de praktijk nog vrij veel van dergelijke machines, voornamelijk bij telers die zelf zaaien en wat minder bij loonbedrijven. De Hassia Betasem is een machine die slechts op beperkte schaal gebruikt wordt voor het zaaien van suikerbieten. Voor beide typen zaaimachines geldt het advies om de kouters met een verwisselbaar mes te vervangen door kouters uit één geheel en de kouters met een verwisselbaar mes niet meer te gebruiken.

4. Bemesting

4.1 Inleiding

Versie: maart 2020

CONTACTPERSOON: ANDRÉ VAN VALEN

Bemesting in suikerbieten vindt plaats om ervoor te zorgen dat het gewas gedurende het groeiseizoen over de juiste en in voldoende mate aanwezige voedingsstoffen beschikt zodat het voorspoedig kan groeien, op tijd is volgroeid en bij de oogst een gunstige samenstelling heeft. Zowel een tekort als een overmaat aan bepaalde nutriënten is nadelig en belemmert de groei. De bemes­ting moet daarom goed op de behoefte van het gewas worden afgestemd. Het uitgangspunt daarbij is de reeds in de bodem aanwezige nutriëntenvoorraad die gedurende het seizoen voor het gewas beschikbaar komt. Het afstemmen van de bemestingsgiften op de behoefte van het gewas is alleen mogelijk op basis van gegevens van grondonderzoek. Op basis van de bodemvoorraad kan jaarlijks een passend bemestingsplan opgesteld worden.

Om bieten voorspoedig te laten groeien, is een goede vocht- en zuurstofhuishouding van de grond noodzakelijk. Verdichte lagen in de bouwvoor als gevolg van berijden onder natte omstandigheden of een slechte ontwatering kunnen tot gevolg hebben dat de in de bodem beschikbare of toegediende nutriënten onvoldoende worden benut.

Veel informatie in dit hoofdstuk is ontleend aan het Handboek Bodem en Bemesting; zie www.handboekbodemenbemesting.nl.

Gebreksziekten

De oorzaken en gevolgen van gebrek aan diverse nutriënten zijn, voorzien van illustraties, beschreven in de applicatie ˈZiekten en plagenˈ (www.irs.nl).

4.2 Opname van nutriënten

Versie: april 2024

Een suikerbiet neemt het grootste gedeelte van de benodigde voedingsstoffen (of: nutriënten) op uit de bodem. Deze nutriënten zijn in opgeloste vorm in het bodemvocht aanwezig. Nutriënten kunnen een positieve (kation) of negatieve (anion) lading hebben. Kalium (K+) en calcium (Ca2+) zijn voorbeelden van kationen. Stikstof heeft in een opgeloste vorm een negatieve lading: nitraat (NO3-), maar kan ook met een positieve lading voorkomen in de vorm van ammonium (NH4+). De opname van nutriënten vindt via de wortels plaats. Dit kan passief of actief gebeuren. Een passieve opname vindt middels de opname van water plaats en vraagt geen energie van de plant. Een actieve opname van nutriënten gebeurt met behulp van een pompmechanisme en kost wel energie. De wijze van opname is afhankelijk van het nutriënt. Calcium en borium worden met name passief opgenomen; bij een vochttekort in de bodem zal een gebrek snel ontstaan.

Tevens kunnen nutriënten met dezelfde lading, zoals kalium, calcium, natrium en magnesium concurreren in de opname. Een juiste verhouding van deze nutriënten in de bodem is dan ook belangrijk voor een gunstige beschikbaarheid.

In tabel 4.2.1 staat hoeveel nutriënten (kg/ha) een bietengewas met een hoge opbrengst gemiddeld opneemt.

De cijfers zijn gebaseerd op gewasanalyses, uitgevoerd op praktijkpercelen en stikstof­hoe­veel­hedenproefvelden in de periode 2009 tot en met 2011.

Tabel 4.2.1 De gemiddelde nutriëntenopname door suikerbieten op 16 percelen (2009 t/m 2011). De gemiddelde wortelopbrengst was 92,2 ton per hectare. De gemiddelde loofopbrengst bij de oogst was 44,7 ton per hectare.

nutriënt opname (kg/ha)
wortel loof1 totaal
stikstof N 124 140 264
fosfaat P2O5 63 44 107
kalium K2O 152 242 394
natrium Na2O 10 96 106
magnesium MgO 36 45 81
calcium CaO 32 66 98

1 + deel kop.

De opname van nutriënten door is in werkelijkheid hoger, omdat er tijdens het groei­seizoen ook bietenbladeren afsterven. Deze bladeren bevatten vrij veel nutriënten.

Uit onderzoek in 1967 bleek dat een bietengewas vier tot vijf ton droge stof per hectare door bladafsterving kan verliezen. Hiermee werden verliezen per hectare berekend van 90 tot 140 kg stikstof, 80 tot 105 kg kalium en 4 tot 9 kg fosfaat1. Deze getallen zijn wellicht niet helemaal toepasbaar voor de huidige situatie, maar geven wel een indicatie.

Om de bemestingstoestand van een perceel op peil te houden, moeten over een gewasrotatie zowel de afvoer van nutriënten door de gewassen als de onvermijdelijke verliezen, bijvoorbeeld door uit­spoeling, worden gecompenseerd.

De hoogte van de onvermijdelijke verliezen is sterk afhankelijk van vooral grondsoort en weer.

Figuur 4.2.1 geeft het opnameverloop van stikstof door een bietengewas weer. Deze figuur is geba­seerd op proefveldonderzoek in de tachtiger jaren. De opbrengsten en wellicht ook de opname van stikstof door het gewas waren toen lager dan nu. Desondanks mag worden aangenomen dat het verloop van de stikstofopname nu niet veel zal afwijken van toen. De wortelopbrengsten zijn sinds de vorige eeuw fors gestegen, waarbij de stikstofafvoer per kg bieten is gedaald. In de periode 1960 tot 2019 is de wortelopbrengst met circa 75% gestegen (van 46 naar 81 ton per hectare), en nam de afvoer van stikstof per hectare toe met slechts 17% door de daling van de hoeveelheid stikstof per ton bieten van 1,8 naar 1,2 kg N per ton bieten.


Figuur 4.2.1 Het opnameverloop van stikstof door een bietengewas; gemiddelde van zestien proefvelden verspreid over Nederland; gemiddelde Nmin-voorraad (0-60 cm): 56 kg per hectare en gemiddelde stikstofgift: 140 kg per hectare.

Afbeelding met hemel, buitenshuis, gras, plant Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 4.2.2 Een bietengewas neemt de meeste nutriënten op tijdens de groeifase waarin het loof zich snel ontwikkelt. Vanaf halverwege augustus is de stikstofopname nog maar beperkt.

1 Houba, V.J.G. (1973). Effect of nitrogen dressings on growth and development of sugar beet. Doctoral thesis, Wageningen, ISBN 902200435X., (viii) + 65 p., 25 tbs, 21 figs, 54 refs, Eng. and Dutch, summaries.

4.3 Stikstofbemesting

Versie: april 2024

De hoogte van de stikstofbemesting beïnvloedt het rendement van de teelt van suikerbieten. Te weinig stikstof betekent een lagere wortelopbrengst en te veel stikstof is nadelig voor het suiker­gehalte en de winbaarheidsindex (WIN). Vooral het suikergehalte is bij de uitbetaling erg belang­rijk. Bij de huidige uitbetalingsmethodiek met een gehalteverrekening van 9% is een één procent hoger suikergehalte financieel gezien ongeveer evenveel waard als acht ton per hectare extra aan wortelopbrengst. Hierbij is uitgegaan van 85 ton bieten per hectare.

Afbeelding met buitenshuis, groen, groente, tuin Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 4.3.1 De stikstofvoorziening is bepalend voor de opbrengst. Op deze foto, genomen op een stikstofproefveld, is duidelijk te zien dat het gewas zonder stikstofgift (vooraan) achterblijft in groei. Daarachter is het gewas met 220 kg stikstof per hectare bemest.

4.3.1 Hoogte van de stikstofgift

De hoogte van de stikstofgift kan men bepalen door gebruik te maken van de adviesformule:

N-gift (kg/ha) = 200 - 1,7 × Nmin (tot 100 kg/ha in laag 0-60 cm).

De hoeveelheid Nmin kan men in de maanden januari en februari vaststellen door een grondmonster te laten analyseren. Dit kan eventueel ook in maart, maar dan bestaat de kans dat door oplopende (bodem)temperaturen de stikstofmineralisatie in de grond op gang komt en daardoor de Nmin-hoeveelheid in de grond toeneemt. De hoeveelheid Nmin in de formule is de hoeveelheid voor de plant beschikbare stikstof die na de voorgaande wintermaanden nog in het bodemprofiel (laag 0-60 cm) achtergebleven is.


Figuur 4.3.2 De optimale stikstofgift is gebaseerd op de hoeveelheid minerale stikstof die na de winter in het profiel (0-60 cm) is achtergebleven. Voor een nauwkeurig advies is een Nmin-monster dan ook aan te bevelen.

Men kan de hoeveelheid Nmin in de bodem proberen in te schatten. Dit is eigenlijk alleen enigszins verantwoord als er geen dierlijke mest in het najaar is aangewend en/of als er geen groenbemester is geteeld. De Nmin-voorraad in de grond op percelen die geen dierlijke mest hebben gekregen, is door de jaren heen op zand­grond gemiddeld 25 kg per hectare, op zavel- en lichte kleigronden 35 à 40 kg per hectare en op de zwaardere kleigronden 50 à 55 kg per hecta­re. Na een natte winter is de Nmin-voorraad lager dan deze waarden, na een droge winter hoger. Bij een Nmin-voorraad tussen 100 en 140 kg per hectare is het advies om 30 kg stik­stof per hectare te geven en boven 140 kg per hectare om geen stikstof te geven; zie figuur 4.3.3.


Figuur 4.3.3 De stikstofbemestingsadvieslijn; de bodemvoorraad wordt bepaald in de laag 0-60 cm.

Het advies dat met de formule berekend is moet, indien van toepassing, worden gecorrigeerd voor:

  • de teelt van een groenbemester

Korting op N-gift (kg/ha):

type groenbemester1 onderwerken/afsterven in herfst onderwerken in voorjaar
zonder Nmin voorjaar met Nmin voorjaar
kruisbloemigen 30 0 40
vlinderbloemigen 60 40 60
grasachtigen 30 20 40

1 kruisbloemigen: bladrammenas, gele mosterd en bladkool;
vlinderbloemigen: klaversoorten en wikke;
grasachtigen: raaisoorten en winterrogge.

De korting geldt voor goed ontwikkelde groenbemesters. Voor matig ontwikkelde groenbemesters kan de helft van de in de tabel genoemde kortingen worden genomen. Als de groenbemester al in de herfst is afgestorven of ondergewerkt en in de wintermaanden een Nmin-monster is genomen, dan is (een deel van) de stikstof uit de groenbemester al gemineraliseerd en wordt in het Nmin-monster gemeten. Daarom is de correctie met Nmin-monster lager. Omdat kruisbloemige groenbemesters snel verteren, zal deze stikstof al nagenoeg volledig omgezet zijn.

  • dierlijke mestgift in voorafgaand najaar (N uit Norg)1 tabel 4.3.4;
  • gescheurd eenjarig grasland2 -20 kg;
  • gescheurd meerjarig grasland2 -45 kg;
  • slechte structuur, ondiepe beworteling +25 kg.
    1. De aftrek voor de toediening van dierlijke mest in het najaar is nodig, omdat er in het groei­seizoen (periode maart t/m augustus) nog stikstof uit de mest door minera­lisatie beschikbaar komt (zie paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.4). In de Applicatie Stikstofbemesting kan deze mestgift worden ingevuld, waarna in het advies een correctie voor de nalevering van stikstof wordt opgenomen. Bij opgave van het bepaal­de N-gehalte van de mest wordt bij de berekening hiervan uitgegaan. Als men het N-gehal­te niet opgeeft, wordt gerekend met het gemid­delde gehalte van de betref­fende mestsoort. Als er geen Nmin-monster wordt genomen, moet men de stikstof­werking van de in het najaar gegeven mest inschatten (zie paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.3). De in tabel 4.3.3 genoemde werkingspercentages gelden voor percelen zonder groenbemester;
    2. Als er geen Nmin-monster is genomen, kan men voor eenjarig en meerjarig grasland res­pec­tievelijk 50 en 100 kg stikstof per hectare aftrekken.

Algemene opmerkingen bij het advies:

    • een correctie voor de nalevering van gewasresten (uitgezonderd gescheurd grasland) is niet mee­ge­nomen, omdat de verschillen in nalevering tussen de gangbare voorvruchten van sui­kerbieten gering zijn (minder dan 10 kg per hectare);
    • de adviesformule is vastgesteld op basis van de resultaten van een groot aantal stikstofhoe­veelhedenproefvelden. De stikstofdepositie is dus (gemiddeld) in de formule verdiscon­teerd. Het advies hoeft hiervoor dus niet gecorrigeerd te worden. De stikstofdepositie in Nederland bedraagt overigens gemiddeld circa 15 kg per hectare;
    • er is geen correctie opgenomen voor het percentage lutum of organische stof. Uit de resul­taten van het grote aantal proefvelden die de basis van het stikstofbemestings­advies vormen, is niet gebleken dat een dergelijke correctie gerechtvaardigd is;
    • tot 1990 werd er geen rekening gehouden met de kosten van de stikstofmeststoffen. Vanaf 1990 zijn de adviesgiften met 20 kg N per hectare verlaagd door het getal 220 in de adviesformule te verlagen naar 200. Naarmate de kosten van de stikstofbemesting toenemen, zoals in 2022 gebeurde, zal de optimale stikstofgift lager uitkomen.

De hoogte van de stikstofgift is onafhankelijk van het tijdstip van zaaien en oogsten van de bieten. Suikerbieten nemen namelijk het leeuwendeel van de benodigde hoeveelheid stikstof op in de periode juni tot en met augustus. Na augustus komt door mineralisatie genoeg stikstof in de grond vrij om aan de (geringe) stikstofbehoefte te voldoen. De hoogte van de optimale stikstofgift is onafhankelijk van de hoogte van de wortel- en suikeropbrengst.

De adviesformule geldt niet voor dal- en veengronden. Een Nmin-monster is op deze gronden minder betrouwbaar door de heterogene ondergrond. Voor deze gronden geldt een bruto ­advies van 150 kg stikstof per hectare. Als één of meer van de correctieposten van toepassing zijn, moet men het advies hiervoor corrigeren.

Men moet bij de stikstofbemesting rekening houden met de gebruiksnormen (zie paragraaf 4.14.1).

Afbeelding met hemel, gras, buitenshuis, veld Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 4.3.4 Bladrammenas is in veel situaties een geschikte groenbemester voorafgaand aan de bietenteelt. In het voorjaar ondergewerkt komt hieruit 40 kg stikstof beschikbaar voor de bieten.

4.3.2 Tijdstip van toediening

Kleigrond

De stikstofbemesting kan op kleigrond zowel voor als na het zaaien uitgevoerd worden. Om het risico op verliezen te beperken, heeft het de voorkeur om niet te vroeg te bemesten. Als nadien natte omstandigheden optreden, kan er door denitrificatie of uitspoeling stikstof verloren gaan. Bovendien vindt de opname van stikstof grotendeels pas plaats als het gewas snel ontwikkelt, doorgaans vanaf mei.

De verliezen door uitspoeling van kunstmeststikstof zijn doorgaans te verwaarlozen. Voordat de nitraatstikstof uit kunstmest uit de bewor­telbare zone is verdwenen, moet er wel erg veel regen gevallen zijn. Per 100 mm neerslag­over­schot (neerslag minus verdamping) is de verplaatsing van nitraat­stikstof in de grond op klei- en zavelgronden respectievelijk 20 en 30 cm.

Als men stikstof strooit binnen circa drie weken voor de geschatte zaaidatum is het advies om, in ver­band met de kans op zoutschade, niet meer dan 120 kg N per hectare geven. De even­tueel res­teren­de benodigde hoeveelheid kan dan in het twee- tot zesbladstadium van de bieten toegediend worden.

Het voordeel van bemesten na opkomst van de bieten, is dat er dan over relatief vlak land gereden kan worden, eventueel gebruik makend van (spuit)sporen. Dit kan tot globaal het zesbladstadium uitgevoerd worden.

Drijfmest mag op kleigrond uitgereden worden van 16 februari tot en met 31 juli. Wanneer er een groenbemester wordt gezaaid mag dit tot 15 september. Tussen 16 februari en 16 maart dient hier vooraf een melding van gemaakt te worden bij RVO. Vaste mest mag men op klei het hele jaar toepassen.

Zand-, dal- en lössgrond

Op zand-, dal- en lössgrond kan men zonder gevaar voor zoutschade alle benodigde stikstof, zowel organisch als anorganisch, kort voor het zaaien toedienen, mits de meststof zoals gebruikelijk ingewerkt wordt. Een gedeelde toepassing is ook mogelijk, maar levert onder de gangbare omstandigheden geen voordeel op. Wel betekent het opsplitsen van de stikstofgift dat er minder risico op verliezen is.

Drijfmest mag op zand-, dal- en lössgrond van 16 februari tot en met 31 juli gegeven worden. Bij de teelt van een groenbemester, dan mag dit tot en met 15 september. Tussen 16 februari en 16 maart dient hier vooraf een melding van gemaakt te worden bij RVO. Vaste mest mag van 1 januari tot en met 31 augustus toegepast worden. Tussen 1 januari en 1 februari is uitrijden alleen toegestaan als er vaste strorijke mest wordt gebruikt.

Het komt regelmatig voor dat de bieten in het begin van het groeiseizoen slecht groeien en er wat gelig uitzien. De oorzaak hiervan is vaak koude en/of zuurstoftekort door overvloedige neerslag. Stikstofgebrek kan hier niet de oorzaak van zijn. Op stikstofbemestingsproef­velden is op onbemeste veldjes voor begin juni namelijk zelden of nooit groeiachterstand geconstateerd. Op be­meste velden, bijvoorbeeld met 50 kg stikstof per hectare, was stikstofgebrek nooit voor circa half juni zichtbaar. Een lichte, gelige loofkleur kan ook een raseigenschap zijn. Rassen met een lichte loofkleur hebben geen hogere stikstofbehoefte dan rassen met een donkere loofkleur. Toch is men vaak bij slecht groeiende, gelige bieten geneigd om extra stik­stof te strooien. Deze extra stikstof brengt onnodige kosten met zich mee en verlaagt het suikergehalte en de winbaarheidsindex en dus ook de finan­ciële opbrengst.

Afbeelding met gras, buitenshuis, veld, hemel Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 4.3.5 Door hevige neerslag kan het loof gelig kleuren omdat een zuurstoftekort optreedt. Een aanvullende stikstofgift heeft dan geen zin.

4.3.3 Wijze van toedienen

Volvelds

Het volvelds uitrijden van dierlijke mest dient emissiearm, dat wil zeggen: in de grond, te worden uitgevoerd. Voor vloeibare meststoffen als urean en spuiwater bestaat zoˈn verplichting niet. Deze meststoffen bevatten doorgaans relatief veel ammoniumstikstof, waarvan zonder inwerken een deel verloren kan gaan in de vorm van ammoniak. Inwerken is dus sterk aan te bevelen!

Afbeelding met hemel, buitenshuis, landbouwwerktuig, grond Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 4.3.6 Volvelds strooien van stikstofkunstmest kan zowel voor het zaaien als daarna gebeuren. Na het zaaien is de grond goed berijdbaar.

In de rij

Bij rijentoediening wordt de stikstof vijf à zes centimeter naast het zaad (aan één kant), op een diepte van ongeveer 5 centimeter geplaatst. Door de stikstof in de rij toe te passen, neemt de stikstofbenutting toe. Hierdoor kan gemid­deld 15% stikstof bespaard worden ten opzichte van volveldstoediening. Deze besparing kan oplopen tot 30% als de bieten vroeg gezaaid worden en een trage begingroei wordt verwacht. Ook bij slechte bewortelingsmogelijkheden door bijvoorbeeld een slechte structuur en/of aaltjesaantasting kan rijenbemesting tot een besparingseffect van 30% leiden.

Een bijkomend voordeel van rijentoediening is dat de meststof egaal wordt toegediend. Dit bevordert de gewasregelmaat. Bovendien worden overlappingen en strooibanen voorkomen. Omdat de meststoffen in de grond worden gebracht, zal er vrijwel geen stikstofemissie plaatsvinden, door bijvoorbeeld ammoniakvervluchtiging. Een voordeel ten opzichte van volvelds bemesting is ook dat er geen neerslag nodig is om kunstmestkorrels op te lossen.

Tegenover de voordelen staat een extra investering en een hoger gewicht (meststoftank, soms zwaardere trekker) dat over het land moet. Ook het opnieuw vullen van de tank kost wat tijd.

4.3.4 Keuze van de meststof

De stikstofbemesting kan men uitvoeren met kunstmest en/of organische mest. Als het stikstofgehalte van de organische mest tijdens het uitrijden niet bekend is en men uitgaat van een mediaan gehalte (zie tabel 4.3.2), dan is het advies om maximaal tweederde van de benodigde stik­stofgift in de vorm van organische mest toe te dienen. Zodra het stikstofgehalte van de mest bekend is, kan de eventueel resterende benodigde hoeveelheid stikstof met kunstmeststikstof worden gegeven. Hiermee wordt een te hoge stikstofbemesting vermeden. Als het stikstofgehalte van de mest tijdens het uitrijden bekend is, kan men zonder noemenswaardig bezwaar de volledige stikstofbehoefte met dierlijke mest dekken. Zorg dat de mest homogeen is en egaal wordt verspreid. De stelling dat bij gebruik van organische mest, vooral bij een lage Nmin-voorraad, een startgift met kunst­mest aan te raden is, is niet correct. Dit, omdat de stikstof in organische mest in principe hetzelf­de effect heeft op de suikerbieten als die in kunstmest. De voor de plant beschikbare stikstof in de mest bestaat grotendeels uit ammoniumstikstof. Deze is meestal binnen circa drie weken na toediening volledig omgezet in nitraat. In de eerste weken na zaaien is de opname door het gewas nog heel beperkt.

Een selectie van stikstof- en stikstofhoudende meststoffen staat in tabel 4.3.1.

Tabel 4.3.1 Enkele van de belangrijkste stikstof- en stikstofhoudende meststoffen.

naam/soort gehalte (%) be1
N-totaal NO3 NH4 NH2 P2O5 K2O MgO
vaste N-meststoffen
Kalkammonsalpeter 27 13,5 13,5 0 0 0 0-4 -15
Ammonsulfaatsalpeter 26 7 19 0 0 0 0 -51
Kalksalpeter 15,5 14,4 1,1 0 0 0 0 +11
Unika chili2 14 11,5 2,5 0 0 0 0 +9,9
Nitrakali plus2 15 15 0 0 0 9 0
Unika calcium2 13 13 0 0 0 24 0 +12,2
Agrifirm bietenmix2 15,4 7,7 7,7 0 0 0 1,3
Ureum 46 0 0 46 0 0 0 -46
Sulfan (+ 6% S) 24 12 12 0 0 0 0 -34
vloeibare N-meststoffen
Urean 30 7,2-7,9 7,2-7,9 14-16 0 0 0 -30
Anasol 15 5,5 9,5 0 0 0 0 -21
Nitrosol 15 2,4 7,8 4,8 0 0 0 -25
NTS 27 3S 27 6,5 7,5 13 0 0 0 -31
NP-meststoffen
23-23 23 7,6-9 14,5-15,4 0 23 0 0 -34
26-7 26 12 14 0 7 0 0 -29
26-14 26 10,3-12 14-15,7 0 14 0 0 -32
NPK-meststoffen chloorarm3
7-14-28 7 2 5 0 14 28 0 +4
12-10-18 12 0-5 7-12 0 10 18 0 -5
15-15-15 15 2,5-6,5 8,5-12,5 0 15 15 0 -12
16-10-20 16 6,5-7 9-9,5 0 10 20 0 -8
NPK-meststoffen chloorhoudend
15-12-24 15 5,5-6,5 8,5-9,5 0 12 24 0 -5
17-17-17 17 6-7 10-11 0 17 17 0 -14
18-7-7 18 8-8,5 9,5-10 0 7 7 7 -7
20-10-10 20 9 11 0 10 10 0 -21

1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend.

2 Unika chili bevat ook 2,5% SO3, 8,5% Na2O en 0,2% B. Nitrakali plus bevat tevens 21% Na2O en 0,05% B. Unika Calcium bevat tevens 12% CaO. Agrifirm bietenmix bevat tevens 18,4% Na2O, 1,3% MgO, 0,2% B en 6,2% SO3.

3 chloorarm = <2% Cl; chloorhoudend = >2% Cl.

Tabel 4.3.2 Samenstelling in gram per kg product1 van de belangrijkste dierlijke mest­soorten, digestaat en compost. Waarde is niet bekend als er niets is ingevuld.

soort ds os N-totaal Nmin Norg P2O5 K2O MgO Na2O dichtheid

(kg/m3)

dunne mest
varkens 107 79 7,0 3,7 3,3 3,9 4,7 1,5 1,2 1040
zeugen 67 25 5,0 3,3 1,7 3,5 4,9 1,4 0,9 1024
rundvee 92 71 4,0 1,9 2,1 1,5 5,4 1,2 0,7 1005
rosékalveren 94 71 5,6 3,0 2,6 2,6 5,0 1,6 1,2
witvleeskalveren 22 17 2,6 2,1 0,5 1,1 4,5 1,7 1,6
gier
varkens 20 5 6,5 6,1 0,4 0,9 4,5 0,2 0,1 1010
zeugen 10 10 2,0 1,9 0,1 0,9 2,5 0,2 0,2
rundvee 25 10 4,0 3,8 0,2 0,2 8,0 0,2 1,0 1030
vaste mest
pluimvee

(zonder nadroging)

562 416 28,4 2,9 25,7 23,0 19,2 5,5 1,7 605
kippenstrooisel 677 359 29,0 3,7 25,3 25,6 18,2 7,5 3,4 600
vleeskuikens 628 419 34,1 8,5 25,6 16,6 19,4 7,1 3,0 605
rundvee grupstal 267 155 7,7 1,1 6,6 4,3 8,8 4,1 1,1 900
mestproducten
Fertex2 30 12 22 8
mineralenconcentraat 37 14 8,2 7,5 0,7 0,4 9,7
digestaat2
Betafert basis 75 40 4,0 2,7 1,3 1,5 5,5 1,3
Betafert vast 370 160 9,0 4,5 4,5 5,5 6,0 4,0
Top Soil terrafert 275 171 12 3,7 8,2 3,2
compost
champost 336 211 7,6 0,4 7,2 4,5 10,0 2,3 0,9 550
GFT 696 242 8,9 0,8 8,1 4,4 7,9 3,3 800
groencompost 559 179 5,0 0,5 4,5 2,2 4,2 1,8 800

1 Gekozen is voor de mediane samenstelling, omdat ze minder wordt beïnvloed door sterk afwijkende waarden in de gegevenssamenstelling dan het rekenkundig gemiddelde. Vaak wijkt de mediane samenstelling niet erg af van de gemiddelde samenstelling. Van de mestproducten, de digestaten en de compostsoorten is wel de gemiddelde samenstelling weergegeven.

2 Indicatieve waarden.

Bron: Handboek Bodem en Bemesting. Voor digestaten: Crop Solutions.

Bij het gebruik van dierlijke mest moet, voor wat betreft de daarin aanwezige stikstof, reke­ning worden gehouden met werkingspercentages. Deze per­centages zijn vooral afhankelijk van de soort mest, het tijdstip van toedienen en de wijze van inwerken. Ze geven aan welk deel van de totale hoeveelheid stikstof in de mest eenzelfde wer­king heeft als kunstmeststikstof. In tabel 4.3.3 staan de werkingspercentages van in het najaar toege­diende vaste mest vermeld. Deze percen­tages gelden voor onbeteelde percelen, gemiddelde weersomstandigheden en gemiddelde Nmin- en Norg-gehalten van de mest.

Tabel 4.3.3 De stikstofwerking van in het najaar toegediende vaste dierlijke mest in percentage van het N-totaalgehalte van de mest. Dunne mestsoorten mogen in genoemde maanden niet en/of niet op onbeteelde percelen worden toegediend.

mestsoort toedieningstijdstip
maand aug sept okt nov dec
kippenstrooisel 20 20 30 30 40
vleeskuikens 25 30 35 40 50
rundvee 20 20 25 30 35

Als er een Nmin-bemonstering van de grond plaatsvindt in bijvoorbeeld februari, zijn deze werkingspercentages niet relevant. Een deel van de stikstof is namelijk al vrijgekomen. In het Nmin-monster wordt gemeten hoeveel Nmin uit dierlijke mest na de winter is overgebleven. Deze hoeveelheid wordt dus meegenomen in de bere­kening van het stikstofbemestingsadvies. Van dit advies moet men vervol­gens nog een hoe­veelheid stikstof aftrekken voor stikstof uit dierlijke mest die pas in het groeiseizoen als Nmin beschikbaar komt. In de Applicatie stikstofbemesting (www.irs.nl) wordt deze hoeveelheid berekend op basis van de getallen die in tabel 4.3.4 staan.

De stikstofwerking van in het najaar toegediende vaste kippenmest, vooral die van vlees­kui­kens, kan overschat zijn van­wege de hoge Norg-fractie in deze mest. Een deel van deze Norg-fractie is urinezuur, dat eigenlijk tot de Nmin-fractie behoort1. Vaste kippenmest wordt echter niet of nauwelijks in de bietenteelt gebruikt.

Tabel 4.3.4 De hoeveelheid stikstof als percentage van N-totaal, dat tussen 1 maart en 31 augustus vrijkomt uit de organische stof in dierlijke mest en compost.

mestsoort toedieningstijdstip
maand aug sept okt nov dec
dunne mest
varkens 10 12 - - -
zeugen 10 12 - - -
kippen 10 13 - - -
rundvee 10 13 - - -
vaste mest
leghennen 22 28 35 40 43
kippenstrooisel 20 20 30 30 40
vleeskuikens 19 24 29 33 36
rundvee 18 20 24 26 28
varkens 17 20 23 25 27
compost
champost 10 10 10 10 10
GFT 10 10 10 10 10

In tabel 4.3.5 staan de stikstofwerkingspercentages van in het voorjaar toegediende dierlijke mest vermeld. Dit van zowel de hoeveelheid Nmin, Norg en N-totaal. Wanneer jaarlijks dierlijke mest wordt gebruikt zijn de werkingspercentages hoger. Voor dunne mest van varkens is dit ongeveer 10 procentpunten hoger en voor rundvee ongeveer 20 procentpunten.

De stikstofwerkingscoëfficiënten die worden gehanteerd in de mestwetgeving, staan in paragraaf 4.14.1.

Voor zowel kunstmest als dierlijke mest is een egale verspreiding belangrijk voor de opbrengst en de interne kwaliteit van de suikerbieten. Voor de aanwending van dierlijke mest zijn wettelijke regels gesteld. De belangrijkste staan vermeld in paragraaf 4.14.

Tabel 4.3.5 De stikstofwerking van in het voorjaar (februari, maart, april) toegediende dierlijke mest en compost, uitgaande van mediane gehalten (tabel 4.3.2). Toediening van dunne mest en gier door bouwlandinjectie, vaste mest en compost bovengronds verspreid en direct daaropvolgend ingewerkt.

mestsoort stikstofwerkingspercentage
Nmin Norg N-totaal
dunne mest
varkens 95 55 75
zeugen 95 55 80
rundvee 95 15 55
rosékalveren 95 20 60
witvleeskalveren 95 15 80
gier
rundvee 95 15 90
varkens 95 55 90
zeugen 95 55 90
vaste mest
pluimvee (droog) 75 55 57
kippenstrooisel 75 55 55
vleeskuikens 75 50 55
rundvee 75 20 30
compost
champost 30
GFT compost 15
groencompost 10

1 G.L. Velthof, P.J. van Erp en J.C.A. Steevens. Karakterisering en stik­stof­mineralisatie van organische meststoffen in een nieuw daglicht; Meststoffen 1999; NMI.

4.4 Fosfaatbemesting

Versie: maart 2024

De fosfaattoestand van bouwland wordt bepaald op basis van het P-AL-getal en P-CaCl2-getal. Deze indicatoren hebben het Pw-getal vervangen. Het P-AL-getal (mg P2O5/100 g grond) geeft een indicatie van de op de langere termijn beschikbaar komende fosfaatvoorraad in de bodem. Het P-CaCl2-getal (mg P/kg grond) geeft de hoeveelheid direct beschikbare fosfaat weer.

Bij bodemanalyses die voor 1 januari 2021 zijn genomen, mag de fosfaatgebruiksnorm zowel op het Pw-getal als op de gecombineerde indicator worden gebaseerd. Deze analyses zijn tot uiterlijk 15 mei 2024 geldig.

In tabel 4.4.1 staan de fosfaattoestanden genoemd op basis van de nieuwe fosfaatklassen. Tussen haakjes staat de desbetreffende gebruiksnorm. Tabel 4.4.2 geeft de gebruiksnormen behorend bij het Pw-getal weer.

Tabel 4.4.1 Fosfaattoestand en gebruiksnormen voor bouwland vanaf 2021, gebaseerd op het P-AL-getal en de P-CaCl2-getal.

indeling klassen

P-CaCl2-getal

indeling klassen P-AL-getal
<21 21 - 30 31 - 45 46 - 55 >55
<0,8 arm (120) arm (120) arm (120) laag (80) laag (80)
0,8 - 1,4 arm (120) arm (120) arm (120) laag (80) neutraal (70)
1,5 - 2,4 arm (120) arm (120) laag (80) neutraal (70) ruim (60)
2,5 - 3,4 arm (120) laag (80) neutraal (70) ruim (60) hoog (40)
>3,4 laag (80) laag (80) neutraal (70) ruim (60) hoog (40)

Tabel 4.4.2 Fosfaatklassen en gebruiksnormen vanaf 2020.

fosfaatklasse Pw hoeveelheid fosfaat (kg P2O5/ha)
arm <25 120
laag 25-35 80
neutraal 36-45 70
ruim 46-55 60
hoog >55 40

4.4.1 Hoogte van de fosfaatgift

Het fosfaatadvies is opgebouwd uit een bodemgericht en een gewasgericht advies. Deze adviezen zijn afhankelijk van de fosfaattoestand van de grond en de gewasbehoefte.

a. Bodemgericht advies

Het bodemgerichte fosfaatadvies is tot op heden nog gebaseerd op het Pw-getal en heeft als doel om de fosfaattoestand op de streefwaarde te brengen en te houden.

Als de fosfaattoestand onder de streefwaarde valt, luidt het advies om bovenop de fosfaatont­trek­king een extra hoeveelheid fosfaat te geven om de streefwaarde te bereiken. De streefwaarde uitgedrukt in het Pw-getal is 25 voor zeeklei en zeezand. Voor overige grondsoorten is een Pw van 30 de streefwaarde. In tabel 4.4.3 staat hoeveel fosfaat er nodig is boven de onttrekking om het Pw-getal te verhogen tot de streefwaarde.

Tabel 4.4.3 Hoeveelheid fosfaat (kg P2O5/ha) die boven de afvoer nodig is om het Pw-getal te verhogen tot 25 op zeeklei en 30 op de overige gronden.

Pw-getal zeeklei, zeezand overige gronden
10

15

20

25

780

490

230

0

990

700

440

210

Om de bestaande fosfaattoestand te handhaven moet voor een bouwplan met goede opbrengsten gemid­deld 70 kg P2O5 per hectare gegeven worden. In vier jaar tijd komt dit dus neer op ongeveer 280 kg P2O5 per hectare. Een deel hiervan kan aan de suikerbieten gegeven worden. De gemiddelde fosfaatafvoer met bieten bedraagt ongeveer 0,7 kg P2O5 per ton bieten.

b. Gewasgericht advies

Op percelen met een Pw-getal hoger dan 25 à 30 reage­ren sui­kerbieten niet op een fosfaatbemesting. Op deze percelen dient een fosfaatbe­mes­ting dan ook alleen om de bodemvoorraad op peil te houden of te brengen. Een fosfaatbemes­ting aan suikerbieten is dus, bij een voldoende bodemvoorraad, gericht op de bodem en niet op het bietengewas. Verreweg de meeste akkerbouwgrond heeft een fosfaattoestand die op of boven de streefwaarde ligt, waardoor een gewasgerichte fosfaatgift dus weinig nodig is. Ook een startgift met fosfaat bij het zaaien heeft geen meerwaarde als de fosfaattoestand op of boven de streefwaarde ligt.

Als de fosfaattoestand van een perceel onder de streefwaarde ligt, kan ook met een fosfaatbemesting niet dezelfde opbrengst worden behaald als bij een goede fosfaattoestand.

Het gewasgerichte fosfaatadvies op basis van de bodemvoorraad (P-AL) en plantbeschikbaar fosfaat (P-CaCl2) is te vinden in het Handboek Bodem en Bemesting.

Meer informatie over de actuele wetgeving met betrekking tot de fosfaatbemesting staat in paragraaf 4.14.

4.4.2 Tijdstip van toediening

Op percelen met een te lage fosfaattoestand moet de fosfaatbemesting in het voorjaar plaats­vinden. Op percelen met een voldoende hoge fosfaattoestand kan men de fosfaat zowel in het najaar als in het voorjaar geven.

4.4.3 Keuze van de meststof

Als enkelvoudige fosfaatmeststof wordt vrijwel uitsluitend Tripelsuperfosfaat of Superfosfaat, beide in water oplosbaar, gebruikt.

Verder zijn er veel verschillende mengmeststoffen in uiteenlopende samenstellingen (NPK-, NP- en PK-meststof­fen) en vormen (vloeibaar, korrel, granulaat). Bij toepassing van een mengmeststof moet de samenstelling passen bij de behoefte van het gewas. Bij voorjaarstoediening is de kans op zoutschade met een chloorarm product wat kleiner. In tabel 4.4.4 staan enkele fosfaat- en fosfaat-kaliummeststoffen (PK) vermeld. Voor de NP- en NPK-meststoffen: zie paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.1.

Fosfaat uit dierlijke mest is over een langjarige periode bezien, gelijkwaardig aan kunstmest­fosfaat. In het eerste jaar na toediening is de werking van fosfaat uit varkensmest 100%, uit kippenmest 70% en uit rundveemest 60%. Bij voldoende hoge Pw-getallen doet dit laatste er niet toe, omdat de bieten dan sowieso niet op fosfaat reageren. De fosfaatgehalten van de belangrijkste dierlijke mestsoorten en compost staan in tabel 4.3.2.

Tabel 4.4.4 Enkele van de belangrijkste fosfaat- en fosfaathoudende meststoffen.

naam/soort gehalte (%) be1
P2O5 K2O S
Tripelsuperfosfaat 46 0 0 0
Superfosfaat 18 0 11 +2
15-302 15 30 0 +12

1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend;

2 de PK 15-30 is chloorhoudend, maar ook chloorarm te verkrijgen.

Fosfaatgebrek

Fosfaatgebrek in suikerbieten komt in Nederland zelden voor. De fosfaattoestand van verreweg de meeste landbouwgrond ligt op of boven de streefwaarde. Een gebrek is op deze percelen dan niet te verwachten en bovendien reageren bieten dan niet op een fosfaatgift. De fosfaatopname is afhankelijk van de bodemtemperatuur, waardoor in een koud voorjaar de opname geremd kan worden. Er kunnen dan tijdelijk gebreksverschijnselen zichtbaar worden (figuur 4.4.1).

Afbeelding met grond, buitenshuis, insect, aarde Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 4.4.1 Fosfaatgebrek is te herkennen aan roodpaars gekleurde bladranden. Vaak is dit het gevolg van een lage bodemtemperatuur. Een gebrek komt in Nederland maar weinig voor.

4.5 Kaliumbemesting

Versie: maart 2024

Het kaliumadvies is, net als het fosfaatadvies, gebaseerd op de kaliumtoestand van de grond en de behoefte van het gewas. Op grondmonsteranalyses staan vaak verschillende waarden die een indicatie geven van de kaliumtoestand in de grond. Naast het K-getal zijn dit de K-CaCl2 en K-CEC. Het K-getal wordt berekend door een meting van de K-HCl, die vervolgens op basis van het organische stofgehalte en het lutumgehalte van de grond wordt omgerekend. De K-CaCl2 geeft de beschikbare hoeveelheid kalium aan. De K-CEC geeft aan in welke mate kalium het CEC bezet. Het is daarvoor ook nodig om de omvang van het CEC te weten. Het CEC is de Engelse afkorting voor het kationenadsorptiecomplex en geeft aan hoeveel kationen een grond kan vasthouden.

Waar de kaliumadviezen voorheen gebaseerd waren op het K-getal, is dit in de achterliggende jaren gewijzigd in een advisering op basis van de K-CEC, CEC en K-CaCl2.

De waardering voor de kaliumtoestand van de grond wordt bepaald door de K-CaCl2 en het K-CEC. In tabel 4.5.1 en 4.5.2 zijn de streefwaarden voor beide parameters vermeld. Omdat het K-getal op sommige analyseformulieren nog vermeld wordt, staan de oude streefwaarden voor verschillende grondsoorten in tabel 4.5.3.

Vooral voor de klei- en lössgronden is het van belang dat de K-CEC zich in de klasse ‘Goed’ bevindt (het streeftraject), omdat de opbrengst op deze gronden afhankelijk is van de kaliumtoestand van de grond. Op deze gronden bleek in het verleden dat een te laag K-getal (lössgrond K-HCl) namelijk ten koste gaat van de opbrengst, ongeacht of de kaliumgift hierop wordt aangepast. Dit geldt vooral voor aardappelen en dus ook voor een bouwplan met aardappelen. Een goede kaliumvoorziening is gunstig voor zowel de wortelopbrengst als het suikergehalte van suikerbieten.

Tabel 4.5.1 Waardering van de kaliumvoorraad in de bodem op basis van K-CEC (percentage bezetting van het CEC met kalium)

laag vrij laag goed vrij hoog hoog
< 1% 1-2% 2-5% 5-8% >8%

Tabel 4.5.2 Waardering van de beschikbare hoeveelheid kalium in de bodem op basis van K-CaCl2 (mg K/kg grond)

laag vrij laag goed vrij hoog hoog
< 35 35-70 70-110 110-155 >155

Tabel 4.5.3 Streefwaarden voor de kaliumtoestand per grondsoort op basis van het K-getal

grondsoort streefgetal toestand handhaven
zand en dal 11 11 t/m 17
zeezand 11 11 t/m 15
zeeklei
<12% lutum 14 14 t/m 20
>12% lutum 18 18 t/m 26
rivierklei
<8% lutum 14 14 t/m 20
8-18% lutum 18 18 t/m 26
>18% lutum 14 14 t/m 26
löss 15 (K-HCl) 15 t/m 20 (K-HCl)

Op kleigronden met <12% lutum werd K-getal 14 als streefgetal aangehouden, omdat K-getal 18 op deze gronden door uitspoeling waarschijnlijk niet gehandhaafd zou kunnen blijven. Op rivierklei met meer dan 18% lutum hield men als streefgetal 14 aan, omdat wel erg grote hoeveelheden kalium nodig zouden zijn om K-getal 18 te bereiken. Dit omdat deze grond kaliumfixerend is.

4.5.1 Hoogte van de kaliumgift

a. Bodemgericht advies

Als de kaliumtoestand van de bouwvoor beneden de streefwaarde ligt, is het aan te bevelen een zogenaamde reparatiebemesting uit te voeren. De hoogte van de reparatiegift (in kg K2O per ha) kan worden berekend met de volgende formule:

Het volumegewicht van de grond kan worden berekend met de volgende formule:

Wil men de totale kaliumbemesting over een bepaalde periode vast­stellen, dan moet men de hoeveelheid die nodig is om de toestand te verhogen, vermeerderen met de afvoer in deze periode. Ligt de K-CEC in de klasse ‘Goed’, dan is het advies om de kaliumafvoer aan te voeren. Bij goede opbrengsten bedraagt de kaliumafvoer (met gewas en onvermijdbare verliezen) op zand- en dalgrond gemid­deld 200 kg K2O per hectare per jaar en op de overige gronden 150 kg. Om de bestaande toe­stand te handhaven moet men dus in vier jaar tijd op zand- en dalgrond 800 kg K2O per hectare en op de overige gronden 600 kg K2O toedienen. De afvoer van kalium met de bieten kan men nauwkeurig bepalen op basis van het kaliumgehalte van de bieten, dat op het uitslagenformulier van Cosun Beet Company staat.

Rekenvoorbeeld: bij een wortelopbrengst van 87 ton per hectare en een kaliumgehalte van de biet van 37 mmol per kg biet is de afvoer van kalium: 87 * 37 (mmol K) * 39,1 (atoomgewicht K) * 1,205 (omrekeningsfactor K K2O)/1000= 152 kg K2O per hectare (1,74 kg K2O/ton bieten).

b. Gewasgericht advies

Een overzicht van de gewasgerichte kaliumadviezen op basis van K-CaCl2, CEC en K-CEC, is te vinden in het Handboek Bodem en Bemesting. Uit kali­um­proeven van het IRS bleek er echter geen duidelijk verband te zijn tussen de opbrengst en interne kwaliteit van de suikerbieten enerzijds en de kalium­voor­raad (K-getal) van de grond anderzijds. Wel bleek dat in de meeste gevallen een kaliumbe­mesting van meer dan 100 kg K2O per hectare de financiële opbrengst van de bieten ver­hoog­de. De hoogte van de kaliumgift (tot 300 kg K2O/ha) had nauwelijks invloed op de interne kwaliteit. Op grond van deze resultaten is het daarom verstandig om, ongeacht de kaliumtoestand, de suikerbieten te bemesten met 150 à 200 kg K2O per hectare. Met deze hoeveelheid compenseert men tevens de afvoer van kalium met de bieten.

4.5.2 Tijdstip van toediening

De kalium kan men toedienen in het najaar of in het voorjaar. Eventueel is een gift in het twee- tot vierbladstadium van de bieten ook mogelijk.

Op kleigrond heeft najaarstoediening de voorkeur. Op proefvelden waren de positieve effec­ten van kalium bij najaarstoediening wat groter dan die bij voorjaarstoediening. Bij voorjaars­aanwending is de kans op zoutschade bij gebruik van een chloor­hou­dende kaliummeststof groter dan bij een chloorarme kaliummeststof. Dit geldt vooral als het toedieningstijdstip kort (circa twee weken of minder) voor het zaaien is. Op kaliumfixerende grond dient men de kalium in het voorjaar te geven. Vooral rivierklei en zoete getijden­afzet­tingen (Zuid-Holland) zijn kaliumfixerend. Op zand- en dalgronden, waar de meststoffen ingewerkt worden, is het voor­jaar het geschiktste toedieningstijdstip.

4.5.3 Keuze van de meststof

Kalium uit dierlijke mest is gelijkwaardig aan kalium uit kunstmest. In tabel 4.3.2 staan de kaliumgehalten van de belangrijkste dierlijke mestsoorten en compost. In tabel 4.5.4 staan enkele kaliummeststoffen. Voor de NPK- en PK-meststoffen: zie respectievelijk paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.1 en paragraaf 4.4.3, tabel 4.4.3.

Tabel 4.5.4 Enkele van de belangrijkste kaliummeststoffen. Waarden zijn onbekend als niets is ingevuld.

naam/soort gehalte (%) be1
K2O MgO Cl SO3
vaste meststoffen
Kali 60 60 0 45 0 0
Korn-Kali2 40 6 36 12 +3
Kaliumsulfaat 50 0 <3 45 0
Patentkali 30 10 <3 42 -2
vloeibare meststoffen
Kalimix3 25-28 0 <1 30-40
NatuC4 1,4-1,6 0 <0,01 3-3,5
PPL plus5 14-16 0 <0,15 32-37

1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend;

2 Korn-kali bevat tevens 4% Na2O per hectare.

3 Kalimix bevat tevens 0,5-1,5% N, 4-7% Na2O en 0,2-0,5% P2O5.

4 NatuC bevat tevens 0,8-1,0% N, 0,5-0,6% Na2O en 0,2-0,3% P2O5.

5 PPL plus bevat tevens 0,4-0,5% N, 0,2-0,6% Na2O en 0,2-0,5% P2O5.

Kaliumgebrek

Kaliumgebrek treedt voornamelijk op als gevolg van een te lage kaliumbeschikbaarheid. Vaak is een te geringe kaliumbemesting hier de oorzaak van. De symptomen van een gebrek worden als eerste zichtbaar aan de randen van het oudere blad. Deze verkleuren geel en krullen naar binnen. Later sterft dit af en worden midden op het blad bronskleurige plekken tussen de nerven zichtbaar. Het nog groene blad kleurt wat donkerder. Een gebrek kan worden bestreden door een kalium(houdende) meststof toe te dienen. Een bladbespuiting is echter niet snel rendabel.

Afbeelding met plant, groen, groente, blad Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 4.5.1 Kaliumgebrek kan het gevolg van een te lage kaliumbeschikbaarheid zijn, maar ook een te ruim magnesiumaanbod kan de kaliumopname belemmeren.

4.6 Natriumbemesting

Versie: maart 2024

Het natriumbemestingsadvies is niet gebaseerd op het natriumgehalte van de grond. Natriumbemesting heeft op zand-, dal- en veengronden bij suikerbieten vaak een positief effect op zowel het wortelgewicht als het sui­ker­gehalte.

4.6.1 Hoogte van de natriumgift

Voor de zand-, dal- en veengronden is het advies om de suikerbieten te bemesten met 200 kg Na2O per hectare. IRS-onderzoek in de jaren negentig heeft dit advies voor de noordoostelijke lichte gronden bevestigd. Door een Na2O-gift van 200 kg per hectare werd de financiële opbrengst (exclusief de kosten van de meststof) gemiddeld met ongeveer 5% verhoogd. Op de zuidoostelijke zandgronden was het positieve effect van natrium op de financiële opbrengst van de bieten destijds veel minder dan op de noordoostelijke lichte gronden, zonder dat hiervoor een verklaring was. Naar aanleiding van indicaties dat een natriumgift op de zuidoostelijke zandgronden wel voor positieve effecten zorgt, zijn van 2020 tot en met 2022 natriumproefvelden aangelegd in het zuidoosten. Uit dit onderzoek bleek een natriumbemesting ook op de zuidoostelijke zandgronden zinvol te zijn. Een verhoging van zowel het wortelgewicht als het suikergehalte, leidde tot een hogere financiële opbrengst.

Op klei- en zavelgronden is het effect van een natriumbemesting op de suikeropbrengst minder duidelijk dan op lichte gronden, maar wel aanwezig. Een natriumbemesting op met name zavelgronden werkt echter verslemping in de hand.

4.6.2 Tijdstip van toediening

De natriummeststoffen moeten voor het zaaien gestrooid en door de bouwvoor gemengd worden. De gangbare methode voor menging door de bouwvoor is één of meerdere bewerkingen met een cultivator, gevolgd bijvoorbeeld door ploegen of spitten. Meerdere bewerkingen voorafgaand aan het zaaien leidt op stuifgevoelige gronden wel tot een verhoogde kans op stuifschade.

4.6.3 Keuze van de meststof

Het maakt niet veel uit welke natriummeststof men gebruikt. De keuze kan men bepalen op basis van de prijs en/of de nevenbestanddelen in de meststof. In tabel 4.6.1 staan de belangrijkste natriumhoudende meststoffen. De gemiddelde natriumgehalten van de belangrijkste dierlijke mestsoorten staan in paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.2.

Tabel 4.6.1 Enkele van de belangrijkste natriumhoudende meststoffen. Waarden zijn niet bekend als er niets is ingevuld.

naam/soort gehalte (%) be1
Na2O K2O MgO Cl SO3
Magnesia-Kainit 27 11 5 44 10 -5
Landbouwzout 50 0 0 57-60 0 +5
Unika chili2 8,8 0 0 0 0
Nitrakali plus3 21 9 0 0 0
Agrifirm bietenzout4 50 0 0 57-60 0
Agrifirm bietenmix5 18,4 0 1,3 6,2

1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend.

2 Unika chili bevat tevens 14% N, 2,5% SO3 en 0,2% B.

3 Nitrakali plus bevat tevens 15% N en 0,05% B.

4 Agrifirm bietenzout bevat tevens 0,06% B.

5 Agrifirm bietenmix bevat tevens 15,4% N en 0,2% B.

Natriumgebrek

De meeste klei- en zavelgronden bevatten van nature voldoende natrium door de indringing van zeewater vanuit het verleden. Ondanks de vaak lage natriumvoorraden op de lichtere zand-, dal- en veengronden, worden symptomen van een natriumgebrek zelden waargenomen. Deze symptomen lijken veel op kaliumgebrek, waardoor uitsluitsel over de precieze oorzaak bij twijfel alleen met een nutriëntenanalyse kan worden gegeven.

4.7 Magnesiumbemesting

Versie: maart 2024

Op zand-, dal- en lössgronden kan magnesiumgebrek worden voorkomen door te zorgen voor een voldoende hoge magnesiumtoestand van de bouwvoor. Als streefgetal voor magnesium geldt een gehalte van 45 mg Mg per kg grond (bepaald door extractie met CaCl2). Soms wordt magnesium nog gemeten na extractie met NaCl. Deze waarden worden omgerekend naar CaCl2-waarden met de formule:

Mg-CaCl2 (mg Mg/kg)= [MgO-NaCl (mg MgO/kg)+6,8]/1,987.

Een tekort aan magnesium gaat ten koste van het wortelgewicht en/of suikergehalte.

4.7.1 Hoogte van de magnesiumgift

Als de magnesiumtoestand op zand-, dal- en lössgronden lager is dan het streefgetal dan luidt het advies deze hiernaar te verhogen. De hoeveelheid (MgO/ha) die hiervoor benodigd is, kan worden berekend met de formule:

(89 - 1,987x Mg-gehalte) × dikte bouwvoor in dm × volumegewicht bouwvoor.

Voorbeeld: een zandgrond met een Mg-gehalte van 30, een bouwvoor van 25 cm en een volu­me­gewicht van 1,3 kg per dm3. De benodigde gift = (89-1,987 x 30) × 2,5 × 1,3 = 96 kg MgO per hectare.

Daarna moet elk jaar een onderhoudsbemesting plaatsvinden. Ligt het Mg-gehalte hoger dan 45, dan hoeft men één of meerdere jaren niet te bemesten, afhankelijk van het gehalte:

- tussen 45 en 75 het eerste jaar niet, daarna onderhoudsbemesting;

- tussen 76 en 115 de eerste twee jaar niet, daarna onderhoudsbemesting;

- tussen 116 en 155 de eerste drie jaar niet, daarna onderhoudsbemesting;

- boven 155 de eerste vier jaar niet.

De hoogte van de onderhoudsbemesting kan men berekenen met de formule:

20,7 × dikte bouwvoor in dm × volumegewicht bouwvoor.

Voor zand- en dalgrond betekent dit een onderhoudsbemesting van respectievelijk circa 70 en 50 kg MgO per hectare.

De adviesgiften gelden voor MgO toegediend in de vorm van MgSO4 of MgO uit dierlijke mest.

Magnesium kan men ook in het groeiseizoen spuiten, vanaf het moment dat de eerste magnesiumgebrekverschijnselen verschijnen. Hiervoor zijn diverse producten op de markt. De hoeveelheid magnesium die hiermee gegeven wordt, ligt veel lager dan de hiervoor beschreven adviezen. Deze zijn namelijk gericht op een bodembemesting. Vooral onder on­gunstige omstandigheden kan een bladbemesting uitkomst bieden, zelfs bij een goede magne­siumtoestand van de grond. Onder ongunstige omstandigheden wordt verstaan: kou, droogte, aantasting door aaltjes, een hoge pH en een hoog aanbod aan kationen (o.a. waterstof, kalium, natrium en ammonium).

Voor zeeklei- en zeezandgronden (alluviaal zand) is er geen advies op basis van grond­on­derzoek. Voor deze gronden is het aan te bevelen een bespuiting uit te voeren met een magne­siumhoudende meststof als er magnesiumgebreksverschijnselen zichtbaar zijn. Op basis van het Mg-gehalte van de grond kan men de kans op magnesiumgebrek inschatten. Beneden 35 mg Mg per kg grond neemt met name op lichtere, kalkrijke kleigronden de kans op gebreksver­schijnselen toe.

Als er twijfel is over wel of geen magnesiumgebrek, kan men het magnesiumgehalte van de jongst volgroeide bladeren van de bieten laten analyseren. Beneden 250 mg Mg per 100 gram droge stof is de kans groot dat er sprake is van een magnesiumgebrek.

Magnesiumgebrek

Magnesiumgebrek kan meerdere oorzaken hebben. De belangrijkste oorzaken zijn hierboven beschreven. Kenmerkend aan een gebrek is het brosse blad dat hoorbaar knapt bij het dubbelvouwen. Ook kleurt het blad tussen de nerven geel, beginnend vanuit de bladtoppen van de oudste bladeren. Dit is op de linkse foto van figuur 4.7.1 te zien.

Door een magnesiumgebrek verzwakt het gewas, wat de plant vatbaarder maakt voor zwakteparasieten. Alternaria is daar een voorbeeld van. Deze secundaire aantasting wordt vaak zichtbaar in de aangetaste bladdelen (rechterfoto in figuur 4.7.1). Zodra magnesiumgebrek wordt gesignaleerd is een bespuiting met een bladmeststof zinvol. Daarmee kan een secundaire aantasting worden voorkomen.

Figuur 4.7.1 Magnesiumgebreksverschijnselen beginnen met geelverkleuring tussen de bladnerven vanaf de toppen van het oudste blad (boven). Later ontstaat gemakkelijk zwartverkleuring in de aangetaste delen als gevolg van alternaria (onder).

4.7.2 Tijdstip van toediening

Magnesiumhoudende kalkmeststoffen kan men het beste in het najaar toedienen. Voor andere magnesiumhoudende (bodem)meststoffen is het toedieningstijdstip minder relevant. Voor het meest geschikte tijdstip voor het toedienen van bladmeststoffen: zie de gebruiksaanwijzing op het etiket. Een bladbespuiting met magnesium is vanaf augustus zelden rendabel.

4.7.3 Keuze van de meststof

Men kan kiezen tussen magnesiumhoudende meststoffen die men aan de bodem moet toedienen en/of aan magnesiumhoudende meststoffen die in het groeiseizoen over het gewas gespoten worden. De werking van magnesium kan verschillend zijn. Magnesium in kalkmeststoffen (MgCO3) werkt op lichte gronden met een relatief lage pH (<5,5) in het eerste jaar na toediening voor ongeveer 80%. Op kleihoudende gronden met een hoge pH (>7,0) komt magnesium in gemalen kalkmeststoffen in het eerste jaar na toediening vrijwel niet tot werking. Magnesium in Betacal werkt in het eerste jaar voor ongeveer 25%. Magnesium in de meeste andere meststoffen werkt in het eerste jaar voor 100%. In tabel 4.7.1 staan enkele belangrijke magnesiumhoudende mest­stoffen vermeld. De gemiddelde magnesiumgehalten van dierlijke mest staan in tabel 4.3.2 van paragraaf 4.3.4. De magnesiumgehalten van diverse kalkmeststoffen staan in paragraaf 4.8.4, tabel 4.8.3.

Tabel 4.7.1 Enkele van de belangrijkste magnesiumhoudende meststoffen.

naam/soort gehalte (%) be1
MgO SO3
Esta Kieserit (gran.) 25 50 -2
EPSO TOP 16 32 -1/+5
EPSO Microtop3 15 31 0
EPSO Combitop4 13 34 0
FoliPlus Mg-nitraat 135 (g/l) 0 0
Hydromag 500 50

1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend.

2 Kieserit is een bodemmeststof. EPSO TOP en EPSO Microtop zijn oplosmeststoffen.

3 EPSO Microtop bevat tevens 0,9% B en 1% Mn.

4 EPSO Combitop bevat tevens 4% Mn en 1% Zn.

4.8 Kalkbemesting

Versie: april 2023

Een goede pH (zuurgraad) van de bouwvoor is voor een goede groei van de biet belangrijk, vooral voor de groei van jonge plantjes. Ook de pH van de ondergrond heeft invloed op de opbrengst. Het is moeilijk deze te verhogen door een rechtstreekse bekalking. Wordt de pH van de bouwvoor op peil gehouden, dan zal door inspoeling de ondergrond zeer geleidelijk een iets hogere pH krijgen.

De in dit hoofdstuk genoemde pH-waarden zijn pH-CaCl2-waarden. Dat wil zeggen dat voor de bepaling van de hoogte van de pH de grond geëxtraheerd wordt met CaCl2. Voorheen werd uitgegaan van pH-KCl-waarden. Deze waarden kan men omrekenen naar pH-CaCl2-waarden met de formule:

pH-CaCl2= 0,928 * pH-KCl + 0,5262

In het Handboek Bodem en Bemesting staan uitgebreide pH-adviestabellen en formules om de benodigde hoeveelheden kalk te berekenen.

4.8.1 Kalkadvies zand- en dalgrond

De optimale pH is afhankelijk van het bouwplan en het organische stofgehalte van de bouwvoor. In tabel 4.8.1 staan de pH-adviezen vermeld. Voor een bouwplan met fabrieksaardappelen gelden andere adviezen. Hierin is het effect van een besmetting met aardappelcysten verdisconteerd. Deze adviezen staan in tabel 4.8.2.

Tabel 4.8.1 Advies pHˈs op diluviale zand-, dal- en veengronden zonder fabrieksaardappelen in het bouwplan, bij diverse organische stofklassen.

aardappelen

(%)

bieten

(%)

organische stofgehalte (%)
<5 5-7,9 8-14,9 >15
33-50 16-25 5,7 5,5 5,4 5,3
0-33 20-33 5,81 5,8 5,7 5,5

1 de optimale pH is hier berekend op 6,0. Het pH-advies is hier afgetopt naar 5,8 vanwege de vrij grote kans op mangaangebrek.

Opmerkingen bij tabel 4.8.1:

  • er is van uitgegaan dat de bekalking plaatsvindt in het najaar voorafgaand aan de teelt van suiker­bieten;
  • bij een organische stofgehalte van <8% is gerekend met een bouwvoordikte van 28 cm, bij hogere gehalten van 22 cm.

Tabel 4.8.2 Advies pHˈs op diluviale zand-, dal- en veengronden met fabrieksaardappelen in het bouwplan, bij diverse organische stofklassen. AM-besmetting: 500-2000 (HLB-methode).

aardappelen

(%)

bieten

(%)

organische stofgehalte (%)
<5 5-7,9 8-14,9 >15
50 25 5,5 5,4 5,3 5,2
33 16 5,7 5,5 5,4 5,3
25 25 5,7 5,6 5,5 5,4
20 20 5,8 5,7 5,6 5,4
16 33 5,8 5,8 5,7 5,6

Opmerkingen bij tabel 4.8.2:

  • bij een AM-besmetting lager dan 500 is de geadviseerde pH 0,1 hoger; bij een AM-besmetting hoger dan 2000 is de geadviseerde pH 0,1 lager;
  • de pH-adviezen van 5,8 zijn eigenlijk hoger, maar zijn op 5,8 gesteld door de vrij grote kans op mangaangebrek bij deze hogere pHˈs;
  • er is van uitgegaan dat de bekalking plaatsvindt in het najaar voorafgaand aan de teelt van suiker­bieten;
  • bij een organische stofgehalte <5%, 5-8% en 8-15% is gerekend met een bouwvoordikte van 25 cm en bij >15% met een bouwvoordikte van 20 cm;
  • er is uitgegaan van gerst als graangewas in het bouwplan.

De hoeveelheden kalk, in kg neutraliserende waarde (NW), die nodig zijn om de gewenste niveaus te bereiken, staan op het uitslagenformulier van het grondonderzoek. U kunt de hoeveelheden ook berekenen met de Applicatie Kalkbemesting.

Men kan bij een optimale pH globaal uitgaan van een jaarlijks verlies aan NW door onttrekking, uitspoeling en verzurende werking van meststoffen van ongeveer 200 kg per hectare op een zandgrond met 3% organische stof en 250 kg op dal- en veengronden en zandgrond met 8% organische stof. Deze getallen zijn niet erg vast en kunnen tussen de percelen aanzienlijk verschillen. Een pH-analyse van de grond is dus altijd aan te raden.

4.8.2 Kalkadvies zeezand-, zavel-, klei- en lössgrond

Ook op kleigrond is er een belangrijk verschil tussen de gewenste pH voor aardappelen en de overige gewassen. In tegenstelling tot zandgrond is er echter nauwelijks verschil tussen de meest gewenste pH voor bieten en die voor bijvoorbeeld granen.

De hoogte van het pH-advies op kleigrond is afhankelijk van het percentage lutum en het per­centage organische stof. Globaal varieert de streef-pH bij een organische stofgehalte van de grond <3% van 6,3 op zeezandgrond tot 7,2 op zwaardere kleigrond. Bij hogere organische ­stof­gehalten liggen deze streef-pHˈs lager.

Op rivierklei met meer dan 12% lutum is de streef-pH 6,5, bij minder lutum liggen de streef-pHˈs 0,2 tot 0,4 lager.

Op lössgrond wordt geadviseerd te bekalken tot pH 6,4 op percelen met <10% lutum en tot 6,7 op percelen met >10% lutum.

Een onderhoudsbekalking is alleen aan te bevelen voor percelen met minder dan 2% CaCO3 (kool­zure kalk). De verliezen bedragen op zulke percelen circa 400 kg NW per hectare per jaar.

Los van de pH-adviezen kan het zinvol zijn om kleigrond te bekalken om de slempgevoeligheid te beperken (lichtere gronden) of de bewerkbaarheid te verbeteren (zwaardere gronden). Omdat deze aspecten moeilijk te kwantificeren zijn, wordt hiermee in het advies geen rekening gehouden.

4.8.3 Tijdstip bekalking

Om suikerbieten optimaal te laten profiteren van de bekalking, moet men deze in het vooraf­gaande najaar uitvoeren. De kalk moet zo intensief mogelijk vermengd worden met de bouw­voor. Door omstandigheden is het soms niet mogelijk om in het najaar te bekalken. Dit is dan nog wel mogelijk in het vroege voorjaar, mits men een fijne kalkmeststof, bij voorkeur met een laag magnesiumgehalte, gebruikt (de werking van MgCO3 is minder dan van CaCO3). Een dergelijke meststof lost relatief snel op in de grond. Betacal is vanwege zijn goede oplosbaar­heid de geschiktste kalkmeststof voor het voorjaar. De goede oplosbaarheid van Betacal is niet alleen te danken aan de fijnheid, maar ook aan de organische stof in de Betacal. De koolzuur die vrij­komt bij de vertering van de organische stof, zorgt voor een extra snelle werking. Een bekalking van de bovengrond, vlak voor de zaaibedbereiding (een zogenaamde topbekalking), gaf in proe­ven in het verleden soms positieve resultaten op gronden met minder dan 6% organische stof. Deze methode van bekalking is echter een stuk minder effectief dan een bekalking waarbij de kalk intensief door de bouwvoor is gewerkt.

4.8.4 Keuze van de meststof

Op zand- en dalgronden kan men bij najaarsaanwending in principe iedere gangbare kalkmest­stof gebruiken. Bij voorjaarsaanwending en bij aanwending op kleigronden is in feite alleen Betacal geschikt. De werking van gemalen koolzure kalkmeststoffen valt op kleigrond tegen. Deze kalkmeststoffen lossen bij een hoge pH (pH>6,5) moeilijk op en werken daardoor traag. Betacal daarentegen werkt wel snel, omdat het zeer reactieve kalk (CaCO3) bevat. Het IRS heeft van een aantal gangbare kalkmeststoffen de werkingssnelheid bepaald volgens NEN-EN13971 (Sauerbeck-methode). Betacal bleek verreweg de snelst werkende kalkmeststof te zijn; zie figuur 4.8.1. In tabel 4.8.3 worden de belangrijkste kalkmeststoffen genoemd en de complete chemische samenstelling van Betacal vindt u in tabel 4.8.4.

Tabel 4.8.3 Enkele van de belangrijkste kalkmeststoffen.

productnaam NW1

(g CaO/100g)

N

(g/kg)

P2O5

(g/kg)

MgO

(g/100g)

fijnheid <0,15 mm (%)
Ankal 50 0 0 0 90
Betacal-carbo 26 3,25 11,5 1,1 >95
Betacal-filter 22 2,75 9,75 0,9 >95
Betacal-flow 17 2,25 8 0,8 >95
Borgakal 53 0 0 7 60
Calhix Flow 25 0 0 0 >952
Dolokal Supra 57 0 0 19 90
Dolokal Extra 55 0 0 10 90
Dolokal 54 0 0 5 90
Emkal 53 0 0 0 90
Limkal 50 0 0 0 50
Magkal 54 0 0 17 80
Miramag 55 0 0 19 >95
Vitakal 50 0 0 0 70

1 NW = neutraliserende waarde.

2 Kalkdeeltjes zijn volgens opgave producent <0,005 mm.

Opmerkingen bij tabel 4.8.3:

  • de fijnheid van Betacal, Magkal en Vitakal is bepaald volgens de natte zeefmethode;
  • de werking van de stikstof in Betacal bedraagt bij najaarsaanwending circa 40%; bij voorjaars­aanwending circa 75%.

Tabel 4.8.4 Overzicht chemische samenstelling van Betacal.

eenheid in product
Betacal

carbo

Betacal

filter

Betacal

flow

D.S. g/100g 68 58 45
O.S. g/100g 9 8 6
NW* g CaO/100g 26 22 17
CaO g/100g 27 23 18
MgO g/100g 1,1 0,9 0,8
Ntotaal g/kg 3,25 2,75 2,25
P2O5 g/kg 11,5 9,75 8
K2O g/kg 1,1 0,9 0,8
Na2O g/kg 0,3 0,2 0,2
SO3 (S) g/kg 7 (3) 6 (2,5) 5 (2)
Fe g/kg 1,7 1,3
Mn mg/kg 150 130 100
B mg/kg 5 4 3
Cd mg/kg 0,4 0,3 0,3
Cr mg/kg 6,8 5,8 4,5
Cu mg/kg 11,6 9,9 7,7
Hg mg/kg <0,007 <0,006 <0,005
Ni mg/kg 1,4 1,2 0,9
Pb mg/kg 2,7 2,3 1,8
Zn mg/kg 47,6 40,6 31,5
As mg/kg 1,8 1,5 1,1

* NW = neutraliserende waarde.

Betacal staat op de lijst van meststoffen en bodemverbeteringsmiddelen die mogen worden toegepast in de biologische landbouw (bijlage 1, Verordening (EG) Nr. 834/2007).


Figuur 4.8.1 Reactiesnelheid van uiteenlopende kalkmeststoffen (NEN-EN13971).

Kalkgebrek

De opbrengst van suikerbieten is sterk gerelateerd aan de hoogte van de pH. Met name een te lage zuurgraad heeft gevolgen voor de opbrengst en kwaliteit. Dit is al aan het begin van het groeiseizoen te zien door een achterblijvende ontwikkeling. Ook heeft het blad een lichtgroene tot gelige kleur. Een te lage pH leidt ook tot een slechte ontwikkeling van het wortelstelsel, waarbij de wortels zwart kunnen verkleuren. Dat betekent dat de vocht- en nutriëntenopname belemmerd wordt. Vaak worden symptomen van fosfaatgebrek zichtbaar. De beschikbaarheid van nutriënten neemt ook af bij een lage pH.

Een te lage pH heeft ook gevolgen voor de kans op aantasting door ziekten. Zo kan de aantasting door aphanomyces, rhizoctonia en aaltjes meer schade veroorzaken.

Afbeelding met gras, buitenshuis, hemel, plant Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 4.8.2 Achterblijvende groei vanwege een te lage pH kan pleksgewijs voorkomen.

4.9 Boriumbemesting

Versie: april 2023

Een tekort aan borium veroorzaakt bij bieten hartrot. De belangrijkste verschijnselen hiervan zijn het afster­ven en zwart verkleuren van de jongste blaadjes midden in de kop en de vorming van nieuwe zij­scheuten (zie figuur 4.9.1). De kans op boriumgebrek is het grootst op percelen met een te lage boriumtoestand van de bouwvoor. Een slechte structuur, hoge pH (>5,8) en watergebrek verhogen de kans op boriumgebrek. Boriumgebrek is nadelig voor zowel de wortelopbrengst als de interne kwaliteit van de biet.

Boriumgebrek komt vooral voor op zandgronden (zowel de alluviale als de diluviale zand­gron­den), maar kan ook voorkomen op rivierklei-, dal- en lössgronden. Zeekleigronden zijn van nature borium­rijk.

In incidentele gevallen kunnen bieten op zeekleigrond ook last van boriumgebrek hebben. Meestal betreffen dit percelen met een dun kleipakket, in jaren met een droge zomer en droog najaar. Op basis van ervaringen in het verleden kan men overwegen om tegen boriumgebrek preventieve maatregelen te nemen.

Afbeelding met groen, groente Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 4.9.1 Boriumgebrek veroorzaakt hartrot en kan een forse opbrengstderving veroorzaken. De gebreksverschijnselen op deze foto werden veroorzaakt door een te hoge pH (6,9) op zandgrond.

4.9.1 Hoogte van de boriumgift

Via grondonderzoek (extractie met heet water) kan men vaststellen of de bouwvoor voldoende borium bevat en hoeveel borium wordt geadviseerd (zie tabel 4.9.1). Tegenwoordig vindt op veel percelen grondonderzoek op borium plaats op basis van extractie met CaCl2 (ook wel PAE-methode genoemd). Voor borium is deze methode echter nog niet gevalideerd en opgenomen in het Handboek Bodem en Bemesting.

Tabel 4.9.1 Waardering boriumtoestand en adviesgiften.

waardering boriumgehalte (mg/kg grond) adviesgift (kg B/ha)
vloeibare boriummeststof, boriumhoudende mengmeststof vaste boriummeststof
zeer laag <0,20 0,4 1,5
laag 0,20-0,29 0,3 1,0
vrij goed 0,30-0,35 0,2 0,5
goed >0,35 0 0

Bij afwezigheid van een bodemanalyse is het advies voor gronden die gevoelig zijn voor borium­gebrek (vooral lichte, droogtegevoelige gronden) om minimaal 400 gram borium per hectare te geven.

4.9.2 Tijdstip van toediening

Vaste boriummeststoffen, zoals Borax, moet men bij voor­keur voor het zaaien toedienen. Vloeibare boriummeststoffen kan men spuiten in de periode vlak voor het zaaien tot en met het sluiten van het gewas. Er is een lichte voorkeur voor een bespuiting bij het zaaien. Percelen die sterk gevoelig zijn voor boriumgebrek kunt u het beste borium geven bij het zaaien, gevolgd door een tweede gift voor het sluiten van het gewas. Veelal kunnen vloeibare boriummeststoffen gemengd met herbiciden worden gespo­ten. Lees ook de aanwijzingen op het etiket. Als er onvoorzien in juli of begin augustus boriumgebreksverschijnselen optreden, kan men verslechtering van de situatie trachten te voorkomen door ongeveer 400 gram B per hectare te spuiten. Bij twijfel over al dan niet boriumgebrek kan men het boriumgehalte van de jongst volgroeide bladeren laten onderzoeken. Bij B-gehalten beneden 3,2 mg B per 100 gram droge stof is de kans op boriumgebrek groot.

4.9.3 Keuze van de meststof

Voor een bemesting met een borium­mest­stof kan men Borax gebruiken, maar deze meststof geeft door de geringe be­no­digde hoeveelheden (5 tot 15 kg/ha) vaak problemen wat betreft de regelmaat van verde­ling.

Er zijn goed oplosbare boriummeststoffen verkrijgbaar, die men zowel vóór opkomst als na opkomst van de bieten met een landbouwspuit kan toedienen. In tabel 4.9.2 staan enkele van de belangrijkste borium- en boriumhoudende meststoffen. Het boriumgehalte van de meeste dier­lijke mestsoorten bedraagt 3 tot 5 gram per ton.

Tabel 4.9.2 Enkele van de belangrijkste borium- en borium­houdende meststoffen.
productnaam borium
Agrifirm bietenmix1 0,2%
Agrifirm bietenzout2 0,06%
Brassitrel Pro3 3,9%
Borax 11,0%
Boron 150 g/l
Bortrac 150 150 g/l
EPSO Microtop4 0,9%
Fertichel Borium 135 g/l
FoliPlus Borium 150 g/l
Nitrakali plus5 0,05%
Solubor DF 17,4%
Unika chili6 0,2%

1 Agrifirm bietenmix bevat tevens 15,4% N, 1,3% MgO, 18,4% Na2O en 6,2% SO3.

2 Agrifirm bietenzout bevat tevens 50% Na2O.

3 Brassitrel Pro bevat tevens 7,7% MgO, 0,3% Mo en 4,6% Mn.

4 EPSO Microtop bevat tevens 15% MgO, 31% SO3 en 1% Mn.

5 Nitrakali plus bevat tevens 15% N, 9% K2O en 21% Na2O.

6 Unika chili bevat tevens 14% N, 2,5% SO3 en 8,5% Na2O.

4.10 Mangaanbemesting

Versie: april 2023

Op zand- en dalgronden is de hoogte van de pH verreweg de belangrijkste factor voor het op­treden van mangaangebrek. Beneden pH 5,5 is er geen, tussen pH 5,5 en 5,8 een geringe, tussen pH 5,9 en 6,3 een gerede en boven pH 6,3 een erg grote kans op het optreden van man­gaan­gebrek. Genoemde pH-waarden zijn pH-CaCl2-waarden. Gebreksverschijnselen (figuur 4.10.1) zijn vaak het eerst te zien op humusarme perceelsgedeelten (zandkop­pen), omdat na bekalking de pH daar meer stijgt dan op humusrijke perceelsgedeelten.

Op kleihoudende gronden bestaat ook de kans op het optreden van mangaangebrek. Hiervan is een onvoldoende beschikbaarheid door een combinatie van een aantal factoren (organische stof­gehalte, droogte, hoeveelheid reduceerbaar mangaan in de grond) de oorzaak. De hoe­veel­heid reduceerbaar mangaan (MnO2) is de fractie die makkelijk wordt omgezet (gereduceerd) tot opneembaar mangaan (Mn2+) en kan men door grondonderzoek (extractie met ammoniumacetaat 1 N hydrochinon) laten vaststellen. Op gronden met een organische stofgehalte <2,5% kan bij een reduceerbaar mangaangehalte <60 mg per kg grond gebrek worden verwacht. Dit geldt ook voor een organische stofgehalte >2,5% bij een mangaangehalte van <100 mg per kg, maar niet voor gronden in de Noordoostpolder, de Biesboschpolders en de Kreekrakpolder.

Mangaangebrek

Mangaangebrek is te herkennen aan kleine, wolkvormige, lichtgele vlekken op de oudste bladeren. Deze plekken kunnen later bruin verkleuren en necrotiseren. De bladeren die gebrekssymptomen vertonen, hebben een steile stand en draaien bovenaan naar binnen (figuur 4.10.2).

Als men twijfelt of er sprake is van mangaangebrek, kan men bietenbladeren laten analyseren op mangaangehalte. Van jonge bieten de buitenste bladeren, van oudere bieten de jongst volgroeide bladeren. Bij gehalten lager dan 2,0 mg Mn per 100 gram droge is er een gerede kans op mangaangebrek. Bij gehalten lager dan 1,5 mg Mn per 100 gram droge stof is er bijna altijd sprake van mangaangebrek.

Afbeelding met groente, groen, plant, blad Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 4.10.1 Symptomen van mangaangebrek worden als eerste zichtbaar op oud blad door kleine, wolkvormige, lichtgele vlekken tussen de nerven.


Figuur 4.10.2 Bladeren die door mangaangebrek zijn aangetast, staan steil en draaien vanaf de bladranden bovenaan naar binnen toe.

Mangaanbespuitingen kunnen gebrek snel opheffen. Op drie proefvelden (1981, 1991 en 1998) bleek dat mangaangebrek bij bieten geen aantoonbare invloed had op de opbrengst en interne kwaliteit.

Uit onderzoek in de jaren 2001 tot en met 2004 bleek dat langdurig mangaangebrek bij sommige rassen leidde tot een significant lagere suikeropbrengst.

Het bestrijdingsadvies van mangaangebrek is als volgt: Als mangaangebrek vroeg optreedt (circa zesbladstadium) en men op basis van ervaringen in het verleden vermoedt dat dit gebrek langdurig (circa drie maanden of meer) zal zijn, luidt het advies om mangaangebrek te bestrijden zodra dit zichtbaar is. Vaak zal het nodig zijn om de bespuiting, met een tussenpoos van een paar weken, één of twee keer te herhalen. Er zijn rassen die niet lijden onder mangaangebrek en waarvoor bestrijding niet rendabel is. Het is echter niet bekend welke rassen dit betreft. De lage meststofkosten per hectare van een bespuiting (gemid­deld circa 10 euro per bespuiting) kan men beschouwen als een verzekerings­premie voor even­tuele opbrengst­verliezen. Een bijkomend voordeel van bestrijding van man­gaangebrek kan zijn dat bieten dan minder gevoelig zijn voor gewasbeschermingsmiddelen.

Mengen van mangaanmeststoffen met gewasbeschermingsmiddelen kan het risico inhouden dat de be­schik­baarheid van mangaan voor de plant terugloopt. Dit geldt in ieder geval voor de mangaan­chelaten. Let in ieder geval op de gebruiksvoorschriften bij de diverse middelen!

4.10.1 Hoogte van de mangaangift

De hoogte van de mangaangift varieert per mangaanmeststof; zie hiervoor de aanwijzingen op het etiket. Het is praktisch niet mogelijk om door bemestingen het mangaangehalte van de bodem zodanig te verhogen dat mangaangebrek niet zal optreden.

4.10.2 Tijdstip van toediening

De bespuiting moet plaatsvinden als mangaangebrek zichtbaar is. Indien nodig, moet men de bespui­ting een paar weken later herhalen.

4.10.3 Keuze van de meststof

Bij de keuze van de meststof moet men zich vooral laten leiden door de kosten van de bespui­ting per hectare. In tabel 4.10.1 staan enkele van de belangrijkste mangaanmeststoffen vermeld. Al deze meststoffen zijn bladmeststoffen.

Tabel 4.10.1 Enkele van de belangrijkste mangaanmeststoffen.

productnaam mangaan
% g/l
Chelal Mn n.b.1 90
Fertichel Mangaan 5,0 60
FoliPlus Mn-carbonaat n.b.1 260
FoliPlus Mn-nitraat n.b.1 200
Hu-Man 152 15 150
Mangaansulfaat 31,0 -
Mangaan vloeibaar Extra3 15,0 235
Mantrac Pro 27,4 500
Mantrilon 6,0 80

1 n.b. = niet bekend.

2 Hu-Man 15 bevat tevens 12 g Mg/l, 93 g S/l en 10 g Zn/l.

3 bevat tevens 7,7% N (120 g/l).

4.11 Overige nutriënten

Versie: april 2023

4.11.1 Molybdeenbemesting

Molybdeengebrek uit zich in een geremde groei, waarbij de bladeren bleekgroen en dikwijls samengeknepen zijn. Veel jonge plantjes kunnen wegvallen. In Nederland komt molybdeen­gebrek vooral voor op ijzeroerbevattende zand- en dalgronden met een pH-CaCl2 lager dan 5,6.

Molybdeengebrek kan men voorkomen door de pH-CaCl2 op minimaal 5,6 te brengen. Bestrijding van molybdeengebrek is mogelijk door een bespuiting met bijvoorbeeld 0,25 kg Natriummolybdaat per hectare of 0,25 liter Molytrac 250 per hectare.

4.11.2 Zwavel

Suikerbieten hebben een lage zwavelbehoefte. Hoewel een zwavelgebrek zelden voorkomt in Nederland, is het risico op een zwaveltekort het grootst op zandgronden met een laag humusgehalte. Een lage grondwaterstand (uitspoeling) en weinig depositie in de omgeving verhogen dit risico.

Onderzoek in 2005 en 2006 naar het effect van een zwavelbemesting op percelen met een lage zwavelvoorraad leidde niet tot een verhoging van de opbrengst en interne kwaliteit. Ook leidde een zwavelgift niet tot een verhoging van het zwavelgehalte in het blad. In deze zes proeven werd 30 kg zwavel (S) gegeven. Ook in buitenlandse onderzoeksresultaten en eerder Nederlands onderzoek is gebleken dat suikerbieten niet op een zwavelbemesting reageren, zelfs niet bij lage bodemvoorraden aan zwavel. Grondonderzoek op zwavel en een bewuste keuze voor een zwavelhoudende meststof zijn dan ook voor suikerbieten niet nodig.

Afbeelding met plant, buitenshuis, groen, blad Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 4.11.1 Zwavelgebrek is te herkennen aan de gele, steile en vaak lepelvormige vorm van het blad.

4.11.3 Groeibevorderaars en plantversterkers

Het IRS onderzoekt regelmatig de effecten van groeibevorderaars, plantversterkers en biostimulanten op proefvelden. In veel gevallen wordt een verbetering van de wortelopbrengst of het suikergehalte bij het toepassen van deze producten geclaimd. Tot dusver leidde toediening van deze producten in geen enkel geval tot een hogere opbrengst en interne kwaliteit.

4.12 Organische stof

Versie: maart 2024

Een voldoende hoog organische stofgehalte van de bouwvoor is erg belangrijk. Op zand- en dal­grond is het vooral van belang voor de vochtvoorziening en het adsorberend vermogen, op klei­grond vooral voor de structuur. Om het gehalte aan organische stof op peil te houden moet ge­mid­deld per jaar 2.000 kg effectieve organische stof per hectare worden aangevoerd. Deze hoeveelheid kan van perceel tot perceel sterk variëren. De afbraak van organische stof in de bodem (gemiddeld 2% per jaar) is namelijk afhankelijk van diverse bodemkenmerken, zoals de aard van de organische stof (ouderdom, C/N verhouding), de ontwateringstoestand en de pH. Onderzoek heeft aangetoond dat de vuistregel van 2% afbraak van organische stof per jaar gehandhaafd kan blijven. Uitzondering vormen de dalgronden, waar het wel zinvol kan zijn om rekening te houden met het aandeel (zeer) slecht afbreekbare organische stof en eventueel de pH. Onderzocht wordt nog welke afbraaksnelheid voor perceelspecifieke adviezen in de Veenkoloniën gehanteerd moeten worden.

Onder effectieve organische stof (EOS) verstaat men de hoeveelheid organische stof die na één jaar nog in de bodem aanwezig is. De belangrijkste organische stofbronnen zijn wortel- en stoppel­resten, groenbemesters, compost en dierlijke mest.

Afbeelding met gras, buitenshuis, veld, staan Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 4.12.1 Vaste mest is een belangrijk aanvoerbron van nutriënten en effectieve organische stof (EOS).

Indien stro op het land achterblijft en wordt ondergeploegd, zal voor de vertering hiervan circa 7 kg stikstof per 1.000 kg stro nodig zijn, die men in de vorm van kunstmest of dierlijke mest moet geven. Dit moet gebeuren in het najaar over het stro (voor het ploegen). Als de extra N-gift niet in het najaar is gegeven, verdient het aanbeveling dit alsnog in het voorjaar te doen.

Indien het stro in eerste instantie boven op de grond blijft liggen en pas later samen met de groen­bemester wordt ondergeploegd, hoeft men geen extra stikstof voor de vertering van het stro te geven. De belangrijkste groenbemesters voor suikerbieten zijn gele mosterd, bladram­me­nas en gras. Gras is om diverse redenen minder geschikt voor bieten. Gras is onder andere waardplant voor diverse aaltjes en insecten, zoals ritnaalden en emelten. Zie hoofdstuk 5.6 ˈGroenbemestersˈ van deze teelthandleiding voor meer informatie over groenbemesters en de invloed van ziekten en plagen op de keuze van de groenbemester.

Suikerbieten stellen hoge eisen aan de wijze van voorbewerken en onderwerken van met name grasgroenbemesters. De grond moet voldoende droog zijn, dus tijdig en onder gunstige omstandigheden onderwerken. Kruisbloemigen, zoals bladrammenas en gele mosterd, hebben als voordeel dat men ze nog vrij laat, tot in de tweede helft van september, kan zaaien. Deze gewassen zijn vorstgevoelig en verteren sneller dan gras. Hierdoor komt vrij kort na het onderwerken of doodvriezen stikstof uit deze gewas­sen vrij. Indien dit gebeurt vóór februari kan deze stikstof, of een deel ervan, meege­nomen worden in het Nmin-monster in februari. Een extra aftrek van het advies is dan niet meer nodig. Voor het gebruik van dierlijke mest en compost moet men rekening houden met de wet­telijke bepalingen die hieraan verbonden zijn. Men moet onder andere rekening houden met de Meststoffenwet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In paragraaf 4.13 staan de belangrijkste regels.

In tabel 4.13.1 staat hoeveel effectieve organische stof men met diverse bronnen gemiddeld aanvoert. Een uitgebreid overzicht is te vinden in het Handboek Bodem en Bemesting.

Tabel 4.12.1 Gemiddelde aanvoer van effectieve organische stof met enkele belangrijke organische stofbron­nen.
wortel- en stoppelresten groenbemesters organische meststoffen
gewas (kg/ha) gewas (kg/ha) meststof* (kg/t)
wintertarwe 2.100 gele mosterd 875 d.m. varkens 26
wintertarwe+stro 3.100 bladrammenas 875 d.m. zeugen 9
zomergerst 1.400 engels raaigras 1.155 d.m. rundvee 50
zomergerst+stro 2.000 facelia

wikke

650

650

v.m. kippenstrooisel 122
consumptieaardappelen 450 afrikaantjes 1050 v.m. vleeskuikens 151
zetmeelaardappelen 800
pootaardappelen 650 v.m. rundvee 109
suikerbieten+loof 850 groencompost 161
uien 300 champost 106
prei, inclusief blad 450 GFT-compost 218
snijmaïs 800
cichorei 775

* d.m.= dunne mest; v.m.= vaste mest.

4.13 Wettelijke regels

Versie: maart 2024

In de Europese nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water staan afspraken en doelen om de waterkwaliteit te beschermen. Ieder land kan zelf regels opstellen om deze afspraken na te komen. Nederland heeft deze wettelijke regels vastgelegd in de Meststoffenwet (Msw). De Meststoffenwet is weer onderverdeeld in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm) en het Uitvoerings­besluit Meststoffenwet (Ubm). Vanaf 2024 zijn het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) en de Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen (Ugm) ondergebracht in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), onderdeel van de Omgevingswet. Hieronder staat een selectie beschreven. Meer informatie is te vinden op www.rvo.nl.

4.13.1 Meststoffenwet, Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

Er gelden gebruiksnormen voor dierlijke mest, stikstof en fosfaat.

Gebruiksnorm dierlijke mest

De maximale stikstofgift (N-totaal) met dierlijke mest bedraagt 170 kg per hectare en op derogatiebedrijven 210 of 230 kg per hectare (2024), afhankelijk van de ligging en grondsoort. De derogatie wordt in de komende jaren afgebouwd en vervalt vanaf 2026. Voor deze bedrijven geldt dan ook de maximale gift van 170 kg per hectare. Het gaat om gemiddelde maximale giften. Men mag dus het ene perceel meer en het andere perceel minder geven. De fosfaatgebruiks­norm mag men hierbij niet overschrijden.

Alle meststoffen waarin dierlijke mest voorkomt, worden beschouwd als dierlijke mest. Champost bijvoorbeeld (waar onder andere paardenmest in zit) valt ook onder dierlijke mest.

Gebruiksnorm stikstof

Voor ieder gewas is op basis van de geldende bemes­tings­adviezen vastgesteld hoeveel stikstof maximaal mag worden gegeven. Voor het zuidelijk zand- en lössgebied is de stikstofgebruiksnorm in 2015 verlaagd met als doel het stikstofbodemoverschot, en daarmee de uitspoeling van stikstof, te verlagen. In 2024 zijn de gebruiksnormen in zogeheten met ‘nutriënten verontreinigde gebieden’ (NV-gebieden) verlaagd met 5%. In een aantal NV-gebieden die in een grondwaterbeschermingsgebied (GWB-gebied) vallen, is de ruimte met 10% verlaagd. In 2025 wordt de gebruiksnorm in al deze gebieden met 20% verlaagd ten opzichte van de norm in 2023. De gebruiksnormen voor 2024 staan in tabel 4.13.1 weergegeven.

Tabel 4.13.1 Gebruiksnormen voor suikerbieten (2024).

regio gebruiksnorm (kg N/ha)
norm NV-gebied GWB-gebied in NV gebied NV-gebied in 2025
klei 150 143 135 120
noordelijk, westelijk en centraal zand 145 138 131 116
veen 145 138 131 116
zuidelijk zand 116 110 104 93
löss 116 100 104 93

Op klei mag extra stikstof gebruikt worden middels stikstofdifferentiatie. Voor suikerbieten bedraagt deze extra ruimte 15 kg stikstof per hectare per jaar, mits aangetoond kan worden dat de gemiddelde wortelopbrengst van de laatste drie jaar hoger dan 75 ton per hectare was.

Als equivalente maatregel kan men een opbrengstafhankelijke verhoging van de stikstofgebruiks­norm voor (o.a.) suikerbieten aanvragen (onder voorwaarden; zie Equivalente maatregel (rvo.nl)). De hoogte hiervan staat in tabel 4.13.2.

Tabel 4.13.2 Toegestane verhoging van de N-gebruiksnorm voor suikerbieten in kg N per hectare per jaar, afhankelijk van de gemiddelde wortelopbrengst van de afgelopen drie jaren.

gemiddelde wortelopbrengst

(ton/ha)

verhoging (kg N/ha)
55-65 5
65-75 15
75-85 30
85 of meer 35

De gebruiksnormen voor groenbemesters zijn vanaf 2024 veranderd. Voor vlinderbloemige groenbemesters is de gebruiksnorm vervallen. Voor niet-vlinderbloemige groenbemesters is er alleen een gebruiksnorm indien de groenbemester:

  • wordt gezaaid na graan, graszaad of koolzaad;
  • uiterlijk 1 september wordt gezaaid;
  • niet voor 1 februari wordt vernietigd.

Op klei en veen is de gebruiksnorm 60 kg per hectare, op zand en löss 50 kg per hectare.

De volledige gebruiksnormen zijn te vinden op de website van RVO: Tabel 2 Stikstof landbouwgrond (rvo.nl).

Dit zijn de voorwaarden voor de mestwetgeving. Voor vergroening gelden andere voorwaarden.

Net als bij dierlijke mest is men vrij om het ene gewas meer en het andere gewas minder stikstof te geven. Bij de gebruiksnorm van stikstof gaat het om werkzame stikstof. Het werkingspercentage van kunstmeststikstof is op 100 gesteld. De werkingspercentages van dierlijke mest en andere mest­stoffen zijn lager vastgesteld. Voor dierlijke mest is het werkingspercentage afhankelijk van het tijdstip van toedienen; zie tabel 4.13.3.

Tabel 4.13.3 Stikstofwerkingscoëfficiënten in stelsel van gebruiksnormen (2024).

mestsoort werking voorjaar werking najaar
zand, löss klei, veen zand, löss klei, veen
varkensdrijfmest 80 60 verbod verbod
overige soorten drijfmest 60 60 verbod verbod
dunne fractie na mestbewerking en gier 80 80 verbod verbod
vaste mest varkens, pluimvee, nertsen 55 55 verbod 55
vaste mest rundvee 40 40 verbod 30
vaste mest overige soorten 40 40 verbod 30
compost 10 10 10 10
champost 25 25 25 25
zuiveringsslib 40 40 40 40
overige organische meststoffen 50 50 50 50

In de tabel is zichtbaar dat de najaarstoediening van drijfmest is verboden. Dit verbod geldt vanaf 1 augustus, met uitzondering van percelen waar voor 15 september een groenbemester wordt ingezaaid. Op die percelen mag tot en met 15 september drijfmest worden uitgereden. Op zand- en lössgrond mag vaste mest worden uitgereden tot en met 31 augustus. Onder ˈoverige organische meststoffenˈ vallen onder andere Betacal en Betafert.

Gebruiksnorm fosfaat

De fosfaatgebruiksnorm is afhankelijk van de fosfaattoestand van de bodem. Deze toestand moet blijken uit bemonstering en analyse van de oppervlakte bouwgrond. Als de bodem niet bemonsterd en geanalyseerd is, moet men de laagste fosfaatgebruiksnorm (categorie hoog) hanteren. In tabel 4.13.4 staan de fosfaatgebruiksnormen voor bouwland.

Tabel 4.13.4 Fosfaattoestand en gebruiksnormen voor bouwland vanaf 2021, gebaseerd op het P-AL-getal en de P-CaCl2-getal.

indeling klassen P-CaCl2-getal indeling klassen P-AL-getal
<21 21 - 30 31 - 45 46 - 55 >55
<0,8 arm (120) arm (120) arm (120) laag (80) laag (80)
0,8 - 1,4 arm (120) arm (120) arm (120) laag (80) neutraal (70)
1,5 - 2,4 arm (120) arm (120) laag (80) neutraal (70) ruim (60)
2,5 - 3,4 arm (120) laag (80) neutraal (70) ruim (60) hoog (40)
>3,4 laag (80) laag (80) neutraal (70) ruim (60) hoog (40)

Vanaf 2023 geldt een fosfaatvrijstelling voor vaste strorijke mest en champost. Hierbij telt 75% van de hoeveelheid fosfaat mee in de gebruiksruimte. Bij het gebruik van compost telt slechts 25% van de hoeveelheid fosfaat mee. Voorwaarde is dat ten minste 20 kg fosfaat afkomstig is uit een van deze bronnen en dat de fosfaatgebruiksnorm niet wordt overschreden. Meer informatie staat op de pagina Stimuleren organische stofrijke meststoffen (rvo.nl).

Fosfaatklasse hoog

In de fosfaatklasse hoog is een mogelijkheid om vijf kilo extra fosfaat aan te voeren bovenop de gebruiksnorm van 40 kilo, mits aan de voorwaarden in artikel 33b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt voldaan. Daarvoor moet aantoonbaar ten minste 20 kilo fosfaat afkomstig zijn uit organische stofrijke bronnen. De voorwaarden staan op de pagina Extra organische mest uitrijden (rvo.nl).

De fosfaatwerking van alle fosfaathoudende meststoffen is op 100% gesteld, met uitzondering van de fosfaatvrijstelling in compost, champost en strorijke organische mest.

Zuiveringsslib en compost

Zuiveringsslib en compost moeten onder andere voldoen aan kwaliteitsnormen voor de gehalten aan zware meta­len en organische stof (of NW bij zuiveringsslib). Als aan één of meerdere normen niet wordt voldaan, dan mag de meststof niet worden toegediend. In tabel 4.14.5 staan de kwaliteitsnormen van zuiveringsslib en compost vermeld.

Tabel 4.13.5 Minimaal vereiste organische stofgehalte (of NW) in per­centage op droge stof en de maximaal toegelaten gehalten aan zware metalen en arseen in zuiverings­slib en compost in mg per kg droge stof.

zuiveringsslib compost
organische stof 50 10
(of NW) 25 -
zware metalen
cadmium (Cd) 1,25 1
chroom (Cr) 75 50
koper (Cu) 75 90
kwik (Hg) 0,75 0,3
nikkel (Ni) 30 20
lood (Pb) 100 100
zink (Zn) 300 290
arseen (As) 15 15

- voor compost zijn geen eisen geformuleerd voor NW.

4.13.2 Besluit activiteiten leefomgeving

Gebruiksnormen zuiveringsslib

Zuiveringsslib mag men alleen toedienen als uit de analyse van een grondmonster blijkt dat de grond voldoet aan de toetsingswaarden die staan vermeld in bijlage 3 van het Bgm.

De gebruikte hoeveelheid vloeibare zuiveringsslib mag op bouwland niet groter zijn dan 2 ton droge stof per hectare per jaar. De toegestane dosering steekvast zuiveringsslib mag niet groter zijn dan 4 ton droge stof per hectare per twee jaren.

Uitrijregels
  • Dierlijke mest, kunstmeststikstof en zuiveringsslib mag men niet toedienen als de bodem geheel of gedeeltelijk bevroren is, geheel of gedeeltelijk bedekt is met sneeuw, of wanneer de bovenste laag is verzadigd met water.
  • Zuiveringsslib en compost moet men zo gelijkmatig mogelijk over het perceel versprei­den.
  • Voor zuiveringsslib gelden dezelfde regels voor het uitrijden en inwerken (emissiearme aanwending) als voor dierlijke mest.
  • Compost en overige organische mest hoeft men niet emissiearm aan te wenden.
  • Op gronden met een hellingspercentage van zeven of meer is het gebruik van dierlijke mest­stoffen, kunstmeststikstof en overige organische meststoffen slechts onder voorwaar­den toe­gestaan.

Uitrijverboden dierlijke mest bouwland

Op alle grondsoorten is het van 1 augustus tot en met 15 maart verboden om drijfmest uit te rijden. Indien een teler een groenbemester teelt, mag hij in de maand augustus en tot en met 15 september ook drijfmest toepassen wanneer de groenbemester tot die datum wordt gezaaid. Indien er een gewas wordt geteeld dat op de lijst met vroege teelten staat, mag er ook tussen 16 februari en 15 maart drijfmest uitgereden worden.

Vaste mest mag een teler op zand-, dal- en lössgrond niet toepassen vanaf 15 september tot en met 31 januari. Tussen 1 januari en 1 februari geldt vanaf 2023 een uitzondering in deze gebieden voor vaste strorijke mest. Op klei- en veengrond mag een teler het hele jaar vaste mest uitrijden.

Emissiearm aanwenden van dierlijke mest op bouwland

  • Drijfmest moet in één werkgang op de grond worden gebracht en ingewerkt, zodanig dat de mest niet meer zichtbaar is.
  • Op beteeld bouwland wordt de drijfmest in de grond gebracht in sleufjes van maximaal 5 cm breed.
  • Op onbeteeld bouwland wordt de drijfmest in de grond gebracht in sleufjes van maximaal 5 cm breed en minimaal 5 cm diep.
  • Vaste mest moet in maximaal twee direct opeenvolgende werk­gangen op de grond worden gebracht en ingewerkt, zodanig dat de mest niet meer zichtbaar is.

Op bouwland gelegen op Texel en op zandgrond in het veenkoloniaal gebied hoeft men ter voorkoming van winderosie de drijfmest niet emissie­arm aan te wenden.

Gebruiksverbod kunstmeststikstof

In de periode van 16 september tot en met 31 januari is het verboden om kunstmeststikstof te gebruiken. Er zijn een paar uitzonderingen:

  • bouwland dat gelijkmatig is beteeld met vollegrondsgroente;
  • fruitteelt op bouwland in de periode 16 september tot en met 15 oktober;
  • gebruik van ureum in de fruitteelt op bouwland;
  • hyacinten- en tulpenteelt op bouwland in de periode van 16 september tot en met 31 januari.

Vernietigen van grasland

De voor de akkerbouw belangrijkste regels voor het vernietigen van grasland zijn:

  • op klei- en veengrond mag men grasland scheuren (vernietigen) in de periode 1 februari tot en met 15 september. Van 16 september tot en met 30 november mag grasland alleen gescheurd worden als vervolgens bepaalde bollensoorten worden geplant. Op kleigrond mag ook grasland gescheurd worden in de periode 1 november tot en met 31 december, mits het eerstvolgende gewas een ander gewas is dan gras;
  • op zand- en lössgrond mag men grasland scheuren in de periode tussen 1 februari en 31 mei. Voorwaarde voor scheuren van 1 februari tot en met 10 mei is dat direct aansluitend een stikstofbehoeftig gewas wordt geteeld. Van 11 mei tot en met 31 mei mag alleen grasland gescheurd worden als direct opnieuw gras gezaaid wordt. Een lijst met stikstofbehoeftige gewassen en overige regels rondom grasland scheuren staan op de website van RVO.

Gras voor graszaad valt niet onder deze regels.

4.13.3 Activiteitenbesluit Milieubeheer

Ondernemers zijn verplicht om bij het kunstmest strooien langs oppervlaktewater gebruik te maken van kantstrooiapparatuur.

Bij gebruik van bladmeststoffen moet men kantdoppen gebruiken om te voorkomen dat er middel in het oppervlaktewater komt.

4.14 Beregening

Versie: april 2023

4.14.1 Opkomstberegening

Als er (veel) bietenzaad droog in het zaaibed ligt en er is op korte termijn geen uitzicht op regen, dan kan men overwegen om te beregenen. Hierdoor kan men zorgen voor een gelijkmatige opkomst en een regelmatig gewas. Bovendien zorgt een snelle opkomst voor een langere groei­periode.

Voor opkomstberegening luidt het advies om ongeveer 15 mm water per keer te geven. Overschrijd deze hoeveelheid op slemp­gevoelige percelen niet!

Vaak is twee keer beregenen noodzakelijk. Het gewenste interval tussen twee beregeningen is afhankelijk van het weer (zon, wind, temperatuur), maar bedraagt gemiddeld circa vijf dagen.

Het beregeningswater mag niet te zout zijn, maximaal 1.200 mg chloride per liter. Dit komt overeen met een EC-waarde van ongeveer 4,7. Dit maximale chloridegehalte ligt lager als kort voor het zaaien zout is toegediend in de vorm van kunstmest (bijvoorbeeld Kalkammon­salpeter of Kali-60) of als er een bodemherbicide is gebruikt. Hoeveel lager is niet exact aan te geven.

Opkomstberegening is ook mogelijk na de zaaibedbereiding, maar voor het zaaien. Om het zaaibed goed te bevochtigen is vaak meer dan 20 mm water nodig. Deze methode is dan ook vooral geschikt voor zwaardere, niet slempgevoelige kleigronden.

Afbeelding met hemel, buitenshuis, boom, grond Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 4.14.1 Zodra bietenzaad is gekiemd, betekent een vochttekort dat het kiempje afsterft. Opkomstberegening kan dan een uitkomst bieden.

4.14.2 Beregening in groeiseizoen

Voor het behalen van een zo hoog mogelijke opbrengst en een goede interne kwaliteit (suiker­gehalte en WIN) is een goede vochtvoorziening van het gewas in het groeiseizoen belangrijk. Dit hangt af van de hoeveelheid neerslag die in het groeiseizoen valt en het vocht­leverend vermogen van de grond.

Bieten verbruiken bij voldoende vocht globaal 400 tot 480 liter water per m2 tussen mei en oktober. In de maanden juni en juli is de waterbehoefte doorgaans het grootst. Het waterverbruik is in die maanden in totaal circa 275 liter per m2. Voor de productie van 1 kg droge stof verbruikt de suikerbiet ongeveer 210 liter water [2].

Opheffen vochttekort

Het vochtleverend vermogen van de grond wordt bepaald door de aard en samenstelling van de bodem (humusarm zand houdt minder vocht vast dan veen), de bewortelingsdiepte en de moge­lijke aanvoer van vocht vanuit het grondwater (capillaire opstijging). Wat dit laatste betreft is de samenstelling van de ondergrond en de afstand van het grondwater tot de onderkant van de bewortelde zone belangrijk. Op sommige percelen kan men deze afstand verkleinen en daarmee de droogtegevoeligheid verminderen door (onder)grondverbetering toe te passen. Hierbij moet men vooral denken aan het opheffen van storende lagen (bijvoorbeeld ploegzool, schelpenbank, oerbank, gliedelaag).

Andere maatregelen die men kan nemen om de beschikbare hoeveelheid water optimaal te benutten zijn:

  • het in stand houden of verhogen van het organische stofgehalte. Verhogen van het gehalte is echter een langjarig proces;
  • zorgen dat water de bodem kan indringen (ploegen, spitten, (vastetand)cultivateren);
  • waterconservering en peilbeheer gericht op langer vasthouden van water. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van stuwen, het ophogen van slootbodems, het dempen van greppels of het aanleggen van peilgestuurde drainage.

Afbeelding met buitenshuis, gras, plant, dag Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 4.14.2 Beregening kan noodzakelijk zijn om opbrengstverlies te beperken of voorkomen wanneer een vochttekort dreigt.

Vochttekort kan men opheffen door te beregenen. Hoewel op zeekleigronden in Nederland gemiddeld bijna 20% van de percelen in droge jaren voor beregening in aanmerking komt [3], vindt dit hier zelden plaats. Vooral omdat er in de kuststreek geen water van goede kwaliteit beschik­baar is. Op zand- en dalgronden komen vooral de hoog gelegen percelen met een diepe grond­waterstand (geen capillaire opstijging) voor beregening in aanmerking. Gemiddeld voldoet op deze gronden ongeveer één op de drie percelen aan deze beschrijving.

Door de jaren heen beregent men bieten op de zandgronden het meest, vooral in het zuid­oostelijk zandgebied. Dit gold ook voor de droge jaren 2018, 2019 en 2020 (zie tabel 4.14.1).

Tabel 4.14.1 Gemiddeld aantal keren dat er beregend is en het gemiddeld aantal millimeters dat beregend is in 2018, 2019 en 2020 (bron: Unitip).

regio 2018 2019 2020
aantal giften aantal mm totaal aantal giften aantal mm totaal aantal giften aantal mm totaal
Flevoland 1,9 39 1,3 23 1,3 20
Holland 1,6 34 1,0 17 1,7 26
Noordelijke klei 1,1 30 1,4 39 1,3 24
Noordelijke lichte grond 2,8 80 2,3 69 1,8 48
Zuidoostelijk klei/löss 2,5 74 1,9 52 2,0 46
Zuidoostelijk zand 4,1 118 3,4 102 3,4 98
Zuidwesten 1,9 50 1,7 39 1,6 29
Nederland 3,2 90 2,8 82 2,3 56

Tijdstip beregenen

Bladverwelking door droogte is vrijwel nooit positief, maar ook zelden ernstig, zolang het blad niet beschadigd is [5, 6]. Daarom wordt ook gezegd dat men met beregenen moet beginnen als het loof van de bieten ˈs nachts niet meer (helemaal) overeind komt. In die situatie is er meestal sprake van beschadigd (afgestorven/verbrand) blad. Dan is er sprake van verminderde groei en dus opbrengstderving. Als er beregeningsmogelijkheden zijn en er wordt op korte termijn geen neerslag van betekenis verwacht, dan moet men niet langer met beregenen wachten.

Verder speelt het tijdstip van droogte een rol bij de hoogte van de verliezen door droogte. Zowel uit vroeger onderzoek uit ons land als uit onderzoek in het buitenland bleek dat een vochttekort rond het sluiten van het gewas, wanneer er een snelle loofgroei plaatsvindt, nadeliger is dan een vochttekort later in het seizoen [4, 8].

In tegenspraak hiermee is dat in een driejarig Duits onderzoek bleek dat een twee weken durende droogtestress begin juli nauwelijks opbrengstverlies opleverde, in tegenstelling tot een twee weken durende droogtestress eind augustus. Deze droogteperiode kostte gemiddeld bijna 13% opbrengst [7].

Men kan het juiste moment van beregenen trachten in te schatten op basis van bodemvocht­bepalingen, bijvoorbeeld met behulp van sensoren. Onderzoek moet uitwijzen of deze methode perspectief biedt.

Ook kan men een vochtbalans opstellen met behulp van weergegevens (neerslag - verdamping), rekening houdend met de eigenschappen van de bodem.

Afbeelding met plant, boom Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 4.14.3 Zodra de verdamping van het gewas de opname van vocht overstijgt, ontstaat een vochttekort. Om de verdamping af te remmen, sluiten de huidmondjes. Hierdoor gaat het loof slaphangen, wat ook wel ‘slapende’ bieten wordt genoemd.

Hoeveelheid water

Een watergift van 40 mm (30 mm effectief), gevolgd door eenzelfde gift na tien dagen (bij aanhoudende droogte) gaf in onderzoek de hoogste opbrengst [2] en is ook een praktische adviesgift.

Kwaliteit van het water

Beregeningswater moet aan een aantal kwaliteitseisen voldoen. De belangrijkste is dat het water niet te zout mag zijn, alhoewel suikerbieten beter tegen zout water kunnen dan veel andere gewassen. De meeste akkerbouwgewassen verdragen water met een chloridegehalte tot 900 mg per liter. Suikerbieten (en granen) verdragen water met een chloridegehalte tot 1.200 mg per liter. Naast het chloridegehalte hebben ook andere ionen invloed op de kwaliteit. Hoge gehalten aan bijvoorbeeld ijzer, bicarbonaat, borium en sulfaat kunnen de gewasgroei negatief beïnvloeden. Bij aanwezigheid van bicarbonaat en minimaal 5 mg ijzer per liter treedt bruinverkleuring van de bladeren op. Als er daarnaast ook nog chloride en/of sulfaat in het water zit, ontstaat verbranding in de vorm van stipjes of vlekken. Als het sulfaat- en/of chloridegehalte meer dan 50 mg per liter bedraagt, is het maximaal toelaatbare ijzergehalte 10 mg per liter.

Effect op opbrengst en interne kwaliteit

Bij vochttekort bedraagt het effect van beregening op de wortelopbrengst gemiddeld ongeveer 150 tot 200 kg per hectare per mm effectief water. Onder effectief water verstaan we beregeningswater dat daadwerkelijk voor het gewas beschikbaar is. Globaal 75% van de watergift is voor het gewas beschikbaar en is dus effectief water. De spreiding rondom de gemiddelde toename van het wortelgewicht is vrij groot en is onder andere afhankelijk van het tijdstip waarop het vocht­tekort optreedt en de duur van de droge periode. In tabel 4.15.2 staan de resultaten van een berege­ningsproef van het IRS, aangelegd in 1989, op een perceel droogtegevoelige zandgrond in Bergeijk. Al vroeg (in juni) was er sprake van vochttekort. In totaal is zeven keer beregend, tussen 18 juni en 13 september, met 40 mm water per keer.

Tabel 4.14.2 Opbrengst en interne kwaliteit beregeningsproefveld Bergeijk 1989.

object wortelopbrengst

(t/ha)

suikergehalte

(%)

suikergewicht

(t/ha)

K Na aN WIN
(mmol/kg biet)
beregend 84,2 15,9 13,4 52 6 28 86,9
niet beregend 42,0 14,7 6,2 53 9 38 84,1

De toename van de wortelopbrengst per mm effectief water was op dit proefveld:

(84,2 - 42,0) / ((7 × 40) × 0,75) = 0,2 ton/ha/mm.

Uit Unitip-gegevens van 2015 tot en met 2019 blijkt dat de gemiddelde suikeropbrengst van beregende zandpercelen 1.154 kg per hectare hoger is dan van niet-beregende zandpercelen. De gemiddelde totale watergift was 67 mm per hectare (bron: Cosun Beet Company). Als ook hier wordt aangenomen dat de effectieve watergift 75% van de totale gift is, levert iedere mm water 140 kg wortelgewicht per hectare op, uitgaande van een suikergehalte van 16,5% (7.000 kg wortel/ha).

Aan het einde van een droogteperiode is het suikergehalte vaak hoog (hangt onder andere af van ernst en duur van vochttekort). De eerste weken na beregening of neerslag zal het suikergehalte fors dalen. Dit komt vooral door vochtopname. Op langere termijn zal het suikergehalte weer toenemen. Dit wordt geïllustreerd in tabel 4.14.3. In deze tabel wordt de ontwikkeling van het suikergehalte en de interne kwaliteit weergegeven in een periode kort voor het einde van de droogte (eind augustus) tot half oktober. In de droogteperiode hadden de bieten vrijwel het gehele bladapparaat verloren.

Tabel 4.14.3 Verloop interne kwaliteit na periode van droogte, Wouwse Plantage 2003.

object suikergehalte K Na K+Na aN WIN
  (%) (mmol/kg biet)  
vlak voor einde droogte (27-08-03) 21,8 66 2,9 69 65 86,4
paar weken na regen (17-09-03) 15,9 49 2,6 51 38 86,3
circa half oktober 16,4 45 2,7 48 31 87,8

Uit vroeger IRS-onderzoek bleek dat de opbrengst en interne kwaliteit van de bietenrassen toen identiek op vochttekort reageerden.

Rentabiliteit van beregening

Beregening is rendabel als de kosten van aanschaf en gebruik van de beregeningsapparatuur op zijn minst door de financiële meeropbrengst van de gewassen wordt gecompenseerd. Dit moet men in bedrijfsverband beoordelen. De droogtegevoeligheid van de grond en het bouwplan zijn in grote mate bepalend voor de rentabiliteit.

Uit modelberekeningen bleek dat beregening van suikerbieten op droogtegevoelige grofzandige zandgrond gemiddeld over 42 jaar rendabel was [1, 2]. Of beregening bij de huidige kosten en bietenprijzen ook nu nog rendabel is, kan per bedrijf verschillen.

4.15.3 Literatuur

  1. Dekkers, W.A. en Smid, J.: Meerjarig rendement van beregenen op noordelijke zand- en dalgronden. Verslag nr. 224, Proefstation voor de Akkerbouw en de Groenteteelt in de Vollegrond, december 1996.
  2. Vandenbosch, T., Philipsen, B., Janssen, S., Huybrechts, M., Wera, G., van den Pol-van Dasselaar, A., Alblas, J., Grashoff, K.: Droogtetolerantie van landbouwgewassen in het Benelux Middengebied. Literatuurstudie juni 2000.
  3. Beregeningsonderzoek in de akkerbouw. Inventarisatie van de bestaande kennis en van de onderzoeksbehoefte. Verslag van de gespreksgroep beregening akkerbouw. Directie Landbouwkundig Onderzoek, juli 1979.
  4. Houtman, H.J.: Beregening van suikerbieten. Maandblad Suiker Unie 27 nr. 6/7 – juni/juli 1993.
  5. Ober, E. (Brooms Barn, UK): persoonlijke mededeling.
  6. Windt, A.: Das Geheimnis der hohen Rübenerträge 2003. Top Agrar 2/2004.
  7. Kachel, K., Roth, D.: Ergebnisse und Empfehlungen zur Zuckerrübenberegnung mit Hinweisen für ihre Einordnung in Spitzenbedarfszeiten. Feldwirtschaft 31 (1990) 5.
  8. Ebmeyer, H., Hoffmann, C.M.: Water use efficiency of sugar beet genotypes. A relationship between growth rates and water consumption. Journal of Agronomy and Crop Science. 2021;00:1-12. https://doi.org/10.1111/jac.12569

5. Gewasbescherming

5.1 Algemeen

Versie: april 2024

5.1.1 Gewasbeschermingsbulletin

Jaarlijks brengt het IRS een naslagwerk voor ziekten en plagen en onkruidbeheersing in de suikerbietenteelt uit. Zie GewasBeschermingsBulletin suikerbieten.

5.1.2 Effecten van gewasbeschermingsmiddelen op milieu en natuurlijke vijanden

Voor een geïntegreerde gewasbescherming is het belangrijk om een bewuste middelenkeuze te maken. Volgens principe vijf van een geïntegreerde gewasbescherming dient u rekening te houden met de effecten van middelen op de omgeving en specifiek op natuurlijke vijanden (zie ook hoofdstuk 5.2.5). In deze paragraaf gaan we eerst in op milieubelastingspunten en vervolgens op de effecten van middelen op natuurlijke vijanden.

5.1.2.1 Milieubelastingspunten

Milieubelastingspunten geven aan wat het effect van een gewasbeschermingsmiddel is op de omgeving. Het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) ontwikkelde een milieumeetlat om deze effecten weer te geven. Er is daarbij een indeling gemaakt in de volgende milieu­compartimenten:

  • waterleven (oppervlaktewater);
  • bodemleven;
  • grondwater.

Daarnaast geeft de meetlat de risico's weer voor nuttige organismen (bestrijders en bestuivers; zie ook 5.1.2.2) en voor de gezondheid van de toepasser. Voor alle milieucompartimenten is de toelatingsnorm van het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) per toepassing 100 milieubelastingspunten. Bij meer dan 100 punten is er te veel risico op schade aan bodem- of waterleven en/of grondwater. Streef er dan ook altijd naar om middelen met zo laag mogelijke milieubelastingspunten te gebruiken.

De actieve stof bepaalt de effecten op het waterleven en de toepassingstechniek heeft invloed op de mate waarop ze in het oppervlaktewater terechtkomt. Driftarme technieken kunnen de milieubelastingspunten voor waterleven sterk terugdringen. Vooral de persistentie van een actieve stof beïnvloedt de effecten ervan op het bodemleven. Het effect op het grondwater heeft vooral met de mobiliteit en afbraaksnelheid van een actieve stof te maken. Bij dit laatste spelen vooral het organische stofgehalte en de pH een rol.

Voor de gewasbeschermingsmiddelen en combinaties van middelen die worden gebruikt in de bietenteelt staan in de meest recente GewasBeschermingsBulletin suikerbieten de milieubelas­tingspunten bij twee organische stofgehalten van de bodem bij 1% drift.

De volledige milieumeetlat is te vinden op: www.milieumeetlat.nl. Op deze website wordt de milieumeetlat vaker vernieuwd dan in het GewasBeschermingsBulletin suikerbieten. Kijk daarom op de website van CLM voor de meest actuele stand van zaken. In de loop van 2024 zal de milieumeetlat vervangen worden door de ‘Milieu Indicator Gewasbescherming’.

5.1.2.2 Neveneffecten op natuurlijke vijanden

Naast negatieve effecten op grondwater, bodem- en waterleven kunnen gewasbeschermings­middelen neveneffecten hebben op natuurlijke vijanden van ziekten en plagen in de bieten­teelt en bestuivende insecten (bijen en hommels). Deze neveneffecten zijn ongewenst en kunnen ervoor zorgen dat de populatie van een plaag zich na een bespuiting weer snel opbouwt. Het kan ook gebeuren dat een andere plaag veel schade gaat doen, terwijl deze eerst onder controle werd gehouden door natuurlijke vijanden, zoals lieveheersbeestjes, gaasvliegen, sluipwespen en loopkevers. Deze nuttige insecten hebben namelijk vaak meer tijd nodig om te herstellen na een insecticidenbespuiting, dan een plaaginsect als bladluis of bietenvlieg. Denk altijd goed na of een plaagbestrijding nodig is en of het niet meer kwaad doet dan goed. Zie het tabblad 'biologische bestrijders' in de applicatie ziekten en plagen en de teelthandleiding ‘10.3.4 Natuurlijke vijanden van insecten’ voor een overzicht van de belangrijkste natuurlijke vijanden in suikerbieten.

Vooral breedwerkende insecticiden hebben negatieve effecten op populaties van natuurlijke vijanden. Pyrethroïden, zoals Decis EC (of een ander middel met deltamethrin), Sumicidin Super, Karate Zeon en Ninja, werken zeer breed. Hierbij moeten dus ook lieveheersbeestjes, gaasvliegen en andere natuurlijke vijanden het ontgelden. Teppeki en Pirimor sparen wel de meeste natuurlijke vijanden, alhoewel veel populaties groene perzikluizen resistent zijn tegen Pirimor en het daardoor alleen nog maar geadviseerd wordt tegen zwarte bonenluizen.

Insecticiden en fungiciden, die op dit moment in de pil zitten en de bietenplant in zijn prille stadium beschermen, hebben niet of nauwelijks een negatief effect op nuttige insecten en schimmels. De meeste fungiciden zijn goed te gebruiken in een geïntegreerde teelt, aangezien ze natuurlijke vijanden weinig kwaad doen. De meeste herbiciden hebben geen nadelige effecten op natuurlijke vijanden.

Via de website van Biobest zijn per werkzame stof of per gewasbeschermingsmiddel de effecten op diverse natuurlijke vijanden zichtbaar (https://www.biobestgroup.com/nl/neveneffectenlijst).

5.1.3 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

Op 1 januari 2024 is de regeling ‘Activiteitenbesluit milieubeheer’ vervangen door de Omgevingswet. De Omgevingswet vormt de basis voor regelgeving over de fysieke leefomgeving. Onderdeel hiervan is het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) met algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, waaronder milieubelastende activiteiten. Op de website van het Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl) is alle informatie over deze wet- en regelgeving te vinden. Over het algemeen zijn de regels in lijn met het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor het telen van gewassen in de openlucht gelden algemene rijksregels van het Bal. Hoofdstuk 3 van het Bal bevat de aanwijzing van wat er onder de milieubelastende activiteit valt en wat vergunningplichtig is. Ook staat hier welke inhoudelijke regels gelden. Meer informatie is te vinden op op paragraaf 3.6.3 van Bal. In paragraaf 4.64 van Bal vindt u meer informatie over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de regels omtrent:

  • het voorkomen van drift van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater;
  • het voorkomen van het meebemesten van de slootkanten;
  • het in acht nemen van teeltvrije, spuitvrije en bemestingsvrije zones;
  • het voorkomen van emissies door activiteiten in en rond de gebouwen;
  • in suikerbieten een teeltvrije zone langs oppervlaktewater van ten minste 50 cm;
  • een bespuiting is alleen toegestaan bij gebruik van driftarme doppen/technieken (minstens 75% driftreducerend en een driftarme kantdop aan de kant van een oppervlaktewaterlichaam (bijvoorbeeld vaart of sloot)). Meer informatie over driftarme spuitdoppen kunt u vinden in hoofdstuk 5.4.1.

5.1.4 Actuele berichten over toelatingssituatie van gewasbeschermingsmiddelen

Op de website van het IRS wordt een actuele lijst van in suikerbieten toegelaten gewasbeschermingsmiddelen bijgehouden.

5.1.5 Uitleg over spuitlicenties

Ga voor uitleg over de spuitlicenties naar de website: www.erkenningen.nl.

5.1.6 Gewasbeschermingsmonitor

De gewasbeschermingsmonitor dient gedurende het teeltseizoen te worden bijgehouden en binnen twee maanden nadat de teelt is afgerond volledig te zijn. Op die manier kan een teler de maatregelen die hij genomen heeft ook evalueren.

In de gewasbeschermingsmonitor dient aandacht besteed te worden aan de volgende aspecten:

  • teeltfrequentie en voorvrucht, door middel van vruchtwisselingsplan;
  • rassenkeuze en uitgangsmateriaal, met aandacht voor: resistente/tolerante rassen en standaard- of gecertificeerd zaad;
  • monitoring van schadelijke organismen in het gewas;
  • gebruik van waarschuwings-, advies- en beslissingsondersteunende systemen gericht op tijdig signaleren van toenemende ziektedruk;
  • toegepaste biologische, fysische en mechanische gewasbeschermingsmaatregelen, waaronder de inzet van biologische bestrijders en mechanische onkruidbestrijding;
  • keuze van gebruikte gewasbeschermingsmiddelen op basis van risico's voor mens en milieu;
  • emissiebeperkende maatregelen, inclusief toedieningstechniek;
  • resistentiemanagement bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen;
  • overige maatregelen die hebben bijgedragen aan het verminderen van het gebruik van chemische middelen;
  • oordeel over het succes van de toegepaste beheersmaatregelen.

Het is mogelijk om dit te registreren voor uw bietenteelt via Unitip, het teeltregistratieprogramma op de website van Cosun Beet Company. Let er dan nog wel op dat u de genomen teeltmaatregelen evalueert. Dit kan bijvoorbeeld door het raadplegen van de rapporten en adviesplannen in Unitip. Het is ook mogelijk om dit vast te leggen door de Excel-file of de PDF pagina's in te vullen die u hieronder (zie ook bijlagen) aantreft. Hierin zijn per onderdeel een aantal kolommen weergegeven, uiteraard is het afhankelijk van de hoeveelheid waarnemingen hoeveel kolommen u in dient te vullen. In paragraaf 5.2 Duurzame gewasbescherming vindt u meer informatie over de achtergrond van de totstandkoming van de gewasbeschermingsmonitor.

Zie voor meer informatie over de gewasbeschermingsmonitor: https://www.nvwa.nl/onderwerpen/gewasbescherming/hoe-de-nvwa-controleert

5.1.7 Erfemissiescan

Het invullen van een erfemissiescan is een eis bij het certificaat Voedsel- en Voederveiligheid Akkerbouw (VVAK). Door het invullen van de Erfemissiescan kunt u eenvoudig zien waar mogelijkheden liggen om de belasting van het oppervlaktewater verder te verminderen. Na het invullen van diverse vragen in de Erfemissiescan over bijvoorbeeld het vullen van de spuit, de inwendige en uitwendige reiniging en de omgang met fust wordt duidelijk bij welke van deze activiteiten emissie naar het oppervlaktewater optreedt. Daarnaast geeft de scan informatie over de wetgeving op het gebied van erfemissie en praktische informatie over maatregelen die mogelijk zijn om emissie vanaf het erf te verminderen. Meer informatie over erfemissie en deze scan is te vinden op de website van BO Akkerbouw en in het rapport ‘Erfemissie? Natuurlijk niet!’.

Figuur 5.1.1 Door het uitvoeren van een erfemissiescan kunt u inzien waar (nog) mogelijkheden liggen om de belasting van het oppervlaktewater verder te verminderen (foto: www.erfemissiescan.nl).

5.1.8 Functionele agrobiodiversiteit

Functionele agrobiodiversiteit, afgekort tot FAB, is het stimuleren van nuttige insecten zowel onder- als bovengronds. Hiermee wordt de biodiversiteit op het agrarische bedrijf vergroot, wat kan bijdragen aan de beheersing van ziekten en plagen. Het doel is om door aanwezigheid van nuttige insecten te voorkomen dat plaaginsecten schade kunnen veroorzaken in de gewassen. Hierbij is het zoeken van de balans tussen deze twee groepen insecten cruciaal.

Kortom, FAB is biodiversiteit die nuttig is voor de landbouw. Maatregelen die nuttige insecten stimuleren, bijvoorbeeld door ze het perceel in te lokken, worden FAB-maatregelen genoemd.

Voorbeelden van FAB-maatregelen zijn mengteelten, akkerranden, beheer van houtkanten, inzet groenbemesters of vanggewassen en niet-kerende grondbewerking.

Afbeelding met buitenshuis, hemel, grond, vlakte Automatisch gegenereerde beschrijving De brochure Functionele agrobiodiversiteit is de toekomst voor de akkerbouw’ geeft meer informatie.

Afbeelding met kruid, groente, buitenshuis, Fijne kruiden Automatisch gegenereerde beschrijvingFiguur 5.1.2 Tussenzaai van gerst tussen de bieten (links). Niet kerende grondbewerking voor de bietenteelt (rechts). Beide voorbeelden van FAB-maatregelen.

5.1.9 BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw

De BiodiversiteitsMonitor voor de Akkerbouw (BMA) helpt om inzicht te krijgen hoe een akkerbouwbedrijf scoort op biodiversiteit. Deze BMA is ontwikkeld op initiatief van BO Akkerbouw, de Rabobank, het Wereld Natuur fond en de provincie Groningen. Het doel van deze biodiversiteitsmonitoring is om de biodiversiteit te vergroten, maar ook om akkerbouwers op de juiste manier te waarderen en belonen voor hun inspanningen hiervoor. Akkerbouwers hebben met hun bedrijfsvoering invloed op hun omgeving en daarmee ook op de biodiversiteit. Door middel van kritische prestatie indicatoren (KPI's) wordt berekend in hoeverre op het bedrijf de juiste omstandigheden worden gecreëerd voor biodiversiteit. Deze KPI's zijn doelen die onderbouwd zijn door de WUR. Akkerbouwers kunnen zelf kiezen voor maatregelen om te verbeteren op deze doelen. De acht verschillende KPI's zijn:

KPI 1. Percentage rustgewassen;

KPI 2. Organischestofbalans;

KPI 3. Stikstofbedrijfsoverschot;

KPI 4. Milieubelasting gewasbeschermingsmiddelen;

KPI 5. Percentage bodembedekking;

KPI 6. Carbon Footprint;

KPI 7. Natuur- en landschapsbeheer;

KPI 8. Gewasdiversiteit.

Per KPI is een drempelwaarde en een streefwaarde voorgesteld. De drempel- en streefwaarden zijn beredeneerd vanuit de ecologie en de te behalen doelen. De drempelwaarde geeft de waarde aan waarop de huidige biodiversiteit niet verder achteruit gaat. De streefwaarde geeft aan wanneer er sprake is van een ecologisch optimum voor de biodiversiteit binnen het functioneren van de akkerbouw.

In de volgende paragrafen worden de acht KPI’s toegelicht, met aan het einde nog wat meer informatie over de KPI’s, rekenregels en poster die communicatiebureau Boerenverstand in opdracht van Groeikracht Cosun heeft gemaakt.

5.1.9.1 KPI 1 - Percentage rustgewassen

Dit betreft het areaal rustgewassen (hectares) als percentage van het totale areaal van een bedrijf per jaar. Zowel grond in eigendom als pachtgrond wordt meegerekend in het totale areaal. De berekening heeft betrekking op het hoofdgewas. De KPI heeft dus geen betrekking op de gewassen die in voorgaande jaren op de betreffende percelen van het bedrijf hebben gestaan.

De KPI wordt als volgt berekend:

Afbeelding met tekst, Lettertype, lijn, schermopname Automatisch gegenereerde beschrijving

De lijst met rustgewassen is hier te vinden: https://www.rvo.nl/onderwerpen/mest/rustgewassen.

Aangevuld met de lijst van eiwitgewassen onder de Nationale Eiwitstrategie.

5.1.9.2 KPI 2 – Organische stofbalans

Deze KPI is gedefinieerd als de jaarlijkse aanvoer van effectieve organische stof (EOS) via gewasresten, organische meststoffen, bodemverbeteraars en groenbemesters, minus de afvoer van organische stof door afbraak van het bodemleven op bedrijfsniveau. Effectieve organische stof (EOS) is de hoeveelheid organische stof die na een jaar nog aanwezig is in de grond. Om de KPI te berekenen wordt de EOS eerst per perceel berekend en vervolgens wordt het gewogen gemiddelde van alle percelen genomen op bedrijfsniveau (bron: bijlage Rekenregels voor KPI’s BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw).

Berekenen aanvoer effectieve organische stof

De aanvoer van effectieve organische stof (EOS) is het totaal aan: EOSgewasresten + EOSorganische meststof/bodemverbeteraars + EOSgroenbemesters.

Data voor de benodigde gegevens:
1. Gecombineerde opgave: gewas per perceel;

2. Bedrijfsmanagementsysteem (BMS): aanvoer van EOS via organische meststoffen, compost, groenbemesters en verhakselen van stro;

3. Een overzicht van de EOS-aanvoer uit de verschillende bronnen is te vinden in tabel 4.13.1 in de paragraaf Organische stof in de IRS-teelthandleiding en in deze tabellen in het Handboek Bodem en Bemesting.

Op bedrijfsniveau is de berekening van het gewogen gemiddelde voor de aanvoer van effectieve organische stof (kg/ha/jaar):

De drempelwaarde voor organische stofaanvoer is 2000 kg/ha, de streefwaarde 3000 kg/ha.

Berekenen organische stof balans

De organische stofbalans wordt per perceel berekend door de EOS-aanvoer (kg EOS/ha/jaar) te delen door de defaultwaarde (standaardwaarde) voor de afbraak van de organische stof (2000 kg EOS/ha/jaar):

Afbeelding met tekst, Lettertype, schermopname, lijn Automatisch gegenereerde beschrijving

De drempelwaarde voor organische stofbalans per bedrijf is 1 (aanvoer en afvoer zijn in balans), de streefwaarde is 1,5 (er vindt opbouw van organische stof plaats).

5.1.9.3 KPI 3 - Stikstofbedrijfsoverschot

Het stikstofbedrijfsoverschot is de aanvoer van stikstof via bemesting minus de afvoer van stikstof via het geoogste product (in kg N per ha) gecorrigeerd voor voorraadmutaties.
Het stikstofbedrijfsoverschot wordt eerst per perceel uitgerekend, waarna het gewogen gemiddelde wordt genomen op bedrijfsniveau. De hoeveelheid stikstof aangevoerd met zaai- en pootgoed is verwaarloosbaar en wordt daarom vaak niet meegenomen in de berekening.

Stikstofbedrijfsoverschot (kg N/ha) = Nbemesting – Ngeoogst product.

Ngeoogst product voor suikerbieten kan berekend worden door 0,115% van het netto wortelgewicht van de geleverde suikerbieten te nemen. Dit percentage voor bieten en voor andere gewassen kan gevonden worden in het rapport ‘Actualisatie van stikstof- en fosfaatgehalten van akkerbouwgewassen met een groot areaal’. De tabellen 3.4 (pagina 22), 3.6 en 3.8 (pagina 25) zijn het meest relevant.

Data voor benodigde gegevens:

  1. Bedrijfsmanagementsysteem: (a) hoeveelheden en type toegediende meststoffen per perceel voor- of gedurende de hoofdteelt, en (b) hoeveelheid en type afgevoerd product, en hoeveelheid en type toegediende meststoffen na de hoofdteelt per perceel;
  2. Handboek Bodem en bemesting: kengetallen/forfaitaire waarden voor stikstofinhoud organische meststoffen en gewasproducten in kg N per ton product;
  3. Nutrinorm (tabel samenstelling van stikstofkunstmeststoffen): kengetallen voor stikstofinhoud van kunstmeststoffen, gehalte in percentage.

(Bron: brochure BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw).

5.1.9.4 KPI 4 - Milieubelasting gewasbeschermingsmiddelen

Deze KPI rekent met de milieubelastingspunten (MBP’s). Deze geven aan hoe groot het risico op negatieve effecten op het milieu is van een middel. Hoe meer MBP’s een middel krijgt, hoe groter het risico voor het milieu is. De MBP’s worden weergegeven voor een dosering van 1 kg/ha of 1 l/ha en moeten daarom worden vermenigvuldigd met de gebruikte hoeveelheid middel per hectare.

Per bedrijf is dit de som van MBP’s per middel maal de dosering per hectare maal het aantal hectares waarop toegepast, gedeeld door het totaal aantal hectares per bedrijf. De MBP’s per hectare kunnen worden berekend via: https://www.milieumeetlat.nl/nl/bereken-open-teelt/language/nl.html.

De data die nodig zijn voor de berekening van de MBP’s zijn:

  • toegepast middel1;
  • dosering van het middel1;
  • oppervlakte waarop het middel is toegepast1;
  • datum van toepassing1;
  • driftbeperkende maatregelen (op basis hiervan wordt een driftpercentage gekozen, zie tabel 1);
  • organische stofgehalte van de bodem.

1 deze data worden (verplicht) geregistreerd op papier of in bedrijfsmanagementsystemen. Een handige manier om deze direct te koppelen aan de MBP-systematiek van CLM is beschikbaar.

Ook in Unitip worden de milieubelastingspunten berekend.

Tabel 1 Driftbeperkende maatregelen en percentage drift.

driftbeperkende maatregel drift %
50% 1,00
75% 0,50
90% 0,20
95% 0,10
98% 0,04
99% 0,02

Bron: De BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw in de praktijk

Milieubelastingpunten op waterleven:

Milieubelastingpunten op bodemleven:

Afbeelding met Lettertype, tekst, lijn, schermopname Automatisch gegenereerde beschrijving

De rekensystematiek is het aantal keren dat er sprake is van een overschrijding van 10 MBP’s en 100 MBP’s. Op termijn zal de Milieu Indicator Gewasbescherming (MIG) gebruikt worden voor de berekening van deze KPI.

Drempelwaarde

Voor de drempelwaarde wordt aangehouden dat er geen gewasbeschermingsmiddelen met meer dan

100 MBP mogen worden gebruikt. Daarnaast mag het middel geen B of C scoren bij het risico voor

bestrijders en bestuivers (RBB). Heeft een bepaalde bespuiting wel meer dan 100 MBP en/of een B- of C- classificatie voor RBB, dan is de norm overschreden. Het aantal overschrijdingen wordt als volgt berekend:

Streefwaarde

Voor de streefwaarde wordt aangehouden dat er geen gewasbeschermingsmiddelen met meer dan 10 MBP mogen worden gebruikt. Idealiter zou je geen overschrijdingen van 0 MBP willen hebben, maar dan blijft er vrijwel geen gewasbeschermingsmiddel meer over dat toegepast kan worden. Het risico op schade voor biodiversiteit lijkt bij een streefwaarde van 10 MBP dusdanig klein dat deze mogelijk verwaarloosbaar is.

Daarnaast mag het middel ook hier geen B of C scoren bij het risico voor bestrijders en bestuivers (RBB). Heeft een bepaalde bespuiting wel meer dan 10 MBP en/of een B- of C-classificatie voor RBB, dan is de norm overschreden. Het aantal overschrijdingen wordt als volgt berekend:

(Bron: De BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw in de praktijk)

5.1.9.5 KPI 5 - Percentage bodembedekking

Volgens de KPI-definitie (Van Doorn et al., 2021; 2023) is bodembedekking de afwezigheid van zwarte braak (kale grond zonder begroeiing). Onder bodembedekking vallen dus de hoofdgewassen, groenbemesters en (graan)stoppels. Hoewel gewasresten ook een positief effect op de biodiversiteit kunnen hebben, zijn gewasresten lastig te registreren en te kwantificeren. Gewasresten zijn daarom vooralsnog niet meegenomen in de berekening. De berekeningswijze voor het percentage bodembedekking is:

Afbeelding met Lettertype, tekst, wit, typografie Automatisch gegenereerde beschrijving

Bi = Fractie perceel van de totale perceeloppervlakte (0-1); Wi = Fractie weken per jaar met bedekking perceel, berekend door aantal weken met bedekking te delen door het aantal weken in een jaar (0-1).

(Bron: De BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw in de praktijk)

Berekening op basis van NDVI-data: perceelligging op basis van Shapefile combineren met satellietbeelden per week. Deze gegevens worden vervolgens gebruikt om tot een waarde op bedrijfsniveau te komen. De grenswaarde is een NDVI van 0,35 buiten de winter en 0,18 gedurende de winter. Stoppelvelden en gewasresten kunnen niet meegenomen worden in satelliet data.

Data voor de benodigde gegevens:

  1. RVO: perceelligging uit Shapefile;
  2. NDVI: NDVI groenwaarde perceel;
    of:
  3. BMS: zaai-, oogst- en onderwerkdatum (niet alle groenbemesters staan geregistreerd en inzaai- en/of onderwerkdata zijn niet altijd accuraat).

(Bron: brochure BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw).

5.1.9.6 KPI 6 - Carbon Footprint

De Carbon Footprint is de som van de broeikasgasemissie die ontstaat bij de activiteit van het akkerbouwbedrijf, verminderd met eventuele CO2-vastlegging in de bodem en duurzame energieproductie.

Voor vergelijkbaarheid tussen bedrijven van verschillende omvang wordt de totale uitstoot van CO2 equivalenten gedeeld door het aantal hectare per bedrijf.

Om dit te berekenen kan de Cool Farm Tool gebruikt worden (eventueel via het bedrijfsmanagementsysteem). (Bron: brochure BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw).

De Cool Farm Tool (CFT) is een beslissingsondersteunende tool, ontwikkeld door de Cool Farm Alliance. Deze tool is bedoeld voor boeren en de voedselverwerkende industrie om gezamenlijk aan klimaatdoelstellingen in de voedselketen te werken en deze te verbeteren. De tool kan gebruikt worden om de CO2-footprint bij het verbouwen van gewassen te berekenen. In de online-rekentool worden gegevens per perceel ingevoerd. Daarbij gaat het om het gewastype, de behaalde opbrengst, het (kunst)mestgebruik en gewasbeschermingsmiddelengebruik, de grondbewerkingen, omgang met water en opslag en transport van producten. De tool berekent vervolgens de CO2-footprint voor de geselecteerde teelt (kg CO2 eq.), de emissie per hectare en emissies per ton product. Met deze tool kan ook uitgeprobeerd worden wat het effect van bijvoorbeeld het gebruik van andere bemesting of grondbewerkingen is op de CO2-footprint (bron: brochure BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw).

5.1.9.7 KPI 7 - Natuur- en landschapsbeheer

De definitie van deze KPI is het percentage oppervlak met natuur- en landschapsbeheer van het totale bedrijfsoppervlak. Dit wordt als volgt berekend:

Afbeelding met Lettertype, tekst, nummer, symbool Automatisch gegenereerde beschrijving

B = Bijdrage natuur en landschap (in percentage beheerd land)

O = Totaal oppervlak van natuur- en landschapselementen (voor type i)

C = Wegingsfactor * (voor type i)

T = Totaal areaal bedrijf **

* Wegingsfactor: Aangezien verschillende elementen op verschillende wijze bijdragen aan de biodiversiteit, wordt een wegingsfactor gebruikt voor het bepalen van het oppervlak aan natuur en landschapselementen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in natuurbeheer, landschapsbeheer en erfbeheer. Het is belangrijk dat zowel gesubsidieerd, en dus geregistreerd beheer (ANLb), als ook ongesubsidieerd beheer dat niet geregistreerd is wordt meegenomen. Wegingsfactoren worden hoger naarmate het pakket (1) beter past bij de regiospecifieke omstandigheden, (2) meer bijdraagt aan biodiversiteit en (3) hogere kosten heeft voor aanleg en onderhoud.

** Totaal areaal bedrijf: Areaal grond dat een bedrijf gebruikt of beheert. Data areaal grond dat gebruikt of beheerd wordt staat in de basisregistratie gewaspercelen (BRP).

(Bron: De BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw in de praktijk)

Data kunnen gehaald worden uit:
1. RVO: bedrijfsareaal;

2. SCAN-ICT, Collectieven (ANLb): reeds ingetekende ANLb- en/of BBM-pakketten, berekening wordt gedaan in een Excel-rekentool en vanaf 2023 in de SCAN-ICT van BoerenNatuur.

(Bron: brochure BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw)

5.1.9.8 KPI 8 - Gewasdiversiteit

Het vergroten van de diversiteit aan gewassen binnen een bedrijf heeft positieve effecten op zowel de biodiversiteit als op de opbrengst. Een grote gewasdiversiteit heeft een positief effect op de ziektedruk en zorgt voor efficiëntere benutting van meststoffen en water. Daarnaast verhoogt gewasdiversiteit de beschikbaarheid en bereikbaarheid van voedsel en schuil- en nestplaatsen voor dieren en insecten. De KPI gaat zowel over hoeveel verschillende gewassen er aanwezig zijn als over de ruimtelijke schaal van de percelen:

  • De diversiteitsindex heeft betrekking op het beteelde oppervlak en is een maat voor de diversiteit aan hoofdgewassen en het areaal per gewas binnen één kalenderjaar.
  • De randdichtheid is een maat voor kleinschaligheid. De randdichtheid (in meter/ha) wordt afgeleid uit de perceelvorm en -grootte in één kalenderjaar.

Definitie van gewasdiversiteit: diversiteit van productiegewassen in ruimte. Daarbij gaat het om: diversiteit in gewassoorten en diversiteit in ruimtelijke verdeling, waarbij beiden even zwaar wegen in de uiteindelijke score op deze KPI. Diversiteit in gewassoorten (Hill Shannon index):

Afbeelding met tekst, schermopname, Lettertype, nummer Automatisch gegenereerde beschrijving

Pi = fractie van gewas van totale beteelbare oppervlak (0-1)

Gewassenlijst van GLB wordt aangehouden voor bepalen of gewassoorten verschillend zijn. Alleen land opgenomen in een vruchtwisseling met akkerbouw- en vollegrondsgroentegewassen telt mee. Daarnaast tellen alleen gewassen uit de hoofdteelt(en) mee, dus groenbemesters niet. Die vallen onder de KPI bodembedekking.

Diversiteit in ruimtelijke verdeling (randdichtheid):

Afbeelding met tekst, schermopname, Lettertype, nummer Automatisch gegenereerde beschrijving

n= aantal percelen van bedrijf

Pi= omtrek van perceel i

Ai= oppervlak van perceel i

Deze KPI heeft m/ha als eenheid.

Een waarde van 6 in de Hill-Shannon index staat gelijk aan 6 gewassen die met gelijk areaal worden geteeld. Hoe meer gewassen en hoe gelijkmatiger verdeeld het areaal van deze gewassen, hoe hoger de index. De drempel- en streefwaarden zijn respectievelijk 4 en 8. (Bron: De BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw in de praktijk)

Tabel 2 Waarden van de Hill-Shannon index bij verschillende theoretische gewasverdelingen, uitgedrukt als het percentage van het totale perceeloppervlak per gewas.

gewas-

type

6 gewassen,

gelijke verdeling

6 gewassen,

ongelijke verdeling

6 gewassen,

gelijkmatiger verdeeld

4 gewassen,

gelijke verdeling

1 16,7% 40% 30% 25%
2 16,7% 30% 30% 25%
3 16,7% 20% 20% 25%
4 16,7% 5% 10% 25%
5 16,7% 2.5% 5% -
6 16,7% 2.5% 5% -
Hill-Shannon 6,0 3,6 4,2 4,0

(Bron: De BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw in de praktijk)

Data kunnen gehaald worden uit:

  1. RVO: Gecombineerde opgave voor perceelgrootte;
  2. RVO: gewascodelijst van RVO voor bepalen of er sprake is van verschillende gewassen.

5.1.9.9 Meer informatie over KPI’s

De rekenregels voor deze 8 KPI’s zijn te vinden vanaf pagina 19 in de brochure BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw. De KPI’s zijn nog in ontwikkeling en mogelijk veranderen ook berekeningen.

De berekeningen zijn niet altijd eenvoudig. Mede daarom zijn verschillende partijen bezig met het ontwikkelen van tools om de KPI’s uit te rekenen. ZLTO is bijvoorbeeld bezig met een ecosysteemdienstentool (waarvan de BMA een onderdeel is) en ook VAA en Countus ontwikkelen gezamenlijk een app. Ook op FarmMaps staat een app vermeld:

In het voorjaar van 2023 heeft communicatiebureau Boerenverstand in opdracht van Groeikracht Cosun voor 16 Nederlandse telers een gepersonaliseerde Boerenposter ontwikkeld. Deze Boerenposter geeft een overzicht van het betreffende akkerbouwbedrijf, inclusief de maatregelen die de teler op het gebied van duurzaamheid reeds heeft getroffen. Hieronder een geanonimiseerd voorbeeld van een Boerenposter.

Afbeelding met tekst, schermopname, diagram, kaart Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 5.1.3 Deze zogenoemde Boerenposter is een ‘praatplaat’ om uitleg te geven over het betreffende akkerbouwbedrijf. De poster geeft de huidige score op het gebied van duurzaamheid weer en welke (al ondernomen) maatregelen tot deze score hebben geleid, en biedt inzicht op welke vlakken de teler nog aan verdere verduurzaming zou kunnen werken (figuur: Boerenverstand.nl).

5.2 Duurzame gewasbescherming

Versie: april 2024

http://irsdocu08/irs/pcache/10000/7e/IPM-basis_ec014.jpg Volgens de Europese Unie-richtlijn 'Duurzame gewasbescherming' (richtlijn 2009/128/EG) moeten alle ziekten, plagen en onkruiden in zowel de landbouw als niet-land­bouw op een geïntegreerde manier worden aangepakt. Nederland moet net als alle andere EU-lidstaten ervoor zorgen dat alle agrariërs, gemeenten, provincies, bedrijven et cetera deze regels naleven. De EU heeft een geïntegreerde gewasbescherming samengevat in acht principes (figuur 5.2.1). Voor iedere ziekte, plaag of onkruid dienen deze principes te worden overwogen om te voldoen aan een geïntegreerde gewasbescherming.

In deze paragraaf zal bij elk principe worden toegelicht wat het inhoudt. Voor de uitleg zal in een aantal gevallen een voorbeeld worden gegeven, dat als schuingedrukte tekst staat weergegeven. Daarnaast staan in figuur 5.2.2 enkele tips voor een geïntegreerde bietenteelt omschreven. In hoofdstuk 6 (onkruidbeheersing) en hoofdstuk 10 (ziekten en plagen) staan nog meer maatregelen beschreven.

http://irsdocu08/irs/pcache/10000/b1/Duurzame_gewasbescherming_10701.jpg

Figuur 5.2.1 De acht principes van geïntegreerde gewasbescherming volgens EU-richtlijn 'Duurzame gewasbescherming' (2009/128/EG) en hun onderlinge samenhang.

H:\Temp\5-2 kader.jpg

Figuur 5.2.2 Tips voor een geïntegreerde bietenteelt.

5.2.1 Voorkomen en/of vernietigen van schadelijke organismen (principe 1)

Er zijn diverse maatregelen waarmee kan worden voorkomen dat ziekten, plagen en onkrui­den schade in een gewas veroorzaken. Dit kan op twee manieren: (1) door het stimuleren van de groei en weerbaarheid van het gewas en (2) door het verkleinen van de kans op vermeer­dering of overleving van schadelijke organismen in andere teelten dan suikerbieten en tijdens perioden van braak of in een nateelt. Hier gaat het om het vernietigen van de schadelijke organismen zelf en van gewasresten en onkruiden waarop ze zich kunnen vermeerderen of overleven na een teeltseizoen. De diverse maatregelen, waarmee men dit kan doen, staan hieronder omschreven:

  • de teelt van bepaalde gewassen in een rotatie kan een positief of negatief effect hebben op de aanwezigheid van bepaalde ziekten, plagen en/of onkruiden. Het is belangrijk om een gewasrotatie aan te houden met minimaal eens per vier, maar bij voorkeur meer jaren suikerbieten op hetzelfde perceel. Daarnaast moet er binnen deze rotatie ook rekening worden gehouden met de keuze van gewassen, die ook waardplant zijn voor ziekten en/of plagen in de bietenteelt. Bijvoorbeeld als bieten na maïs worden geteeld, is de kans op en de mate van schade door rhizoctonia groter, terwijl tarwe een veel betere voorvrucht is. De keuze voor tarwe kan echter resulteren in problemen met vrijlevende aaltjes (trichodoriden) en door aardappelen te telen voor bieten kunnen problemen met aardappelopslag ontstaan. Dit laatste probleem is niet alleen te beperken met gewasrotatie, maar ook door het spuiten van aardappelen met een product op basis van maleinehydrazide (bijvoorbeeld Royal MH), het beperken van rooiverliezen en het uitvoeren van een niet-kerende grondbewerking om de kans op bevriezing van aardappelen te vergroten. Voor meer informatie over vruchtwisseling: zie hoofdstuk 5.3;
  • een nateelt met een groenbemester heeft een effect op de aanwezigheid van ziekten, plagen en onkruiden. Bij de juiste keuze van soort en ras kan de aanwezigheid van bodemgebonden ziekten en plagen (bijvoorbeeld rhizoctonia en aaltjes) worden gere­duceerd. Als de verkeerde soort en/of ras wordt gekozen, kan een populatie van schade­lijke organismen echter (sterk) toenemen. Verder kan de aanwezigheid van een groen­bemester (in plaats van braakland) ervoor zorgen dat onkruiden meer moeite hebben zich te vestigen. Daarnaast kan een nateelt de uitspoeling van nutriënten beperken, het orga­nische stofgehalte verhogen en de bodemstructuur verbeteren1. In het aaltjesschema wordt aangegeven welke gewassen en groenbemesters geschikt zijn in de rotatie bij het bestrijden van bepaalde aaltjes;
  • een goede bodemstructuur houdt in dat een overschot aan water snel kan worden afge­voerd, terwijl de bodem zelf voldoende vochtig blijft en er voldoende lucht in de bodem zit2. In een bodem met goede structuur kan een plant goed wortelen en gemakkelijker voldoende nutriënten en water opnemen. Hierdoor kan een plant optimaal groeien en zal daardoor weerbaarder zijn tegen schadelijke organismen dan zwakke planten. Om een goede bodemstructuur te creëren, kan het nodig zijn om grondbewer­kingen uit te voeren (bijvoorbeeld ploegen en/of cultivatoren). Hierbij zijn de omstan­digheden (niet te nat) en timing (juiste moment) van deze werkzaamheden heel belang­rijk (zie hoofdstuk 2);
  • grondbewerkingen worden uitgevoerd om de bouwvoor na de oogst los te maken voor het nieuwe teeltseizoen en het zaaibed te bereiden (zie hoofdstuk 2). Als de hoofdgrond­bewerking een kerende bewerking is (ploegen) krijgen onkruidzaden minder kans om te kunnen kiemen3. Wanneer, op vooral lichte gronden, een kerende grondbewerking in het voorjaar wordt uitgevoerd, worden gelijktijdig overgebleven onkruiden bestreden. Hierdoor kan een chemische bestrijding met glyfosaat achterwege blijven. Een kerende grondbewerking draagt ook bij aan de beheersing van cercospora.
    Door een grondbewerking kunnen ziekten en plagen (bijvoorbeeld rhizomanie en aaltjes) echter ook verder over een perceel worden verspreid. Daarnaast zou de bodemweerbaar­heid beter behouden blijven als er geen kerende grondbewerking wordt uitgevoerd4. Er moet dus goed nagedacht worden over de grondbewerkingen op een bepaald perceel;
  • het juiste zaaitijdstip kan ervoor zorgen dat planten een voorsprong krijgen op onkrui­den of al wat sterker zijn op het moment dat een ziekte of plaag schade kan veroorzaken. Het is natuurlijk ook mogelijk dat een ziekte of plaag juist vroeg in het seizoen schade kan aanrichten en dat een late zaai dit had kunnen voorkomen. Afhankelijk van de schadelijke organismen die op een perceel kunnen voorkomen, kan er dus soms beter relatief vroeg of laat worden gezaaid. In de meeste gevallen zal voor een hoge suikeropbrengst de regel opgaan: hoe vroeger hoe beter, maar niet voor 1 maart (zie hoofdstuk 3.1);
  • door een gewas tussen de bieten te zaaien, kan aantasting door bepaalde ziekten en plagen minder zijn. Zo kunnen telers gerst inzaaien tussen de bieten, zoals bij een anti-stuifdek of anti-luisdek gerst. Een anti-stuifdek gerst zorgt ervoor dat planten minder last hebben van stuifschade en sneller door het jonge gevoelige stadium heen groeien. Dit kan bijdragen aan de reductie van gewasbeschermingsmiddelen. Telers kunnen het tussenzaaien van gerst ook gebruiken als anti-luisdek. Het zorgt er voor dat bladluizen de bieten minder makkelijk kunnen vinden en vergelingsvirussen zich minder makkelijk kunnen verspreiden in een bietenperceel.
  • door het juiste ras in te zaaien, kan de aantasting door bepaalde ziekten en plagen minder ernstig zijn en minder schade opleveren. Alle rassen zijn resistent tegen rhizomanie en een aantal zijn ook tolerant tegen de resistentiedoorbrekende varianten (zie hoofdstuk 10.7). Daar­naast kan worden gekozen voor rassen, die ook een resistentie/tolerantie tegen rhizoc­tonia, bietencysteaaltjes en/of wortelknobbelaaltjes hebben (zie ook hoofdstuk 1.4 en hoofdstuk 10). Bij problemen met onkruidbieten en andere onkruiden kan een ras worden gekozen met een tolerantie voor een specifiek ALS-remmend herbicide (Conviso One). Dit herbicide heeft een brede en lange werking op de meeste eenjarige onkruiden, maar ook op diverse meerjarige breedbladige en grasachtige onkruiden. Als een teler problemen met cercospora verwacht kan er gekozen worden met een ras met hoge bladgezondheid cercospora;
  • irrigatie of beregening zorgt ervoor dat een gewas beter opkomt bij korstvorming, beter groeit en gesloten blijft wanneer er een vochttekort is. De betere gewasgroei zorgt er ook voor dat planten minder gevoelig worden voor ziekten en plagen. Beregening na het sluiten van het gewas heeft echter gevolgen voor het micro­klimaat in het gewas. Door het langer vochtig blijven van het loof bij hogere tempera­turen, krijgen sommige organismen (bijvoorbeeld de bladschimmels cercospora, stemphylium, ramularia en roest) een grotere kans om te infecteren en schade te veroorzaken (zie hoofdstuk 10.4). Irrigatie kan ook de verspreiding van rhizomanie bevorderen (zie hoofdstuk 10.7);
  • een optimale bemesting zorgt voor een goede gewasgroei en daarbij een sterk gewas. Gebreksziekten, zoals magnesiumgebrek, maken een bietenplant gevoeliger voor ziekten en plagen (bijvoorbeeld pseudomonas of alternaria). Verder is er bij een te lage pH van de bodem een grotere kans dat organismen (bijvoorbeeld trichodoriden en bodemschimmels) schade aan het gewas veroorzaken. Vaak komt dit door een suboptimale groei van het gewas. Met behulp van kalkbemesting kan de pH worden verhoogd (zie hoofdstuk 4);
  • wanneer een onkruid, ziekte en/of plaag (o.a. knolcyperus, rhizomanie, aaltjes en rhizoctonia) op een perceel of in een gewas wordt gevonden, kan het belangrijk zijn om ervoor te zorgen dat ze zich niet verspreidt over het perceel en naar andere percelen. Het is dan erg belangrijk om hygiënemaatregelen te nemen om verdere verspreiding te voorkomen. Dit houdt onder andere het schoonmaken van machines in, wanneer ze op een besmet perceel zijn gebruikt. Daarnaast is het belangrijk om tarragrond en gewasresten te vernietigen of indien mogelijk, terug te brengen op het perceel van oorsprong. Te denken valt aan maatregelen nemen om te zorgen dat resten bieten niet opnieuw kunnen uitlopen en zo een bron kunnen zijn voor vergelingsziekte. Een ander voorbeeld van hygiënemaatregelen is het controleren van uitgangsmateriaal bij binnenkomst op het bedrijf op de aanwezigheid van ziekten en plagen;
  • met nuttige organismen worden natuurlijke vijanden en antagonisten van schadelijke organismen bedoeld. Zij kunnen ervoor zorgen dat ziekten en plagen minder of zelfs geen schade aanrichten in een gewas. In de natuur komen veel van deze nuttige organis­men voor. Een overzicht van de belangrijkste natuurlijke vijanden in suikerbieten staat in het tabblad 'biologische bestrijders' in de applicatie ziekten en plagen en de teelthandleiding ‘10.3.4 Natuurlijke vijanden van insecten’. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat nuttige organismen zich op een perceel thuis voelen. Dit kan door het aanleggen van akkerranden of het uitvoeren van selectieve ziekte- of plaagbestrijdingen (zie 5.1.2.2 voor een overzicht van de neveneffecten van gewasbeschermingsmiddelen). Een voorbeeld hiervan is het gebruik van Teppeki tegen bladluizen. Dit middel bestrijdt alleen de bladluizen en heeft nauwelijks een negatief effect op de natuurlijke vijanden.

5.2.2 Monitoring (principe 2)

Door regelmatig (minimaal één keer per week) in het veld te gaan kijken (monitoren) hoe het gewas erbij staat en welke schadelijke organismen (voor herkenning zie de applicatie 'ziekten en plagen') aanwezig zijn, kan een inschatting worden gemaakt of het nodig is een bestrijding uit te voeren. Loop hierbij een kruis door het perceel en bekijk om de 20 meter een aantal planten. Is er een plek in het veld zichtbaar met bieten die achterblijven in groei, of die aangetast zijn door een bepaalde ziekte of plaag, bekijk dan met name de bieten aan de rand van of net buiten de plek. Tegelijkertijd moet in het geval van insecten ook worden gekeken naar de aanwezigheid van natuurlijke vijanden (voor herkenning zie de applicatie 'ziekten en plagen'). Zo kan een inschatting worden gemaakt of de natuurlijke vijanden een plaag tijdig onder controle kunnen krijgen of dat er een bestrijding noodzakelijk is.

5.2.3 Beslissing met behulp van monitoring en schadedrempels (principe 3)

Wanneer bekend is welke organismen en hoeveel ervan op een perceel aanwezig zijn, kan worden besloten of het nuttig is om een bestrijding uit te voeren. Er zijn schadedrempels, waarschuwingssystemen en Beslissing Ondersteunende Systemen (B.O.S.) die kunnen helpen bij het nemen van een besluit.

  • Schadedrempels geven aan bij hoeveel aantasting of bij welke dichtheid van schadelijke organismen moet worden ingegrepen, om economische schade te voorkomen. Met behulp van de monitoringsresultaten en een schadedrempel kan worden besloten om wel of niet over te gaan tot het bestrijden van een ziekte of plaag. Daar waar van toepassing staat in de beschrijving van een ziekte of plaag een link naar schadedrempels, zie hiervoor de app of applicatie 'ziekten en plagen'.
  • Een waarschuwingssysteem geeft aan wanneer er een grote kans is dat een schadelijk organisme in een bepaald gebied zich voor kan doen of zich reeds voordoet (bijvoorbeeld app(licatie) 'bladschimmelkaart' of ‘bladluiswaarschuwingskaart). Wanneer er een waarschuwing uitgaat, zal er een monitoring moeten worden uitgevoerd. Als op het eigen perceel de schadedrempel wordt overschreden, is het advies een bestrijding uit te voeren.
  • Verder zijn er ook B.O.S. om te helpen met het maken van de juiste keuzes hoe of wanneer moet worden ingegrepen, om te voorkomen dat ziekten, plagen en/of onkruiden schade kunnen aanrichten:
  • de applicatie 'IRS-LIZ-Onkruidbeheersing' bij het kiezen van de combinatie en de dosis van herbiciden die nodig is/zijn om aanwezige onkruiden te bestrijden;
  • om te bepalen welke onkruiden aanwezig zijn, kan de 'onkruidherkenning'-app(licatie) worden gebruikt;
  • voor ziekten en plagen is een app en applicatie voor identificatie van aanwezige schadeveroorzakers ('ziekten en plagen') beschikbaar;
  • de applicatie 'witte bietencysteaaltjesmanagement' voorspelt het verloop van een besmetting met witte bietencysteaaltjes en kan daardoor helpen met de keuzes voor de beste rotatiegewassen op een perceel;
  • de app en applicatie 'kalkbemesting' kan worden gebruikt voor advies over hoe tot een optimale pH te komen. Op basis van de huidige pH wordt een advies gegeven over de hoeveelheid kalk die nodig is om de pH op het gewenste niveau te brengen.
  • de infectiewaarden voor cercospora en stemphylium kunnen worden gebruikt om de bespuitingen tegen deze bladschimmels doelgerichter uit te voeren.

5.2.4 Niet-chemische bestrijding (principe 4)

Wanneer het nodig is om een bestrijding uit te voeren, zal waar mogelijk voor niet-chemische methoden gekozen moeten worden. Hiervoor is het belangrijk dat er niet-chemische alternatieven beschikbaar zijn, dat ze een voldoende bestrijdingseffect hebben en dat de kosten opwegen tegen de mogelijke schadebeperking. Er zijn een drietal categorieën waaronder niet-chemische methoden kunnen vallen:

  • Gewasbeschermingsmiddelen van Natuurlijk Oorsprong (GNO's) bevatten actieve stoffen die een natuurlijke origine hebben. Dit zijn stoffen die planten of andere organismen (bijvoorbeeld de bacterie Bacillus thuringiensis) produceren en schadelijk zijn voor organismen die moeten worden bestreden. Slakkenkorrels op basis van ijzer(III)fosfaat behoren ook tot deze groep;
  • in de natuur komen natuurlijke vijanden voor die, mits de populatie groot genoeg is, een plaag kunnen onderdrukken. De populatie is echter niet altijd voldoende groot. Het kan dan rendabel zijn om natuurlijke vijanden te sparen, door bijvoorbeeld een niet-kerende grondbewerking uit te voeren;
  • mechanische bestrijding kan worden ingezet tegen onkruiden (zie hoofdstuk 6.2.2). Met behoud van effectiviteit is het onder de juiste omstandigheden (niet te nat en drogend weer) mogelijk om een bespuiting te vervangen door een werkgang van bijvoorbeeld schoffelen tussen (en in) de rij of aanaarden. Aanaarden en schoffelen kunnen echter wel een aantasting van rhizoctonia verergeren als er bij deze bewerkingen grond in de kop van de biet terechtkomt (zie ook hoofdstuk 10.5.1).

5.2.5 Doelgericht (specifiek) middel met weinig milieueffecten (principe 5)

De keuze voor een chemisch gewasbeschermingsmiddel kan worden gebaseerd op de milieu­belastingspunten (mbp) en de neveneffecten op natuurlijke vijanden. Dit kan alleen als er voldoende effectieve middelen beschikbaar zijn voor de beoogde bestrijding. Op de website van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) staan de toegelaten middelen met hun milieubelastingspunten en neveneffecten op natuurlijke vijanden (bestrijders) en bestuivers (bijen en hommels) vermeld. Hoe lager de milieubelastingspunten, hoe beter een middel is voor het waterleven, bodemleven en/of grondwater. In paragraaf 5.1.2 en in het GewasBeschermingsBulletin (verschijnt elk jaar in februari/maart) staan de milieubelastingspunten voor bieten­middelen/-combinaties vermeld.

5.2.6 Noodzakelijke dosis (principe 6)

Afhankelijk van de situatie in een perceel kan de dosering van een gewasbeschermingsmiddel worden aangepast. De plaagdruk of stadia van aanwezige onkruiden zijn belangrijke indicatoren voor een beslissing over de dosering.

Bietenzaad is behandeld met een fungicide om jonge planten te beschermen tegen kiemplantziekten. Daarnaast is het mogelijk om zaad ook te laten behandelen met insecticiden (pillenzaad met Force). Hiervoor kan een teler kiezen bij de zaadbestelling. Na een dergelijke behandeling is een jonge plant tevens beschermd tegen bodeminsecten. In vergelijking met een volveldsbespuiting zijn de doseringen van fungiciden en insecticiden toegepast als zaadbehandeling heel laag. Wanneer geen schade van insecten wordt verwacht, kan worden volstaan met standaardpillenzaad (zie hoofdstuk 10.3).

Bij de bestrijding van onkruiden is het erg belangrijk om te weten welke soorten in welke stadia op het perceel voorkomen. Op basis hiervan kan het lagedoseringensysteem (LDS) worden aangepast. Het meest effectief is om onkruiden al in het kiembladstadium met een lagere dosering aan te pakken dan nodig is voor grotere onkruiden. Daarnaast kan de applicatie 'IRS-LIZ-Onkruidbeheersing' voor de middelenkeuze worden geraadpleegd (zie 5.2.3).

5.2.7 Resistentie tegen middel voorkomen (principe 7)

Om de huidige methoden van gewasbescherming effectief te houden, moet met de mogelijk­heid van resistentieontwikkeling bij schadelijke organismen rekening worden gehouden. Hiervoor is het belangrijk om middelen met verschillende werkingsmechanismen af te wis­selen (zie ook www.frac.info en www.irac-online.org). Daarnaast is een effectieve bestrijding erg belangrijk, dus moet de meest optimale dosering worden gebruikt. Dat betekent niet te laag en niet te hoog, om zo alle schadelijke organismen afdoende te doden en toch niet te veel middel te gebruiken. Een voorbeeld is de bestrijding van bladschimmels, zoals cercospora. Hiervoor dient de geadviseerde hoeveelheid fungiciden te worden gebruikt en dienen middelen met werkzame stoffen uit verschillende chemische groepen met elkaar te worden afgewisseld om resistentieontwikkeling tegen te gaan.

Ook kunnen resistenties tegen rhizomanie, rhizoctonia en/of bietencysteaaltjes doorbroken worden. Een voorbeeld is het Rz1-resistentie-gen van rhizomanieresistente rassen dat reeds is doorbroken (zie hoofdstuk 10.7.1.3). Om dit te voorkomen, dienen naast de rassenkeuze aanvullende maatregelen te worden genomen. Zo is het mogelijk om het aantal witte en/of gele bietencysteaaltjes in een perceel te verlagen door een bietencysteaaltjesresistente bladrammenas of gele mosterd te zaaien. Dit verlaagt de plaagdruk waardoor de kans op resistentievorming tegen bietencysteaaltjes resistente rassen ook lager wordt.

5.2.8 Monitoring van resultaat en registratie van genomen maatregelen (principe 8)

Na het uitvoeren van een maatregel is het belangrijk om in het perceel te beoordelen of deze voldoende heeft gewerkt. Het beste moment hiervoor is afhankelijk van het schadelijke organisme en de genomen maatregel. In het geval van gewasbeschermingsmiddelen heeft een contactmiddel sneller een effect dan een systemisch middel, terwijl een systemisch middel langer effectief is in vergelijking met een contactmiddel.

Het is tevens afhankelijk van het moment in het seizoen of er wel of geen aanvullende maat­regelen nodig zijn en kunnen worden genomen. Bijvoorbeeld: een bladschimmelbestrijding laat in het najaar zal weinig effect hebben en vlak voor het rooien is het niet toegestaan vanwege de veiligheidstermijn van middelen.

Het resultaat van een genomen maatregel kan iets vertellen over overwegingen en maatregelen die voor een volgende (bieten)teelt belangrijk zijn. Hiervoor is het essentieel om resultaten van monitoring, effectiviteit van genomen maatregelen en de uiteindelijke (suiker)op­brengst goed te registreren. Er kan dan altijd worden nagezocht wat de problemen waren in een vorige teelt en op een bepaald perceel. Als er bijvoorbeeld veel problemen door rhizoctonia zijn veroorzaakt, kan maïs als voorvrucht beter worden vermeden. Daarnaast kan een volgende keer beter een rhizoctoniaresistent bietenras worden gekozen (zie ook hoofdstuk 10.5.1).

Bovendien geeft het resultaat van de genomen maatregel iets aan over de effectiviteit. Daar­mee moet ook rekening worden gehouden bij verdere maatregelen, met het oog op mogelijke resistentievorming van ziekten, plagen of onkruiden (zie 5.2.7).

1Kruidhof, H.M., Bastiaans, L. en Molema, G.J. (2005): Groenbemesters in biologische teeltsystemen: Wat dragen ze bij aan een ecologisch beheer van onkruiden? Gewasbescherming, vol. 36, no. 2, pp. 72-75.

2Van Balen, D. (2012): Effecten van grondbewerking op bodem en productie. https://kennisakker.nl/archief-publicaties/effecten-van-grondbewerking-op-bodem-en-productie3765.

3Vigoureux, A. (2003): Spring activities in sugar beets. Landbouw & Techniek, vol. 6; pp. 10-12.

4Van Balen, D. (2012): Effecten van grondbewerking op bodem en productie. https://kennisakker.nl/archief-publicaties/effecten-van-grondbewerking-op-bodem-en-productie3765.

5.3 Vruchtwisseling

Versie: april 2024

Vruchtwisseling is belangrijk om de vruchtbaarheid en de biologische acti­viteit van de bodem te behouden of te verhogen. Tevens is zij van grote invloed op het optreden van ziekten en plagen en de schade die daardoor wordt veroorzaakt. Het is van belang dat telers er in het bouwplan rekening mee houden dat groenbemesters en diepwortelende gewassen worden geteeld en maaigewassen met rooivruchten worden afgewisseld.

5.3.1 Optreden van ziekten en plagen

Ter voorkoming van bodemgebonden ziekten en plagen (vooral bietencysteaaltjes, cercospora en ­rhizoctonia), en de schade die deze veroorzaken, is een vruchtwisseling van suikerbieten van minimaal 1 op 4 maar het liefst 1 op 6 vereist. Let wat betreft bietencysteaaltjes ook op de teeltfrequentie van andere waardgewassen dan bieten, zoals koolsoorten, koolzaad, spinazie en rabarber. Beschouw deze waardgewassen als een bietengewas; zie ook hoofdstuk 10.2.3.

Gewassen, zoals maïs, raaigrassen, wortelen of schorseneren, verhogen de kans op rhizoctonia-aantasting in bieten (zie ook hoofdstuk 10.5.1). Wees in de vruchtwisseling dus voorzichtig met deze gewassen.

Probeer te vermijden dat een perceel bieten grenst aan een bietenperceel van het voorgaande jaar. Dit beperkt de kans op aantasting door cercospora en bietenkevertjes sterk.

Een ander voorbeeld van een gevaar voor het bietengewas is trips, als de bieten na vlas of erwten worden geteeld. Hetzelfde geldt voor emelten en ritnaalden na de teelt van gras, zoals grasland, graszaad of grasgroenbemesters. Meer informatie over ziekten en plagen vindt u in hoofdstuk 10 van deze teelthandleiding.

Het effect van vruchtwisseling op bodemplagen is te vinden in het bodemplagenschema. Het effect op aaltjes is te vinden in het aaltjesschema en het effect op bodemschimmels in het bodemschimmelschema.

5.3.2 Bemesting

Gezien de stikstofbehoefte van suikerbieten is een vlinderbloemige of kruisbloemige groen­bemester, geteeld voorafgaand aan de bieten, aan te bevelen, omdat deze de stikstof tijdig nalevert. Een grasgroenbemester daarentegen geeft de stikstof geleidelijk, en daardoor deels laat, vrij. Dit heeft een negatieve invloed op het suikergehalte in de bieten. Naast de teelt van groenbemesters kunnen ook gewassen en gewasresten bijdragen aan de bemesting van een volggewas. Zo kunnen de gewasresten van een dubbelteelt van erwten en bonen veel stikstof naleveren, die ten goede kan komen aan de bietenteelt in het jaar daarop. Meer informatie over bemesting is te vinden in hoofdstuk 4 en de applicatie ‘Stikstofbemesting’.

5.3.3 Structuur van de bodem

Uitgangspunt voor de vruchtwisseling is de afwisseling van maai- en rooivruchten in verband met de bodemstructuur. Door inzet van groenbemesters wordt veelal in voldoende mate voorzien in verse organische stof, waardoor de structuur van de bodem verbetert.
Een passend vruchtwisselingsschema verschilt per bedrijf. De ideale voorvrucht voor suikerbieten geeft een goede, maar niet te late, stikstofnalevering. Te denken valt aan gewassen, zoals erwten en bonen, en aan groenbemesters, zoals klaver, bladrammenas of gele mosterd na een vroeg gewas als (winter)tarwe of (winter)gerst.

Met name door het gebruik van steeds zwaardere machines wordt de structuur van de grond steeds meer vervormd. Door een kerende grondbewerking wordt de grond vrij intensief bewerkt om de structuur van de bouwvoor weer te herstellen. Niet-kerende grondbewerking (NKG) is een bewerking die veel oppervlakkiger is en bij no-till of strip-till wordt de grondbewerking helemaal achterwege gelaten of beperkt tot de zaairij. Voordelen zijn een betere ontwikkeling van het bodemleven, betere bodemstructuur en een betere infiltratie van het water.

5.3.4 Onkruidbeheersing

In sommige gewassen zijn bepaalde onkruiden moeilijk te bestrijden vanwege de verwantschap met het geteelde gewas. In cichorei en witlof komt bijvoorbeeld akkermelkdistel vaak goed tot ontwikkeling. Het is daarom raadzaam na een dergelijk 'vermeerderend' gewas een gewas te telen waarin de bestrijding van dergelijke onkruiden minder problematisch is.
Met niet-kerende grondbewerkingen (in plaats van ploegen) neemt de kans op toename van wortelonkruiden als distels en hoefblad toe. Ook de kans op schade door herbiciden die in het voorgaande gewas zijn gebruikt neemt toe. Vooral in maïs worden vaak herbiciden gebruikt die in een volgend bietengewas onder bepaalde omstandigheden nog schade kunnen veroorzaken. Voorbeelden daarvan zijn mesotrione (o.a. Callisto) en tembotrione (o.a. Laudis en Capreno) in maïs, maar ook metribuzin (o.a. Sencor SC) in aardappelen. Meer informatie over onkruidbeheersing is te vinden in hoofdstuk 6.

5.3.5 Geraadpleegde bronnen

  • Artikel: 'Bouwplan is meer dan optelsom van gewassen'; A. Grunefeld en F. Wijnands, PAV Lelystad; Boerderij/Akkerbouw 28 januari 1998.
  • Artikel: 'De suikerbiet en haar teelttechniek'; R. Vereerstraeten en J.P. Vandergeten; Koninklijk Belgisch Instituut tot Verbetering van de Biet; de Bietplanter Nr. 347; maart 1999.
  • Artikel: 'Doorbraak biologische suikerbieten'; A. Dekking, PAV; Boerderij/Akkerbouw 84 - no. 1; 12 januari 1999.
  • PAGV-verslagen van het onderzoek WS 38.

5.4 Spuittechniek

Versie: april 2024

 

5.4.1 Spuitdoppen en -technieken

Voor de effectiviteit van bespuitingen met fungiciden, herbiciden en insecticiden zijn alle doppen met 75% driftreducerende doppen en/of technieken geschikt. Voor de toepassing van sommige insecticiden, fungiciden en herbiciden gelden aanvullende eisen wat betreft de driftreductie. Lees daarom altijd zorgvuldig het etiket. De effectiviteit van bespuitingen met doppen met 75 en 90% driftreductie is in de meeste gevallen ook goed. Alleen in het lagedoseringensysteem (LDS) zijn doppen uit deze klassen bij toepassing op kleine onkruiden vanwege de grovere druppels wat minder effectief.

De driftgevoeligheid neemt af naarmate doppen in een hogere driftreductieklasse worden gebruikt. De indeling van spuitdoppen in driftreductieklassen is niet alleen gebaseerd op het type dop, maar ook op een bepaalde, bij de betreffende dop behorende spuitdruk.

Meer informatie over driftreducerende spuitdoppen (DRD) en technieken (DRT) kan men vinden op de site van Informatiepunt Leefomgeving (https://iplo.nl/thema/water/afvalwater-activiteiten/agrarische-activiteiten/telen-gewassen-openlucht/vaststellen-driftreductie-spuittechnieken/).

5.4.2 Waterhoeveelheid, waterkwaliteit

Algemeen geldt dat het voor de effectiviteit van de herbicidenbespuitingen niet uitmaakt of men 200, 300 of 400 liter water per hectare gebruikt. Het belangrijkste criterium is dat men de spuitvloeistof goed en egaal op grond, gewas of onkruid aanbrengt.

Voor het bestrijden van insecten is het aan te bevelen om meer dan 300 liter water per hectare te gebruiken, terwijl voor de bestrijding van bladschimmels beter 200 of 300 liter per hectare water met een zo fijn mogelijke druppel kan worden gebruikt. De waterkwaliteit heeft slechts een beperkte invloed op de effectiviteit van de bespuitingen. Alleen bij een heel hoge pH (>9) en hard water (>20 dH) kan er een negatieve invloed op de werking zijn. De effectiviteit kan ook worden verbeterd door het toevoegen van hulpstoffen aan gewasbeschermingsmiddelen. Laat bij twijfel het spuitwater vooraf analyseren en/of raadpleeg uw gewasbeschermingsleverancier.

5.4.3 Tijdstip van spuiten

De effectiviteit van herbiciden hangt nauw samen met de weersomstandigheden voor, tijdens en na toepassing. Door rekening te houden met de weersomstandigheden kan het effect van een onkruidbespuiting sterk worden beïnvloed.

Contactherbiciden: De effectiviteit van contactherbiciden ligt vaak in lijn met de mate waarin de middelen er in slagen door de waslaag van het onkruid heen te dringen. De dikte van deze waslaag is afhankelijk van de weersomstandigheden. De functie van een waslaag bij planten is ter voorkoming van uitdroging, vandaar dat een dikkere waslaag ontstaat bij lage luchtvochtigheid, veel zonnestraling en weinig bodemvocht. Temperatuur is hierbij minder van invloed. Bij een dikkere waslaag nemen onkruiden herbiciden moeizaam op. Het advies is dan om 's avonds of 's morgens vroeg te spuiten. Als men 's ochtends vroeg spuit, mag het onkruid niet nat zijn, hooguit wat vochtig. Op nat onkruid kan de spuitvloeistof niet hechten.
Voor contactherbiciden geldt een bepaalde aandroogtijd. Dit zegt iets over de tijd die een middel nodig heeft om door de waslaag te dringen en opgenomen te worden door het onkruid. Indien kort na de bespuiting regen valt, zal een deel van de werkzame stof afspoelen.

Bodemherbiciden: Bij voorkeur worden bodemherbiciden gespoten op vochtige grond. Nadien is het belangrijk dat er voldoende regen valt, zodat het bodemherbicide in de toplaag van de grond kan dringen, waar het zijn werking kan doen op (kiemend) onkruid.

Een grote hoeveelheid neerslag die korte tijd na spuiten valt kan er daardoor voor zorgen dat een bodemherbicide in de wortelzone van het gewas komt, waardoor het gewas in de groei geremd kan worden. Dit risico is bij suikerbieten van toepassing bij de middelen Centium 360 CS, Dual Gold 960 EC en Frontier Optima.

Als er nachtvorst wordt voorspeld, stel de bespuiting dan uit. Dit geldt ook als de bieten door bijvoorbeeld stuifschade, insectenvraat of vorst zijn beschadigd. Laat de bieten dan een aantal dagen herstellen voordat u de onkruidbestrijding uitvoert.

Over het algemeen breken insecticiden sneller af bij fel zonlicht. Daarnaast zijn insecten vaak actiever bij hogere temperaturen. Daardoor kunnen deze middelen het beste in de avonduren worden toegepast. Insecticiden zijn het effectiefst bij groeizaam weer.

5.4.4 Mengen van gewasbeschermingsmiddelen

5.4.4.1 Mengen van herbiciden onderling

Bij de onkruidbestrijding in suikerbieten verspuit men vaak mengsels van middelen. De meeste middelencombinaties die mengbaar zijn, geven over het algemeen geen schade. Voor sommige middelen wordt mengen afgeraden, omdat ze de werking beïnvloeden of omdat de middelen niet mengbaar zijn. De voorschriften voor al dan niet mengen staan op het etiket van de producten. Wegens kans op slechtere werking bij de bestrijding van distels, middelen met als actieve stof clopyralid (o.a. Lontrel 100) niet mengen met combinaties met Safari en niet toepassen binnen tien dagen na het gebruik ervan.

5.4.4.2 Mengen van herbiciden met insecticiden

In de periode van onkruidbestrijding in suikerbieten kan het gebeuren dat men ook insecten moet bestrijden. Het advies is geen insecticiden te mengen met herbiciden, omdat beiden op een ander moment moeten worden gespoten voor een optimale werking. Is er sprake van een zware insectenaantasting, dan kan een herbicidebespuiting het gewas aantasten. Het is dan raadzaam eerst de insecten te bestrijden en het gewas zich te laten herstellen van de insectenaantasting alvorens het onkruid aan te pakken. Bestrijd insecten alleen als de schadedrempel is overschreden.

5.4.4.3 Mengen van herbiciden met meststoffen

Meststoffen die eventueel in combinatie met herbiciden kunnen worden gespoten, zijn in de praktijk borium- en mangaanmeststoffen. Bij veel van deze meststoffen levert menging geen probleem op, maar er zijn er die men beter apart kan toedienen. Zo is bekend dat door menging van mangaanchelaatmeststoffen met herbiciden de beschikbaarheid van mangaan vermindert. Lees vooraf de gebruiksvoorschriften voor de diverse middelen!

5.4.4.4 Mengen van insecticiden met fungiciden

In de maand juli kunnen zowel de eerste vlekjes van bladschimmels zichtbaar zijn, evenals schade door rupsen. Mengen is niet verstandig, omdat beide soorten middelen andere omstandigheden nodig hebben bij toepassing. Zo kunnen fungiciden het beste overdag worden gespoten voor een goede opname, terwijl insecticiden beter in de avond kunnen worden gespoten.

5.5 Preventie van schade door winderosie

5.5.1 Inzaaien van zomergerst

5.5.2 Toedienen van een bodemstabiliserend middel

5.5.2.1 Rundveedrijfmest

5.5.2.2 Papiercellulose

5.5.2.3 Nodust®Agri

Ruim 10% van de Nederlandse landbouwgrond is min of meer gevoelig voor winderosie, in de volksmond stuiven genoemd. Stuifgevoelige grond waarop men suikerbieten teelt, komt vooral voor in het zuidoosten (het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg) en in het noordoosten (de Veenkoloniën en de aangrenzende zandgebieden van zuidoost Groningen, Drenthe en Overijssel (figuur 5.5.1)). Ook kunnen zeer lichte en/of bezande zavel- en kleigronden stuifgevoelig zijn. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de centrale polders en op Texel. Zwaardere kleigronden kunnen in uitzonderlijke gevallen, bij een zeer goede structuur van de toplaag door vorst, stuifgevoelig zijn.


Figuur 5.5.1 Stuiven op perceel zandgrond (foto: Cosun Beet Company).

Het verstuiven van bieten leidt in veel gevallen tot vrij grote (financiële) schade, vooral als de bieten moeten worden overgezaaid. Hierdoor is, naast de kosten van zaaien en zaaizaad, de groeiperiode korter, wat tot een lagere suikeropbrengst leidt.

Enkele algemene maatregelen die men kan nemen, zijn het zorgen voor een grofkluiterig zaaibed (figuur 5.5.2) en voldoende organische stof in de bovenlaag.

Op zand- en dalpercelen waar een niet-kerende hoofdgrondbewerking (spitten, vleugelschaar­cultivator, vaste tandcultivator) wordt uitgevoerd, is het lastiger om een grofkluiterig zaaibed te maken dan op percelen die worden geploegd in combinatie met een vorenpakker. Bij spitten kunt u de mate van kluiterigheid beïnvloeden door bijvoorbeeld de rijsnelheid en het toerental van de aftakas te veranderen. Vooral bij zogenaamde ‘snelspitters’ vraagt dit aandacht. Bij spit­machines is verder het type eggenrol en de draaisnelheid ervan van belang. In het algemeen geeft een lagere draaisnelheid meer en grotere kluiten.


Figuur 5.5.2 Een grof kluiterig zaaibed beperkt de kans op stuiven.

Op percelen met veel organische stof in de toplaag hebben bieten vaak minder last van stuifschade. Voldoende organische stof kan op diverse manieren gerealiseerd worden:

  • gewasresten zoveel mogelijk op het land achterlaten;
  • groenbemesters telen;
  • organische stof met organische producten aanvoeren (bijvoorbeeld compost);
  • ondiepe en/of niet-kerende grondbewerking.

Een ander belangrijk aspect in het kader van stuifbestrijding is dat u zo snel mogelijk na de zaaibedbereiding (bijvoorbeeld ploegen in combinatie met vorenpakker) de bieten zaait. Anders bestaat de kans dat u in een uitgedroogd zaaibed zaait, waardoor de stuifgevoeligheid aanzienlijk toeneemt.

Daarnaast kan het nodig zijn om specifiek gerichte, preventieve maatregelen te treffen. De belangrijkste maatregelen zijn het inzaaien van zomergerst kort voor het zaaien van de bieten en/of het toedienen van een bodemstabiliserend middel.

5.5.1 Inzaaien van zomergerst

In de praktijk is gebleken dat het inzaaien van zomergerst bij het zaaien van de bieten een goede methode is om stuiven te voorkomen (figuur 5.5.3). Ook zorgt gerst ervoor dat bladluizen de bieten minder makkelijk kunnen vinden waardoor vergelingsvirussen zich minder goed verspreiden. Lees meer over het inzaaien van gerst als maatregel om bladluizen te beheersen in paragraaf 10.3.3.4 Bladluizen. Zomergerst ontwikkelt zich snel en is gemakkelijk dood te spuiten (figuur 5.5.4). Dit betekent echter ook dat een LDS-bespuiting de ontwikkeling van de gerst kan remmen. Het ene ras is hiervoor gevoeliger dan het andere. Het ras Quench staat bijvoorbeeld bekend om zijn gevoeligheid voor LDS-bespuitingen.

Naast de rassenkeuze is het ook belangrijk om goed zaaizaad te gebruiken. De kiemkracht hiervan moet minimaal 90% zijn.

Het zaaien van de gerst kan op diverse manieren gebeuren:

1. met een zaaimachine op de vorenpakker of achter de spitmachine dan wel cultivator vóór de aandrukrol;

2. breedwerpig met een kunstmeststrooier en het inwerken met bijvoorbeeld een cultivator;

3. breedwerpig met een kunstmeststrooier, gevolgd door spitten;

4. breedwerpig met een kunstmeststrooier en niet inwerken;

5. met een graanzaaimachine.

Voor het zaaien in de grond is 60 tot 80 kg per hectare zaaizaad nodig. Bij breedwerpige toediening zonder inwerken en spitten is 10 tot 20 kg per hectare extra nodig.


Figuur 5.5.3 Een antistuifdek van gerst voorkomt of beperkt stuifschade.

U dient de gerst dood te spuiten als deze gemiddeld 15 cm hoog is. Hiervoor zijn diverse grassenbestrijdingsmiddelen beschikbaar (zie meest recente GewasBeschermingsBulletin suikerbieten). Te sterk ontwikkelde, uitgestoelde gerst is moeilijk te bestrijden.


Figuur 5.5.4 Doodgespoten gerst op een bietenperceel.

De kosten van een antistuifdek van gerst bestaan uit de aanschaf van het zaaizaad (afhankelijk van de geldende prijs) en het grassenbestrijdingsmiddel (globaal 45-60 euro per hectare als aparte bespuiting).

Er zijn wel een aantal punten waar u op moet letten als u gerst als antistuifdek gebruikt:

  • spitten na breedwerpig gerst zaaien geeft een onregelmatige opkomst. Het bepalen van het doodspuitmoment is dan lastiger. In het ongunstigste geval moet u dan twee keer spuiten. Let op het etiket voor de dosering en het aantal toepassingen;
  • als u gerst breedwerpig zaait na het ploegen en u de sporen en eventueel de middenvoor met een cultivator wil wegwerken, zal de gerst op die plaatsen veel dikker staan;
  • uit onderzoek is gebleken dat bieten in een antistuifdek van gerst geen extra stikstof nodig hebben;
  • als u gerst te laat dood spuit, duurt het afstervingsproces langer. Hierdoor kan door concurrentie groeiremming van de bieten optreden (figuur 5.5.5);
  • als u middelen als Safari, Tanaris, Frontier Optima, Centium 360 CS of Dual Gold 960 EC aan de LDS-bespuitingen toevoegt, neemt de kans op een slechtere werking van het grassenmiddel toe.


Figuur 5.5.5 Laat de gerst niet te groot worden. De bieten ondervinden concurrentie en de gerst is moeilijker dood te spuiten.

Nadelen:

  • als de gerst vlak voor het zaaien van de bieten is gezaaid, biedt ze de eerste weken na het zaaien nog geen of onvoldoende bescherming tegen stuiven. Als in deze periode de omstan­digheden ongunstig zijn (veel wind en een droge toplaag), kan het nodig zijn om een bodemstabiliserend middel (zie hiervoor paragraaf 5.5.2) toe te dienen. Dit betekent natuurlijk wel extra kosten;
  • als u de gerst circa één tot twee weken voor het zaaien strooit of zaait, betekent dit dat u de bieten wat later moet zaaien (de grond staat vroeger zaaien niet altijd toe), dat het zaaibed op het moment van bieten zaaien min of meer is uitgedroogd en dat er een extra onkruidbestrijding nodig is;
  • als de gerst goed ontwikkeld is, kan het moeilijk zijn om zonder schade aan de bieten aardappelopslag met glyfosaat (bijvoorbeeld Roundup) te bestrijden. Het gebruikte middel wordt dan via druppels aan de gerstplanten op de bietenplanten ernaast overgebracht, die vervolgens afsterven.

5.5.2 Toedienen van een bodemstabiliserend middel

Voor de praktijk interessante middelen die een goede preventieve werking tegen stuiven hebben (vier tot acht weken), zijn rundveedrijfmest, papiercellulose en Nodust®Agri.

5.5.2.1 Rundveedrijfmest

Het is toegestaan om tussen 1 maart en 1 juni rundveedrijfmest tegen het stuiven toe te passen op bouwland met een veenkoloniaal bouwplan in Noordoost-Nederland en op Texel. Hiervoor hoeft de mest niet emissiearm aangewend te worden. Deze regeling staat omschreven in artikel 4.1199 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het fosfaat in rundveedrijfmest telt voor 100% en de stikstof voor 60% voor de gebruiksnormen mee.

Toedieningstijdstip: kort na het zaaien.

Dosering: 10 tot 15 ton per hectare (bij een droge stofgehalte van 8 à 10%).

Kosten: de kosten en opbrengsten van rundveedrijfmest kunnen flink fluctu­eren, afhankelijk van o.a. vraag en aanbod rondom toedieningstijdstip.

Bijzonderheden: de rundveedrijfmest moet goed gemixt, niet te dik en niet te dun zijn. Te dikke mest kan een te dikke korst geven waar de bieten niet door­heen komen. Te dunne mest geeft na opdroging een te zwakke korst om stuiven te voorkomen.

Nadelen:

  • vooral op een losse, droge bouwvoor kunnen door het opbrengen van drijfmest diepe sporen ontstaan en/of kunnen bietenrijen uiteendrijven. Dit kan problemen opleveren met opkomst, schoffelen en rooien. Het is aan te bevelen om midden over de rijen te rijden of, bij voldoende brede percelen, dwars op de rijen;
  • om over mest te beschikken en voor het uitrijden ervan, bent u vaak afhankelijk van derden;
  • toediening vindt meestal plaats met een vacuümmestverspreider (met ketsplaat). Vooral bij veel wind is egale verspreiding niet mogelijk;
  • de in de rundveedrijfmest aanwezige stikstof en fosfaat tellen (deels) mee in de gebruiksruimte.

5.5.2.2 Papiercellulose

Papiercellulose staat in bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en mag daarom als meststof worden verhandeld. Stesam (Van der Stelt B.V. te Beverwijk) is een papiercellulose dat u als antistuifmaatregel kunt gebruiken (figuur 5.5.6).

Toedieningstijdstip: kort na het zaaien. Eventueel ook na opkomst van de bieten. Niet toepassen als de bieten doorkomen (kromme halzen), dan zijn ze te kwetsbaar.

Dosering: 10 tot 12 ton per hectare (bij een drogestofgehalte van 8%).

Kosten: Stesam kost ongeveer € 15,00 per ton, franco geleverd.

Bijzonderheden: de werking is vergelijkbaar met die van rundveedrijfmest. Bij een goede dosering ziet het perceel er duidelijk wit uit. Dit kunt u overigens pas constateren na opdroging. Om over de papiercellulose te beschikken en voor het uitrijden ervan, bent u vaak afhankelijk van derden.


Figuur 5.5.6 Direct na het zaaien toegediende papiercellulose (Stesam) geeft een goede bescherming tegen stuiven.

5.5.2.3 Nodust®Agri

Nodust®Agri is een bodemstabilisator op basis van Magnesium-Ligninesulfonaat. Dit product valt in de categorie 'overige organische meststoffen' en mag men zonder ontheffing verhandelen.

Uit PPO-onderzoek bleek dat Nodust®Agri een goede antistuifwerking heeft. Volgens opgave van de producent

(Lignostar Group BV) kan de werkingsduur vier tot zes weken zijn, maar dit is wel afhankelijk van de weersomstandigheden.

Toedieningstijdstip: bij voorkeur kort na het zaaien op relatief vochtige ondergrond. Het product kan ook veilig over het gewas worden gespoten.

Toedieningsmethode: met een gangbare veldspuit of met een mengmestverspreider. Grove spuitdoppen gebruiken en fijnfilters verwijderen.

Dosering: circa 800 liter per hectare, opgelost in 1600 liter water per hectare.

Kosten: circa 650 euro per hectare (geleverd in multibox; prijspeil 2023).

Bijzonderheden: - na het spuiten de veldspuit (tank, leidingen en spuitdoppen) grondig reinigen.

Meer informatie over Nodust®Agri vindt u op www.nodustagri.com.

5.6 Groenbemesters

Versie: april 2024

De keuze van een groenbemester hangt af van verschillende aspecten. Zo zijn het zaaitijdstip en het doel van de teelt van belang. Een groenbemester kan worden ingezet om de aanvoer van organische stof te verhogen (zie hoofdstuk 4.13 'Organische stof'), uitspoeling van stikstof in de winter te beperken, onkruid te onderdrukken, aaltjes te reduceren of om aan de verplichting van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) te voldoen. Een verkeerde keuze van groenbemesters kan echter leiden tot een hogere druk van onkruiden, ziekten en plagen. Meer informatie over de teelt van groenbemesters met betrekking tot zaaien en bemesting kunt u vinden in het Handboek Groenbemesters.

5.6.1 Teelt van bladrammenas en gele mosterd

Bladrammenas en gele mosterd zijn in het algemeen de meest geschikte groenbemesters voorafgaand aan de bieten (zie hoofdstuk 10 'Ziekten en plagen'). Het beste resultaat bereikt u door ze zo vroeg mogelijk te zaaien, zodat ze de bouwvoor goed doorwortelen. Vooral percelen met vroeg veldruimende gewassen, zoals tulpen, plantuien, erwten, wintergerst of graszaad, zijn hiervoor zeer geschikt. De groenbemester kan zich dan goed ontwikkelen en levert hierdoor een uitstekende bijdrage aan de organische stofvoorziening. Daarnaast reduceren BCA-resistente bladrammenas en gele mosterd de populatie bietencysteaaltjes in de bodem. Hoe vroeger gezaaid en beter ontwikkeld de groenbemester is, hoe meer afdoding van bietencysteaaltjes kan worden gerealiseerd. Bladrammenas kunt u zaaien tot begin september. Voor gele mosterd kan dat tot half september. Bladrammenas en gele mosterd ontwikkelen zich het beste als de grond voldoende los is. Ze zijn zeer gevoelig voor een slechte structuur. Zaai ze pas als de grond voldoende opgedroogd is.

Voor een vlotte ontwikkeling is een stikstofgift nodig. Er is vanaf 2024 echter alleen een stikstofgebruiksnorm voor niet-vlinderbloemige groenbemester die worden geteeld na granen, graszaad of koolzaad. De groenbemester moet bovendien voor 1 september ingezaaid zijn en mag niet voor 1 februari worden vernietigd. . De adviesgiften vindt u in een in 2021 verschenen rapport. De stikstofgebruiksnormen kunt u vinden in op www.rvo.nl.

Indien u vroeg zaait (juli en augustus), dan heeft bladrammenas de voorkeur boven gele mosterd. Bladrammenas loopt namelijk opnieuw uit als u ze maait om zaadvorming tegen te gaan. Gele mosterd doet dit niet. Nadeel van bladrammenas en gele mosterd is dat het niet mogelijk is om wortelonkruiden te bestrijden. Dit kan in sommige gevallen wel in een grasgroenbemester. Dit is ook afhankelijk van de eisen van het GLB. Omdat een goed ontwikkelde bladrammenas veel biomassa produceert, is het lastig om deze met een niet-kerende bewerking onder te werken.

5.6.2 Invloed op ziekten en plagen

In de figuren 5.6.1, 5.6.2 en 5.6.3 staat een overzicht van de beste groenbemesters indien bepaalde aaltjes, insecten of schimmels op het perceel aanwezig zijn. Daarin is bijvoorbeeld te zien dat bladrammenas of gele mosterd zeer geschikt zijn op percelen waar alleen bietencysteaaltjes aanwezig zijn, maar bij de aanwezigheid van alleen verticillium hebben grasachtigen juist weer de voorkeur. Onderzoek welke ziekten en plagen op een perceel aanwezig zijn en maak aan de hand daarvan de juiste keuzes.

5.6.3 Inzet van groenbemestermengsels

Het voordeel van het telen van een mengsel is dat de kans op slagen groter is, doordat het uit meerdere componenten bestaat. Het nadeel van meerdere componenten is dat het mogelijk meer ziekten en plagen kan vermeerderen, zoals beschreven in paragraaf 5.6.2. Elk component in het mengsel telt voor een ziekte of plaag als een individuele teelt. Een waardplant met een klein aandeel in een mengsel kan al zorgen voor vermeerdering van ziekten en plagen.

Figuur 5.6.1 Adviezen voor het inzaaien van groenbemesters bij aanwezigheid van aaltjes.

Figuur 5.6.2 Adviezen voor het inzaaien van groenbemesters bij aanwezigheid van plagen.

Figuur 5.6.3 Adviezen voor het inzaaien van groenbemesters bij aanwezigheid van schimmels.

6. Onkruidbeheersing

6.1 Onkruiden

Versie: april 2022

Onkruiden in suikerbieten zijn ongewenst omdat ze met bieten concurreren om ruimte, lucht, vocht en nutriënten. Dit gaat ten koste van de bietenopbrengst. Verder kan een hoge onkruiddruk leiden tot oogst- of verwerkingsproblemen en neemt de zaadvoorraad in de grond toe. Voorkomen moet worden dat onkruiden die de chemische onkruidbestrijding hebben overleefd in het zaad komen. Deze onkruiden kunnen minder gevoelig zijn voor bepaalde actieve stof(fen). Bovendien kunnen onkruiden ziekten en plagen overbrengen en/of vermeerderen. Voor een geslaagde bietenteelt is een goede onkruidbeheersing dus essentieel.

6.1.1 Voor opkomst

Onkruidbestrijding is alleen succesvol bij klein onkruid. Begin daarom met een schone lei en bestrijd grote(re) onkruiden vóór de zaaibedbereiding met glyfosaat. Voorkom structuurschade bij deze toepassing door te wachten totdat de grond berijdbaar is.

Het spuiten van een bodemherbicide direct of kort na het zaaien kan het aantal onkruiden na opkomst van de bieten beperken en de groei van onkruiden vertragen, waardoor de na-opkomstbestrijding eenvoudiger kan zijn. Geadviseerd wordt om te spuiten op vochtige grond; bij droge grond is het beter om, indien mogelijk, de bespuiting uit te stellen. Met name op zandgronden droogt de toplaag snel uit, waardoor de werking van bodemherbiciden tegen kan vallen. Ook op gronden met een hoog organisch stofgehalte (hoger dan ongeveer 5%) werken bodemherbiciden doorgaans slecht. Vandaar het advies om op deze gronden de onkruiden alleen na opkomst van de bieten te bestrijden.

Voor een effectieve bestrijding van sommige probleemonkruiden, met name bingelkruid, hondspeterselie en kamille, is het advies om direct na zaai een bodemherbicide toe te passen (zie tabel 6.1.1). Wanneer veel kamille verwacht wordt, spuit dan na het zaaien 2,0 liter per hectare Goltix SC/Bettix SC. De kans op kamille is het grootst bij vroege zaai. Bij laat zaaien neemt de noodzaak van een bodemherbicide voor opkomst tegen kamille af. Als hondspeterselie wordt verwacht is het advies Centium 360 CS of Goltix Queen voor opkomst toe te passen. Spuit maximaal 0,10 liter per hectare Centium 360 CS, bij natte en koude omstandigheden en een laag organisch stofgehalte (minder dan circa 2,5%) wordt 0,05 tot 0,07 liter per hectare Centium 360 CS aanbevolen. Onder deze omstandigheden kunnen hoge doseringen (bijvoorbeeld door overlappingen) leiden tot ernstige groeiremming of zelfs plantwegval. Ook onder groeizame omstandigheden is na toepassing van Centium 360 CS bijna altijd enige mate van witverkleuring van het blad zichtbaar. Witverkleuring van de bieten leidt niet tot opbrengstderving. Ten opzichte van metamitron heeft Centium 360 CS een betere werking op hondspeterselie, bingelkruid, kleefkruid, varkensgras, zwaluwtong en muur. De werking tegen kamille en uitstaande melde is verwaarloosbaar. Als ook veel kamille verwacht wordt, meng dan Centium 360 CS met metamitron. Wanneer u een hoge bezetting van hondspeterselie verwacht, dan kan voor opkomst met Goltix Queen worden gespoten (maximale dosering is 3 liter per hectare) of Kezuro maximale dosering is 3,5 liter per hectare).

Tabel 6.1.1 Meerwaarde van toepassing van bodemherbicide na zaai van het gewas in aanbevolen dosering op moeilijk te bestrijden onkruiden.

middel aanbevolen dosering goede werking tegen
Centium 360 CS (190 €/l) 50-100 ml/ha bingelkruid, hondspeterselie, kleefkruid, varkensgras, zwaluwtong
Goltix SC, Bettix SC (35 €/l) 2 l/ha duivenkervel, kamille
Goltix Queen (35,5 €/l),

Kezuro (39 €/l)

2-3 l/ha bingelkruid, duivenkervel, hondspeterselie, kamille, kleefkruid

6.1.2 Breedbladige onkruiden

Standaard is het lage doseringensysteem (LDS) met een dosering van 0,5 liter per hectare van elk middel, namelijk 0,5 fenmedifam (160 g/l) + 0,5 metamitron + 0,5 ethofumesaat (200 g/l) + plantaardige olie. LDS kan bestaan uit losse componenten of uit combinatieproducten. Gebruik vanuit het oogpunt van duurzaamheid geen minerale olie. Plantaardige olie is veel minder milieubelastend doordat het biologisch afbreekbaar is in de grond. Metamitron (Goltix SC/Bettix SC) is een breedwerkend en gewasveilige component van het LDS. Quinmerac toegevoegd aan metamitron (Goltix Queen) versterkt de werking op bingelkruid en hondspeterselie. Vervanging van metamitron in het LDS door Dual Gold 960 EC of Frontier Optima wordt alleen aanbevolen wanneer er geen of weinig meldensoorten voorkomen. Dual Gold 960 EC en Frontier Optima werken op bingelkruid, duivenkervel, ooievaarsbek, hanenpoot en straatgras.

Voor een effectieve bestrijding is het belangrijk om het onkruid zo vroeg en klein mogelijk (kiembladstadium) te bestrijden, ongeacht het stadium van de bieten. Onder droge omstandigheden laat voornamelijk melganzenvoet zich lastig bestrijden. Verhogen van de dosering fenmedifam en plantaardige olie is onder deze omstandigheden aan te raden. Vanaf het gestrekte kiemlobstadium van de bieten kunt u de LDS-dosering met 50% en vanaf het tweebladstadium met 100% verhogen.

Voer de bespuitingen uit op een droog gewas, bij voorkeur 's avonds of 's ochtends vroeg. Vooral als de onkruiden afgehard zijn is het van belang dat de relatieve luchtvochtigheid hoog is (meer dan 80%). Mocht het, bijvoorbeeld door weersomstandigheden, niet gelukt zijn om de onkruiden in het kiemblad te bespuiten, dan is het vaak nodig om de dosering te verhogen.

Voor moeilijk te bestrijden onkruiden kunt u een extra middel aan de LDS-combinatie toevoegen. U kunt dan kiezen voor Safari, Safari Duoactive, Dual Gold 960 EC, Frontier Optima, Centium 360 CS of Lontrel 100 (zie tabel 6.1.2).

Tabel 6.1.2 Extra middel toevoegen in gangbare dosering aan LDS-combinaties op moeilijk te bestrijden onkruiden.

toevoeging middel gangbare dosering (bladstadium biet)
Centium 360 CS 20 ml/ha (2-blad),

40 ml/ha (4-blad),

50-100 ml/ha (6-blad of meer)

Dual Gold 960 EC 0,5 l/ha (vanaf 2-blad)
Frontier Optima 0,15 l/ha (2-blad),

0,3 l/ha (4-blad),

0,3-0,45 l/ha (6-blad of meer)

Lontrel 100, Vivendi 100 0,5 l/ha (vanaf kiemblad)
Safari, Shiro 15 g/ha (vanaf kiemblad)
Safari Duoactive 100 g/ha (vanaf kiemblad. Op lichte grond met laag organische stof vanaf 2-blad)
Tanaris 0,3 l/ha (2-blad),

0,6 l/ha (vanaf 4-blad)

In tabel 6.1.3 staat een overzicht van de gevoeligheid van onkruiden voor verschillende na-opkomstcombinaties. De LDS-kolom geeft de basis gevoeligheid voor de onkruiden aan, terwijl in de overige kolommen de meerwaarde hierop van een extra middel wordt weergegeven. Ter verduidelijking een voorbeeld uit de tabel: bestrijding van koolzaadopslag; LDS een 3, LDS + Safari een 5 en LDS + Centium 360 CS een 3. Toevoegen van Safari aan LDS geeft duidelijke verbetering van het resultaat en toevoegen van Centium 360 CS aan LDS geeft geen beter resultaat.

Tabel 6.1.3 Gevoeligheid onkruiden in het kiembladstadium voor verschillende na-opkomstcombinaties.

LDS
onkruid LDS + quinmerac + ,015 Safari + 0,1 Safari Duoactive + 0,5 Dual Gold 960 EC + 0,3 Frontier Optima + 0,6 Tanaris + 0,04 Centium 360 CS + 0,5 Lontrel 100
bingelkruid 0 2 5 5 2 3 4 3 0
duivenkervel 3 3 4 5 4 4 4 3 3
ereprijs 3 4 4 4 4 4 5 3 3
herik 1 1 5 5 1 2 2 1 1
hondspeterselie 1 3 4 5 3 3 4 4 4
kamille 4 4 5 5 4 4 4 4 4
kleefkruid 2 3 5 5 2 3 4 4 2
klein kruiskruid 3 3 4 4 3 4 4 4 3
knopkruid 3 3 4 4 4 4 4 3 4
koolzaadopslag 3 3 5 5 3 3 3 3 3
melganzenvoet 3 3 3 4 3 3 3 3 3
ooievaarsbek 1 1 3 3 4 3 3 1 1
papegaaienkruid 2 2 5 5 2 4 4 3 2
perzikkruid 3 3 4 5 3 4 4 4 4
straatgras 3 3 3 4 5 5 5 3 3
uitstaande melde 2 2 2 3 2 2 2 2 2
varkensgras 1 1 3 4 2 1 1 4 1
veerdelig tandzaad 0 0 5 5 0 0 0 0 5
waterpeper 2 2 5 5 2 2 2 4 2
zwaluwtong 3 3 4 4 4 3 3 4 4
zwarte nachtschade 3 3 4 4 4 4 4 3 3

5 = gevoelig; 0 = niet gevoelig

In tabel 6.1.4 staan de in de bietenteelt gangbare, toegelaten onkruidbestrijdingsmiddelen (situatie op 01-02-2022). In deze tabel is tevens opgenomen hoe vaak u het betreffende middel in na-opkomst LDS-bespuitingen mag toepassen, welke maximale dosering is toegestaan en welke minimale interval u tussen twee bespuitingen moet aanhouden. Vaak zijn aan herbiciden aanvullende beperkingen gesteld. Lees daarom het Wettelijk Gebruiksvoorschrift op het etiket zorgvuldig.

Tabel 6.1.4 Gangbare, toegelaten herbiciden met vermelding van de maximum dosering per toepassing (kg of l/ha), maximum aantal toepassingen na opkomst, maximum per teelt (kg of l/ha) en het minimum interval tussen bespuitingen (dagen).

Tabel 6.1.4 Gangbare, toegelaten herbiciden met vermelding van de maximum dosering per toepassing (kg of l/ha), maximum aantal toepassingen na opkomst, maximum per teelt (kg of l/ha) en het minimum interval tussen bespuitingen (dagen).  

werkzame stof  gehalte  merknaam  voor opkomst max. dosering  na opkomst max. dosering  na opkomst max. aantal toepas-singen  max. per teelt  min. inter-val (da-gen)  extra drift reduce-rende maat-regelen  teelt-vrije zone (m)  toegestaan in grond-water- bescher-mings-gebied   veilig-heids-termijn 

(dagen) 

clethodim  120 g/l  Centurion Plus  - 

- 

0,5 

1-2,5 

2 

1 

1,0 

2,5 

7 

- 

nee 

ja, DRT 

0,5  

afh. DRT 

ja 

ja 

56 

56 

clomazone  360 g/l  Centium 360 CS  0,2  0,1  4  0,2  7  nee  0,5  ja  geen 
clopyralid  100 g/l  Lontrel 100,  

Cliophar 100 SL,  

Vivendi 100 

- 

- 

0,5 

1,2 

3 

1 

1,5 

1,2 

7 

- 

nee 

nee 

0,5 

0,5 

ja, mrt-aug 

ja, mrt-aug 

geen 

geen 

cycloxydim  100 g/l   Focus Plus  - 

- 

2 

4-5 

2 

1 

4,0 

5,0 

10 

- 

nee 

nee 

0,5 

0,5 

ja 

ja 

56 

56 

dimethenamide-P  720 g/l  Frontier Optima  - 

- 

- 

0,3 

0,45 

0,9 

3 

2 

1 

0,9 

0,9 

0,9 

7 

7 

- 

nee 

nee 

nee 

0,5 

0,5 

0,5 

ja 

ja 

ja 

geen 

geen 

geen 

dimethenamide-P/ 

quinmerac 

333/167 g/l  Tanaris  -  0,6  3  1,5  7  nee  0,5  ja, mrt-aug  geen 
ethofumesaat  200 g/l  Ethofol 200 EC,  

Tramat 200 EC 

-  1,0  8  4,0  7  nee  0,5  ja  geen 
500 g/l  Oblix 500 SC  -  0,4  8  1,6  7  nee  0,5  ja  geen 
500 g/l  Tramat 500  -  0,33  6  2  7  nee  0,5  ja  geen 
ethofumesaat/ 

fenmedifam 

190/200 g/l  Betanal Tandem  - 

- 

1,5 

1,0 

3 

6 

4,0 

4,0 

5 

5 

nee 

nee 

0,5 

0,5 

ja 

ja 

90 

90 

200/200 g/l  Powertwin  -  1,0  6  5,0  7  nee  0,5  ja  geen 
fenmedifam  160 g/l  Astrix EC  -  1,0  8  6,0  7  nee  0,5  ja  geen 
Corzal SE  -  1,5  8  8,0  7  nee  0,5  ja  geen 
320 g/l  Kontakt 320 SC  -  0,5  6  3,0  7  nee  0,5  ja  geen 
fluazifop-p-butyl  125 g/l  Fusilade Max  -  3,0  1  3,0  -  nee  0,5  ja  56 
foramsulfuron/ 

thiencarbazon- methyl

50/30 g/l  Conviso One  -  0,5  2  1,0  10  ja, DRT  0,5  ja  geen 
1,0  1  1,0  -  ja, DRT  afh. DRT  ja  geen 
metamitron  700 g/l  Bettix SC  3,0  1,0  8  5,0  5  nee  0,5  ja  geen 
  Goltix SC  3,0  1,0  6  5,0  5  nee  0,5  ja  geen 
metamitron/ 

ethofumesaat 

350/150 g/l   Goltix Super 

Metafol Super

2,0 

2,0

1,0 

1,5

6 

6

6,0 

6,0

7 

5

nee 

nee

0,5 

0,5

ja 

ja

geen 

geen

metamitron/ 

quinmerac 

525/40 g/l 

 

Goltix Queen  3,0 

- 

- 

1,0 

2,0 

1,25 

3 

3 

6 

6,0 

6,0 

6,0 

5 

7 

5 

nee 

nee 

nee 

0,5 

0,5 

0,5 

ja 

ja 

ja 

geen 

geen 

geen 

571/71 g/l  Kezuro  3,5  1,3  3  3,5  7  nee  0,5  ja  geen 
propaquizafop  100 g/l  Agil 100 EC  -  1,5  2  1,5  14  ja, DRT  0,5  ja  60 
quizalofop-p-ethyl  50 g/l  Pilot  -  2,0  2  2,0  21  ja, DRT  0,5  ja  geen 
s-metolachloor*  960 g/l  Dual Gold 960 EC  -  1,0  4  1,5  7  ja, DRT  0,5  nee  geen 
triflusulfuron-methyl  50%  Safari, Shiro  -  0,03  4  0,12  7  nee  0,5  ja  geen 
triflusulfuron-methyl/ lenacil  7,1/71,4%  Safari Duoactive  -  0,21  3  0,63  5  ja, DRT  0,5  ja  28 

 * niet op zandgrond 

In tabel 6.1.5 staan een aantal mogelijke basiscombinaties met de daarbij behorende prijzen. In deze tabel staat tevens een overzicht van de kleurcodes voor de milieubelastingspunten die voor de diverse middelen/middelencombinaties gelden. Als het voor de effectiviteit van de onkruidbestrijding niet uitmaakt, kies dan voor middel(en) met een lage milieubelasting.*niet op zandgrond 

Tabel 6.1.5 Overzicht aantal mogelijke herbicidentoepassingen (kg of l product per hectare), prijzen (exclusief btw) en milieubelastingspunten bij twee organische stofgehalten van de bodem bij 1% drift.

werkzame stof (merknaam) middelen

kosten

(€/ha)

milieubelastingspunten
water-leven 1,5-3% orga-nische stof 3-6% orga-nische stof
bodem-leven grond-water bodem-leven grond-water
voor opkomst
0,1 Centium 360 CS 21
2,0 Bettix SC, Goltix SC 74
3,0 Goltix Queen 107
3,5 Kezuro 137
na-opkomstcombinaties
LDS 1 32
LDS inclusief quinmerac2 38
LDS + 0,015 Safari/Shiro 52
LDS + 0,5 Dual Gold 960 EC 45
LDS + 0,3 Frontier Optima 39
LDS + 0,04 Centium 360 CS 43
LDS + 0,6 Tanaris 58
LDS + 0,1 Safari Duoactive 55
LDS + 0,5 Lontrel 100 59
grassenmiddelen
0,75 Agil 100 EC 30
1,0 Centurion Plus 45
1,2 Focus Plus 29
0,9 Fusilade Max 37
0,9 Pilot 38

1) LDS = 0,5 fenmedifam (160 g/l) + 0,5 metamitron + 0,5 ethofumesaat (200 g/l) + 0,5 olie; LDS kan bestaan uit losse componenten of uit de volgende combinatieproducten:
- fenmedifam + ethofumesaat: 0,5 Power Twin / Betanal Tandem
- metamitron + ethofumesaat: 1,0 Goltix Super / Metafol Super
2) 0,7 Goltix Queen in plaats van 0,5 Goltix SC / Bettix SC.

https://www.irs.nl/userfiles/Bulletin/Waterleven.JPG

6.1.3 Grasachtige onkruiden

https://www.irs.nl/userfiles/Bulletin/IPM.JPG Bij de bestrijding van de meeste grasachtige onkruiden is het mogelijk om aan de LDS-combinatie een verlaagde dosering van een grassenbestrijdingsmiddel toe te voegen (zie tabel 6.1.6). Doe dit alleen als de grassen in een jong groeistadium zijn, in elk geval voordat ze beginnen met uitstoelen en als de grassen niet geremd worden door een voorafgaande bespuiting van bijvoorbeeld Safari. Hanenpoot en straatgras zijn ook goed te bestrijden door aan de LDS-combinatie Dual Gold 960 EC of Frontier Optima toe te voegen. Spuit bij voorkeur voordat de grassen gekiemd zijn of uiterlijk direct na kieming. Voor een goede werking van deze bodemherbiciden is voldoende bodemvocht belangrijk. Een aparte bespuiting met een grassenbestrijdingsmiddel wordt geadviseerd bij de bestrijding van straatgras, kweek en resistente duist. Dit advies geldt ook in het geval dat het niet gelukt is om tijdig te spuiten en de grassen zijn uitgestoeld en voor het geval dat er Centium 360 CS aan de LDS-combinatie is toegevoegd. Vanaf uitstoeling wordt geadviseerd om de doseringen te verhogen, indien het etiket van het desbetreffende middel deze mogelijkheid biedt. Laat bij voorkeur minimaal drie dagen zitten tussen een LDS- en aparte grassenbestrijding.

Tabel 6.1.6 Dosering (l/ha) van grassenbestrijdingsmiddelen bij toepassing op niet-uitgestoelde grassen.

merknaam grassoort
duist1, graan-opslag, hanenpoot, windhalm en wilde haver kweek3 raaigras straat-

gras4

stuifdek gerst3
Agil 100 EC 0,75 1,5 0,75 - 1,2
Centurion Plus 1,0 2,5 1,0 1,0 1,0
Fusilade Max 0,9 3,0 - - 1,5
Focus Plus 1,0-1,2 5,0 1,2 - 2,0
Pilot2 0,9 3,0 0,9 - 1,5
  • = onvoldoende effect voor een advies
  1. bij resistente duist Focus Plus of Centurion Plus inzetten.
  2. 0,5-1,0 l/ha olie toevoegen.
  3. aparte bespuiting van kweek en stuifdek gerst (niet toevoegen aan LDS).
  4. de genoemde dosering is alleen voldoende effectief tegen jong, niet uitgestoeld straatgras.

Voor meer informatie over de toegelaten middelen, zie ˈtabel 6.1.4 toegelaten middelen tegen onkruiden in suikerbietenˈ.

6.1.4 Wortelonkruiden

Zodra de akkerdistels, melkdistels en klein hoefblad boven staan en blad vormen kan 0,5 liter per hectare Lontrel 100 of een ander clopyralid-bevattend middel aan het LDS worden toegevoegd. Doe dit onder groeizame omstandigheden (dunne waslaag of hoge RV). Bij de bestrijding van wortelonkruiden is het belangrijk dat deze goed aan de groei zijn. Pas clopyralid daarom niet toe binnen tien dagen na gebruik van Safari, vanwege de kans op slechtere opname van het herbicide. Indien nodig kan deze clopyralid-bespuiting twee keer worden herhaald. Een andere mogelijkheid is om één keer een aparte bespuiting uit te voeren met maximaal 1,2 liter per hectare Lontrel 100 + 1,0 liter per hectare plantaardige olie. Dit kunt u doen tot het acht- tot tienbladstadium van de bieten. Dit is het stadium waarbij de bladeren elkaar in de rij nog niet raken, meestal in de tweede helft van mei. Vanwege parapluwerking van de bieten neemt daarna de effectiviteit van de bespuitingen af. Bij een latere toepassing heeft pleksgewijze bestrijding met (rug)spuit de voorkeur in verband met beter raken van de onkruidplanten. Overschrijd daarbij niet de wettelijke toegestane dosering.

6.1.5 Hulpmiddelen/app's

Voor herkenning van onkruiden kunt u gebruik maken van de applicatie ˈOnkruidherkenningˈ, via www.irs.nl/onkruidherkenning. Deze is ook beschikbaar als app, zie QR-codes hieronder.

Onkruidherkenning met de IRS-app

Onkruidbestrijdingsadvies op maat
Voor perceelspecifieke, chemische onkruidbestrijdingsadviezen kunt u gebruik maken van de applicatie ˈIRS-Onkruidbeheersingˈ (www.irs-onkruidbeheersing.nl). Deze applicatie geeft adviezen op basis van de aanwezige onkruiden, de grootte van de onkruiden en de grootte van de bieten. De adviesdoseringen worden gecorrigeerd voor weersomstandigheden voor en na het bespuitingstijdstip en de toestand van de grond en het gewas.

Graphical user interface, application Description automatically generated

Doel: effectieve chemische onkruidbestrijding zonder schade aan de bieten.

Meerwaarde: advies afgestemd op de specifieke spuitomstandigheden.

Ga naar de adviesmodule IRS-LIZ-Onkruidbeheersing: www.irs.onkruidbeheersing.nl. En vul in:

  1. het ontwikkelingsstadium van de bieten;
  2. de belangrijkste onkruiden en de ontwikkelingsstadia;
  3. de weersomstandigheden voor en na de bespuiting;
  4. de groeiomstandigheden en het spuitmoment.

Resultaat:

  • advies middelencombinatie;
  • advies doseringen;
  • indicatie van kosten;
  • bijkomende adviezen.

Een alternatieve herbicidencombinatie kunt u kiezen op basis van de actieve stoffen uit het advies.

Let op: de adviesmodule houdt geen rekening met de voorafgaande bespuitingen. Blijf daarom zelf controleren of het advies voldoet aan het Wettelijk Gebruiksvoorschrift van de middelen!

6.1.6 Conviso Smart Systeem

Conviso Smart is een alternatief systeem voor onkruidbeheersing in suikerbieten. Voor dit systeem zijn ALS-tolerante bietenrassen ontwikkeld, waarin bepaalde ALS-remmers (specifieke herbiciden) ingezet kunnen worden. De huidige Smart-rassen hebben nog een lagere opbrengst dan vergelijkbare niet-ALS-tolerante bietenrassen.

Voor de zaaibedbereiding wordt bij aanwezigheid van ontwikkeld onkruid geadviseerd om het perceel met glyfosaat te behandelen, om zodoende een schone start te hebben. Het toepassen van een bodemherbicide na zaai van de bieten is bij dit systeem niet nodig.

Momenteel is één ALS-remmend middel in suikerbieten toegelaten, namelijk Conviso One. Dit middel laat een goede bestrijding zien op veel breedbladige en grasachtige onkruiden (zie ook tabel 6.1.7). Aangezien bij het gebruik van ALS-remmers een verhoogd risico is op resistentie van onkruiden, is preventie van resistentieontwikkeling belangrijk. Effectieve maatregelen tegen resistentieontwikkeling bij onkruiden in het bouwplan zijn onder andere het afwisselen of mengen van herbiciden van verschillende chemische groepen, gewasrotatie, concurrerende gewassen en mechanisch wieden daar waar mogelijk.

Meerdere rassen met diverse resistenties (rhizomanie, rhizoctonia, bietencysteaaltjes) staan op de Rassenlijst. Conviso One wordt geadviseerd om twee keer toe te passen. Beide keren wordt de volgende combinatie ingezet: 0,5 liter per hectare Conviso One, 0,5-1 liter per hectare fenmedifam (o.a. Corzal SE), 0,5-1 liter per hectare ethofumesaat (o.a. Tramat 200) en 1 liter per hectare plantaardige olie. Deze combinatie wordt geadviseerd om de werking te optimaliseren en vanwege resistentiemanagement.

De eerste toepassing van Conviso One vindt plaats op basis van de ontwikkeling van de onkruiden. Leidend hierbij is de maximale grootte van de volgende onkruiden: melganzenvoet (maximaal 2-4 echte bladeren) of uitstaande melde (maximaal 2 echte bladeren). De tweede toepassing vindt 10 tot 30 dagen hierna plaats, het interval is afhankelijk van de effectiviteit van de eerste toepassing en de groeiomstandigheden van de onkruiden na de eerste toepassing.

Tabel 6.1.7 Gevoeligheid onkruiden voor Conviso One.

onkruid Conviso One
bingelkruid 5
duivenkervel 5
ereprijs 2
gerst (stuifdek) 5
herik 5
hondspeterselie 5
kamille 5
kleefkruid 5
knopkruid 5
koolzaadopslag 5
melganzenvoet 4
ooievaarsbek 5
papegaaienkruid 5
perzikkruid 5
straatgras 5
uitstaande melde 4
varkensgras 5
veerdelig tandzaad 5
waterpeper 5
zwaluwtong 5

5 = gevoelig; 0 = niet gevoelig

Het is belangrijk te weten dat Conviso One alleen in een ALS-tolerant bietenras kan worden ingezet. Niet-ALS-tolerante bietenrassen worden doodgespoten door Conviso One. Let dus ook op bij eventuele aangrenzende niet-ALS-tolerante rassen. Conviso One kan dus wel gebruikt worden voor het bestrijden van niet-ALS-tolerante zaadbieten/onkruidbieten. Belangrijk blijft wel om alle ALS-tolerante schieters tijdig te verwijderen, aangezien die planten resistent zijn tegen veel ALS-herbiciden in andere teelten.

Gerst als anti-stuifdek wordt door Conviso One ook bestreden. Een vroege bespuiting van Conviso One kan de functie tegen stuiven van gerst verminderen.

In het algemeen wordt aardappelopslag onvoldoende bestreden. Afhankelijk van het ras heeft Conviso One een duidelijke werking op het aardappelloof, maar knolvorming wordt niet voorkomen.

6.1.7 Aardappelopslag

6.1.7.1 Problematiek van aardappelopslag

Aardappelopslag is om twee redenen een probleem:

  1. het belemmert de groei van het geteelde gewas;
  2. het kan ziekten in stand houden of zelfs vermeerderen.

De inzet van rijenfrezen of schoffelwerktuigen is alleen effectief ter bestrijding van bovengrondse plantdelen. Chemische bestrijding met voor bieten selectieve middelen is niet afdoende. De inzet van bijvoorbeeld triflusulfuron-bevattende middelen (o.a. Safari), Frontier Optima, Dual Gold 960 EC of clopyralid-bevattende middelen (o.a. Lontrel 100), geven onvoldoende bestrijding van aardappelopslag. Vaak geven deze middelen alleen verbranding en/of tijdelijke groeiremming van het aardappelloof. De knolvorming gaat bij deze middelen door. Uit fytosanitair oogpunt (punt 2) is het echter noodzakelijk dat ook de ondergrondse delen volledig bestreden worden. Er mogen dus geen nieuwe knollen worden gevormd. In het uiterste geval kunnen aardappelcysteaaltjes (Globodera pallida of G. rostochiensis) zich blijven vermeerderen en wordt het vruchtwisselingseffect geheel te niet gedaan. In plaats van een afname van de populatie zal een toename optreden, die afhankelijk is van het aantal opslagplanten per vierkante meter. Het is noodzakelijk aardappelopslag op een geïntegreerde wijze aan te pakken. De beste aanpak is aardappelopslag zoveel mogelijk te voorkomen. Om vermeerdering van cysten tegen te gaan dient de bestrijding voor de langste dag te zijn uitgevoerd.

Aardappelopslag in bieten geeft concurrentie en vormt al snel nieuwe knollen. Verder kan aardappelopslag een besmettingsbron zijn voor Phytophthora infestans, en kunnen virussen in de knol overleven en een primaire bron zijn voor besmetting. Tenslotte vermeerderen schadelijke insecten als de coloradokever zich op aardappelopslag.

6.1.7.2 Beperk rooiverlies en de kieming van de aardappelen

De eerste slag kunt u maken bij het rooien. Beperk de hoeveelheid achtergebleven knollen door aandacht te besteden aan een goede afstelling van de rooier. Denk hierbij aan juiste rooidiepte, fijne steek spijlenmat, afstelling axiaalrollen en het voorkomen van morsen. Ook kan de rassenkeuze een rol spelen. Over het algemeen geven frietaardappelrassen bij de oogst een grovere sortering dan consumptieaardappelrassen.

Door het aardappelgewas te bespuiten met maleinehydrazide (Royal MH of Crown MH) kunt u kieming van achtergebleven aardappelen in het volgende jaar voorkomen of beperken. Het effect is afhankelijk van het spuitmoment en de vitaliteit van het aardappelgewas. Onder gunstige omstandigheden wordt met deze bespuiting 60-80% van de aardappelopslag voorkomen.

6.1.7.3 Niet-kerende grondbewerking

Ondanks een goede afstelling van de rooier, blijven bij de oogst van aardappelen vaak knollen op het land achter. Deze knollen kunnen in de grond overwinteren. Als een aardappel niet wordt blootgesteld aan 48 vorstgraaduren (bijvoorbeeld bodemtemperatuur van -2ºC gedurende 24 uur), kunt u problemen met aardappelopslag verwachten.

De mate van bevriezing is mede afhankelijk van grondsoort en de uitgevoerde grondbe­werking in het najaar. Door de knollen aan de oppervlakte te houden, kunt u het effect van de vorst op de aardappel vergroten. U kunt dit bereiken door na de teelt van aardappelen in het najaar een niet-kerende grondbewerking uit te voeren met cultivateren of spitten in plaats van ploegen. Onderzoek wees uit dat een niet-kerende grondbewerking voorafgaande aan de bietenteelt niet nadelig is voor de suikeropbrengst.

6.1.7.4 Rotatie

Aardappelopslag kan verminderd worden door geen bieten direct na aardappelen te telen. Het is dan zaak om in de tussenliggende teelten de aardappelopslag effectief te bestrijden.

Onderzoek van Wageningen Plant Research wees uit dat een aantal herbiciden in granen en maïs aardappelopslag kunnen onderdrukken, maar niet effectief bestrijden. Bij de inzet van de herbiciden Starane en Hussar in wintertarwe werd een afname van het versgewicht van de knollen geconstateerd ten opzichte van onbehandeld. Echter, het aantal gevormde knollen was door de graanherbiciden niet significant lager. Het maïsherbicide Callisto gaf een lager versgewicht van de nieuw gevormde knollen en een lagere knolproductie. Omdat er knolvorming optreedt, kunnen (aardappelcyste)aaltjes zich toch vermeerderen, waardoor om fytosanitaire redenen deze strategieën geen oplossing bieden. Behandeling met glyfosaat gaf geen knolvorming.

6.1.7.5 Glyfosaat

Aardappelopslag is effectief te bestrijden met glyfosaat (bijvoorbeeld Roundup). Voor de doseringen wordt verwezen naar de betreffende etiketten. Voor glyfosaat zijn twee systemen van toepassing te onderscheiden:

a. Aanstrijken
Bij deze toepassing moet de aardappelopslag boven de bieten uitkomen. Met een voldoende hoog boven de bieten afgestelde onkruidstrijker, kunt u een oplossing van glyfosaat aan de aardappelplanten strijken. Let erop dat de strijker niet druipt, om te voorkomen dat glyfosaat de bieten raakt. Er zijn verschillende strijkers beschikbaar die allemaal goed werk kunnen leveren, mits oordeelkundig gebruikt (zie figuren 6.1.1 en 6.1.2).

Aardappelopslag-4

onkruiden_bestrijding-aardappelopslagbestrijding-Numansdorp-02

Figuren 6.1.1 en 6.1.2 Bij voldoende hoogteverschil tussen opslag en suikerbiet kan de teler met een onkruidstrijker ook de aardappelplanten in de rij bestrijden.

b. Pleksgewijs
Bij weinig aardappelopslag kunt u glyfosaat ook per plant toepassen. Er zijn verschillende gereedschappen op basis van zowel spuiten als strijken, bijvoorbeeld een selector of een onkruidstick. Met deze gereedschappen kunt u goed werk leveren, mits zorgvuldig ge­bruikt. Om de aardappelplanten te markeren, kan men kleurstof (signaalrood) aan de oplossing toevoegen.

Y:\Algonkruid\2012 algemeen\selector.jpg

Figuur 6.1.3 Aardappelopslagbestrijding met een selector.

De werking van glyfosaat is optimaal bij groeizaam, donker weer. Bij scherp drogend weer droogt de spuitvloeistof zeer snel. De aardappelen nemen dan onvoldoende op. Een slechte opname en daardoor een tegenvallende werking kan ook als aardappelplanten door herbi­cidenbespuitingen zijn ˈaangebrandˈ. U behaalt de beste bestrijdingsresultaten bij aardap­pelplanten van 10-20 centimeter hoog. Bij grotere planten en schraal weer is het advies de dosering te verhogen en/of plantaardige olie toe te voegen (zie etiket van het product).

6.1.7.6 Apparatuur voor aardappelopslagbestrijding

Er zijn twee principes van strokentoepassing:

  1. volvelds toepassen, waarbij een profiel de bietenrij afschermt;
  2. tussen de rijen spuiten, waarbij een kap de behandelde oppervlakte afschermt (zie figuur 6.1.4).

onkruiden_bestrijding-aardappelopslagbestrijding-Zeewolde-09

Figuur 6.1.4 Kappenspuit; het monteren van de machine in de fronthef biedt goed zicht op het werk.

Kappenspuiten geven naast bestrijding van aardappelopslag ook een bestrijding van nog aanwezig onkruid tussen de rij. Ter afscherming van de bieten moeten de profielen of de kappen door de grond lopen, om eventueel bietenbladeren die eronder doorgaan, af te snijden. Sommige loonwerkers/telers hebben hiervoor schijven voor de profielen of kappen geplaatst.

Om drift naar de bieten te voorkomen, is spuiten alleen mogelijk met een grove druppel. Harde wind kan spelbreker zijn. Zeker bij de aanwezigheid van een antistuifdek gerst. Het gevaar bestaat dat druppels op de gerst kunnen overwaaien naar het gewas.
Er is een lijst met personen/bedrijven die een werktuig voor aardappelopslagbestrijding beschikbaar hebben (https://www.irs.nl/apparatuuraardappelopslag).

6.1.8 Onkruidbieten

Schieters met rijp zaad (zie paragraaf 1.3 Schietergevoeligheid in het hoofdstuk Rassen) kunnen een serieuze bedreiging vormen voor de bietenteelt in de toekomst.

6.1.8.1 Zaadproductie

Afhankelijk van het tijdstip van optreden, de ontwikkeling van de schieter en de weersom­standigheden kan één schieter gemakkelijk 2.000 tot 4.500 levenskrachtige zaadjes ople­veren. Een hectare met meer dan 25 schieters produceert circa 100.000 zaadjes, voldoende om normaal één hectare bieten mee te zaaien. Deze zaadjes blijven een groot aantal jaren levenskrachtig in de grond.

6.1.8.2 Afbraak populatie zaad in de grond

De afname van de voorraad vitale onkruidbietenzaden in de grond verloopt slechts langzaam.

De hoeveelheid onkruidbietenzaad in de bouwvoor kunt u afleiden uit het aantal onkruid­bieten dat in een bietengewas tot ontwikkeling komt. Een populatie van 75 onkruidbieten per vierkante meter komt regelmatig voor. Aantallen van 200 zijn ook wel gevonden. Ervan uitgaande dat opgekomen bieten uit de bovenste 4 cm van de bouwvoor afkomstig zijn en dat 50% van de daar aanwezige zaden opkomt, betekent dit dat er aanvankelijk (2 × 75 =) 150 zaden per vierkante meter in deze laag aanwezig waren. Omdat u de bouwvoor elk jaar intensief bewerkt, mag u een homogene verdeling van de zaden over deze laag aannemen. Bij een bouwvoor van 24 centimeter betekent dit dat er (6 × 150 =) 900 zaden per vierkante meter in de bouwvoor voorkomen. Nemen we vervolgens aan dat jaarlijks 25% van het aantal aanwezige zaden door bodemorganismen verdwijnt en dat dit over de gehele bouwvoor in gelijke mate plaatsvindt, dan verdwijnen er (¼ × 900 =) 225 zaden per vierkante meter. Dit betekent in het eerste jaar een totale afname van het aantal zaden van 75 (door kieming) en 225 (door organismen) = 300 zaden ofwel circa 33% van de voorraad. Het verloop van de afname van het aantal onkruidbieten, uitgaande van een constante afname van 33%, is weergegeven in figuur 6.1.5.

Wilt33-hoeveelheid onkruidbieten

Figuur 6.1.5 Het verloop van de afname van de hoeveelheid onkruidbieten in de tijd, uitgaande van 900 zaden per m2 in de bouwvoor (24 cm), 50% opkomst van de zaden uit de bovenste 4 centimeter en een constante jaarlijkse afname van 33% van de onkruidzaden.

De afname gaat aanvankelijk erg snel, maar het duurt zeker twaalf jaar voordat het aantal onkruidbieten tot redelijke proporties is teruggebracht. In Engeland is na 18 jaar nog een kiemkrachtig zaadje gevonden! Het aantal zaden dat volgens berekening in het twaalfde jaar in de bovenste 4 centimeter van de bouwvoor zit, is circa één zaad per vierkante meter. Globaal zal dit leiden tot één schieter per twee vierkante meter. Vindt er geen bestrijding van deze laatste schieters plaats, dan kunnen ze per schieter weer circa 2.000 kiemkrachtige zaden (= 1.000 zaden/m2) leveren. Het overschrijdt hiermee het beginaantal van 900 zaden per vierkante meter ruimschoots.

Bij aanpassing van de uitgangspunten (beginpopulatie, mate van kieming en mate van doding) blijft het gevaar van een voortdurende besmetting nog erg groot.

Bovenstaande berekening toont aan dat bij de bestrijding van schieters gedurende een groot aantal jaren een nultolerantie gewenst is. Dit vergt al die jaren een grote waakzaamheid en veel controlewerk.

6.1.8.3 Bestrijding van onkruidbieten

Het probleem onkruidbieten is alleen te bestrijden door alle schieters weg te halen voordat er rijp zaad is geproduceerd. Dit kan op de volgende manieren:

a. later zaaien
Is het bekend dat er erg veel onkruidbietenzaad op een perceel aanwezig is, dan is het verstandig wat later te zaaien, bijvoorbeeld de tweede helft van april. Veel van de in de toplaag aanwezige zaadjes kiemen in maart en begin april. Als u daarna het zaaibed klaarmaakt, bestrijdt u de aanwezige kiemplantjes al. Dit is ook de reden dat er in jaren met een late zaai relatief weinig onkruidbieten zijn.

b. schoffelen
Kort na opkomst van de bieten is al zichtbaar of er sprake is van onkruidbieten. Er komen dan veel bieten tussen de gezaaide rijen voor (figuur 6.1.6). Veel van deze niet-bewust gezaaide bieten kunt u met schoffelen bestrijden. Komt er nog een tweede kiemgolf, schoffel dan opnieuw. De schieters in de rij moet u met de hand uittrekken of afkappen (zie punt c).

afb 5 - deel B Onkruidbieten - Betatip hfst 5

Figuur 6.1.6 Onkruidbieten in suikerbieten.

c. uittrekken en afkappen
Komen er later toch schieters, trek ze dan op tijd uit, kap ze af of knik ze om. Op tijd wil zeggen voordat een schieter rijp zaad produceert (figuren 6.1.7, 6.1.8 en 6.1.9). Uittrekken is nodig om hergroei te voorkomen en afkappen om hergroei vanuit de reeds gevormde wortel tegen te gaan. Wacht u te lang met het uittrekken, dan moet u de schieters voorzichtig van het veld afdragen om zaadval te voorkomen. Figuur 6.1.10 toont de zaadproductie van één niet-afgekapte schieter.

Figuren 6.1.7, 6.1.8 en 6.1.9 Drie stadia van schieters: bloeiende, begin afrijping en met rijp zaad (foto: Strube).

afb 4 - deel B Onkruidbieten - Betatip hfst 5

Figuur 6.1.10 Zaadval van een niet-afgekapte schieter.

d. noodmaatregelen bij grote aantallen
Het schieterprobleem is op sommige percelen in Nederland, en nog meer in andere Europese landen, zó groot dat telers het met grof geweld moeten bestrijden. Hiervoor zetten ze (bij >500 schieters/ha) onkruidstrijkers met glyfosaat in of maaien ze de schieters (bij >10.000/ha) boven de bieten af. Het gebruik van glyfosaat heeft als groot bezwaar dat er rottende bieten in het geoogste product kunnen komen. Maaien heeft als nadeel dat het zaad dat op het onderste deel van de bloeistengels groeit, gewoon kan afrijpen.

e. Conviso Smart-systeem
Conviso One wordt in de teelt van een ALS-tolerant bietenras gebruikt en heeft een goede werking op standaard onkruidbieten (niet-ALS-tolerant). Belangrijk blijft wel om van ALS-tolerante rassen alle schieters tijdig te verwijderen, de onkruidbieten die hieruit voortkomen zijn namelijk ongevoelig voor Conviso One, maar ook ongevoelig voor andere herbiciden uit dezelfde ALS-groep in andere teelten, zoals de herbiciden Atlantis Star en Capri Twin die in de graanteelt worden gebruikt.

6.1.8.4 Tot wanneer doorgaan met schieters verwijderen

In een bietengewas kunnen schieters nog tot ver in de campagne ontstaan. Afhankelijk van de weeromstandigheden kunnen ze nog rijp zaad vormen. De temperatuursom die nodig is vanaf de vorming van de bloeistengel tot rijp zaad, is ongeveer 350 graaddagen (de optelsom van de gemiddelde dagtemperaturen in een periode).

Blijf het perceel controleren en verwijder de schieters in ieder geval tot half september. Oogst u vroeg, dan kunt u iets eerder stoppen met het verwijderen van schieters. Oogst u laat (vanaf eind oktober), ga dan langer door.

6.1.8.5 Conclusie

Onkruidbieten kunnen uitgroeien tot een zeer ernstig onkruidprobleem. De aanpak van dit probleem is kostbaar. Laat het dus niet zover komen en pak het direct bij de eerste schieter aan.

Het is niet altijd duidelijk of het ˈnormaleˈ schieters zijn of schieters uit onkruidbieten, maar dit is niet belangrijk. In verband met mogelijke veronkruiding en andere fytosanitaire gevolgen, is het noodzakelijk alle schieters te verwijderen om te voorkomen dat er zich rijp zaad vormt.

6.2 Beperking middelengebruik

Versie: maart 2021

Er zijn verschillende redenen om het middelengebruik terug te dringen:

  • kosten middelen;
  • beschikbaarheid van middelen;
  • lagere milieubelasting;
  • resistentiemanagement;
  • teelt onder keur of certificaat.

Enkele mogelijkheden om het middelengebruik te beperken, zijn:

  1. rijenspuiten;
  2. mechanische onkruidbeheersing;
  3. spuitmoment optimaliseren.

Deze mogelijkheden komen hierna kort aan de orde.

6.2.1 Rijenspuiten

Met rijenspuiten brengt een teler de met herbiciden behandelde oppervlakte terug. De mate waarin dit gebeurt, is afhankelijk van de behandelde bandbreedte en die is weer afhankelijk van de nauwkeurigheid bij het schoffelen. In combinatie met schoffelen tussen de rijen kan met een kleinere hoeveelheid herbicide per hectare onder de juiste omstandigheden op een geïntegreerde wijze (zie 5.2) een goede beheersing van onkruid plaatsvinden. Doordat bij het rijenspuiten een deel van het middel verwaait naar de niet-bespoten strook, mag de teler de dosering van de middelen niet zonder meer omrekenen naar de te behandelen strookbreedte. Hij moet de dosering naar boven toe corrigeren, waarbij de correctie het grootst is bij de minst nauwkeurige wijze van werken; zie tabel 6.2.1.

Tabel 6.2.1 Het behandelde oppervlak, het percentage van de geplande volveldsdosering en de besparing op de middelenkosten bij verschillende te behandelen strookbreedten.

strookbreedte

(cm)

(rijafstand 50 cm)

behandelde oppervlakte

(%)

geplande volveldsdosering

(%)

besparing op middelenkosten

(%)

20

17

15

12,5

10

40

33

30

25

20

50

40

35

30

25

50

60

65

70

75

Type rijenspuiten

Bij een rijenspuit met één spuitkop per rij staan de spuitdoppen recht boven de gewasrij (figuur 6.2.1). Bij een rijenspuit met twee spuitdoppen per rij staan de spuitdoppen niet recht boven de gewasrij, maar onder een hoek. Het beperkt de mogelijke schaduwwerking van het gewas. Anderzijds zijn bij twee spuitdoppen per rij de doppen kleiner, wat meer kans geeft op verstoppingen. Tevens is de afstelling om de juiste strookbreedte te behandelen lastiger dan bij één spuitkop per rij. Bij rijenspuiten kunt u de spuitdophoogte ten opzichte van het gewas minimaliseren tot circa 7 cm, maar dit is wel afhankelijk van de te bewerken bandbreedte en het type spuitdop. Naast de besparing op middelen kunt u hierdoor ook een driftreductie van 90% behalen.

Figuur 6.2.1 Een rijenspuit (één spuitdop per rij).

Het instellen van dophoogte en bandbreedte is belangrijk voor een optimaal bestrijdingseffect en minimale drift.

Hernieuwde aandacht voor de rijenspuit?

Het gebruik van de rijenspuit past binnen geïntegreerde onkruidbeheersing. Door inzet van de rijenspuit wordt het middelengebruik en daarmee de milieubelasting fors verlaagd. In dit systeem worden de paden mechanisch schoongehouden.

Tegenover de lagere middelenkosten staan de machinekosten van rijenspuit- en schoffelapparatuur en arbeid.

6.2.2 Mechanische onkruidbeheersing

Binnen de geïntegreerde gewasbescherming valt mechanische onkruidbestrijding onder niet-chemische bestrijding. Er zijn diverse systemen van mechanische onkruidbestrijding:

  • schoffelen

Met schoffelen (met een grote variatie aan beschikbare werktuigen) kunt u het on­kruid tussen de bietenrijen doelmatig bestrijden, mits de weersomstandigheden gunstig zijn. Als u schoffelt, moet u in de rij een chemische bestrijding toepassen door bijvoorbeeld rijenspuiten of moet u een andere mechanische techniek inzetten (zie vingerwieden, torsiewieden en intra-rijschoffelen). Schoffelen is niet zinvol als er geen onkruid aanwezig is. Het breken van een korst om lucht in de grond te brengen, is dus zinloos. Schoffelen is vaak de enige oplossing bij moeilijk te bestrijden onkruiden, zoals onkruidbieten, of bij te groot geworden onkruid. Wees op hellende percelen en op zand- en dalgrond voorzichtig met schoffelen in verband met een verhoogd risico voor vorstschade en wind- of watererosie.

  • rijenfrezen

Bij erg groot moeilijk te schoffelen onkruid kunt u een rijenfrees gebruiken. Hiervoor gelden dezelfde opmerkingen als bij schoffelen.

  • aanaarden

Vooral op lichte gronden kan de teler onkruid in de rij bestrijden door aan te aarden. Hiervoor zijn speciale schoffels, aanaarders op de markt. Het beste tijdstip om aan te aarden is vlak voor het sluiten van het gewas. Aanaarden heeft alleen zin als er ook echt onkruid in de rij staat. Een voordeel kan zijn dat in het najaar de koppen van de bieten wat dieper in de grond staan, waardoor er minder snel vorstschade optreedt. Zwaar aanaarden geeft soms problemen bij het koppen van de bieten en kan op zandgronden juist grond met rhizoctonia in de kop terechtkomen, waardoor er sneller wortelrot optreedt.

  • tandeggen

Vanaf het vier- tot zesbladstadium van de bieten is het ook mogelijk om volvelds te eggen. Het onkruid mag hierbij niet groter zijn dan kiembladstadium. Dit betekent dat u meestal eerst ongeveer twee keer een lagedoseringenbespuiting moet uitvoeren, omdat het onkruid anders te groot wordt.

Eggen kunt u op veel manieren afstellen door meer druk op de tanden te geven. Rij bij een bepaalde afstelling eerst een klein stukje en beoordeel dan of het onkruid voldoende is bestre­den en of er niet te veel bieten zijn uitgeëgd (figuur 6.2.2).

Figuur 6.2.2 Wiedeg, druk op tanden hydraulisch geregeld vanaf de trekker.

  • neteggen

Op zandgrond kan er met een neteg worden gewerkt. Door gewicht op de neteg te plaatsen kan intensiever worden gewerkt.

  • vingerwieden

Een vingerwieder is een draaiende schijf met vingers en gebruikt u voor onkruid­bestrijding in de gewasrij (figuur 6.2.3). U moet hem zo afstellen dat u het onkruid wel en de bieten niet bestrijdt. Dus net als bij de eg: probeer een stukje en stel zo nodig bij.

Figuur 6.2.3 Vingerwieder.

  • torsiewieden

Ook met een torsiewieder (figuur 6.2.4 en 6.2.5) kunt u (klein) onkruid in de rij bestrijden. Hierbij geldt opnieuw: zoek naar de juiste afstelling door een stukje uit te proberen.

torsiewbieten

Figuur 6.2.4 en 6.2.5 Torsiewieder (foto's: P. Bleeker, PPO-agv).

  • intra-rijschoffelen

De ontwikkeling van onkruidbestrijdende schoffelapparatuur in de rij is vergevorderd. Met lichtsensoren of camera’s zijn bieten te herkennen. De in de rij werkende schoffels wijken op het goede moment voor de bietenplant uit. De eerste machines zijn in de praktijk geïntroduceerd. Voor grootschalige toepassing moeten de systemen verder worden verbeterd. Ook de hoge kostprijs is nog een beperkende factor.

6.2.3 Spuitmoment optimaliseren

Verschillende programma’s zijn op de markt, waarbij de dosering van de middelen wordt aan­gepast aan de verwachte werking. Het weer in de afgelopen periode en de weersverwachting zijn hiervoor de basis.

6.3 Invloed diverse herbiciden op bieten/vervanggewassen

Versie: januari 2021

6.3.1 Vervangende gewassen bij een mislukte teelt van bieten en andere gewassen

Bij het mislukken van een bietengewas kan het voor overzaaien te laat worden. Vooral welke (onkruid)bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt, bepaalt het antwoord op de vraag ˈwelk ander gewas kan ik nu nog zaaien?ˈ. Hierbij spelen twee zaken een rol:

  1. welke middelen zijn toegepast;
  2. welke dosering is gebruikt.

Vanuit de Universiteit van Gent is het meeste onderzoek bekend over de mogelijkheden van de teelt van vervangende gewassen. De onderzoeksgegevens van 1979 tot en met 1996 zijn samengevat in ˈRecropˈ en die van 1997 tot en met 2000 in ˈRecrop 2001ˈ. Beide zijn uitgaven van het Ministerie van Middenstand en Landbouw van België en bevatten een gegevensbank over de werkingsduur van (bodem)herbiciden voor vervanggewassen. Hierbij is uitgegaan van een niet-kerende grondbewerking voorafgaande aan de zaai van de vervanggewassen. Een samenvatting uit het onderzoek over de invloed van bietenherbiciden op mogelijke volggewassen staat in tabel 6.3.1. De daarbij gebruikte codering is overgenomen uit Recrop:

A. veilig, normale opbrengst;

B. tijdelijk lichte groeischade of mogelijke opbrengstdaling van circa 10%;

C. blijvende groeischade (10-15%) en een mogelijke opbrengstdaling (circa 10-20%);

D. uitgesproken groeischade (15-35%) en opbrengstverlies (20-40%);

E. zware groeischade (35-80%) en opbrengstverlies (40-80%);

F. zeer zware groeischade en een opbrengstvermindering van >85%.

Tabel 6.3.1 Waardering van de effecten van enkele in bieten toegepaste middelen op de groei en opbrengst van gewassen die onmiddellijk na de mislukte teelt van bieten worden verbouwd na een niet-kerende grondbewerking (bron: Recrop 2001).

gewas middel en dosering (g a.s1/ha)
clopyralid

(o.a. Lontrel 100)

(200 g/ha)

metamitron

(o.a. Goltix SC)

(2.000 g/ha)

triflusulfuron-methyl

(Safari)

(30 g/ha)

ethofumesaat

(o.a. Tramat 500)

(1.000 g/ha)

clomazone

(Centium 360 CS)

(90 g/ha)

aardappel

bruine bonen

cichorei

erwt

Ital. raaigras

maïs

kool

schorseneren

sla

spinazie

stamslabonen

suikerbieten

vlas

witlof

wortelen

zaaiuien

zomergerst

zomerhaver

zomertarwe

E

E

E

F

A

B

A

F

F

C

F

B

B

F

F

D

B

A

B

A

B

F

C

D

C

D

D

F

E

C

A

E

F

E

F

D

D

E

B

B

D

C

D

C

D

B

E

E

B

C

C

D

C

D

B

B

B

D

B

-2

D

B

C

D

C

D

C

C

B

D

D

B

B

F

F

F

A

B

B

B

B

B

A

A

C

B

C

B

B

B

A

B

B

B

B

1g a.s. = gram actieve stof.

2- = niet bekend.

Na de teelt van een ander (al dan niet mislukt) gewas, kan de teler zich afvragen of bieten het volggewas kunnen zijn. Dit hangt af van welke herbiciden zijn gespoten en in welke doseringen. Het probleem is hetzelfde wanneer per abuis in bieten een verkeerd middel is toegepast, dan speelt de vraag: kan ik nog bieten zaaien op dat perceel?

Een samenvatting van de gegevens uit de Belgische publicatie staat vermeld in tabel 6.3.2.

Bij toedieningstijdstip ˈnajaarˈ is het betreffende middel omstreeks half november toegediend en bij ˈvoorjaarˈ rond half maart. Circa vijf weken na de voorjaarstoepassingen zijn de bieten gezaaid. De in de tabel vermelde effecten kunnen minder zijn door voor het zaaien te ploegen.

Tabel 6.3.2 Waardering van het effect van niet-bietenherbiciden op de groei en opbrengst van bieten na een oppervlakkige niet-kerende grondbewerking.
Bron: Recrop 2001.

actieve stof toedieningstijdstip geteste dosering

(g a.s.1/ha)

product o.a. effect op bieten
herbiciden in aardappelen
pendimethalin voorjaar 1.250 Stomp 400 SC F
aclonifen voorjaar 3.000 Challenge D
prosulfocarb voorjaar 4.000 Boxer A
metribuzin voorjaar 250 Sencor SC E
rimsulfuron voorjaar 7,5 Titus D
herbiciden in granen
metsulfuron- voorjaar 6 Ally SX F
methyl
iodosulfuron voorjaar 2,5 in Atlantis, Hussar D
prosulfocarb najaar 4.000 Boxer B
florasulam voorjaar 5 Primus C
fluroxypyr voorjaar 200 Starane Top, Primstar D
fenoxaprop-P-ethyl voorjaar 66 Puma Extra A
pendimethalin najaar 1.250 Stomp 400 SC E
herbiciden in maïs
isoxaflutool voorjaar 120 Merlin F
iodosulfuron voorjaar 10 in Maïster F
nicosulfuron voorjaar 40 Milagro, Samson 4SC E
florasulam voorjaar 5 Primus C
fluroxypyr voorjaar 200 Starane Top, Primstar D
herbiciden in overige gewassen
propyzamide voorjaar 750 Kerb 50 W spuitpoeder C

1g a.s. = gram actieve stof.

Bij vragen over vervangende gewassen kunt u zich richten tot het IRS:

Sjef van der Heijden 0165-516098; mobiel 06-11759205

6.3.2 Schade aan bieten door middelen in voorgaande gewassen

Het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen in voorgaande gewassen kan in suikerbieten schade veroorzaken. In het kort bespreken we enkele gevallen.

6.3.2.1 Metribuzin (o.a. Sencor)

Na de teelt van aardappelen, waarin Sencor is gespoten, kan er soms schade aan bieten ont­staan. De schade treedt vooral op na opkomst van de bieten. De oudste bietenbladeren sterven af, beginnend aan de top. Wanneer de teler na de aardappelteelt niet ploegt, kan hij door een slechtere stand van de bieten soms een patroon van de aardappelruggen herkennen.

6.3.2.2 Propyzamide (o.a. Kerb)

Kerb wordt toegepast onder fruitbomen, in cichorei en witlof. Onder ongunstige (humus­arme grond en na een koude winter) omstandigheden kan schade optreden die u kunt herkennen aan stilstand van de groei en geelverkleuring van de bietenplanten.

6.3.2.3 Mesotrione (o.a. Callisto)

Callisto is een onkruidbestrijdingsmiddel in de maïsteelt. Door overdoseringen (bijvoorbeeld door overlapping) of bij het inzetten van de spuit, kan schade ontstaan in het volggewas bieten. Dit komt vooral voor als er geen kerende grondbewerking is uitgevoerd of als de pH te laag is. De bladeren van de jonge bietenplanten verkleuren van onder naar boven wit en de groei staat stil (figuur 6.3.1). Soms sterven de bieten af.

5-3-2-4 foto

Figuur 6.3.1 Witverkleuring in bieten door spuiten van Callisto in voorvrucht maïs.

6.3.3 Schade aan bieten door verontreiniging spuitapparatuur en verkeerd middelen­gebruik

Door een verkeerd gebruik van middelen, het overwaaien van middelen van naburige percelen of het onvoldoende reinigen van de spuitapparatuur kan schade aan een bietengewas ontstaan. Dit komt mogelijk door het verkeerd toepassen van de middelen genoemd onder paragraaf 6.3.2. Zo komt het nogal eens voor dat een teler in plaats van Safari door de bijna identieke verpakking Ally of Titus gebruikt. Bij foutief gebruik van de middelen is over­zaaien van bieten meestal niet mogelijk.

Door een verontreinigde tank kan soms ook schade aan bieten ontstaan. Bekende voorbeelden hiervan zijn Traton, Finy SG en Merlin. Deze middelen vragen extra aandacht bij de reiniging van de spuitapparatuur. Gebeurt dit niet goed, dan kunnen restanten van deze middelen schade veroorzaken.

In bepaalde formuleringen van bietenherbiciden zitten oplosmiddelen, onder andere in Astrix EC, die aanwezige restanten van herbiciden in de tank en leidingen kunnen oplossen. Ook hierdoor kunnen herbiciden in de spuitvloeistof terecht komen, die aanzienlijke schade veroorzaken.

Bij restanten gaat het vaak om nauwelijks meetbare hoeveelheden, dus hoeft u niet bang te zijn voor een nawerking via de bodem en kunt u zonder veel problemen overzaaien.

Ook ˈnormaalˈ middelengebruik kan onder bepaalde omstandigheden symptomen geven. Ethofumestaat bijvoorbeeld kan verkleving van de bladeren veroorzaken (figuur 6.3.2) en clomazone (Centium 360 CS) witverkleuring (figuur 6.3.3). Dit kost meestal geen opbrengst.

teelt4

Figuur 6.3.2 Verkleefde bladeren door ethofumesaat (o.a. Tramat 500).

Figuur 6.3.3 Witkleuring van bieten door bespuiting met Centium 360 CS.

Hierna volgt een korte omschrijving van enkele schadebeelden.

6.3.3.1 Fluroxypyr (Starane)

Een hoge dosering Starane verdragen de bieten niet. Een geringe concentratie Starane op de bieten vanuit een vervuilde tank of leidingen veroorzaakt gewasdrukking. De bladstelen van de oudste bladeren zijn hierbij wat langgerekt (figuur 6.3.4).

C:\Users\wilting.IRS\Downloads\IRS_proef-Kollumerwaard-spuitfout-16.jpg

Figuur 6.3.4 Langgerekte bladstelen van de oudste bladeren door tankverontreiniging met Starane.

6.3.3.2 Glyfosaat (Roundup)

Soms wordt in plaats van olie per ongeluk glyfosaat in de LDS-combinatie gedaan. Indien de bieten dit overleven, ver­oorzaakt het een zeer sterke gewasdrukking (figuur 6.3.5). De oudste bladeren sterven af. Sommige planten gaan dood. Vanuit de bladpunten van de volgroeide bladeren verkleuren de bladeren knalgeel/oranje.

Elma 30 juni 2011 077 Elma 30 juni 2011 084

Figuur 6.3.5 Sterke gewasdrukking door 0,5 liter per hectare Roundup in LDS (in plaats van olie).

6.3.3.3 Groeistoffen (diverse producten en merken)

Als u groeistoffen op een bietengewas spuit, kunnen bij een zware dosering planten afsterven.

Wind kan soms lichte concentraties groeistoffen een behoorlijke afstand verplaatsen. Komen suikerbieten in aanraking met een geringe dosering groeistoffen, dan kunnen sterk vervormde bladeren het gevolg zijn (figuur 6.3.6). Deze vervorming gaat soms zo ver dat de bladsteel het volledige groeipunt omsluit, waardoor de bladeren op rabarber gaan lijken. In een later stadium kan het groeipunt zijwaarts uit de steel breken. De schade door vervormde bladeren valt bijna altijd mee.

teelt3

Figuur 6.3.6 Groeistofschade.

6.3.3.4 Isoxaflutool (Merlin)

Er zijn enkele gevallen bekend waarbij Merlin ernstige schade in suikerbieten veroorzaakte. In alle gevallen was dit na toepassing van Merlin in maïs in combinatie met Dual Gold 960 EC en in bijna alle gevallen wanneer de spuitvloeistof één of meerdere nachten in de tank is blijven staan. Schade is te voorkomen door een klaargemaakte spuitoplossing direct te verspuiten en de apparatuur met de daarvoor geëigende middelen te reinigen.

6.3.3.5 Mesosulfuron-methyl/iodosulfuron-methyl-natrium (o.a. Atlantis OD)

Atlantis OD wordt toegepast in wintertarwe, winterrogge, triticale en spelt.

Door het niet goed reinigen van de tank en/of spuitdoppen kan schade aan bieten ontstaan. Bij lichte vervuiling uit zich dit in puntverbranding, waar de bieten uiteindelijk doorheen groeien (figuur 6.3.7).

herbicide_neveneffect-81

Figuur 6.3.7 Schade door tankverontreiniging met Atlantis OD.

6.3.3.6 Metsulfuron-methyl (o.a. Ally SX)

Als Ally SX een bietenplant raakt en dat geldt ook voor andere sulfonylureas (zoals Titus, maar met uitzondering van Safari), stopt de groei (figuur 6.3.8, 6.3.9 en 6.3.10). In ernstige gevallen sterft de biet, maar vaak kunnen de plantjes blijven leven. Hierbij blijven ze klein en gedrongen, de zogenaamde Bonsaibietjes.

Na gebruik Ally SX de apparatuur grondig reinigen volgens voorschrift (zie etiket).

tankverontStaraneAlly

Figuur 6.3.8 Effect Ally SX + Starane Top in augustus (niet gereinigde tank na bespuiting in gerst).

Figuur 6.3.9 Schade aan bieten door tankverontreiniging met Ally SX.

In dit geval herstelden de bieten zich uiteindelijk.

Elma 30 juni 2011 038

Figuur 6.3.10 Effect van 15 gram per hectare Ally SX in plaats van Safari in LDS.

6.3.3.7 Pyroxulam/florasulam (Capri Twin)

Capri Twin is een in wintertarwe, winterrogge, triticale en spelt toegelaten onkruid-bestrijdingsmiddel. Door tankverontreiniging kan schade ontstaan (figuur 6.3.11). De groei van de bieten staat dan een aantal weken stil (figuur 6.3.12). Daarna treedt herstel in. De opbrengstderving kan aanzienlijk zijn. De schade lijkt veel op die veroorzaakt door Ally SX.

C:\Users\wilting.IRS\Downloads\herbicide_neveneffect-107.jpg

Figuur 6.3.11 Blaadjes aangetast door tankverontreiniging met Capri Twin.

Het blad wordt bros en knapperig.

Figuur 6.3.12 Deze door tankverontreiniging met Capri Twin aangetaste bieten overleefden uiteindelijk wel.

6.3.3.8 Rimsulfuron (Titus)

Een geringe hoeveelheid Titus veroorzaakt een vrij sterke groeivertraging en een zwartver­kleuring van de aanwezige vaatbundels. De bietenplanten kunnen zich vrij goed herstellen door de vorming van nieuwe vaatbundels aan de buitenrand van de bieten (zie figuren 6.3.13 en 6.3.14). Er ontstaat bij veel bieten veelkoppigheid en veel opbrengstderving (figuur 6.3.15).

488

Figuur 6.3.13 Zwartverkleuring van de vaatbundels, veroorzaakt door een geringe hoeveelheid Titus.

Figuur 6.3.14 Effect Titus (20 g/ha) in een LDS.

herbicide_neveneffect-102

Figuur 6.3.15 Veelkoppigheid veroorzaakt door een geringe hoeveelheid Titus.

6.3.3.9 Mesotrione (o.a. Callisto)

Callisto is een onkruidbestrijdingsmiddel in de maïsteelt. De bladeren van de jonge bie­tenplanten verkleuren van onder naar boven wit en de groei staat stil (figuur 6.3.16). Soms sterven bieten af.

1585

Figuur 6.3.16 Bieten aangetast door mesotrione (Callisto) door overwaaien tijdens bespuiting in maïs.

6.3.3.10 Metribuzin (o.a. Sencor)

Een geringe hoeveelheid Sencor geeft flinke gewasdrukking (figuur 6.3.17), waarbij witverkleuring en afsterving vanaf de top van de oudste bladeren plaatsvindt (figuur 6.3.18). Uiteindelijk herstelt het gewas zich, maar het kost wel opbrengst.

herbicide_neveneffect-100

Figuur 6.3.17 Symptomen tankverontreiniging metribuzin

herbicide_neveneffect-101

Figuur 6.3.18 Aangetaste bieten door tankverontreiniging door metribuzin.

7. Groei en ontwikkeling van de suikerbiet

7.1 Vegetatieve en generatieve fase

Versie: februari 2020

De suikerbiet is een tweejarige plant. In het eerste jaar blijft de plant vegetatief (zonder bloei en zaadzetting) en gebruikt aanvankelijk alle energie voor de opbouw van het blad­apparaat en het wortelstelsel. Later in het seizoen vormt de plant een verdikte penwortel. Daarin wordt een groot deel van de droge stof als reservevoedsel in de vorm van suiker opgeslagen. Geleidelijk eist de penwortel een steeds groter deel van de productie op en wordt steeds rijker aan suiker.

Normaal gesproken gaat de plant pas in het tweede jaar over van de vegetatieve naar de gene­ratieve fase met de vorming van een bloeiwijze en de daaropvolgende productie van zaad. Als gevolg van ongunstige omstandigheden (lage temperatuur, lange kiemperiode) kan een deel van de planten al in het eerste jaar in bloei komen en zaad vormen (schie­ters). Dit proces heet vernalisatie. Door vere­deling is in nieuwe rassen de neiging tot schieten echter sterk verminderd.

Schieters, en vooral vroege schieters, zijn nadelig voor de opbrengst. Ze geven problemen bij de oogst en bij de ver­werking in de fabriek. De stengel is hard, vezelig en moeilijk af te snijden. Vroeg in het seizoen optredende schieters hebben een duidelijk lager suikergehalte en een klei­nere wortel dan andere bieten. Laat optredende schieters geven veel minder op­brengstderving. Schieters kunnen een ernstig probleem worden, doordat ze zaad vormen dat in een volgend ge­was opslag (onkruid­bie­ten) kan veroorza­ken.

De commerciële productie van het in Nederland te gebruiken bietenzaad vindt vooral plaats in de warmere landen van Zuid-Europa.

7.2 Kieming en opkomst

Versie: februari 2020

Als het zaad in vochtige grond ligt, neemt het water op en gaat zwellen. Met behulp van de voor­raden die in het zaad zijn opgeslagen, zal eerst het kiemworteltje gaan groeien. Daarna groeien de kiemlobben naar de oppervlakte. Als ze boven de grond uitkomen, strek­ken ze zich en gaan hori­zontaal staan.

De snelheid van opkomst varieert sterk en is in belang­rijke mate afhankelijk van de tempera­tuur. De minimumtem­peratuur voor kieming is ongeveer 3°C. Indien er geen storende invloe­den zijn, zoals korstvorming en droogte, staat de helft van de planten boven bij een tempera­tuur­som (gemiddelde et­maal­temperatuur minus 3°C × het aantal dagen) van circa 90 graad­dagen vanaf zaaien.

Onder ideale testomstandigheden zal het zaad een kiemingspercentage van meer dan 90 procent heb­ben. In de praktijk zien we echter vaak lagere opkomstpercentages (50-90), afhankelijk van het zaaibed en de weersomstandigheden in de periode na het zaaien. Ook het ras en de partij waarvan het zaad afkomstig is, kunnen aanleiding geven tot opkomstverschillen. De oor­zaak hiervoor kan liggen in de condities tijdens zaadproductie of in verschillen bij de zaadbehandeling, maar ook in de erfe­lijke eigenschappen van het ras.

Jonge plantjes zijn gevoelig voor nachtvorst (afhankelijk van de duur en van de afharding van het plantje vanaf circa -5°C) en kunnen hierdoor volledig ten gronde gaan. De teelt­gebieden met de grootste risico's liggen in het noorden en oosten van ons land, vooral op de dalgron­den. Ook verslemping, verstuiving en een onjuiste zaaidiepte kunnen het plan­tbestand sterk verlagen (zie hoofdstuk 3: ˈZaaienˈ).

7.3 Blad- en wortelgroei

Versie: februari 2020

Na opkomst begint de plant een periode van exponentiële groei. De groeisnelheid neemt toe naarmate steeds meer droge stof is gevormd. De groei wordt vooral sterk aangestuurd door de temperatuur, die in hoge mate de snelheid bepaalt waarmee nieuwe bladeren, en dus nieuwe productieorganen, worden aangemaakt. Onder normale omstandigheden komt er per week één bladpaar bij. Men spreekt dan van het twee‑, vier‑, zesbladstadium enzovoort, de kiemlobben niet meegerekend (zie figuur 7.1).

bietstadium

Figuur 7.1 Ontwikkelingsstadia van de biet (naar C. Winner, 1982):

  1. uitzaai, gemiddeld voor Nederland 3 april;
  2. opkomst na circa 90 graaddagen;
  3. twee- tot vierbladstadium na circa 175 graaddagen;
  4. zes- tot achtbladstadium, 30% grondbedekking na circa 225 graaddagen;
  5. groeipuntsdatum na circa 600 graaddagen, gemiddeld voor Nederland 18 juni;
  6. vlak voor de oogst.

De bladvorming gaat samen met een sterke wortelontwikkeling. In het tweebladstadium kan de lengte van de hoofd­wortel al 30 cm of meer zijn. Uiteindelijk kunnen de wortels een diepte be­reiken van meer dan 1,5 meter (figuur 7.2). De snelheid waarmee de wortel naar beneden groeit, is tot ver in het seizoen vrij constant, circa 1,5 cm per dag. Het wortelstelsel groeit niet alleen in de diepte maar ook in de breedte vanaf het twee- tot vierbladstadium met circa 0,4 cm per dag. Wortels sterven snel af en worden voortdurend door nieuwe vervangen.

GroeiOntwTeeltmap

Figuur 7.2 Wortelstelsel van een volgroeide bietenplant (uit: L. Kutschera, 1960).

De sterke blad- en wortelontwik­keling gaat door tot eind juni. Wanneer de bladeren het oppervlak volledig bedekken (het gewas is ‘gesloten’) en de wortels van planten in de naast­liggende rijen elkaar bijna raken, neemt de snelheid van deze ontwikke­ling af. Nu begint de dik­tegroei van het bovenste gedeelte van de penwortel en de wortel­hals (hypoco­tyl).

Het begin van de versterkte diktegroei valt samen met het moment waarop de wortel gemid­deld 4 gram suiker bevat. Dit wordt de groeipunts­datum genoemd. De groeipunts­da­tum is een belangrijk gegeven, omdat er een duidelijk verband bestaat tussen deze datum en de eindop­brengst. De datum van het bereiken van het groeipunt is sterk afhankelijk van de temperatuursom. De benodigde temperatuursom vanaf opkomst is voor elk van de twaalf IRS-gebieden verschil­lend (tabel 7.1).

Tabel 7.1 Benodigde temperatuursommen voor het bereiken van de groeipuntsdatum.

gebied temperatuursom

(graaddagen)

Flevoland, Noordoostpolder 591
Zeeuwse Eilanden, Noordelijke klei 601
Zeeuws-Vlaanderen, West-Brabant, Noord- en Zuid-Holland 611
Oost-Brabant 631
Noordelijk zand, noordelijk dal, Gelderland 641
Limburg 661

7.4 Productie

Versie: februari 2020

Het gewas is vanaf de groeipuntsdatum in volle productie. Het is dan namelijk in staat alle inval­lende straling te onderscheppen. De productiesnelheid is (bij afwezigheid van stress) nu voorname­lijk afhankelijk van de hoeveelheid straling die per tijdseenheid op het perceel valt. Van de geprodu­ceerde biomassa gaat er een steeds groter aandeel naar de wortelgroei en een kleiner deel naar de bovengrondse plant (zie figuur 7.3). De hoofdwortel wordt snel dikker en de opslag van suiker in de wortel begint.

De sterke dikteg­roei gaat door tot in de herfst. Ook de rest van het wortelstel­sel breidt zich nog uit. Op percelen met een goede bodemstructuur kunnen de wortels een diepte van meer dan 1,50 meter bereiken.

Om­streeks half augustus wordt de maximale hoeveelheid blad bereikt. Er worden daarna nog wel nieuwe blade­ren gevormd, maar vanaf de buitenkant van de kop beginnen bladeren af te sterven.

Figuur 7.3 Verloop van de groei van blad en wortel (bron: Jorritsma, 1984) en de gemid­delde hoeveelheid straling in Nederland in de periode 1961-1990 (bron: KNMI).

7.5 Afsluiting productiefase

Versie: februari 2020

De periode van productie kent geen duidelijk einde. De productie wordt geleidelijk min­der als de omstandigheden ongunstiger worden: de hoeveelheid straling neemt af, de stik­stof raakt op, het wordt kouder en het blad wordt minder efficiënt in het omzetten van stra­ling in biomassa.

In de herfst begint de wortelgroei te vertragen. In deze fase nemen het suikergehalte en win­baar­heid doorgaans nog toe en het vochtgehalte neemt verder af. De groei van de wor­tel gaat in een steeds lager tempo door tot in november. Dan komt de groei tenslotte geheel tot stil­stand en gaat de plant de winter­rust in.

7.6 Verandering van de kwaliteitseigenschappen

Versie: februari 2020

De samenstelling van de wortel verandert geleidelijk gedurende het groeiseizoen. Vanaf begin augustus neemt het suikergehalte nog steeds toe en is er een afname van het gehalte aan kalium (K) en natrium (Na) (figuur 7.4). Het gehalte aan aminostikstof neemt eerst af en op het eind van de campagne juist iets toe. Dit gaat gepaard met een stagneren van de eiwit­productie.

Gemiddeld over een groot aantal jaren ziet de toename van het suikergehalte er zeer re­gel­­matig uit, maar binnen afzonderlijke jaren fluctueert het gehalte vaak behoorlijk. Deze schommelin­gen zijn afhankelijk van groeiomstandigheden zoals weer, ziekten en plagen en de toestand van de bodem (zie hoofdstuk 8: ˈkwaliteitˈ, paragraaf 1.5). Uit IRS-onderzoek is gebleken dat bij droogte en een daarna volgende periode met voldoende neerslag schommelingen in het suiker­gehalte vooral veroorzaakt worden door een ver­dun­ningseffect van het water en niet door pro­ductie of afbraak van suiker. Andere facto­ren (ziekten, bemestingstoestand) beïnvloeden juist het suikergehalte door in te grijpen in de biosynthese van suiker.

Figuur 7.4 Verloop van de kwaliteitsparameters van bieten. Gemiddelde van het groeiverlooponderzoek van 1985-1994.

Gedurende het rooiseizoen neemt het suikergehalte doorgaans met meer dan 1% toe. Het ver­mo­gen van de bieten om nog suiker te vormen in die periode is sterk afhankelijk van de kwa­liteit van het gewas en de conditie van de bodem. Om te beoordelen welke bieten het best als eerste gerooid kunnen worden, zijn de volgende criteria van belang:

  • de gezondheid van het gewas. Een bietengewas met een onregelmatige stand, zieke bla­de­ren, weinig groeikracht door slechte bodemstructuur enzovoort moet als eerste worden ge­oogst, omdat dit gewas de minste potentie heeft om nog suiker te produceren in het nasei­zoen;
  • de hergroei van loof. Na een periode van stress kan de plant reageren door nieuw blad aan te maken, vaak gestimuleerd door mineralisatie van stikstof in de bodem, bijvoorbeeld wanneer er neerslag valt na een droge periode. dit gaat uiteraard ten koste van de suikerproductie.

7.7 Factoren die de groei beïnvloeden

Versie: februari 2020

Naast de (voedings)toestand van de bodem en het voorkomen van ziekten en plagen zijn tempe­ratuur, straling en vocht de belangrijkste factoren die de groei beïnvloeden.

7.7.1 Daglengte en lichtintensiteit

Vanaf de groeipuntsdatum is de productie van droge stof direct gerelateerd aan de hoeveelheid stra­ling. Deze is het hoogst in de twee maanden rond de langste dag (figuur 7.3), deels vanwege de lange­re ­duur van de belichting, maar ook vanwege de hogere lichtintensiteit. De maximale lichtopvang door de plant is in de maand direct na het bereiken van de groeipuntsdatum, om vanaf eind juli weer af te nemen.

De hoeveelheid suiker, die per eenheid onderschepte straling wordt geproduceerd, varieert sterk af­hankelijk van regio en tijdstip. Door de betere vocht- en voedingstoestand van de bo­dem in de kleigebieden is de conversiefactor daar hoger dan op de armere gronden (figuur 7.5). In de periode juli-half augustus is de conversiefactor relatief laag. De oorzaak hiervan is dat een groot deel van de onderschepte straling dan nog wordt gebruikt voor groei van het blad en van het wortelstelsel en niet voor suikerproductie. Gedurende het groeiseizoen neemt de conversiefactor toe met een piek rond half september. Daarna neemt deze af door het ver­ouderen van het bladapparaat.


Figuur 7.5
Conversiefactor voor de omzetting van straling in suiker; gemiddelde waarden berekend uit de resultaten van periodiek bemonsteringsonderzoek in de periode 1981-1986.

Ook bij zeer hoge stralingsintensiteit raakt de productiecapaciteit niet verzadigd. Binnen grenzen is de productie van droge stof onafhankelijk van de temperatuur. Slechts bij zeer hoge temperatuur (etmaalgemiddelden boven 20°C) neemt de efficiëntie af.

7.7.2 Temperatuur

De temperatuur speelt bij alle biologische processen een belangrijke rol. Dit komt omdat chemische reacties sneller verlopen bij hogere omgevingstemperatuur. Dat geldt echter niet alleen voor produc­tie, maar ook voor afbraak (of verademing) van biomassa.

De positieve invloed van de tempera­tuur op de groei is vooral groot bij kieming en opkomst en bij de fase van bladgroei. Een hoge temperatuur tijdens deze fasen bespoedigt een snelle opkomst en blad­ontwik­keling van het gewas. Dit zorgt ervoor dat de grond snel volledig bedekt is en het gewas al vroeg maximaal kan profiteren van de hoge instraling.

Doorgaans zijn instraling en temperatuur aan elkaar gerelateerd. Toch hangt de groei van de biet voor de groeipuntsdatum het meest af van de temperatuur en na die datum van de hoeveel­heid zonne­straling. De verklaring hiervoor is de grotere invloed van het bladoppervlak, dat na de groeipunts­datum het grondoppervlak volledig bedekt. Daardoor is het blad vanaf die datum in staat het licht bijna volledig op te vangen en om te zetten in biomassa.

Gedurende de fase van productie is een lage temperatuur nauwelijks beperkend voor de groei. Dit komt omdat de fotosynthesesnelheid bij gemiddelde temperaturen weinig verandert. Wel kan een hoge temperatuur remmend werken op de suikerproductie. De oorzaak hiervoor is het sluiten van de huidmondjes gedurende de dag en een hoge verademing van de geprodu­ceerde suiker.

In de herfst, als de wortelgroei begint af te nemen, speelt de nachttemperatuur ook een belan­grijke rol. Hoge nacht­tem­peraturen gaan vooral gepaard met een inten­sieve ademha­ling. In de herfst wordt de hoogste suikerproductie bereikt bij zonnig weer overdag en een koude heldere nacht. Onder deze omstandig­heden kan het suikerge­hal­te met 0,1% per dag stijgen. Is er spra­ke van regenachtig, warm weer, dan vertonen bieten weer her­nieuwde groei, vooral wanneer er ook nog veel stik­stof beschik­baar is. Dit gaat ten koste van de suikerop­brengst.

Samengevat is voor de suikerbieten ideaal:

  • warm weer tot circa 20°C in de fase van kieming en bladvor­ming;
  • koel zonnig zomerweer met temperaturen tot circa 20°C in de productiefase;
  • koel zonnig weer met nachttemperaturen dicht bij het vriespunt in het naseizoen.

In ons land wordt aan de ideale temperatu­ren vaak niet voldaan. Vooral in het voor­jaar zijn de tempera­turen vaak te laag voor een snelle ontwikkeling.

7.7.3 Vocht

Een juiste vochtvoorziening is bij bieten al bij de kieming van het groot­ste belang. Door de bouw van het bietenzaad is het opnemen van vocht in een droog zaaibed al gauw erg moei­lijk. Onder natte omstan­dighe­den treedt snel zuurstofge­brek op, waardoor het zaad gaat rotten.

Het gewas heeft een grote vochtbe­hoefte. Voor elke kg droge­ stof moet het 150‑300 liter water op­nemen, vooral afhankelijk van de verdampingssnelheid. Dat is gemiddeld ruim 5.000 m3 per hecta­re. Water is niet alleen noodzakelijk voor de chemische reacties in de plant, maar ook voor het trans­port van voedingsstoffen en voor het handhaven van de turgor (vochtspanning), die de stevigheid van de weefsels bepaalt.

Om aan de grote vochtbehoefte te voldoen, ontwikkelen bieten onder gezonde omstandighe­den een uitgebreid en diep wortel­stelsel. Daardoor is er niet snel sprake van een vocht­tekort in de plant. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij dit toch optreedt, zoals bij:

  • langdurige droogte, vooral op droogtegevoelige gronden;
  • aantasting van het wortelstelsel, waardoor de plant slecht water kan opnemen, veroorzaakt door ziekten en plagen of door zuurstofgebrek als gevolg van wateroverlast;
  • slechte bodemstructuur of storende lagen, met als gevolg een slechte wortelontwikkeling;
  • ondiepe beworteling;
  • zeer lage pH.

Wanneer er sprake is van langdurig vochttekort, zal de groei van de bladeren afnemen. In het blad zal de biomassaproductie minder worden, doordat de huidmondjes sluiten en minder CO2 opnemen. Bij ernstige droogtestress zal door verlies van turgor het blad gaan ver­welken en soms treedt verbranding van het blad op. In een dergelijke situatie neemt de produc­tie sterk af. De schade blijft beperkt zolang het bietengewas dat overdag slap hangt, ˈs nachts weer overeind kan komen. Zodra dat niet meer het geval is, zal er onherstelbare schade aan het bladapparaat ontstaan.

Een vroege periode van droogtestress, wanneer het bladapparaat nog in volle ontwikkeling is, kan een ernstigere opbrengstreductie geven dan een droogtestress later in het seizoen.

Droogte resulteert vaak in hoge gehalten aminostikstof, kalium, natrium en suiker. Wanneer er echter weer neerslag komt, neemt, door opname van water en door hergroei van loof, het ge­halte juist weer af. Vooral het verlies van suiker kan grote financiële gevolgen hebben.

8. Kwaliteit, oogst en bewaring

8.1 Kwaliteit

versie: november 2022

8.1.1 Inleiding

Met de kwaliteit van suikerbieten wordt het totaal aan eigenschappen wat van belang is bij rooien, opslag, transport en verwerking bedoeld. Een optimale kwaliteit maakt het mogelijk om zo veel mogelijk kristalsuiker uit bieten te winnen tegen zo laag mogelijke kosten. Een groot aantal eigen­schappen van de biet speelt hierbij een rol. Deze zijn onder te verdelen in inwendige en uitwendige eigenschappen. De inwendige eigenschappen zijn de structuur (breukvastheid, vezeligheid, elasti­citeit en dergelijke) en de samenstelling. Bij de samenstelling is het suikergehalte het belangrijkst. Daarnaast zijn stoffen die de winning van de suiker uit de biet beïnvloeden, van belang. De samen­stelling bij levering wordt beoordeeld op basis van het suikergehalte en de winbaarheidsindex Nederland (WIN). Hierbij is de WIN een maat voor het deel van de in de biet aanwezige suiker dat als kristalsuiker kan worden gewonnen. Suikergehalte en WIN bepalen samen de interne kwaliteit.

Naast interne kwaliteit spreken we ook van externe kwaliteit. De factoren die bij de beoordeling van de externe kwaliteit een rol spelen, zijn de hoeveelheid meegeleverde grond, stenen, blad, onkruid en dergelijke. Bij de levering komt dit tot uitdrukking in het tarrapercentage. Dit tarrapercentage wordt vooral bepaald door de oogstomstandigheden, zoals afstelling rooimachine en bodemgesteld­heid. Uitwendige eigenschappen van de biet, zoals bietgrootte, bietvorm, bietoppervlak en diepte van de wortellijsten, zijn hierbij ook van belang.

De kwaliteitsparameters die betrokken zijn bij de uitbetaling, zijn:

  1. suikergehalte;
  2. WIN;
  3. tarrapercentage.

Deze kwaliteitsparameters zijn verder uitgewerkt in de paragrafen 8.1.2 tot en met 8.1.7.

Invertsuiker, kortweg invert genoemd, is niet betrokken bij de uitbetaling, maar beïnvloedt ook de interne kwaliteit. In paragraaf 8.1.8 staat nadere informatie over invert vermeld.

8.1.2 Suikergehalte

De belangrijkste factor bij de verwerking van bieten tot suiker is het suikergehalte. Bij een hoog suikergehalte hoeven er minder bieten te worden verwerkt om dezelfde hoeveelheid suiker te produceren. Suikergehalte maal wortelopbrengst per hectare geeft de suikeropbrengst per hectare.

De uitbetaling per ton geleverde bieten is afhankelijk van het suikergehalte. Vanaf 2022 geldt een minimum bietenprijs van € 35,00 per ton netto geleverde bieten binnen de toewijzing, exclusief ledentoeslag. De standaard voor de suikergehalteverrekening bedraagt 17% suiker. Hogere en lagere suikergehaltes worden lineair verrekend met 9% van de bietenprijs per procent suikergehalte, zoals aangegeven in figuur 8.1.1. Voor de berekening van de financiële opbrengst hanteert het IRS vanaf 2022 een bietenprijs van € 45,00 per ton netto bieten (met suikergehalte 17%).

Figuur 8.1.1 Verband tussen het suikergehalte en de uitbetaling per ton netto bieten.

Om een indruk te geven van de invloed van de verrekening van het suikerge­halte op de financiële opbrengst, staan in tabel 8.1.1 de financiële opbrengsten per hectare vermeld, indien een hoeveelheid van 14.000 kg polsuiker bestaat uit bieten met een verschillend suikergehalte. Tevens is de hoeveel­heid tonnen biet vermeld die hiervoor moet worden verwerkt.

De financiële berekening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

  1. 14.000 kg polsuiker per hectare;
  2. bietenprijs bij 17% suiker: € 45,00 per ton nettobiet;
  3. verrekening per procent suiker, afhankelijk van het suikergehalte, per ton nettobiet: 9% meer of minder;
  4. in de verrekening is ook het effect van het suikergehalte op de WIN meegenomen (paragraaf 8.1.3).

Tabel 8.1.1 Financiële opbrengst bij de productie van 14.000 kg polsuiker per hectare met bieten met een verschillend suikergehalte.

suiker
(%)
wortelopbrengst
(t/ha)
prijs
(€/t bieten)
financiële opbrengst
(€/ha)
19,0 73,7 53,10 3.913
17,0 82,4 45,00 3.708
15,0 93,3 36,90 3.443

Hieruit blijkt dat het leveren van een bepaalde hoeveelheid suiker financieel aantrekkelijker is in de vorm van bieten met een hoog suikergehalte.

8.1.3 WIN

WIN staat voor Winbaarheidsindex Nederland en is een maat voor het deel van de in de biet aanwe­zige suiker dat als kristalsuiker kan worden gewonnen. Bij de berekening van de WIN wordt gebruik gemaakt van een formule. Naast het suikergehalte (%S) bepalen de gehalten aan kalium (K), natrium (Na) en aminostikstof (aN) de WIN. De hoeveelheden K, Na en aN worden uitgedrukt in millimol per kg biet (mmol/kg biet). De WIN wordt uitgedrukt als een normgetal.

De basis van WIN is de aanname dat iedere mmol K+Na in de biet ongeveer 1 mmol suiker in de melasse vasthoudt, die dus niet als kristalsuiker kan worden gewonnen. Omdat 1 mmol suiker overeenkomt met 0,342 gram betekent dit voor de hoeveelheid melassesuiker (Sm):

Sm = 0,0342*(K+Na), waarbij Sm is uitgedrukt in percentage suiker op biet en K+Na in mmol per kg biet.

Als het aminostikstofgehalte relatief hoog is ten opzichte van het gehalte aan K+Na, treedt er bij de verwerking van de bieten ongewenste verzuring van het sap op. Om dit te compenseren voegt men natronloog toe. Dit betekent echter dat extra natrium in het sap komt, met als gevolg extra melasse­suiker. Vastgesteld is dat toevoeging van natronloog nodig is, zodra K+Na - aN <35 mmol per kg. Uit fabrieksgegevens blijkt dat de extra hoeveelheid melassesuiker gelijk is aan 0,02 maal het overschot aan aminostikstof. Dit overschot is gelijk aan aN-(K+Na)+35. Voor de melassesuiker geldt dan:

Sm = 0,0342*(K+Na) + 0,02*{aN-(K+Na)+35}.

Voor WIN wordt ervan uitgegaan dat deze 100 is als alle suiker in de biet als kristalsuiker zou kunnen worden gewonnen. Hoe meer suiker er in de melasse achterblijft hoe lager de WIN en hoe slechter dus de kwaliteit.

WIN = 100 - 100*Sm per %S.

Invulling van de formules voor Sm geeft onderstaande formules voor de winbaarheidsindex, waarbij K+Na en aN worden uitgedrukt in mmol per kg biet:

WIN = 100 - 3,42*(K+Na)/%S, als K+Na-aN ≥35;

WIN = 100 - 3,42*(K+Na)/%S - 2*{aN-(K+Na)+35}/%S, als K+Na-aN <35;

= 100 - {1,42*(K+Na) + 2*aN + 70}/%S, als K+Na-aN <35.

WIN is lager naarmate het suikergehalte lager is en het K+Na gehalte hoger. Bij K+Na-aN <35 is de WIN ook lager naarmate het aminostikstofgehalte hoger is.

8.1.3.1 Normen van de gemeten waarden

Los van het feit dat de gemeten waarden soms van elkaar afhankelijk zijn, gelden globaal de normen zoals vermeld in tabel 8.1.2.

Tabel 8.1.2 Globale indeling van de bieten naar interne kwaliteit.

goed redelijk matig
suiker (%) >17,0 16,0-17,0 <16,0
K (mmol/kg) <35 35-45 >45
Na (mmol/kg) <5 5-8 >8
aN (mmol/kg) <10 10-15 >15
WIN >91 89-91 <89

Dit betekent dus wat betreft kalium, natrium en aminostikstof hoe lager hoe beter en met betrekking tot het suikergehalte en de WIN hoe hoger hoe beter. In de praktijk varieert de WIN van circa 86 voor zeer matige bieten tot circa 93 voor de beste interne kwaliteit. De hoeveelheid K+Na en aminostikstof in de biet wijzigen in de loop van de campagne. In het algemeen stijgen het suiker- en het aminostik­stofgehalte en daalt het gehalte aan K+Na. Zie hiervoor het hoofdstuk over de verandering van de kwaliteitseigenschappen tijdens het groeiseizoen.

8.1.3.2 WIN van de gebieden in 2021

In tabel 8.1.3 staan per Unitip-regio de gemiddelde waarden voor de interne kwaliteitscijfers in 2021. Voor de cijfers van andere jaren, zie de Unitip jaarverslagen op www.cosunleden.nl/teelt/bas-unitip-verslagen.

Tabel 8.1.3 Gemiddelde waarden voor de interne kwaliteit per gebied in 2021 (bron: Unitip jaarverslag 2021).

gebied suiker-
gehalte
K Na aminoN WIN
(%) (mmol/kg)
Flevoland 16,5 37 4 9 91,0
Holland 16,9 37 4 9 91,1
Noordelijke klei 16,6 39 5 9 90,6
Noordelijke lichte grond 16,8 39 7 11 90,4
Zuidoost klei en löss 16,3 38 7 11 90,0
Zuidoost zand 16,5 40 5 12 90,1
Zuidwesten 16,8 36 5 10 91,1
Nederland 16,7 38 5 10 90,7

Hieruit blijkt dat er verschillen zijn tussen de gebieden voor wat betreft het gehalte aan K+Na en aminostikstof. Dit resulteert in ruim een punt verschil tussen het gebied met de hoogste en de laagste gemiddelde WIN. De oorzaken van een lage WIN worden vooral veroorzaakt door:

  1. de rijkdom van de grond, zoals een hoog kaligetal in de ondergrond of een hoge mineralisatiecapaciteit;
  2. te hoge stikstofgift;
  3. groeistoornissen (bijvoorbeeld door droogte).

Een hoge WIN wordt in het algemeen gevonden op gronden die geen te hoge bodemvruchtbaarheid hebben en waar sprake is van een regelmatige groei van het gewas.

8.1.3.3 Verrekening van de WIN

De verrekening van de WIN is afhankelijk van de hoogte, zoals aangegeven in figuur 8.1.2.

Figuur 8.1.2 Verband tussen WIN en de uitbetaling per ton netto bieten.

Om een indruk te geven van de invloed van de verrekening van de WIN op de financiële opbrengst, staan deze in tabel 8.1.4 per hectare bij 80 ton bieten met 17% suiker en verschillende waarden voor WIN vermeld.

De financiële berekening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

  1. 80 ton netto bieten per hectare;
  2. suikergehalte 17%;
  3. bietenprijs bij 17% € 45,00 per ton;
  4. verrekening WIN, per ton nettobiet 13% van de suikergehalteverrekening per procent suiker: € 0,53 per punt WIN.

Tabel 8.1.4 Financiële opbrengst bij 80 ton netto bieten per hectare met 17% suiker en verschillende WIN.

WIN prijs
(€/t bieten)
financiële opbrengst
(€/ha)
93 46,05 3.684
91 45,00 3.600
89 43,95 3.516
87 42,89 3.431

Vaak zijn de financiële verschillen nog groter, omdat een lage WIN veelal gepaard gaat met een laag suikergehalte. Tabel 8.1.5 geeft de financiële gevolgen weer van het suikergehalte (zoals vermeld in tabel 8.1.1) en de WIN (zoals vermeld in tabel 8.1.4), bij een suikeropbrengst van 14,0 ton per hectare.

Tabel 8.1.5 Financiële opbrengst bij een suikeropbrengst van 14,0 ton per hectare met bieten van een verschillend suikergehalte en WIN.

wortelopbrengst
(t/ha)
suikergehalte
(%)
WIN prijs
(€/t bieten)
financiële opbrengst
(€/ha)
73,7 19,0 93 54,15 3.991
82,4 17,0 91 45,00 3.708
93,3 15,0 89 35,85 3.345

Uit de tabel blijkt dat het verschil in interne kwaliteit bij eenzelfde productie aan suiker per hectare kan leiden tot zeer grote verschillen in financiële opbrengst.

8.1.4 Invloed van de stikstofbemesting op de interne kwaliteit

Uiteraard heeft de stikstofbemesting een duidelijke invloed op de interne kwaliteit van de biet. Van belang is vooral de stikstofhoeveelheid, maar ook de vorm waarin de stikstof wordt toegediend en het tijdstip van het vrijkomen van deze stikstof. Vooral als meer gegeven wordt dan de optimale hoeveelheid. Op basis van veel stikstofproefvelden is berekend wat de invloed is van de stikstofgift op de interne kwaliteit van bieten.

Een extra hoeveelheid van 50 kg N per hectare geeft gemiddeld een:

  1. daling van het suikergehalte met 0,3%;
  2. lichte stijging van het kaliumgehalte met 0,5 mmol per kg biet op kleigrond en een lichte daling op zand- en dalgronden;
  3. stijging van het natriumgehalte met 0,6 mmol per kg biet;
  4. stijging van het aminostikstofgehalte met 3 mmol per kg biet;
  5. daling van de WIN met 1,0.

Hieruit blijkt wel dat door verlaging van de stikstofgift een verbetering van de interne kwaliteit optreedt, maar dat een werkelijk laag suikergehalte of een erg lage winbaarheid niet te corrigeren is door een verlaging van de stikstofbemesting met 50 kg per hectare.

8.1.5 Belangrijkste oorzaken van matige interne kwaliteit

8.1.5.1 Laag suikergehalte

Mogelijke oorzaken van een laag suikergehalte:

  1. aantasting door rhizoctonia. Dit leidt tot rotte(nde) bieten die een laag suikergehalte hebben. Partijen met meer dan 10% geheel of gedeeltelijk rotte bieten worden geweigerd. Als het vermoeden bestaat dat rhizoctonia kan optreden, is het advies om altijd voor een rhizoctoniaresistent ras te kiezen. Door partiële resistentie kan echter ook in resistente rassen nog rot optreden;
  2. aantasting door rhizomanie. Hoewel alle in Nederland aangeboden rassen rhizomanieresistent zijn, is aantasting door rhizomanie niet geheel uitgesloten vanwege partiële resistentie en/of doorbraak van de resistentie (zie paragraaf 10.7.1). De kwaliteit van bieten die door rhizomanie zijn aangetast, is erg specifiek, namelijk een laag tot zeer laag suikergehalte, een hoog tot zeer hoog natriumgehalte en een laag tot zeer laag aminostikstofgehalte. Vooral de combinatie laag suikergehalte en laag aminostikstofgehalte is zeer specifiek, immers vooral bij een overdadige stikstofbemesting is het suikergehalte ook laag, maar is het aminostikstofgehalte hoog;
  3. aantasting door andere ziekten en plagen, zoals bladschimmels (cercospora, ramularia, meeldauw, roest en stemphylium), verticillium en vergelingsziekte;
  4. hergroei na een periode met stress (droogte, wateroverlast, boriumgebrek);
  5. invloed van het groeiseizoen. Het suikergehalte kan van jaar tot jaar sterk variëren. In 2018 bijvoorbeeld bedroeg het gemiddelde suikergehalte in Nederland 17,4%, terwijl dit in 2020 slechts 16,1% was. Daarom is bij het beoordelen van het suikergehalte van de bieten op een perceel steeds het regionale of landelijke gemiddelde van het teeltjaar van belang;
  6. te hoge stikstofvoorziening;
  7. vroeg gerooide bieten. Het suikergehalte kan in de loop van het rooiseizoen met meer dan een heel procent stijgen (zie hiervoor ook het hoofdstuk over het groeiverloop);
  8. te laat gerooide bieten. Bieten die worden gerooid na een vorstperiode verliezen veelal meer dan 1% suiker. Tijdig rooien en vorstvrij bewaren is daarom noodzakelijk;
  9. rassenkeuze. De verschillen in suikergehalte tussen de rassen met het hoogste of laagste gehalte kunnen ruim 1% bedragen kunnen;
  10. een te laag aantal planten per hectare. Bij een plantaantal van 40.000 per hectare is het suikergehalte ongeveer 0,4% lager dan bij een optimaal plantaantal van 70.000 tot 90.000 per hectare. Dit komt vooral doordat er bij lage plantaantallen meer stikstof per plant beschikbaar is.

8.1.5.2 Lage WIN

Naast een laag suikergehalte kan een hoog gehalte aan K, Na of aminostikstof de oorzaak zijn van een slechte WIN. Bij te hoge gehalten aan K, Na of aminostikstof kunnen, naast aanzienlijke verschillen tussen de rassen, de onderstaande factoren een rol spelen:

hoog K:

  • hoog kaligetal van de grond (en ondergrond);
  • late zaaidatum;
  • vroege oogst;
  • zeer hoge kaliumbemesting;
  • laag aantal planten per hectare.

hoog Na:

  • rhizomanie;
  • hoog natriumgehalte van de (onder)grond (zoute kwel);
  • late zaaidatum;
  • vroege oogst;
  • hoge natriumbemesting;
  • laag aantal planten per hectare;
  • kaliumfixerende gronden, zoals rivierklei (in plaats van de aan de grond gebonden kalium wordt dan natrium opgenomen).

hoog aN:

  • hoge stikstofbemesting;
  • droogteschade, gevolgd door hergroei;
  • nalevering stikstof uit organische producten, zoals dierlijke mest;
  • laag aantal planten per hectare.

8.1.6 Wat te doen om een goede opbrengst en een optimale interne kwaliteit te bereiken?

  1. houd bij de stikstofbemesting rekening met het stikstofadvies;
  2. ga beheerst om met dierlijke mest: stem de dosering af op de behoefte, afhankelijk van de samen­stelling (N-gehalte) van de mest. De mest moet van goede kwaliteit zijn (goed gemixt) en dient egaal verspreid te worden. Schat de N-werking van de mest niet te laag in (N-werking voorjaar bijvoorbeeld 55% voor rundveedrijfmest en 80% voor varkensdrijfmest);
  3. zorg voor een regelmatig plantbestand van circa 70.000 tot 90.000 planten per hectare;
  4. zorg, voor zover mogelijk, voor een gezonde bodem met een goede bewortelingsmogelijkheid;
  5. zorg voor een goede bestrijding van ziekten en plagen;
  6. maak een ongestoorde groei mogelijk door met name mogelijke wateroverlast te voorkomen en droogteschade te beperken (door beregenen);
  7. kies voor een ras met een hoog suikergehalte en een hoge WIN;
  8. zaai zo vroeg mogelijk. Dat wil zeggen vanaf 1 maart, zodra de grond bekwaam is en de weersvoorspelling gunstig (zie hoofdstuk 3 over zaaien).

8.1.7 Tarra

Tarra bestaat uit grondtarra en overige tarra:

  • grondtarra
    Het grootste nadeel van tarra zijn de kosten om deze grond te vervoeren, te verwijderen, op te slaan en af te zetten. Daarnaast zijn er kosten voor de zuivering van het waswater. De variabele kosten die aan deze vorm van tarra zijn verbonden, bedragen circa €15 per ton. Een gedeelte van de grondtarra kan niet worden verwijderd bij het wassen, met name bij plakkerige kleigrond. Naast de transportkosten vormt vooral de aan de biet vastgekleefde grond een probleem bij de sapzuivering en verlaagt het de kwaliteit van de pulp door een hoger asgehalte;
  • overige tarra, zoals stenen, blad, onkruid, hout, rotte bieten en dergelijke, zijn niet bevorderlijk voor een goede verwerking tot suiker. Vooral bij het snijden van de bieten zijn deze vormen van tarra een groot probleem, omdat ze de messen in de snijmolens kunnen beschadigen.

8.1.7.1 Tarraverrekening

De teler betaalt direct mee aan de kosten om tarra te vervoeren, te verwijderen en af te zetten. De onderstaande berekening gaat uit van €12,70 per ton tarra, die de teler aan Cosun Beet Company als vergoeding betaalt.

Tabel 8.1.6 geeft inzicht in de hoogte van de tarrabijdrage. Uitgangspunt is een netto-opbrengst van 80 ton bieten per hectare.

Tabel 8.1.6 Tarrabijdrage bij de levering van suikerbieten.

Uitgangspunt: € 12,70 per ton tarra. Netto-opbrengst 80 ton per hectare.

tarra
(%)
bijdrage
(€/ha)
bijdrage
(€/ton biet)
3

5

7

9

11

13

15

17

19

21

23

25

31,42

53,47

76,47

100,48

125,57

151,82

179,29

208,10

238,32

270,08

303,48

338,67

0,39

0,67

0,96

1,26

1,57

1,90

2,24

2,60

2,98

3,38

3,79

4,23

Bij een levering van bieten met bijvoorbeeld 7% tarra bedraagt de tarrabijdrage €76,47 per hectare of €0,96 per ton nettobiet. Bij een verdrievoudiging van het percentage naar 21% stijgt de tarrabijdrage tot €270,08 per hectare of €3,38 per ton nettobiet. Als een teler in staat is de tarra van 25% terug te brengen tot 7%, bespaart hij een bedrag van €262,20 per hectare bij een netto bietopbrengst van 80 ton per hectare.

Naast de tarrabijdrage kunnen nog andere kortingen worden toegepast bij de uitbetaling. Dit betreft een teveel aan onkruid, rotte bieten, bieten met vorstschade en bieten met bladstelen langer dan 2 cm. Er dient naar gestreefd te worden om deze kortingen te vermijden door tijdig en goed te rooien, aanwezigheid van rot te voorkomen en op de juiste wijze bieten te bewaren. Bij te veel rotte bieten, onkruid en blad(resten) kunnen de bieten zelfs geweigerd worden voor levering.

8.1.8 Invert

Invert ontstaat als bietsuiker (sacharose) in glucose en fructose wordt gesplitst. Invert is niet winbaar als suiker in het suikerwinningsproces. Bovendien veroorzaakt het ongewenste verzuring en ver­kleuring van het sap in de suikerfabriek. Dit leidt tot verhoging van de benodigde proceshulpstoffen en het energieverbruik en verlaging van het suikerrendement.

Bij de oogst is invert van nature in lage hoeveelheden in de bieten aanwezig. Onderzoek heeft aangetoond dat tijdens het langdurig bewaren van bieten het invertgehalte toeneemt. De toename is vooral hoog als zieke, rotte of sterk beschadigde bieten in de bewaarhoop zitten, als de temperatuur oploopt (>8°C) of als bieten door vorst zijn aangetast. Daarnaast verhogen loofresten het invert­gehalte. Bij netjes gerooide en goed bewaarde bieten blijft het ook na lange bewaring op een acceptabel niveau.

Om het invertgehalte zo laag mogelijk te houden is het van belang dat telers de volgende maatregelen nemen:

  • geen rotte of zieke bieten in de hoop. Kies een bietenras met de juiste resistentie om geen bieten in de hoop te krijgen die door bijvoorbeeld rhizoctonia zijn aangetast;
  • goed ontbladeren bij het oogsten;
  • voorkomen van beschadigen van bieten bij het rooien en het aanleggen van de bewaarhoop;
  • vorstvrij, koel en droog bewaren.

8.2 Oogsttechniek

Versie: juli 2021

8.2.1 Inleiding

In Nederland worden de suikerbieten machinaal geoogst. Op 90 tot 95% van het areaal doen loon­werkers en werktuigencoöperaties dit overwegend met zesrijige oogstmachines. Het restant van het areaal oogsten de bietentelers zelf. Meest voorkomend zijn de éénfase zelfrijdende zesrijige bunker­rooiers. Er zijn ook getrokken rooiers en negen of twaalfrijige bunkerrooiers, maar veel minder in aantal. Bij een bunker­rooier vindt het ontbladeren, koppen, rooien, reinigen en verzamelen in een bunker in één werkgang plaats (figuur 8.2.1). Het transport naar de hoop gebeurt meestal met een kipwagen, een overlaadwagen of door de bunkerrooier zelf.

 1_DSC_0254 (600 x 399)
Figuur 8.2.1 Een zesrijige bunkerrooier ontbladert, kopt, licht, reinigt, verzamelt en transporteert de bieten in één werkgang.

Bij de oogst van de bieten kunnen we drie fasen onderscheiden: het ontbladeren en koppen, het rooien en het reinigen¹.

8.2.2 Ontbladeren en koppen

Om het blad en het bovenste deel van de kop te verwijderen, zijn de oogstmachines uitgerust met een ontbladeraar plus scalpeurs (nakoppers) en soms een poeterserontbladeraar.

8.2.2.1 Ontbladeraar plus scalpeur (nakopper)2

Een ontbladeraar bestaat uit een as met metalen klepels, die werken op een instelbare hoogte. Deze hoogte is bij meerrijige machines gelijk over de volledige werkbreedte. De ontbladeraar wordt zo ingesteld dat deze geen bieten kopt, maar op elke biet een bladpruik van 2-3 cm laat staan die door de kopmessen wordt verwijderd. De ontbladeraar wordt gevolgd door één scalpeur per rij. De hoogte van de scalpeurs is meestal vanuit de cabine instelbaar. Bij de oudere scalpeurs met kopdikteregeling wordt de verticale afstand tussen taster en mes kleiner als de taster stijgt. Scalpeurs, waarbij het mes in dezelfde stand blijft door het parallellogram, verdienen uit oogpunt van kopwerk de voorkeur. Stel het kopsysteem zo af dat bij meer dan 90% van de bieten al het groen net verwijderd is, maar de kop blijft zitten. Vanaf 2009 hebben fabrikanten de scalpeurs aangepast om de verliezen door te diep koppen te minimaliseren. Er zijn nu varianten met een vaste afstand tussen taster en kopmes of een omgekeerde werking (afstand tussen taster en mes wordt kleiner als de taster naar beneden gaat). Een animatie is hier te zien: https://www.irs.nl/interessegebieden/oogst-bewaring/publicaties/film-animatie-koppen/.

Het afgeslagen blad kan opzij geworpen worden door een vijzel en een bladverspreider. Een andere mogelijkheid is het blad te laten vallen tussen de nog te rooien rijen. Deze uitvoering heet een integraal ontbladeraar. Het voordeel hiervan is minder gewicht en een betere verdeling van het loof over het perceel uit het oogpunt van bemesting. Bij oudere uitvoeringen kwamen enkele nadelen voor. Bij veel loof of natte omstandigheden gaat het rooien minder gemakkelijk en heeft het loof de neiging om te gaan schuiven, vooral op zand- en dalgronden. Ook moet het blad wat fijner worden gehakseld. Dit vraagt iets meer vermogen. Bij de nieuwste integraalontbladeraars zijn deze nadelen verholpen. Bij de meeste fabrikanten is tegenwoordig integraal ontbladeren de standaard. Vaak is ook een gecombineerde ontbladeraar te leveren. Deze kan het blad zowel naar de zijkant afvoeren als tussen de rijen laten vallen.

1 De technische beschrijvingen zijn beperkt tot in Nederland gangbare rooiers, gebouwd vanaf 2000.

2 De term nakopper stamt nog uit de tijd dat de ontbladeraar al een deel van de bieten kopte en de nakopper de rest van de bieten nakopte.

8.2.2.2 Poetserontbladeraar

Vanaf 2007 is een systeem op de Europese markt dat alle blad verwijderd zonder kopmessen te gebruiken. De voorste klepelas verwijdert het blad in en tussen de rijen, met een combinatie van korte stalen klepels boven de rij en langere rubberen klepels tussen de rijen. De hoogte van de klepels boven de rij moet zo afgesteld worden dat op de meeste bieten nog een kleine loofpruik blijft staan. De tweede klepelas (de zogenaamde poetseras) met rubberen klepels zorgt ervoor dat het laaste loof van de biet verwijderd wordt, waarbij de kop van de biet minimaal wordt beschadigd (zie figuur 8.2.2). Tasters en kopmessen ontbreken in een dergelijk systeem.

Afbeelding met buiten, gras, transport Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 8.2.2a Ontbladersysteem met poetserontbladeraar. Links de eerste klepelas met stalen en rubberen klepels. Het loof wordt hiermee verwijderd tot enkele korte loofpuiken. Rechts de poetseras met ruberen klepels die het laatste loof van de biet afpoetst, waarbij de kop van de biet intact blijft.

Afbeelding met gras, buiten, natuur Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 8.2.2b Resultaat van een correct afgestelde poetserontbladeraar. Links het loof van bieten na de eerste klepelas, met bladpruiken van circa 5 à 7 cm lengte. Rechts de bieten na de poetseras, waarmee het resterende loof volledig wordt verwijderd, zonder dat de kop van de biet wordt beschadigd.


Belangrijkste voordeel van een poetserontbladeraar is dat verlies aan nettobiet door te diep ontbladeren/koppen minimaal is. Bovendien blijven met dit systeem geen bietenkoppen achter op het perceel. Hergroei van deze bietenkoppen na de oogst is hierdoor niet aan de orde. Bij een conventioneel ontbladersysteem met kopmessen, gevolgd door een niet-kerende grondbewerking en een zachte winter, krijgen bietenkoppen de kans zich te ontwikkelen en kunnen zo in het voorjaar een infectiebron van het vergelingsvirus vormen.

8.2.3 Rooien

De meeste rooiers in Nederland zijn uitgerust met onafhankelijk aangedreven rooischaren. Om zo min mogelijk last van onkruid te hebben, zijn de rooischaren de laatste jaren wat langer geworden, zodat de punt boven de grond uitsteekt. Aangedreven rooischaren bewegen roterend, horizontaal (vooruit en achteruit) of verticaal. Meestal is het een combinatie van deze bewegingen.

Onafhankelijk aangedreven betekent dat de beweging van de linker rooischaar tegengesteld is aan de rechter rooischaar. Bij een afhankelijke aandrijving bewegen beide rooischaren gelijktijdig in dezelfde richting.

3R_FT2008_0209 lichten met punt eraan (399 x 600)
Figuur 8.2.3 Zowel rooischaren (links) als aangedreven rooiwielen (rechts) lichten de bieten over het algemeen met de punten er nog aan.

Naast rooischaren worden ook wel rooiwielen gebruikt. Zowel bodemaangedreven rooiwielen (Oppel­wielen) als hydraulisch aangedreven exemplaren smeren iets minder grond aan de bieten dan aange­dreven rooischaren. De klassieke Oppelwielen (door de grond aangedreven rooiwielen) waren niet zelfzoekend. Hierdoor trad er wat meer wangbeschadiging op bij grote of iets uit de rij staande bieten in vergelijking met zelfzoekende, aangedreven rooischaren. Ook bij aangedreven rooischaren kan wangbeschadiging optreden wanneer de opening tussen de scharen te klein is. Onder slechte oogst­omstandigheden hadden Oppelwielen de neiging om vol te lopen. De nieuwe generatie aangedreven rooiwielen heeft de nadelen van de Oppelwielen niet meer. Ze zijn zelfzoekend en hebben een grotere voorloop (de rooiwielen draaien sneller dan de machine rijdt). Hierdoor kunnen ze ook goed werken op zwaardere grondsoorten en stijgt de capaciteit. Met aangedreven rooiwielen is er meer ruimte onder de rooizonnen. Op lichtere grondsoorten is met aangedreven rooiwielen eenvoudig om te schakelen naar een ander gewas, zoals cichorei.

Ideaal zou zijn de biet eerst te draaien voorafgaande aan het lichten van de biet. Qua werkingsprincipe vergelijkbaar met de bietentang bij de handoogst van vroeger. Dat voorkomt op klevende grond dat grond aan de bieten wordt gedrukt (figuur 8.2.4).

Diagram Description automatically generated
Figuur 8.2.4a

Diagram Description automatically generated
Figuur 8.2.4b

A picture containing chart Description automatically generated
Figuur 8.2.4c


Figuur 8.2.4d


Figuur 8.2.4e

Figuur 8.2.4a-8.2.4e
8.2.4a:
Bij verticaal uit de grond trekken van de biet breken de zijwortels in het onderste deel van de biet op relatief grote afstand van de biet (rode lijn geeft aan waar zijwortels en grond breken). Met als gevolg veel aanhangende grond.

8.2.4b: Rooischaren drukken de biet uit de grond waarbij de zijwortels dicht bij de biet afbreken; hierbij wordt de grond tussen de schaar en de biet samengedrukt. Onder ongunstige omstandigheden wordt zo grond tegen de biet gesmeerd die moeilijk te verwijderen is.

8.2.4c: bovenaanzicht op 8 cm diepte. Bij roteren van de biet wordt het contact tussen biet en zijwortels verbroken dicht aan het bietoppervlak. Door vervolgens verticaal te lichten blijven de bieten relatief schoon.

8.2.4d: Bieten met ‘aangesmeerde grond’, veroorzaakt door samendrukken van grond tussen rooischaar en biet tijdens het lichten van de biet op relatief natte kleigrond.

8.2.4e: Door eerst de biet te roteren en vervolgens verticaal te lichten wordt er geen grond tegen de biet aan gedrukt, met minder grondtarra als gevolg.

(figuren naar Vermeulen3; foto’s Bert Vermeulen).

3 G.D. Vermeulen (2001), Reduction of soil tare by improved uprooting of sugar beet; a soil dynamic approach. Proefschrift, Wageningen Universiteit, 147pp.

8.2.4 Reinigen

Direct na het rooigedeelte volgt de eerste reiniging door (meestal) zeefraderen of (soms) een rollenbed. Voor beide systemen geldt dat ze vrij moeten lopen van de grond. Bij het veranderen van de rooidiepte is het mogelijk dat ze niet meer vrij lopen. Dit beperkt het reinigend vermogen en/of er wordt grond opgeschept. Op zware kleipercelen zorgen open rooizonnen (zonder ring aan de omtrek) voor beter en eerder lossen van losse grond en bladpruiken (figuur 8.2.5).


Figuur 8.2.5 Open rooizonnen (zonder ring aan de omtrek) voor beter lossen van losse grond en bladpruiken. Dit voorkomt op zware kleipercelen dat de reiniging te agressief moet werken om deze grond alsnog te verwijderen.

Na deze eerste reiniging volgt bijna altijd een reiniging door één of meerdere zeefraderen (figuur 8.2.6). Meerdere rooimachines hebben als extra een axiaalrollenset. Deze axiaalrollen staan altijd na de zeefraderen en dienen als laatste reiniging in de oogstmachine om de laatste resten losse grond, blad en kopjes te verwijderen.

4_DSC_0171 (600 x 399)
Figuur 8.2.6 Bij zeefraderen geeft de uitvoering met open zeefraderen en verticale veertanden de meest effectieve reiniging.

8.3 Oogst wat gegroeid is

Versie: oktober 2022

Perfect rooiwerk komt pas echt tot stand bij een goed samenspel tussen teler, loonwerker en de chauffeur op de rooier. De kunst is alle gegroeide suiker te oogsten en na een goede bewaring af te leveren voor uitbetaling.

Uit het SUSY-project van het IRS blijkt dat de verschillen in rooiwerk enorm zijn. Gemiddeld ging 2,9 ton biet per hectare verloren bij de oogst. De totale bietverliezen (te diep koppen, puntbreuk, verlies hele bieten) varieerde enorm, van 0,5 tot 9,1 ton biet per hectare. Een verschil dat overeenkomt met 1,3 ton suiker per hectare. Zonde dat zoveel gegroeide suiker en dus geld verloren gaat in het veld. Het maximale verschil betekent € 410 per hectare. Het viel op dat er nauwelijks verschil was tussen de jaren en tussen grondsoorten. In tabel 8.3.1 zijn de resultaten verder uitgesplitst.

Tabel 8.3.1 Oogstverliezen, gemeten op 150 percelen (SUSY-project, 2006/2008). De waarden zijn de gemiddelden met tussen haakjes de uitersten. Financieel verlies berekend met een bietenprijs van €45 per ton.

gebied bietverlies door te diep koppen
(t/ha)
puntbreuk
(t/ha)
verlies aan hele bieten
(t/ha)
totaal bietverlies
(t/ha)
totaal financieel

verlies
(€/ha)

zand en dal 0,7 (0,0-2,1) 1,4 (0,1-3,6) 0,4 (0,0-2,0) 2,6 (0,5-6,0) 113 (23-270)
klei en löss 0,7 (0,0-2,4) 1,9 (0,1-5,0) 0,6 (0,0-4,6) 3,2 (0,8-9,1) 144 (36-410)
Nederland 0,7 (0,0-2,4) 1,7 (0,1-5,0) 0,6 (0,0-4,6) 2,9 (0,5-9,1) 131 (23-410)

8.3.1 Aandachtspunten tijdens het rooien

8.3.1.1 Verliezen door te diep koppen beperken

Aangezien de gehele kop van de biet geleverd mag worden, is het aangewezen om niet dieper te koppen dan noodzakelijk. Het motto is dan ook: ‘Hele biet, géén groen’. De uitdaging is om al het blad te verwijderen, zonder dat er te diep gekopt wordt. Het advies is om de suikerbieten zo te ontblade­ren dat maximaal 5% van de bieten bladsteelresten langer dan 2 centimeter hebben en maximaal 5% te diep gekopt is (figuur 8.3.1).

Bij 1 cm te diep koppen gaat 6% van de netto biet verloren, bij 2 cm is dat al 15%. Kopdemoˈs van de laatste 10 jaar en ook de internationale oogstdemonstraties Beet Europe (2010, 2012) toonden overduidelijk dat bietverlies door te diep koppen snel kan oplopen tot tientallen euroˈs per hectare en met gerichte aandacht te beperken is tot enkele euroˈs per hectare. De sleutel ligt in controleren en aanpassen van het kopwerk tijdens het rooien. Rooimachines met poetserontbladeraars zijn over het algemeen in het voordeel bij het beperken van kopverliezen in vergelijking met scalpeurs. Meer over het verschil tussen kopsystemen in paragraaf 8.2.2.

Verlies door te diep koppen is in te schatten met tabel 8.3.2.

Tabel 8.3.2 Bietverlies door te diep koppen.

percentage extreem diep gekopte bieten
(vaatbundels zichtbaar, rechtse foto in figuur 8.3.1)
(%)
bietverlies
(t/ha)
3 0,5
5 1
10 2
15 3
20 4

Figuur 8.3.1 Bij goed koppen of ontbladeren zijn de bladresten verwijderd en de netto biet nog volledig in tact. Streef naar meer dan 90% goed gekopte bieten en houd het aandeel bieten met bladstelen en te diep gekopte bieten beneden 5%.

8.3.1.2 Goede scheiding biet en grond

Scheid bieten en grond zoveel mogelijk bij het lichten. Aandachtspunten zijn de afstelling van de rooischaren en de rooidiepte. Zowel rooimachines met rooischaren als -wielen zijn in staat om de bieten met de punt er nog aan te lichten (figuur 8.2.3 in paragraaf 8.2).

De rooidiepte is een compromis tussen grondtarra en puntbreuk:

  • grondtarra: rooi zo ondiep mogelijk;
  • puntbreuk: rooi zo diep als nodig.

De optimale rooidiepte is afhankelijk van de grondsoort en het vochtgehalte van de grond. Stel de rooidiepte in op ongeveer 6 cm bij minder gunstige omstandigheden. In lichtere gronden of op zwaar­dere gronden onder gemiddelde tot gunstige omstandigheden wordt een rooidiepte van ongeveer 8 cm aangeraden.

8.3.1.3 Puntbreuk beperken

Als de diameter van de puntbreuk kleiner is dan 2 cm, is het bietverlies verwaarloosbaar. Bij een groter breukvlak lopen de bietverliezen snel op: bij een diameter van 4 centimeter is er al 5% bietverlies en bij 8 centimeter is dit zelfs 23%. Daarbovenop komen dan nog de extra bewaarverliezen vanwege de grote breukvlakken. Puntbreuk is echter deels onvermijdbaar, aangezien de hoeveelheid puntbreuk vooral bepaald wordt door de conditie van de grond tijdens het rooien. Toch is aandacht voor beperken van puntbreuk belangrijk, zodat directe verliezen en extra bewaarverliezen door beschadigingen zo veel mogelijk worden beperkt.

Uit jaarlijkse rooichecks uitgevoerd door de agrarische dienst van Cosun Beet Company blijkt dat puntbreuk in veel gevallen de grootste verliespost is (zie tabel 8.3.1). De gevonden puntbreuk is vaak hoger dan nodig. De belangrijkste oorzaken zijn te intensief reinigen en te hoge toerentallen van de zonnen onder relatief gunstige omstandigheden (figuur 8.3.2). Dit kan beperkt worden door het toerental van de zonnen te verlagen en op elkaar af te stemmen, maar ook door ervoor te zorgen dat geleidingsrekken en varkensstaarten juist uitgelijnd staan, zodat de bieten in een vloeiende stroom door het reinigingstraject gaan. Het advies is om tijdens het rooien het optimum te vinden in verwijdering van grondtarra enerzijds en beperken van bietbeschadiging anderzijds. Te intensief reinigen om nog 1% extra grondtarra te verminderen levert per saldo een groter financieel verlies op, door extra puntbreuk en extra verliezen in de bewaring (figuur 8.3.3). Om het reinigingstraject nog bietvriendelijker te maken, kunnen geleidingsplaten worden gemonteerd (figuur 8.3.4). Deze dienen weer verwijderd worden als meer reinigingscapaciteit nodig is.

Ook kan onder droge omstandigheden op zwaardere gronden aanzienlijke puntbreuk optreden doordat punten tijdens het lichten te hoog in de grond afbreken. Een lagere rijsnelheid en dieper rooien zijn dan aangewezen acties.

Met gerichte aandacht is puntbreuk en bietbeschadiging fors te beperken. Verlies door puntbreuk is te schatten met tabel 8.3.3.

Tabel 8.3.3 Bietverlies door puntbreuk.

bieten met puntbreuk >2 cm diameter
(%)
bietverlies
(t/ha)
0-20 0,5
>20-40 1
>40-60 2
>60-80 3
>80-100 >4

6L_DSC_0419 (600 x 399)
6R_DSC_0434 (600 x 399)

Figuur 8.3.2 Boven: te veel puntbreuk en ˈsneeuwˈ door een te hoog toerental van de zonnen.
Onder: hoge verliezen door puntbreuk. De grote wondvlakken en beschadigingen geven hierbij extra verliezen in de bewaring.

Figuur 8.3.3 Invloed van intensiteit van reinigen in de rooier op grondtarra, puntbreuk en bewaarverliezen (naar IRS, 2008; KBIVB, 2012/2013).

Figuur 8.3.4 Geleidingsplaten zorgen voor minder bietbeschadigingen en -verliezen in het reinigingstraject. Als de reinigingscapaciteit vervolgens te kort schiet, dienen de geleidingsplaten verwijderd te worden.

8.3.1.4 Verlies aan hele bieten voorkomen

Bij het insteken van een perceel, bij geren, in hoeken en in spuitsporen gaan er vaak enkele bieten verloren. Daarnaast gaan midden op het perceel incidenteel ook hele bieten verloren. Volgens de meting ging dit gemiddeld om 0,56 ton per hectare (tabel 8.3.1). Dat is landelijk meer dan 1.000 vrachtwagens per campagne! Er zijn verscheidene oorzaken gevonden: morsen van bieten bij het rijdend lossen, wegspringen bij de scharen, de aansluiting tussen scharen en zonnen, overlopen van de opvoerband en lekken in de machine door slijtage en breuk van spijlen. Gelukkig zijn de grootste lekken snel te vinden en te verhelpen. Een goede chauffeur vindt ook de laatste lekken tijdens het rooien.

8.3.1.5 Applicatie oogstverliezen

Met de applicatie ‘oogstverliezen’ kan met de categorieën ‘te diep koppen’, ‘puntbreuk’ en ‘verlies hele bieten’ de hoeveelheid bietverlies bij de oogst exact bepaald worden. De applicatie is bereikbaar op de IRS-website of de mobiele toepassing, te benaderen via onderstaande QR-code of via https://www.irs.nl/oogstverliezen:

8.3.1.6 Samenwerking teler en rooierchauffeur

Alleen door goed samenspel van teler, loonwerker en chauffeur is een topprestatie te leveren. De teler kan veel doen: een vlak zaaibed, een gelijkmatig plantbestand, voldoende ruime zaaiafstand (figuur 8.3.5) en een goed oogstmoment. De loonwerker zorgt voor een goede machine en een deskundige chauffeur. De chauffeur haalt het beste uit de rooier en oogst wat gegroeid is. Goed samenspel tussen teler en chauffeur levert meer rendement op dan een discussie over het laatste tientje van het rooitarief. Neem met de chauffeur de oogstkwaliteit door tijdens het rooien. Zeg er iets van als het goed is en natuurlijk ook als het beter kan. Door de geoogste biet te bekijken, kunt u snel achterhalen waar het in de rooier mis ging (figuur 8.3.6). De chauffeur kan daarmee direct de rooier aanpassen voor perfect rooiwerk (figuur 8.3.7). Met gerichte aandacht zijn de oogstverliezen te beperken.

IMG_4538

Figuur 8.3.5 Bij een te kleine afstand tussen de bieten is er onvoldoende ruimte en tijd voor het kopmes om goed kopwerk te leveren. De oorzaak ligt vaak in krapper zaaien dan 17 cm in de rij of zoals op de foto: een onregelmatig bestand door versleten zaaischijven.

P:\Dam\Kwaliteit rooiwerk-geen bladresten, geen kopverlies.jpg

Figuur 8.3.6 Beoordelen en verbeteren kwaliteit rooiwerk.

Figuur 8.3.7 Perfect geoogste biet. Schoon gerooid, bladresten verwijderd, geen bietverlies door te diep koppen en geen puntbreuk, nauwelijks beschadigd en daardoor goed bewaarbaar.

8.3.1.6 Rijsnelheid

De rijsnelheid bepaalt, gegeven de breedte van de machine, voor een groot gedeelte de capaciteit van de machine en daarmee de oogstkosten per hectare. Andere zaken die mede de capaciteit bepalen zijn de afmetingen van de percelen, de doorvoercapaciteit van de rooier (kan beperkend zijn bij zeer hoge opbrengsten) en de beschikbaarheid van voldoende transportmateriaal voor de afvoer van de bieten naar de hoop.

De rijsnelheid heeft een behoorlijke invloed op de kwaliteit van het geleverde werk. Elke bijkomende kilometer per uur veroorzaakt gemiddeld een stijging van 2-4 procentpunten grondtarra. Onder slechte omstandigheden is een rijsnelheid van maximaal 3 kilometer per uur het advies en onder gemiddelde tot zeer goede omstandigheden een snelheid van 4 tot maximaal 6 kilometer per uur. Sneller dan 6 kilometer per uur kan soms nog goed werk leveren op het gebied van rooien en reinigen, mits de grond goed verkruimelt. Echter, vaak verslechtert het koppen boven de 6 kilometer per uur, vooral bij gewassen met een grote variatie in kophoogte tussen de individuele bieten en op dalgronden, waar de bieten vaak vrij los in de grond staan.

8.3.2 Het optimale oogstmoment

Het juiste moment is de absolute nummer één als het gaat om het maximale resultaat bij de oogst. Rooien onder gunstige omstandigheden heeft een duidelijk tarraverlagend effect; op zwaardere gronden zelfs tot 10%. Benutten van gunstige rooiomstandigheden kan betekenen dat men enige groeidagen moet opofferen. Het advies is dan ook om de weersverwachting in de weken voor levering nauwlettend in de gaten te houden en tijdig een plan te maken om onder de meest gunstige omstandigheden te oogsten.

De financiële effecten van voorgaande zijn uit te rekenen. Als voorbeeld gaan we uit van een ge­was dat op 10 oktober of 10 november geleverd wordt (tabel 8.3.4). Er wordt ofwel tien dagen voor levering gerooid onder gunstige omstandigheden of op de dag van levering onder ongunstige omstandigheden. Om onder gunstige omstandigheden te rooien, worden bijgevolg tien groeidagen opgeofferd. Onder ongunstige omstandigheden stijgt het grondtarrapercentage van 5 naar 15%.

Tabel 8.3.4 Netto-opbrengst, extra groei, extra verliezen, grondtarrapercentage, tarrabijdrage en financiële opbrengst op diverse oogsttijdstippen en -omstandigheden.

oogst-
tijdstip
omstandig-
heden
netto
wortel-
opbrengst
(t/ha)
suiker-gehalte
(%)
extra groei
door later
rooien*
(€/ha)
extra
bietverlies
bij later rooien*
(€/ha)
extra bewaar­verlies door eerder rooien*
(€/ha)
grond-
tarra
(%)
tarra-
bijdrage*
(€/ha)
financiële opbrengst*
(€/ha)
1 okt. gunstig 77,8 17,0 - - 51 5 52 3.382
10 okt. ongunstig 79,0 17,2 150 78 - 15 177 3.380
1 nov. gunstig 81,6 17,5 - - 33 5 55 3.750
10 nov. ongunstig 82,2 17,6 62 81 - 15 184 3.634

* Berekend bij € 45,- per ton bieten, tarrabijdrage 12,70 per ton. De groei is berekend met SUMO en de campagnegegevens van 2015/2019. Extra bietverlies door intensiever reinigen onder ongunstige omstandigheden is geschat op 1,7 ton per hectare. Suikerverlies in bewaring in oktober is 250 gram suiker per ton per dag, in november 150 gram suiker per ton per dag.

Uit dit voorbeeld blijkt dat de financiële opbrengst bij rooien op 1 oktober onder gunstige omstandigheden en tien dagen bewaren gelijk is aan die van rooien op 10 oktober onder ongunstige omstandigheden. Dit is exclusief schade aan de grond. In dit voorbeeld stijgt het tarrapercentage van 5 naar 15.

Rooien op 1 november onder gunstige omstandigheden en tien dagen bewaren levert een bedrag van € 116 per hectare meer op ten opzichte van rooien op 10 november onder ongunstige omstandigheden. Voor hogere machine en arbeidskosten en schade voor volgteelt(en) is in dit voorbeeld nog geen bedrag verrekend.

8.3.2.1 Begin campagne

Aan het begin van de campagne groeien de bieten nog aanzienlijk. Houd dan de periode tussen rooien en levering kort. Bij slecht weer is het wachten tot de grond weer droog genoeg is vaak beter, op lichte grond kan een halve dag een wereld van verschil maken. Op zware grond is hiervoor al snel drie dagen nodig.

8.3.2.2 Laatlevering

Na half november is de extra groei van de bieten minimaal. U heeft dan twee afwegingen bij laatlevering: vroeg rooien onder gunstige omstandigheden én langer bewaren. Dit vereist bietvriendelijk reinigen tijdens het rooien; gezonde bieten met weinig puntbreuk zijn langer te bewaren; bij later rooien een moment van rooien kiezen voordat het te nat is of voor een vorstperiode aanbreekt.

In beide gevallen loont extra aandacht bij de planning en het bietvriendelijk rooien en reinigen van de bieten.

 

8.4 Spaar de (onder)grond

Versie: januari 2023

Aandacht en op het juiste moment handelen zijn de beste garanties voor een teelt met rendement. Dat geldt zeer zeker ook bij het omgaan met de grond. Het doet elk boerenhart zeer als grond zichtbaar wordt versmeerd en verdicht. Met gevolgen die lang kunnen duren. Hoe beperk je structuurschade tot een minimum bij de bietenoogst met bunkerrooiers? Het antwoord is: op het juiste moment en met de juiste techniek. Enkele hoofdzaken worden hieronder toegelicht voor kleihoudende gronden aan de hand van figuur 8.4.1.

Voorkom onnodig rijden met de kipper op het bietenperceel. Het is beter voor de grond om de kipper op de kopakker te houden. Dit kost wel enige capaciteit. In een Zwitsers onderzoek4 werd dit berekend op ongeveer een kwartier extra tijd op een perceel van vijf hectare. Op grote percelen is het een optie om systematisch de spuitsporen te benutten.

Draagkracht grond-fig

Figuur 8.4.1 De draagkracht van grond vermindert als de grond natter is. Vooral als de grond natter is dan de veldcapaciteit neemt de draagkracht snel af. De foto’s5 illustreren de toestand van de grond in drie situaties (te nat, gunstig en te droog). De stoplichten geven het advies voor rooien met bunkerrooiers (pi = bandspanning; W = wiellast).

4 Zuckerrüben: Erntemanagement und -kosten. Schwere Erntemaschinen gut auslasten, ohne die Böden zu verdichten. FAT-Berichte Nr, 568 (2001), FAT, Tänikon (CH), 8pp.

5 BUWAL/Docuphot. Deze staan ook op bladzijde 19 van Suikerbietsignalen.

8.4.1 Grond te droog: pas op voor puntbreuk

Als de grond droog en hard is gaat het rijden prima. Bij het rooien is er meer puntbreuk door afbre­ken van bieten in de grond. Ook is er meer slijtage aan de rooischaren. Advies: dieper rooien en rijsnelheid verlagen.

8.4.2 Gunstig: lage bodemdruk

Bij een normaal vochtgehalte (rond veldcapaciteit) gaat het rooien prima. Om schade aan de bodem­structuur te beperken, mag de bodemdruk niet te hoog zijn. Voorkom altijd verdichting van de ondergrond. Veilig voor de ondergrond is een bandspanning van 1,5 bar of lager; 0,8 bar is beter voor de bouwvoor. Daarbij ligt de maximale wiellast bij de grootste band bij voorkeur onder de 10 ton. Boven 12 ton wiellast treedt er bijna altijd ondergrondverdichting op tot 40 centimeter diepte, ook met de grootste en beste banden. Met de nieuwste bandentechnologie, zoals VF-banden, kan de bandspanning tot tientallen procenten teruggebracht worden; een goede ontwikkeling als betere technologie benut wordt om bij gelijkblijvende wiellasten de bandenspanning te verlagen en daarmee de bodem te ontzien. Bij het verhogen van de wiellast wordt het gunstige effect van deze banden tenietgedaan.

Onder gunstige omstandigheden veroorzaken rupsen aanzienlijk minder ondergrondverdichting, ondanks de veel hogere last op het rupssysteem. Onder natte omstandigheden kunnen rupsen echter ook gaan slippen en voor versmering zorgen.

In het Handboek Bodem en Bemesting staat meer informatie over het opheffen en tegengaan van verdichting in de ondergrond.

8.4.3 Grond te nat: niet rijden

Bij te natte grond is het beste om te wachten tot de grond weer droog genoeg is om zonder schade te rijden. Dat kan enkele uren zijn op zandgrond en enkele dagen drogend weer op kleigronden.

Wat te doen als het nat is en blijft, zoals in 1998, 2010 en 2020? Wachten is dan geen optie. Het advies is dan onveranderd:

  • alleen de bunkerrooier in het perceel. Kipwagens zakken tot op de ploegzool en verdichten de ondergrond bij herhaald door hetzelfde spoor rijden;
  • de bunker halfvol en het uiterste uit de banden halen (bandspanning omlaag);
  • gebruik maken van een overlaadwagen. Hierdoor kan op het bietenperceel met bredere banden en lagere bandenspanning gereden worden, aangezien er geen compromis nodig is vanwege transport over de weg. Bijkomend voordeel bij overlading op de rand van het perceel is dat de (openbare) weg schoon blijft.

De consequentie is wel dat de bouwvoor grotendeels wordt verdicht en ook versmeerd. Voor herstel is de hulp van de natuur nodig met vele cycli van drogen en herbevochtigen. Vorst gevolgd door droge dooi heeft hetzelfde positieve effect op herstel van versmering. De grond is na de winter wel zeer kwetsbaar. Vandaar dat we in het voorjaar zeer voorzichtig moeten zijn met de grond. De verleiding is vaak groot om na een goede winter het land op te gaan, terwijl alleen het bovenste laagje goed is en de laag eronder te nat om te berijden. De kans op structuurschade in de laag 15 tot 25 centimeter is dan zeer groot, met later in het jaar de gevolgen in het gewas. Voorkom dit door vooraf met de spade de hele bouwvoor te beoordelen. Voor het beoordelen van de bodemconditie is een instructieboekje ontwikkeld in samenwerking met Cosun Beet Company en Coen ter Berg. Dit boekje, met daarin veel beeldmateriaal van de belangrijkste grondsoorten in Nederland, is te downloaden via www.cosunleden.nl/teelt/bodemconditie.

Figuur 8.4.2 Een overlaadwagen verlaagt de bodemdruk ten opzichte van het afvoeren met kipwagens, wanneer de band(spanning) optimaal wordt aangepast aan de omstandigheden.

8.4.4 Terranimo

Het effect van verdichting in de ondergrond is niet altijd direct zichtbaar. Omdat de wiellasten van bietenrooiers bij een volle bunker boven de 12 ton uit kunnen komen, is er wel degelijk een risico op ondergrondverdichting.

Om inzicht te krijgen in de druk die hoge wiellasten uitoefenen op de grond, is het programma Terranimo ontwikkeld. Deze risicobeoordelingstool is ontwikkeld in Denemarken en in samenwerking met de Deense Aarhus University, Wageningen Environmental Research, Cosun Beet Company, Cumela en Fedecom aangepast om in Nederland te kunnen gebruiken. Met Terranimo kunnen verticale spanningen, die bij berijding optreden, worden gevisualiseerd door informatie over de machine en grond in te vullen. Deze spanningen kunnen bij hoge wiellasten of natte omstandigheden de bodemsterkte overschrijden en een aanzienlijk risico op verdichting veroorzaken.

Met gegevens over wiellast, bandentype en bandspanning, de grondsoort en de vochttoestand, wordt de impact op de bodem gevisualiseerd, zie bijvoorbeeld figuur 8.4.3. Om van enkele in Nederland gebruikte bietenrooiers de wiellasten te bepalen, zijn in 2019 en 2020 van een aantal bietenrooiers, overlaadwagens, trekkers en kiepers de wiellasten bepaald. Deze wegingen lieten opnieuw zien dat er nog regelmatig wiellasten boven 12 ton optreden. Ook zijn de bodemkarakteristieken van Nederlandse grondsoorten aan het programma toegevoegd.

Figuur 8.4.3 De contactdruk van een bietenrooier in Terranimo. De band linksachter veroorzaakt de hoogste grondspanning (wiellast 11,7 ton). Het meeste gewicht wordt bovendien door de linkerkant van de rooier gedragen, waar de afvoer zit.

8.5 Bewaring

versie: januari 2023 

8.5.1 Inleiding

Tijdens de bewaring van suikerbieten treden suikerverliezen op, omdat de bieten ademen. Hierbij worden suiker en zuurstof omgezet in koolstofdioxide, water en warmte. Beperking van de suikerverliezen kan door extra aandacht aan oogst en opslag te besteden.

Hieronder wordt kort ingegaan op een aantal aspecten rond de bewaring van bieten:

  1. teelt- en oogstfactoren;
  2. veranderingen in de bieten tijdens bewaring;
  3. invloed van beschadiging en temperatuur op de ademhalingsverliezen;
  4. aanleggen van de bewaarhoop;
  5. afdekstrategie.

8.5.2 Teelt- en oogstfactoren

8.5.2.1 Bietenras

Tussen rassen zijn verschillen in bewaarverliezen aangetoond. De verschillen in bewaarbaarheid tussen de rassen op de Rassenlijst zijn echter niet bekend, zodat hiermee bij de rassenkeuze (nog) geen rekening kan worden gehouden.

8.5.2.2 Bemesting

Optimale bemesting geeft de laagste bewaarverliezen. Wanneer in het gewas duidelijke gebreksverschijnselen zichtbaar zijn, kunnen hogere bewaarverliezen optreden.

8.5.2.3 Ziekten en aantasting

Aantasting door rhizoctonia geeft hoge verliezen. De aangetaste bieten dienen zoveel mogelijk verwijderd te worden bij de aanleg van de hoop. Rotte bieten bij de oogst kunnen ook ontstaan zijn door aantasting van onder andere violetwortelrot en stengelaaltjes. Ook bij aantasting van aphanomyces of phoma kan rot ontstaan. Rotte bieten zijn niet te bewaren. Daarom is het zaak om een partij waarin veel wortelrot voorkomt zo snel mogelijk te leveren omdat het rot zich anders verder uitbreidt tijdens bewaring. Hiervoor geldt: hoe hoger de temperatuur in de hoop, hoe sneller het rottingsproces.

Bevroren bieten kunnen niet worden bewaard.

8.5.2.4 Aantal planten per hectare

Zware, grote bieten geven de laagste bewaarverliezen als ze met weinig beschadigingen zijn gerooid. Om opbrengstderving te voorkomen, moet echter worden gestreefd naar een optimaal plantbestand tussen 70.000 en 90.000 planten per hectare.

8.5.2.5 Rooidatum

Kijk weken voor de leveringsdatum naar de weersverwachting en de situatie van de grond. En trek een plan voor de meest gunstige omstandigheden. Vanaf de tweede helft van november gaat het risico op vorst een significante rol spelen. Bij vorst wegen de potentiële voordelen van langere groei of minder bewaarverlies niet op tegen de schade die veroorzaakt wordt door bevroren bieten. Het IRS adviseert daarom om vanaf begin december altijd goede weersomstandigheden te benutten om de resterende bieten te rooien, ongeacht het leveringsmoment. Voor laatlevering zijn dan de volgende (persoonlijke) afwegingen te maken:

  • vroeg rooien onder gunstige omstandigheden én de bieten langer bewaren;
  • later rooien, maar wel voordat het te nat wordt of een vorstperiode aanbreekt.

In beide gevallen loont extra aandacht bij de planning en het bietvriendelijk rooien en reinigen van de bieten. Gezonde bieten met weinig grondtarra, weinig puntbreuk of andere beschadigingen zijn langer te bewaren met minder bewaarverliezen.

Wordt een vorstperiode verwacht, rooi dan onmiddellijk. Houd daarvoor de doorlopende 14-daagse weersverwachting goed in de gaten. Als bieten in het veld toch bevroren zijn (zie figuur 8.5.1), wacht dan met rooien tot de vorst uit de bieten is getrokken. Gebeurt dit niet, verwijder dan de bevroren koppen door extra diep te koppen.

Afbeelding met schimmels, plant Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 8.5.1 Vorstschade aan de biet is te herkennen aan verkleuring van het weefsel.

8.5.2.6 Tarra

Grondtarra tussen de bieten belemmert de ontluchting van de bieten en geeft daardoor extra bewaar­verliezen. Hetzelfde geldt voor resten bietenblad en onkruid. Goed ontbladerde bieten geven de laagste suikerverliezen.

8.5.2.7 Rooibeschadiging

Beschadigingen aan de bieten, opgedaan tijdens het rooien, het transport of bij het maken van de bewaarhoop, geven hogere bewaarverliezen. Enerzijds omdat de ademhaling is verhoogd, anderzijds omdat suiker en andere nutriënten uit de wondvlakken lekken en de groei van bacteriën en schimmels bevorderen. Hierdoor kunnen de bieten gaan schimmelen en rotten. Dit treedt vooral op bij puntbreuk en te diep koppen (zie foto’s bij figuur 8.5.2), maar ook bij beschadiging van het oppervlak van de bieten als gevolg van te intensief reinigen.

Afbeelding met grond, buiten, rots Automatisch gegenereerde beschrijving

Afbeelding met schimmels Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 8.5.2 Aantasting door schimmel bij bewaarde bieten (foto boven) met tot gevolg rotting (foto onder), vooral bij puntbreuk en te diep koppen. Foto’s: Agrarische Dienst Cosun Beet Company, januari 2012.

De effecten van beschadigingen in relatie tot de temperatuur staan weergegeven onder punt 8.5.4: Invloed van beschadiging en temperatuur op de ademhalingsverliezen.

8.5.3 Veranderingen in de bieten tijdens bewaring

8.5.3.1 Het suikergehalte en het gewicht

De ademhaling van de bieten veroorzaakt suikerverliezen tijdens bewaren. Bij de ademhaling wordt namelijk suiker en zuurstof omgezet in koolstofdioxide, water en warmte. De verliezen worden uitgedrukt in de daling van het suikergehalte en wortelopbrengst en ook in het verlies aan suiker per ton bieten per dag.

Gemiddeld is het suikerverlies ongeveer 150-200 gram suiker per ton bieten per dag. Dit komt overeen met een daling van het suikergehalte van circa 0,1% per week. De eerste dagen na de oogst zijn de sui­kerverliezen duidelijk hoger door het herstel van rooibeschadigingen. Na 3 à 4 weken nemen de verliezen doorgaans ook weer toe omdat schimmel en rot zich verder uitbreiden (zie figuur 8.5.3). Overigens is het verschil in suikergehalte bij directe levering en na bewaring geen goede maat voor het suikerverlies. Als door de afgifte van vocht het gewicht afneemt (indrogen), zal het suikergehalte minder dalen, terwijl het suikerverlies toch relatief hoog kan zijn.

Figuur 8.5.3 Suikerverlies tijdens de bewaring van suikerbieten.

8.5.3.2 De winbaarheidsindex (WIN)

De gehalten aan kalium en natrium, uitgedrukt in mmol per kg biet, veranderen tijdens bewaring niet of nauwelijks. Het aminostikstofgehalte kan wel iets veranderen. Deze verandering is vooraf echter niet voorspelbaar en kan zowel een toe- als afname zijn. Het effect hiervan op de WIN is over het algemeen klein. Aangezien het suikergehalte daalt, zal de WIN tijdens bewaring in principe afnemen. Gemiddeld zal dit meestal beperkt blijven tot één punt.

8.5.3.3 Het tarrapercentage

De aanhangende grond kan tijdens bewaring droger of natter worden. Indien de grond opdroogt, kan deze tijdens het verladen gemakkelijker van de bieten vallen en op het bedrijf achterblijven. Het tarrapercentage kan daardoor 1 tot 2% lager zijn. Spruitvorming tijdens bewaring leidt doorgaans niet tot een aantoonbare verhoging van het percentage tarra.

Afbeelding met rots, buiten, rotsachtig, stapel Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 8.5.4 Schimmel en spruitvorming na 90 dagen bewaring.

8.5.4 Invloed van beschadiging en temperatuur op de ademhalingsverliezen

De belangrijkste oorzaken van hoge ademhalingsverliezen zijn beschadigde bieten en onvoldoende ventilatie in de hoop, waardoor de temperatuur oploopt. Hoe lager de temperatuur hoe lager de ademhalingsverliezen. De bieten mogen echter niet bevriezen. De beste bewaartemperatuur ligt dan ook tussen de 0 en 5°C. Iedere tien graden temperatuurstijging betekent een verdubbeling van de suiker­verliezen door ademhaling. Vooral bij bieten met veel beschadigingen, dus ook bij te diep koppen of veel puntbreuk, kunnen hierdoor de suikerverliezen hoog oplopen (figuur 8.5.5). Probeer daarom de beschadigingen zoveel mogelijk te voorkomen. Om extra suikerverliezen door temperatuurverhoging te voorkomen, moet de warmte die door de ademhaling van de bieten ontstaat, via de natuurlijke ventilatie kunnen worden afgevoerd. Hiervoor is het van belang dat in de hoop zo weinig mogelijk grondtarra, blad­resten en onkruiden aanwezig zijn.

Figuur 8.5.5 Verband tussen suikerverliezen en temperatuur in de hoop bij weinig en veel beschadigde bieten.

8.5.5 Aanleggen van de bewaarhoop

8.5.5.1 Plaats van de hoop

Elke bietenhoop moet zodanig liggen dat onder alle omstandigheden de bieten met gangbare oplaad­machines (kraan, shovel of bietenmuis) kunnen worden afgevoerd. De ondergrond dient vlak te zijn en water af te kunnen voeren en de ligplaats moet voldoende ruim zijn. Er past ongeveer 0,65 ton netto bieten in een kubieke meter. Bij een storthoogte van 2,5 meter (top van de hoop) betekent dit dat per vierkante meter maximaal 1,2 ton netto bieten kan worden gestort. Daarnaast worden er afhankelijk van het type oplaadmachine nog aanvullende voorwaarden gesteld aan de ligging van de bietenhoop. De voor­waarden zijn te vinden in de informatiebrochure bieten laden op: https://www.cosunleden.nl/campagne/ligplaats-en-verladen.

Indien de bieten bij het verladen niet worden gereinigd, heeft ligging van de bietenhoop op een ver­harde ondergrond de voorkeur, omdat hierdoor het tarrapercentage enkele procenten lager kan uit­vallen. Dit komt doordat bij het laden van de bieten geen ondergrond mee wordt genomen en er wél losse grond achterblijft. Op lichte grond kan men bieten op een vlakke vastgereden wend- of kopakker bewaren, mits daar onder natte omstandigheden geen wateroverlast ontstaat.

Zorg voor een opgeruimde ligplaats, zodat met de bieten geen vreemd materiaal (steen, puin, hout, gereedschap, oud ijzer en dergelijke) wordt afgevoerd.

8.5.5.2 Afmetingen en vorm van de hoop

Bietenhopen kunnen op verschillende manieren worden aangelegd. De ervaring leert dat langgerekte dakvormige hopen het meest geschikt zijn voor bewaring. Dit komt doordat deze vorm gemakkelijk is af te dekken, het water van de afgedekte hoop af kan lopen en goed is te ventileren. Wel vraagt dit type hoop iets meer aandacht om vorstvrij te houden. Een vierkante hoop is wat minder gevoelig voor vorstschade, maar geeft eerder kans op broei door een mindere ventilatie en is minder eenvoudig bol te leggen, waardoor water niet goed van het afdekmateriaal af kan lopen.

Onderzoek in 2017 wees uit dat de bewaartemperatuur in een vierkante hoop duidelijk hoger lag dan bij een langgerekte hoop en dat het bewaarverlies ruim tweemaal zo veel was. Bij een hoop van 500 ton kostte dit hogere verlies circa € 1.400 opbrengst. Aanleggen van meerdere langgerekte, dakvormige hopen naast elkaar is dan ook beter dan het maken van een grote vierkante hoop. Als telers wegens ruimtegebrek toch genoodzaakt zijn om een vierkante hoop aan te leggen dan kan het inschakelen van mechanische ventilatie uitkomst bieden om sterke opwarming in het midden van de hoop te voorkomen, al is dit wel kostenverhogend en is het succes hiervan mede afhankelijk van de buitenluchttemperatuur en de luchtverdeling in de hoop tijdens het ventileren (zie paragraaf 8.5.5.3).

In een sleufsilo van beton of strobalen kunnen meer bieten gestort worden en is afdekken eenvoudiger, maar dient de voor- en achterzijde voor voldoende ventilatie open te blijven. Zorg dat de storthoogte niet meer dan 2,5 meter bedraagt. Deze hoogte is in de meeste gevallen zonder extra hulpmiddelen goed te maken. Kunst­matige verhoging van de storthoogte geeft extra bietbeschadiging, druk op de bieten en minder ventilatie, waardoor de kans bestaat dat de temperatuur gaat oplopen en de suikerverliezen dus toenemen. Vlak de hoop bovenop af om kuilen te voorkomen. Houd bij het aanleggen van de hoop rekening met de afmetingen van het afdekmateriaal.

8.5.5.3 Ventilatie of ontluchting

Bij onafgedekte langgerekte dakvormige hopen met een storthoogte tot 2,5 meter en weinig bieten­grond, onkruid en bietenblad is de natuurlijke ventilatie over het algemeen voldoende. Een bieten­hoop die met vliesdoek is afgedekt, kan ook nog ventileren. Echter, bij oplopende buitentempera­turen kan het noodzakelijk zijn om de hoop (deels) open te leggen om extra ventilatie mogelijk te maken en om temperaturen in de hoop van boven 8°C te voorkomen. Mechanische ventilatie kan ook worden toegepast, al zal dit meerkosten met zich meebrengen en het succes hiervan is mede afhankelijk van de buitenluchttemperatuur en de luchtverdeling in de hoop tijdens het ventileren. Vanwege deze kosten en de praktische implicaties zal mechanische ventilatie economisch voornamelijk haalbaar zijn voor grote vierkante hopen en lange bewaartijd (>2 maanden).

8.5.6 Afdekstrategie om bieten vorstvrij, koel en droog te bewaren

Er zijn verschillende manieren om bieten goed te kunnen bewaren. Onderzoek heeft aangetoond dat de beste bewaarresultaten worden behaald als de bieten vorstvrij, koel en droog worden bewaard.

Droog bewaren van bieten helpt bij het tegengaan van de vorming van bewaarschimmels en vermin­dert de kans op het ontstaan van broei. Daarnaast kan het een gunstig effect hebben op het tarra­gehalte, omdat de aanhangende grond tijdens de bewaring in kan drogen en er bij het verladen van de bieten af kan vallen. Droog bewaren is mogelijk door de bietenhoop met vliesdoek (bijvoorbeeld Toptex of Tissubel) af te dekken. Belangrijk hierbij is dat de hoop dakvormig is, zodat het regenwater gemakkelijk van het vliesdoek af kan lopen. Vliesdoek houdt de regen uit de hoop, terwijl het luchtdoorlatend is. Hierdoor blijft ventilatie mogelijk. Een hoop die eenmaal nat is geregend droogt langzaam op onder vliesdoek. Dek de hoop daarom tijdig af met vliesdoek als een grote hoeveelheid neerslag verwacht wordt in de aankomende dagen. Een hulpmiddel hiervoor is het bewaaradvies neerslag.

8.5.6.1 Bewaaradvies neerslag

In samenwerking met Weerplaza wordt naast het ‘bewaaradvies vorst’ ook het ‘bewaaradvies neerslag’ aangeboden. ‘Bewaaradvies neerslag’ is vooral bedoeld om het moment te bepalen waarop de hoop bij voorkeur afgedekt dient te zijn voordat neerslag van betekenis gaat vallen. In een bietenhoop die te laat afgedekt wordt met vliesdoek nadat deze al flink is natgeregend duurt het nog lang voordat deze onder het vliesdoek weer is opgedroogd. Aan de andere kant kan het bij stabiel droog weer juist gunstig zijn om de hoop niet af te dekken om zoveel mogelijk natuurlijke ventilatie mogelijk te maken. Zeker bij bieten die net aan de hoop zijn gereden na de oogst komt in de eerste dagen nog de nodige warmte vrij. Via ‘bewaaradvies neerslag’ wordt inzichtelijk wanneer de weersverwachtingen zodanig zijn dat afdekken met vliesdoek aanbevolen wordt (zie figuur 8.5.6).

Afbeelding met kaart Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 8.5.6 Screenshot van het bewaaradvies neerslag op 16 november 2022.

8.5.6.2 Bewaaradvies vorst

Vliesdoek beschermt echter niet tegen vorst, waardoor bij vorst aanvullend winddichtmateriaal over het vliesdoek aangebracht moet worden.

Mits de bieten niet kort voor of aan het begin van een vorstperiode zijn gerooid, kan een hoop bieten één nacht met -3°C aan de grond over het algemeen zonder noemenswaardige schade doorstaan. Bij langere of strengere vorst zijn vorstbeschermende maatregelen nodig, te weten aanvullend afdekken van de hoop met winddicht materiaal, zoals landbouwplastic, noppenfolie, bietendoek of zeil met klittenband (Jupettes). Wanneer er afgedekt dient te worden en welk materiaal gebruikt dient te worden, hangt van het weer af. Tabel 8.5.1 geeft een overzicht van beschikbare materialen en richtlijnen voor het afdekken afhankelijk van de weersomstandig­heden.

Tabel 8.5.1 Overzicht van mogelijke afdekmaterialen en aanbrengadviezen op basis van weersomstandigheden.

buitentemperatuur bescherming opmerking
10 tot -1°C
  • geen regen voorspeld: geen bescherming/onafgedekt
  • veel (>10 mm) regen voorspeld: afdekken met vliesdoek
tijdens de eerste dagen na het rooien ontstaat veel warmte in de hoop. Deze warmte kan in onafgedekte hopen het beste worden afgevoerd. Indien veel regen wordt voorspeld kan de hoop vooraf het beste meteen worden afgedekt met vliesdoek.
-1 tot -6°C laag winddicht/isolerend materiaal aanbrengen bijvoorbeeld landbouwplastic (dikte minimaal 0,2 mm) of strodek aan de voet aanbrengen, noppenfolie (2,5-4 m) aan de voet onder vliesdoek aanbrengen, bietendoek over vliesdoek leggen, Jupettes aanbrengen (hechten niet op CSV COVAS-vliesdoek of op bevroren vliesdoek).
-6 tot -10°C extra laag plastic/zeil aanbrengen extra laag landbouwplastic over de hoop heen leggen, nok van bietendoek of Jupettes dichtleggen met landbouwplastic/zeil.
onder -10°C extra isolatie tussen de lagen stro of noppenfolie als extra isolatie tussen de lagen aanbrengen.

Op tijd het plastic (of ander winddicht materiaal) aanbrengen aan het begin van een vorstperiode voorkomt bevriezing en zorgt ervoor dat enige warmte in de hoop aanwezig blijft. Er treedt dan minder snel vorstschade op bij kortdurende extremere kou. Als het gevaar van bevriezing van de bieten weer geweken is, moet men het luchtdichte afdekmateriaal van de hoop verwijderen, omdat anders de temperatuur snel kan oplopen.

Het bewaaradvies vorst, wat tijdens de campagne in samenwerking tussen Weerplaza en het IRS tot stand komt, geeft waarschuwingsberichten over vorstgevaar en het nemen van maatregelen om hopen af te dekken of open te leggen, zie www.irs.nl/bewaaradvies. In tabel 8.5.2 staan de codes van deze waarschuwingsdienst met de bijbehorende weersituatie en het afdekadvies weergegeven.

Tabel 8.5.2 Gehanteerde codes met de bijbehorende weersituatie en het afdekadvies van het bewaaradvies vorst.

code weersituatie
advies
A Geen vorst van betekenis en ook geen verwachting van een vorstperiode. Geen vorstbeschermende maatregelen.

Bietenhopen moeten kunnen ventileren. Dus ook van volledig afgedekte hopen het winddichte afdekmateriaal geheel of gedeeltelijk verwijderen na een vorstperiode.

b Verwachting van een vorstperiode binnen 5 dagen waarbij de gemiddelde etmaaltemperatuur ten minste twee opeenvolgende dagen onder 0°C op 1,5 meter hoogte ligt. Bietenhopen winddicht afdekken!

Binnen enkele dagen wordt een vorstperiode verwacht. Om de warmte in de hoop te houden moeten de bieten nu al met winddichtmateriaal worden afgedekt.

B Gedurende minimaal 3 uur -1°C of lager op 1,5 meter hoogte en/of gedurende minimaal 3 uur aan de grond -3°C of lager. Bietenhopen winddicht afdekken!

Bij de huidige weersituatie waarin vorst zal voorkomen moeten de hopen zo spoedig mogelijk met winddichtmateriaal worden afgedekt.

C Bij 2 of meer dagen gedurende minimaal 3 uur -6°C of lager op 1,5 meter hoogte. Extra winddicht afdekmateriaal aanbrengen!

Bij de heersende vorstsituatie moet op de winddicht afgedekte hoop extra isolatiemateriaal worden aangebracht (bijvoorbeeld stro of pallets of iets dergelijks en daarover een tweede laag plastic).

Als voorbeeld is in figuur 8.5.7 een screenshot weergegeven van het kaartje van het bewaaradvies vorst op internet (www.irs.nl/bewaaradvies) op 13 januari 2021.

Afbeelding met kaart Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 8.5.7 Screenshot van het bewaaradvies vorst op 13 januari 2021.

8.5.6.3 Afdekmethoden/-materialen

Figuur 8.5.8 Vliesdoek met aan de zijkanten zeil voorzien van klittenband (Jupettes).
(Foto: leverancier.)

Welke afdekmethode de beste resultaten geeft, is weliswaar afhankelijk van de weersomstandighe­den. Echter, in het algemeen voldoen afdeksystemen die bestaan uit winddichtmateriaal aan de zij­kanten in combinatie met een enkele meters brede luchtdoorlatende strook over de top van de hoop. Afdekken met zwart landbouwplastic, waarbij de nok van de hoop voorzien is van een ontluch­tingskanaal, is ook mogelijk. Bij vorst moet dit kanaal dan wel worden afgesloten. Indien stro als isolatiemateriaal wordt gebruikt, dient dit wel droog te blijven, omdat nat stro niet meer isoleert. De combinatie vliesdoek met aanvullend Jupettes bij vorst (zie figuur 8.5.8) heeft afgelopen jaren goede bewaarresultaten laten zien en is gebruiksvriendelijk gebleken met betrekking tot het aanbrengen en afhalen. In figuur 8.5.9 zijn een aantal (combinaties van) afdekmaterialen weergegeven. Tabel 8.5.3 geeft globaal een overzicht van de verschillende afdekmogelijkheden.

Figuur 8.5.9 Diverse afdekmaterialen. Van links naar rechts: bietendoek, stro op vliesdoek, landbouwplastic en vliesdoek.

Tabel 8.5.3 Diverse (combinaties) van afdekmaterialen en de bijbehorende eigenschappen.

afdek-

materiaal

vorst-bescherming ventilatie neerslag-werend opmerkingen
onafgedekt -- ++ -- alleen bij temperaturen boven 0°C
landbouwplastic 0 -- ++ alleen bij vorst;

dikte minimaal 0,20 mm

vliesdoek - + 0/+1 bijvoorbeeld Toptex 110 g/m2; opbrengen als veel regen wordt voorspeld
bietendoek 0 + + top 3 m breed gaas
voor ventilatie;
opbrengen voor de vorst
vliesdoek +
bietendoek
+ 0 + bij vorst bietendoek aanbrengen
vliesdoek + noppenfolie + 0 0/+1 bij vorst noppenfolie aan de zijkanten onder het vliesdoek aanbrengen
vliesdoek + Jupettes + + 0/+1 Jupettes op vliesdoek; aanbrengen voor de vorst

++ = zeer goed; + = goed; 0 = matig; - = slecht; -- = zeer slecht

1goed bij dakvormige hoop

8.5.6.4 Bewaartemperatuur

Het is belangrijk om de temperatuur van de hoop goed in de gaten te houden. Let bij het meten van de temperatuur in de bietenhoop met een steekthermometer op onderstaande punten:

  • meet op verschillende plaatsen om een indruk te krijgen van de temperaturen in de hoop;
  • steek de thermometer op ooghoogte (1,5 meter) ongeveer horizontaal minimaal 50 cm in de hoop (zie figuur 8.5.10);
  • wacht ongeveer vijf minuten tot de temperatuur is ingesteld;
  • meet bij een volledig winddicht afgedekte hoop bovenin, want daar is de temperatuur het hoogst;
  • twijfelt u aan de juiste temperatuurweergave, dan kunt u dit controleren door bijvoorbeeld te kijken of de meter 0°C aangeeft na minimaal vijf minuten lang goed te roeren in water met veel ijs(klontjes).

Beschrijving: IMG_0003.jpg

Figuur 8.5.10 Gebruik van een steekthermometer om de temperatuur in de hoop te controleren.

Er is door Cosun Beet Company een tool ontwikkeld waar met behulp van sensoren de temperatuur in en buiten de bietenhoop gevolgd kan worden. Landelijk worden door Cosun Beet Company circa 50 digitale sensoren in bewaarhopen van suikerbieten geplaatst. Deze sensoren meten zowel de temperatuur in als buiten de hoop. Iedere 10 minuten worden de meetgegevens digitaal verzonden waardoor het temperatuurverloop in de bewaarhoop online te volgen is. De meetgegevens worden via het Cosun-ledenportaal en deze overzichtskaart inzichtelijk gemaakt. De kleur van het icoon in de kaart geeft aan hoe gunstig de temperatuur is geweest voor bewaring op basis van de dagtemperatuursgemiddelden van de laatste zeven dagen. Tussen de 0 en 10°C wordt dit aangegeven met groen. Tussen -2 en 0°C en tussen 10 en 15°C is dit oranje. Lager dan -2 of hoger dan 15°C wordt aangegeven met rood. Door op een sensorlocatie te klikken zijn de kenmerken van de bewaarhoop en het temperatuurverloop van de laatste 14 dagen te zien.

H:\ML\0901\2018\Foto's bewaarproef Puttershoek 2018\Voor Mediafiler\20181120_095004.jpg

Figuur 8.5.11 Digitale steekthermometer in een bietenhoop. Deze thermometer meet zowel de temperatuur in als buiten de hoop. De meetgegevens worden automatisch verzonden en zijn online te volgen.

Als de temperatuur in de hoop oploopt tot boven 8°C terwijl de buitentemperatuur lager ligt is ventilatie nodig en is het aan te raden om het afdekmate­riaal (gedeeltelijk) te verwijderen. De laagste suikerverliezen treden op bij een bewaartemperatuur van enkele graden boven nul.

In figuur 8.5.12 is schematisch een afdekschema weergegeven voor verschillende weersomstandigheden.

Figuur 8.5.12 Afdekschema voor bewaarhopen.

Meer informatie is te vinden in de bewaarbrochure: www.cosunleden.nl/teelt-campagne/bieten-bewaren. Hierna staan de belangrijkste aandachtspunten voor bewaring opgesomd.

Aandachtspunten bij bewaren van bieten:

  • op tijd rooien onder zo goed mogelijke omstandigheden;
  • geen zieke of bevroren bieten in de hoop;
  • zorg voor zo weinig mogelijk grondtarra, onkruid en bietenblad;
  • beperk breuk en beschadiging van de bieten;
  • goed kopwerk: bladresten moeten zoveel mogelijk verwijderd zijn;
  • zorg dat de stortplaats onder alle omstandigheden goed bereikbaar is voor vrachtautoˈs en laadapparatuur;
  • leg de hoop aan op een vlakke, bij voorkeur verharde, ondergrond;
  • zorg voor een goede waterafvoer op de stortplaats;
  • vorm de hoop zodanig dat het afdekmateriaal snel en effectief kan worden aangebracht en vastgelegd;
  • beperk de hoogte van de hoop tot ongeveer twee meter voor voldoende ventilatie en om extra bietbeschadiging te voorkomen;
  • bescherm de bieten tijdig tegen vorst;
  • voorkom oplopen van de temperatuur in de hoop door te zorgen voor voldoende ventilatie bij buitentemperaturen boven het vriespunt;
  • houd te allen tijde de temperatuur van de hoop in de gaten en pas zonodig de afdekking aan, zodat de bieten vorstvrij, koel en droog blijven.

9. Diagnostiek

9.1 Diagnostiek

Versie: maart 2024

Het IRS verricht diagnostisch onderzoek naar ziekten, plagen en gebreksverschijnselen in suikerbieten. Voor telers en adviseurs zijn er diverse hulpmiddelen beschikbaar om een juiste diagnose te kunnen stellen:

Indien er na het raadplegen van deze informatie nog steeds onduidelijkheid is over de oorzaak, dan kunnen teeltadviseurs (medewerkers van de suikerindustrie en andere kennisintermediairs, zoals gewasbeschermingshandel, coöperaties of Delphy), een monster opsturen naar het IRS. Vooral voor bladvlekkenziekten is het noodzakelijk om na een juiste diagnose snel te handelen. Sommige ziekten en plagen, zoals rhizomanie, rhizoctonia en aaltjes, zijn echter niet binnen het lopende teeltseizoen te bestrijden, maar de juiste diagnose kan schade in de volgende bietenteelt voorkomen.

Aan deze diagnostische service zijn behalve de verzendkosten, geen onderzoekskosten verbonden. Wel vragen wij u om bij het monster een volledig ingevuld Diagnostiek Inzendformulier mee te sturen. Het is de verantwoordelijkheid van de inzender om het monster van de juiste gegevens te voorzien. Deze gegevens hebben wij nodig om:

  1. zo snel mogelijk de juiste diagnose te stellen. Vooral informatie over het ziektebeeld, grondsoort, pH, relevante bespuitingen, ras en de voorvruchten zijn daarbij van belang;
  2. te weten aan wie we de uitslag moeten doorgeven;
  3. een beter inzicht te krijgen in de verspreiding en de mate van optreden van ziekten en plagen om nog slagvaardiger in te kunnen spelen op toekomstige bedreigingen voor de bietenteelt.

Een formulier dat onvolledig of onjuist is ingevuld, kan leiden tot het stellen van een verkeerde diagnose!

Het opsturen van monsters

Teeltadviseurs kunnen monsters opsturen, vergezeld van een volledig ingevuld formulier.

LET OP!: Stuur de monsters altijd zo snel mogelijk op, maar NIET op vrijdag. Als de monsters een aantal dagen bij te hoge temperaturen bewaard worden, gaat het materiaal snel achteruit en wordt het moeilijk of zelfs onmogelijk om een diagnose te stellen . Als de monsters op vrijdag worden verzameld, bewaar ze dan in de koelkast en stuur ze pas na het weekend op naar het IRS.

Alleen teeltadviseurs kunnen monsters insturen. Monsters kunnen worden opgestuurd naar:

IRS

p.a. Cosun innovation center

Diagnostiek

Postbus 20

4670 AA Dinteloord

Telefoon 0165 - 516 070

E-mail: diagnostiek@irs.nl

Regelmatig ontvangen wij enveloppen die onvoldoende gefrankeerd zijn. Vaak komen deze enveloppen met grote vertraging aan en is diagnose aan het monster niet meer mogelijk. Wij vragen u met nadruk om de post voldoende te frankeren. Op de website van PostNL kunt u vinden hoeveel postzegels geplakt dienen te worden.

Uiteraard is het ook mogelijk om monsters bij het IRS af te geven (ma-vrij, 08.00-16.00 uur; p.a. Cosun innovation center, Kreekweg 1, Stampersgat). IRS Diagnostiek bevindt zich in het BeetLab, gelegen tegenover het Cosun innovation center. Kies bij aankomst de leveranciersingang, bel aan bij het hek en meld dat u een monster af komt geven bij IRS Diagnostiek. Rijd vervolgens door naar de grote roldeur van het BeetLab, aan de rechterkant. Hier kunt u de monsters wegleggen in de speciale diagnostiekkoelkast. Deze vindt u achter de roldeur. Het monster zal de volgende werkdag in behandeling worden genomen. Heeft u ter plaatse nog vragen over het diagnostiekmonster, bel dan 06 - 34161043 of bel bij geen gehoor de receptie van het Cosun innovation center, 0165 - 516 015 en vraag naar IRS Diagnostiek.

Hoe u het beste de monsters kunt opsturen

Een goed monster bestaat uit meerdere planten met een verschillende mate van aantasting. Ook het meesturen van een gezonde plant draagt bij aan het stellen van de juiste diagnose.

a. Jonge bietenplanten

  1. Graaf jonge bietenplanten met aantasting of gebrekkige groei voorzichtig uit. Stuur bij achterblijvende groei ook een gezonde bietenplant mee. Stuur ze op met aanhangende grond tussen gras en/of papier en in plastic verpakt.
  2. Zorg ervoor dat u 200 gram grond samen met het monster meestuurt, zodat direct bij binnenkomst aanvullende onderzoeken kunnen plaatsvinden. Soms zien wij aan de planten niets, maar meten we bijvoorbeeld een lage pH of vinden we insecten of grote aantallen aaltjes. Meteen grond meesturen, geeft een snellere uitslag!
  3. Stuur zo snel mogelijk uw monsters op, vergezeld van een volledig ingevuld diagnostiekformulier.
  4. Bij mogelijke herbicidenschade kunnen aangetaste bietenplanten worden opgestuurd voor een visuele beoordeling. Bij het IRS zijn geen residubepalingen van middelen van grond en gewas mogelijk. Daarvoor wordt verwezen naar gespecialiseerde bedrijven.

b. Wortelaantasting of wortelrot

  1. Graaf wortels voorzichtig uit. Trek ze niet uit de grond.
  2. Stuur in geval van rotte bieten (in het land of aan de hoop) alleen planten op met ook genoeg grote delen gezond weefsel. Volledig rotte wortels zijn niet te gebruiken om de oorzaak vast te stellen.
  3. Laat een beetje grond rond de wortels zitten. Spoel de wortels nooit schoon en snijdt ze niet door.
  4. Stuur in geval van wortelaantasting ook 200 gram grond mee. Bij vermoeden van aaltjes, kunnen we dit dan direct nagaan.
  5. Laat bladeren aan de plant zitten.
  6. Stuur zo snel mogelijk uw monsters op, vergezeld van een volledig ingevuld diagnostiekformulier.

c. Bladaantasting

Bladschimmels kunnen bladaantasting veroorzaken. Bladeren kunnen ook geel verkleurd zijn als de wortels zijn aangetast, door vergelingsziekte en/of wanneer er een gebrek of overmaat aan nutriënten is.

  1. Verpak, in geval van vermoeden van bladschimmels, een aantal droge bladeren in plastic (niet vochtig maken en als de bladeren nat zijn, dan eerst droogdeppen).
  2. Stuur, in geval van vermoeden van vergelingsziekte, een paar aangetaste bladeren op. Doe dit zo spoedig mogelijk na het signaleren van de vergeling.
  3. Graaf, in geval van andere soorten geelverkleuring van de bladeren, bieten met zijwortels voorzichtig uit. Stuur 200 gram grond mee en laat bladeren aan de plant zitten. Wij ontvangen daar graag wortels bij, omdat veel soorten geelverkleuring worden veroorzaakt door een verstoorde wortelgroei.
  4. Stuur, in geval van vermoeden van gebreksverschijnselen, ook gezonde bladeren van vergelijkbare grootte mee.
  5. Stuur zo snel mogelijk uw monsters op, vergezeld van een volledig ingevuld diagnostiekformulier.

d. Vraat

  1. Stuur als er sprake is van vraat, bijvoorbeeld door insecten of slakken, de aangetaste plantdelen op. Indien mogelijk graag ook de mogelijke veroorzaker mee opsturen.
  2. Haal in het jonge plantstadium de planten met een klein schepje uit de grond en stuur de planten met minimaal 200 gram grond op. Vaak zijn de insecten nog terug te vinden in de grond rondom de aangetaste plant.
  3. Stuur zo snel mogelijk uw monsters op, vergezeld van een volledig ingevuld diagnostiekformulier.

Uitslagen van monsters

1. Bladvlekkenziekten

Hiervan is de uitslag meestal op de dag van binnenkomst bekend. De inzender stellen wij hiervan telefonisch en/of per e-mail op de hoogte.

2. Virussen, schimmels en SBR

Bij virusziekten duren de definitieve uitslagen wat langer. Op de dag van binnenkomst wordt meestal een uitslag van vermoeden van een virusziekte gegeven. Om de kosten te beperken, worden voor de rhizomanie-, vergelingsziekte en SBR-bepalingen de monsters per serie ingezet. Het kan soms even duren voordat er voldoende materiaal binnen is om een bepaling uit te voeren. Dit kan betekenen dat de uitslag enkele weken tot maanden op zich laat wachten. Zodra de uitslag bekend is, wordt de inzender hiervan op de hoogte gesteld. Voor rhizoctonia of andere bodemschimmels kan de uitslag binnen drie tot vijf werkdagen bekend zijn. Aanvullende identificatie wordt ook seriematig uitgevoerd. Dit gebeurt meestal eenmaal per jaar in de winter. Zodra de onderzoeksuitslagen van deze monsters bekend zijn, stellen we de inzender hiervan op de hoogte.

3. Overige monsters

Hiervoor geldt dat de uitslag meestal binnen een tot vijf werkdagen bekend is. Soms is aanvullend onderzoek nodig en laat de uitslag op zich wachten. Uiteraard informeren wij de inzender hierover. Zodra de uitslagen van deze monsters bekend zijn, wordt de inzender hiervan op de hoogte gesteld.

Resultaten van diagnostiek

De uitslagen van de monsters en resultaten van diagnostiek worden niet aan derden verstrekt. Ze worden wel gebruikt om ziekten en plagen in de bietenteelt te monitoren. Elk jaar wordt in het jaarverslag van het IRS onder project ˈ07-03 Diagnostiekˈ een samenvatting van de meest voorkomende oorzaken en de bijzondere schadeverwekkers vermeld.

Afbeelding met tekst Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 9.1 Het stellen van een diagnose op een perceel (deel 1).

Afbeelding met tekst Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 9.2 Het stellen van een diagnose op een perceel (deel 2).

10. Ziekten & plagen

10.1 Algemeen

Versie: april 2022

Uit het bedrijfsparenonderzoek SUSY bleek dat ziekten en plagen een grote invloed hebben op het opbrengstniveau van de suikerbieten. De variatie in suikeropbrengst tussen telers kon gemiddeld voor 50% worden verklaard door de aanwezigheid van ziekten en plagen. Ondanks het nemen van gewasbeschermingsmaatregelen veroorzaakten ziekten en plagen alsnog 24% suikeropbrengstderving. Het is dus heel belangrijk om de juiste gewasbeschermingsmaatregelen op het juiste moment te nemen. Dit is onderdeel van een duurzame gewasbescherming. In dit hoofdstuk staat achtergrondinformatie beschreven voor de meest belangrijke ziekten en plagen. De overige ziekten en plagen staan vermeld in de applicatie 'Ziekten en plagenˈ.

Algemene informatie over gewasbescherming, zoals het gewasbeschermingsbulletin, de milieumeetlat en de toelatingssituatie van gewasbeschermingsmiddelen kunt u vinden in hoofdstuk 5.1. De principes van een duurzame gewasbescherming, waarnaar meerdere malen wordt verwezen in dit hoofdstuk, staan in hoofdstuk 5.2. De belangrijke details voor uitvoeren van een bespuiting zijn beschreven in hoofdstuk 5.4.   

10.2 Aaltjes

Versie: maart 2024

10.2 Aaltjes
10.2.1 Inleiding
10.2.2 Bemonsteren
10.2.3 Bietencysteaaltjes
10.2.4 Wortelknobbelaaltjes
10.2.5 Vrijlevende wortelaaltjes
10.2.6 Stengelaaltjes

10.2.1 Inleiding

In Nederland wordt in suikerbieten de meeste schade veroorzaakt door bietencysteaaltjes, wortelknobbelaaltjes, vrijlevende wortelaaltjes en stengelaaltjes. Soorten van deze groepen die schade doen in suikerbieten, zijn:

  • bietencysteaaltjes
  • wit bietencysteaaltje (Heterodera schachtii)
  • geel bietencysteaaltje (Heterodera betae)
  • wortelknobbelaaltjes
  • noordelijk wortelknobbelaaltje (Meloidogyne hapla)
  • graswortelknobbelaaltje (Meloidogyne naasi)
  • maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi)
  • bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne fallax)
  • vrijlevende wortelaaltjes
  • Trichodorus similis
  • Trichodorus primitivus
  • Paratrichodorus teres
  • Paratrichodorus pachydermus
  • stengelaaltje
  • Ditylenchus dipsaci

Het is belangrijk om te weten welke aaltjes op een perceel aanwezig zijn om de juiste maat­regelen te treffen om schade te beperken. Hoe en wanneer het beste een grondmonster kan worden gestoken staat beschreven in paragraaf 10.2.2 ˈBemonsterenˈ. Informatie over de aaltjes, schadedrempels en bestrijdingsmethoden zijn te vinden in de paragrafen 10.2.3 tot en met 10.2.6.

10.2.2 Bemonsteren

Om een goede indruk te krijgen welke aaltjes u hebt op uw perceel, hoeveel dit er zijn en wat voor schade u kunt verwachten, is het belangrijk een grondmonster te laten onderzoeken. Dit kan gebeuren bij onder andere Eurofins Agro, HLB, Nemacontrol en Normec RobaLab.

Voor bietencysteaaltjes, trichodoriden en wortelknobbelaaltjes is de benodigde hoeveelheid grond 1200 ml per hectare. Neem daarvoor 60 steken verspreid per hectare van 25 cm diep. Wilt u het grondmonster tegelijkertijd laten onderzoeken op al deze soorten aaltjes, dan is december tot en met maart de beste periode. Voor trichodoriden dient de grond koel en vochtig te zijn. Voor wortelknobbelaaltjes raden wij u aan om de monsters te laten analyseren met de incubatietechniek. Dan worden ook de aaltjes meegenomen die in het organisch materiaal (wortel- en gewasresten) aanwezig zijn. Indien deze techniek niet wordt toegepast, dan is de uitslag een onderschatting van het werkelijke aantal. Voor stengelaaltjes gelden speciale eisen. Zo moet bijvoorbeeld meer grond worden geanalyseerd, omdat bij enkele aaltjes per liter grond al schade kan ontstaan. Neem daarom vooraf contact op met het laboratorium. Het beste tijdstip voor alleen onderzoek naar bietencysteaaltjes vindt u hieronder.

Tijdstip voor bietencysteaaltjesonderzoek

Bemonstering op bietencysteaaltjes kan tussen de oogst van elk gewas (mits niet-waardgewas) in de rotatie en het bietenzaaien. Doe dit niet na de teelt van gewassen en groenbemesters die waardgewas zijn voor bietencysteaaltjes, zoals rode biet, spinazie, broccoli en koolsoorten. In paragraaf 10.2.3 staat een compleet overzicht van de waardplanten. De uitslag kan invloed hebben op de rassenkeuze en daarom is het zaak om op tijd te bemonsteren. Houd er rekening mee dat het bietencysteaaltjesonderzoek zes weken kan duren. Na de teelt van een kruisbloemige groenbemester of waardgewas mag men binnen een half jaar geen monster nemen. Eventueel nieuw gevormde cysten worden niet goed aangetoond in het laboratorium. De uitslag is dan een onderschatting van de werkelijkheid. Kortom, het is het beste om in het jaar voorafgaand aan de suikerbieten een grondmonster te laten analyseren, zodat de uitslag bij de rassenkeuze zowel in augustus als december kan worden meegenomen.

Kies bij een zware tot zeer zware besmetting (tabel 10.2.1) indien mogelijk een ander perceel, ook bij de uitzaai van bietencysteaaltjesrassen met partiële resistentie. Bij hoge dichtheden bietencystenaaltjes blijven ook deze rassen in opbrengst achter.

Bij het aaltjesonderzoek ontvangt u een verslag met de mate van besmetting van het perceel. Naast het totaal aantal gevonden cysten, het aantal levenskrachtige cysten en het aantal eieren en larven vermeldt het ook de hieruit voortvloeiende besmettingsklasse. De indeling in klas­sen kan per laboratorium verschillend zijn. Tabel 10.2.1 geeft de indeling voor het witte bieten­cysteaaltje weer, zoals het IRS ze gebruikt.

Tabel 10.2.1 Aantal eieren en larven per besmettingsklasse van het witte bietencysteaaltje voor gronden met minder dan 13% lutum en gronden met meer dan 13% lutum.

Lutum aantal eieren+larven per besmettingsklasse
niet besmet zeer licht licht matig vrij zwaar zwaar zeer zwaar
<13%* 0 1-100 101-300 301-600 601-1.500 1.501-3.000 >3.000
>13%* 0 1-150 151-400 401-700 701-2.000 2.001-4.000 >4.000

*13% lutum komt ongeveer overeen met 20% slib.

Meer informatie

Meer informatie over de manier waarop en wanneer u het beste kunt bemonsteren en andere informatie over aaltjes is te vinden in het handboek ˈAaltjesmanagement in de akkerbouwˈ dat uitgebracht is in het kader van het Actieplan Aaltjesbeheersing.

10.2.3 Bietencysteaaltjes

Er zijn in Nederland twee soorten bietencysteaaltjes, die schade doen aan suikerbieten:

In deze paragraaf worden de beide bietencysteaaltjes gezamenlijk besproken, tenzij anders vermeld.

Schadebeeld

Kiemplanten die zijn aangetast door bietencysteaaltjes, blijven pleksgewijs achter in groei. Bij het gele bietencysteaaltje is er kans op plantwegval bij vroege aantasting. Vanaf het zesbladstadium kan er bij beide aaltjes soorten onder droge omstandigheden verwelking optreden. Bij oudere planten kenmerkt het schadebeeld zich door pleksgewijze ˈslapende bietenˈ (figuur 10.2.1), bieten met gele bladeren (figuur 10.2.2) en sterk in groei achterblijvende planten. Dit effect is het grootst onder droge omstandigheden. De buitenste bladeren vergelen, verdrogen en sterven af. Vaak treedt magnesiumgebrek op als gevolg van bietencysteaaltjes en bovendien kan de aantasting door verticillium worden versterkt (zie paragraaf 10.5.2). De hoofdwortel is slecht ontwikkeld en vormen er zich veel zijwortels. Op deze wortels zijn citroenvormige, speldenknopgrote cysten waarneembaar (figuur 10.2.3). Bij het witte bietencysteaaltje zijn deze cysten eerst wit en kleuren later bruin (figuur 10.2.4). Cysten van het gele bietencysteaaltje verkleuren tijdens de ontwikkeling van wit via geel naar bruin (figuur 10.2.5 & 10.2.6).

In jaren met een droge zomer heeft een lage besmetting al grote invloed op de opbrengst. Een hoge besmetting kan zelfs leiden tot een 50% lagere opbrengst bij een vatbaar ras. De schade uit zich hoofdzakelijk in vermindering van het wortelgewicht. Bietencysteaaltjes beïnvloeden slechts zelden het suikergehalte en de winbaarheid. Wel kan door de versterkte zijwortelvorming, afhankelijk van de weersomstandigheden tijdens groei en oogst, de hoeveelheid grondtarra toenemen. Daarnaast kan door bietencystenaaltjes secundaire aantasting zoals mangaangebrek en verticiliumaantasting optreden, wat wel invloed heeft op het suikergehalte.

Voor meer informatie over de schadebeelden en fotoˈs zie de applicatie ˈZiekten & Plagenˈ op www.irs.nl.


Figuur 10.2.1 Een plek slapende bieten door aantasting met witte bietencysteaaltjes.


Figuur 10.2.2 Magnesiumgebrek en verticillium kunnen ontstaan doordat bietencysteaaltjes de wortels hebben aangeprikt.


Figuur 10.2.3 Cysten van het witte bietencysteaaltje vergroot onder een binoculair. Deze cysten zitten gevuld met eieren en larven.


Figuur 10.2.4 Bietencysten van het witte bietencysteaaltje op de wortels van een jonge plant. De cysten zijn ongeveer 1 mm groot.


Figuur 10.2.5 Gele bietencysten op de wortels van een aangetaste biet.


Figuur 10.2.6 Cysten van het gele bietencysteaaltje kleuren tijdens de ontwikkeling van wit via geel naar bruin.

Verspreiding van bietencysteaaltjes

Het witte bietencysteaaltje is al meer dan 150 jaar geleden voor het eerst waargenomen en veroorzaakt schade in suikerbieten. Uit onderzoek in 2005 en 2006 blijkt dat dit aaltje door heel Nederland voor komt.

Het gele bietencysteaaltje daarentegen, is pas in het midden van de jaren zeventig voor het eerst waargenomen. De verspreiding ervan is beperkt tot de zand- en dalgronden (figuur 10.2.7).

Gedetailleerde informatie is te vinden in het rapport ˈVerspreiding van witte bietencysteaaltjes (Heterodera schachtii) en gele bietencysteaaltjes (H. betae) in Nederland - Inventarisatie 2005 en 2006ˈ. Daarnaast is in 2020 en 2021 een bemonstering gedaan om de besmettingsgraad van witte bietencysteaaltjes te onderzoeken in gebieden waar in het verleden hoge besmettingen werden gevonden. Dit staat beschreven in rapport: ‘Besmettingsgraad van witte bietencysteaaltjes (Heterodera schachtii) op percelen met een 1 op 7 tot en met 1 op 4 waardplantrotatie i.c.m. rassenkeuze’.


Figuur 10.2.7 Plaatsen waar het gele bietencysteaaltje is gevonden in grondmonsters en diagnostiek­monsters van het IRS van 2005 tot en met 2021.

Levenscyclus en vermeerdering

In het voorjaar komen de larven uit de cysten en trekken naar de jonge wortels die ze vervolgens binnendringen (figuur 10.2.8). Bij het witte bietencysteaaltje gebeurt dit bij bodemtemperaturen boven 8°C en bij het gele bietencysteaaltje boven 15°C. In de jonge wortels ontwikkelen de witte bietencysteaaltjes zich tot mannetjes en vrouwtjes. Bij gele bietencysteaaltjes worden vrijwel uitsluitend vrouwtjes gevormd (parthogenese). Bij beide aaltjes zwellen de vrouwtjes op, breken door het worteloppervlak en zijn van buitenaf te zien als witte cysten ter grootte van een citroenvormige speldenknop. Bij het gele bietencysteaaltje verkleuren ze vervolgens geel. Afhankelijk van de weersomstandigheden en de lengte van het teeltseizoen kunnen drie tot vier generaties per jaar tot ontwikkeling komen. Daarbij speelt niet alleen de totale temperatuursom van het teeltseizoen een rol, maar zijn ook temperatuur en vochtigheid gedurende de periode dat de jonge larven naar het wortelstelsel trekken belangrijk. Voor het witte bietencysteaaltje is het mogelijk de aantallen generaties te berekenen op basis van de totale temperatuursom. Dit is de som van de dagelijkse gemiddelde bodemtemperaturen minus de basistemperatuur van 8°C. Voor het voltooien van één levenscyclus is een temperatuursom van ongeveer 465°C nodig. Bij een gemiddelde bodemtemperatuur, van bijvoorbeeld 14°C, heeft het witte bietencysteaaltje 465/(14-8) = 78 dagen nodig om zijn cyclus te volbrengen.

Daarnaast spelen bij de vermeerdering (Pf/Pi: eindpopulatie/beginpopulatie) van bietencysteaaltjes de beginbesmetting en het bietenras een rol. Dit kunt u doorrekenen met de applicatie ˈWitte bietencysteaaltjesmanagementˈ op de IRS-website (figuur 10.2.9). Is de vermeerderingsfactor (Pf/Pi) lager dan 1, dan is er sprake van uitzieking (afname van de populatie). Is de Pf/Pi hoger dan 1, dan is er sprake van een toename van het aantal eieren en larven. In het veld kan de vermeerdering tussen percelen enorm verschillen. Dit heeft te maken met het lutumgehalte van de grond, het aantal van nature voorkomende natuurlijke vijanden van bietencysteaaltjes (antagonisten) in de grond, de vochtigheid en de beginbesmetting.

Afbeelding met diagram Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 10.2.8 Levenscyclus van het witte bietencysteaaltje.

Afbeelding met tekst, schermopname, Webpagina, software Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 10.2.9 Voorbeeld uit de applicatie ˈWitte bietencysteaaltjesmanagementˈ op www.irs.nl. Hier is het effect van verschillende categoriën bietenrassen en van bouwplannen op de hoeveelheid witte bietencysteaaltjes te zien.

Beheersmaatregelen

Om risicoˈs te spreiden en om niet door aantastingen verrast te worden, is het noodzakelijk besmettingen met bietencysteaaltjes op meerdere manieren te beheersen:

  • centraal staat daarbij het grondmonsteronderzoek, omdat bij alle maatregelen de hoogte van de besmetting een belangrijke rol speelt (zie 10.2.2 Bemonsteren);
  • een ruimere vruchtwisseling met niet-waardplanten;
  • de teelt van een resistente kruisbloemige groenbemesters;
  • het zaaien van een partieel resistent bietencysteaaltjesras.

De laatste drie maatregelen zijn onderdeel van het voorkomen en/of vernietigen van schadelijke organismen door een geïntegreerde gewasbescherming (zie hoofdstuk 5.2). Bij aanwezigheid van bietencysteaaltjes worden partieel resistente rassen, ook wel tolerante rassen genoemd, geadviseerd. Deze rassen hebben een betere opbrengst bij de aanwezigheid van bietencystenaaltjes en beperken de vermeerdering.

Als een perceel besmet is met bietencysteaaltjes, is het nodig rekening te houden met het bouwplan. Daarmee kunnen grote opbrengstverliezen worden voorkomen.

Populaties van zowel het witte als gele bietencysteaaltje kunnen onder niet-waardgewassen (zoals aardappelen, granen en uien) uitzieken. Door de juiste gewassen in de rotatie op te nemen, verkleint de kans op vermeerdering en overleving van de aaltjes. Dit is bovendien een onderdeel van een geïntegreerde aanpak van de bietencysteaaltjes (zie ook hoofdstuk 5.2).

De gemiddelde uitzieking van het witte bietencysteaaltje onder een niet-waardgewas bedraagt circa 35%, maar ook dit cijfer is sterk afhankelijk van de besmettingsgraad. Bij een hoge besmetting kan de uitzieking oplopen tot 70%, afhankelijk van de aanwezigheid van natuurlijke vijanden van bietencysteaaltjes. Met een zesjarige rotatie van suikerbieten, zonder andere waardplanten in het bouwplan, is het witte bietencysteaaltje redelijk te beheersen. Dit is in 2020 en 2021 onderzocht door middel van bemonstering van percelen met een 1 op 4 tot en met 1 op 7 waardplanten rotatie. Op de bemonsteringspercelen met een rotatie ruimer dan 1 op 6 werd geen of slechts een hele lichte besmetting aangetroffen. De resultaten en conclusies zijn beschreven in het rapport: ‘Besmettingsgraad van witte bietencysteaaltjes (Heterodera schachtii) op percelen met een 1 op 7 tot en met 1 op 4 waardplantrotatie i.c.m. rassenkeuze’. Bij het gele bietencysteaaltje is de uitzieking nog hoger, omdat bij het uitlopen van de larven lokstoffen een geringere rol spelen dan bij het witte bietencysteaaltje en de gevoeligheid voor natuurlijke vijanden groot is. Hierdoor kan binnen enkele maanden 80% van de populatie verdwijnen en kan men met een rotatie van 1 op 4 waardplanten, het gele bietencysteaaltje redelijk beheersen. Voor beide bietencysteaaltjessoorten is de variatie in uitzieking echter zeer groot en afhankelijk van weersomstandigheden. Dit maakt het noodzakelijk regelmatig grondmonsteronderzoek te laten uitvoeren. Beide aaltjessoorten kunnen echter tot wel 15 jaar overleven. Dit betekent dat als er eenmaal een besmetting met bietencysteaaltjes op het perceel aanwezig is, dit zelden meer verdwijnt. Indien bietencysteaaltjes aanwezig zijn, beperk dan de teelt van overige waardgewassen.

Waardplanten van het witte bietencysteaaltje zijn:

  • suikerbieten, voederbieten, kroten
  • spinazie;
  • alle koolsoorten, koolzaad, stoppelknollen
  • rabarber;
  • niet-resistente bladrammenas en gele mosterd;
  • veel soorten onkruiden, zoals alle soorten ganzevoeten en veel kruisbloemigen (onder andere knopherik). Vooral geringe besmettingen bietencysteaaltjes houden stand of vermeerderen zelfs door de aanwezigheid van waardonkruiden.

De waardplantenreeks van het gele bietencysteaaltje omvat naast de waardplanten van het witte bietencysteaaltje ook de vlinderbloemige gewassen stamslaboon (Phaseolus vulgaris), tuinboon (Vicia faba), wikke (Vicia sativa) en in mindere mate enkele klavers. Ook een aantal onkruiden (zoals zuring en vogelmuur), lipbloemigen en anjer zijn waardplanten voor het gele bietencysteaaltje. Erwt wordt wel aangetast, maar het is geen waardgewas voor het gele bietencysteaaltje, deze vermeerdert zich er dus niet op.

Bij het opstellen van een bouwplan en inschatting van de schadekansen dient men zich te realiseren dat het bietencysteaaltje zich op waardplanten evengoed vermeerdert als op bieten, met uitzondering van vroege of late spinazie voor de conserventeelt. Door de relatief korte teelt van de conserven kunnen minder generaties bietencysteaaltjes tot ontwikkeling komen dan bij bieten. Dit geldt niet als spinazie voor het zaad wordt geteeld en ook niet als er gedurende het hele seizoen onkruiden op een perceel staan die  waardplanten zijn van het witte bietencysteaaltje.

Bij een rotatie van 1 op 4 bij het gele bietencysteaaltje en 1 op 6 bij het witte bietencysteaaltje of ruimer wordt meestal geen schade van betekenis ondervonden. Daarbij is het wel belangrijk om andere waardgewassen en onkruiden die waardplanten zijn in andere gewassen te voorkomen, omdat deze ook het cysteaaltje kunnen vermeerderen.

Mogelijke gevolgen van veranderingen in een bouwplan op de hoeveelheid witte bietencysteaaltjes kunt u doorrekenen met de applicatie ˈWitte bietencysteaaltjesmanagementˈ op de IRS-website (figuur 10.2.9).

Partiële resistente bietenrassen

Bietencysteaaltjesresistente rassen (BCA-rassen) zijn partieel resistent tegen witte en gele bietencysteaaltjes. Dit betekent dat er nog altijd vermeerdering van deze aaltjes kan plaatsvinden, maar wel minder dan bij vatbare rassen (figuur 10.2.10). Bovendien zijn deze rassen ook tolerant voor bietencysteaaltjes, waardoor ze relatief weinig schade ondervinden van de bietencysteaaltjes. Vanaf het moment dat bietencysteaaltjes aanwezig zijn op een perceel, is het al rendabel om partieel resistente bietenrassen te zaaien (zie hoofdstuk 1.4 Rassenkeuze), omdat de opbrengst van deze rassen onder niet besmette omstandigheden vaak al vergelijkbaar is met vatbare rassen. In de brochure ‘Suikerbietenzaad’ staan de eigenschappen van deze rassen, bepaald op proefvelden met bietencysteaaltjes. Daarin staan tevens rassen met een extra resistentie voor rhizoctonia en/of een aanvullende resistentie voor rhizomanie (zie ook hoofdstuk 1.6 Brochure suikerbietenzaad). Bij een zware tot zeer zware besmetting (>1.500 eieren en larven/100 ml grond) is het verstandig om de bieten, indien mogelijk, op een ander perceel te telen. Ook bij de teelt van partieel resistente rassen ontstaat er bij hoge aaltjesdichtheden toch schade.

Naast een bietencysteaaltjesresistent ras zijn aanvullende maatregelen nodig om de besmetting verder te verminderen.

Resistente groenbemesters als vanggewas

Het zaaien van groenbemesters met een resistentie tegen bietencysteaaltjes, zoals BCA resistente bladrammenas of gele mosterd, kan onder gunstige omstandigheden de besmettingsgraad van witte en gele bietencysteaaltjes sterk terugdringen. Dit effect is zelfs nog sterker dan het effect van niet-waardgewassen. In het bedrijfsparenonderzoek SUSY gebruikten de telers met de hoogste opbrengsten in een regio vaker een groenbemester. Zij kozen veel vaker voor BCA resistente bladrammenas of gele mosterd als groenbemester dan telers met een gemiddelde opbrengst in diezelfde regio. Dit draagt bij aan een veel lagere besmettingsgraad voor bietencysteaaltjes op de percelen van de telers met de hoogste opbrengsten.

De wortels van resistente gele mosterd en bladrammenas (rassenlijst groenbemesters) scheiden lokstoffen uit. Larven van het bietencysteaaltje worden hierdoor actief uit de cysten gelokt. De larven kunnen op deze groenbemesters niet tot ontwikkeling komen waardoor er weinig nieuwe cysten ontstaan en de populatie dus afneemt. De afname is het grootst wanneer deze groenbemesters na een vroegruimend gewas, in ieder geval voor begin augustus, gezaaid worden.

De uitzieking (populatie afname) van witte bietencysteaaltjes is onder het niet-waardgewas circa 30% per jaar en bij de nateelt met een resistente groenbemester komt daar 0-35% extra uitzieking bij. De effecten van de nateelt zijn sterk afhankelijk van de kwaliteit van het zaaibed, de structuur in de bouwvoor, het temperatuurverloop in het najaar en het vochtgehalte van de bodem. Naarmate de temperatuur gedurende de herfst terugloopt, neemt de lokkende werking af. Daarom geldt: hoe eerder de groenbemester is gezaaid, des te groter is het effect. Echter, het kan voorkomen dan zelfs bij een relatief late zaai een goed resultaat wordt bereikt. Wanneer een temperatuursom van circa 465°C wordt bereikt tijdens de teelt, kan een goed resultaat worden bereikt. De temperatuursom kan berekend worden door 8°C van de gemiddelde dagtemperatuur af te trekken en al deze waardes per dag bij elkaar op te tellen. Zodra de 465°C wordt overschreden is de temperatuursom bereikt (bron: aaltjesschema). Dagen met een temperatuur onder 0°C worden niet meegerekend.

Daarentegen kan het onder droge omstandigheden in de nazomer voorkomen dat de cysten onvoldoende worden gelokt door resistente groenbemesters. De kansen op een goede reductie van het aantal aaltjes worden vergroot door een paar kilo zaad meer te gebruiken dan het advies luidt. De wortels zullen zich in de onderlinge competitie sneller ontwikkelen. Bij een grotere wortelmassa zullen meer larven uit de cysten worden gelokt. Wanneer de groenbemester pas na half augustus wordt gezaaid, is gele mosterd een betere keuze dan bladrammenas. Gele mosterd ontwikkelt zich namelijk sneller dan bladrammenas. Om de ontwikkeling van de groenbemester te verbeteren is het belangrijk om 40 tot 80kg stikstof per hectare te geven.

Bij alle resistente kruisbloemige groenbemesters geldt dat het effect het grootst is bij een zeer goede doorworteling. Maak dan ook een zaaibed klaar dat zich in kwaliteit niet onderscheid van dat voor bieten of andere gewassen of gebruik meer zaad dan het advies.

Meer informatie over deze groenbemesters en mengsels is te vinden in hoofdstuk 5.6 Groenbemesters en specifiek over het geel bietencysteaaltje is meer te lezen in het rapport ˈWaardplantrelaties geel bietencysteaaltje voor groenbemestersˈ.


Figuur 10.2.10 Het effect van vatbare en partieel resistente rassen op de eindbesmetting met witte bietencysteaaltjes op de rassenproefvelden in Creil, Goudswaard, De Heen en Westmaas in 2014. Verschillende letters (a, b, enzovoort) in de figuur duiden op significante verschillen (lsd 5% = 2745).

Meer informatie

Meer infomatie over de schade en beheersing van bietencysteaaltjes is te vinden in:

10.2.4 Wortelknobbelaaltjes

Er zijn vier soorten wortelknobbelaaltjes die schade veroorzaken aan suikerbieten in Nederland:

  • noordelijk wortelknobbelaaltje (Meloidogyne hapla);
  • graswortelknobbelaaltje (Meloidogyne naasi);
  • maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi);
  • bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne fallax).

In 2004 is er een nieuw soort wortelknobbelaaltje (Meloidogyne minor) beschreven1. Het ziet er naar uit dat dit aaltje zich niet vermeerdert op en geen schade doet in suikerbieten en wordt daarom niet verder in teelthandleiding behandeld.

Schade in de bieten door wortelknobbelaaltjes ontstaat, doordat planten achterblijven in groei. In het veld komt dit vaak pleksgewijs voor (figuur 10.2.11). De hoofdwortel wordt geremd in de groei en er ontstaan grote aantallen knobbels op de zijwortels (figuur 10.2.12). Ook kan zijwortelvorming ontstaan (figuur 10.2.13). Hierdoor is de wortelopbrengst lager en het tarrapercentage hoger.


Figuur 10.2.11 Valplek door aantasting met wortelknobbelaaltjes.


Figuur 10.2.12 Knobbels op de zijwortels veroorzaakt door wortelknobbelaaltjes.


Figuur 10.2.13 Vertakkingen en knobbels veroorzaakt door wortelknobbelaaltjes.

Wortelknobbelaaltjes zijn vooral te vinden op zand-, dal-, zavel- en lichtere kleigronden. Ze kunnen bij de meest algemene akkerbouwgewassen voor problemen zorgen. Ze hebben een zeer brede waardplantenreeks en vermeerderen zich snel.

Op de plaatsen waar het aaltje zich in de wortel binnendringt, ontstaan knobbels van wortelweefsel. De levenscyclus van deze aaltjes is vergelijkbaar met die van de cysteaaltjes. Het vrouwtje zet de eieren (300-500) echter buiten het lichaam af in een gelatinepakket in en op de knobbeltjes. De eieren zijn minder goed beschermd dan in een cyste, zoals bij bietencysteaaltjes. De larven komen in het voorjaar spontaan uit de eieren, zodra bodemvocht en temperatuur voldoende hoog (5-10°C) zijn. Omdat dit ook gebeurt als er geen waardplant staat, is de natuurlijke sterfte groot. De meeste soorten hebben meerdere generaties per groeiseizoen, zodat ze zich op een waardplant ook weer snel kunnen vermeerderen.

Knobbels veroorzaakt door het graswortelknobbelaaltje zitten vooral aan het einde van de wortels, zijn langgerekt en zeer dik. Het aaltje heeft maar één generatie per jaar en komt daardoor niet snel op een schadelijk niveau. Door een slechte waardplant als voorvrucht te telen, zijn er weinig problemen te verwachten met dit aaltje.

Het noordelijk wortelknobbelaaltje is te herkennen aan de grote ronde knobbels, waarbij de wortels splitsen op de knobbels. De twee maïswortelknobbelaaltjes zijn te herkennen aan de langgerekte knobbels, maar deze zitten in tegenstelling tot bij het graswortelknobbelaaltje meestal niet aan de uiteinden.

Door voor het telen van de bieten geen waardplant te telen en te kiezen voor een resistente groenbemester voorafgaand aan de teelt, kan schade bijna altijd worden voorkomen, omdat wortelknobbelaaltjes snel uitzieken. Voor de keuze van de juiste voorvruchten kunt u gebruik maken van het Aaltjesschema. Bij het Noordelijk wortelknobbelaaltje is schade te verwachten vanaf 100 larven per 100 ml grond. Bij het maïswortelknobbelaaltje (M. chitwoodi) is dit vanaf 500 larven, bij het bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje (M. fallax) vanaf 2.500 larven per 100 ml grond en bij het graswortelknobbelaaltje is schade te verwachten vanaf 800 larven per 100 ml grond. Vaak komt het wortelknobbelaaltje pleksgewijs voor.

Wortelknobbelaaltjes zijn in het bouwplan te beheersen met suikerbietenrassen die resistent zijn tegen het maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi) en het bedrieglijk maïswortelknobbelaaltjes (Meloidogyne fallax). Door suikerbietrassen met deze resistenties op te nemen in het bouwplan is er na de suikerbietenteelt minder kans op schade door deze wortelknobbelaaltjes in volggewassen en dus ook minder kans op afkeuring van bijvoorbeeld pootgoed of wortelen. Meer informatie over deze rassen is te lezen in de Brochure suikerbietenzaad en paragraaf ‘1.4.7 Wortelknobbelaaltjes’.

Meer informatie

In het kader van het Actieplan Aaltjesbeheersing is veel informatie beschikbaar over aaltjes. Hieronder staan de belangrijkste documenten over wortelknobbelaaltjes voor u op een rij:

Daarnaast zijn er door de BO Akkerbouw acht filmpjes uitgebracht over wortelknobbelaaltjes. Twee daarvan zijn ook zeer interessant om te bekijken om schade in bieten te beperken:

1 Karssen, G., Bolk, R.J., Van Aelst, A.C., Van den Beld, I., Kox, L.F.F., Korthals, G., Molendijk, L., Zijlstra, C., Van Hoof, R. en Cook, R. (2004). Description of Meloidogyne minor n.sp. (Nematoda: Meloidogynidae), a root-knot nematode associated with yellow patch disease in golf courses. Nematology 6 (1): 59-72.

10.2.5 Vrijlevende wortelaaltjes

De belangrijkste vier vrijlevende wortelaaltjes die schade veroorzaken aan suikerbieten in Nederland, zijn de trichodoriden:

  • Trichodorus similis;
  • Trichodorus primitivus;
  • Paratrichodorus teres;
  • Paratrichodorus pachydermus.

Vrijlevende wortelaaltjes, zoals de trichodoriden, veroorzaken schade aan suikerbieten, omdat ze de hoofdwortels aanprikken. Hierdoor sterft de hoofdwortel en ontstaan er vertakkingen van het wortelstelsel (figuur 10.2.14). De bieten blijven vaak pleksgewijs sterk achter in groei, waarbij grote en kleine planten afwisselend voorkomen (figuur 10.2.15).


Figuur 10.2.14 Vertakkingen van de wortels, omdat vrijlevende wortelaaltjes de wortels hebben aangeprikt.


Figuur 10.2.15 Pleksgewijs achterblijvende groei in de bieten, omdat vrijlevende wortelaaltjes de wortels hebben aangeprikt. Grote en kleine planten wisselen zich vaak af in de rij.

Vrijlevende wortelaaltjes komen voor op zandgrond en lichte zavel en zijn relatief mobiel2. Ze worden vrijlevende wortelaaltjes genoemd, omdat ze de wortels oppervlakkig aanprikken, maar niet binnendringen zoals cysteaaltjes en wortelknobbelaaltjes. De kans op schade door vrijlevende wortelaaltjes is groter in een koud en nat voorjaar. Daarnaast wordt schade vaak geconstateerd op plekken met een te lage pH en laag organisch stofgehalte. De vrijlevende wortelaaltjes hebben zeer veel waardplanten en zijn daardoor moeilijk aan te pakken in bouwplanverband. In het Aaltjesschema staat de waardplantstatus weergegeven.

Het verhogen van de pH en/of het aanbrengen van extra compost op plekken met schade kan de schade beperken. Schade door trichodoriden kan al ontstaan vanaf 150 larven per 100 ml grond.

Meer informatie

In het kader van het Actieplan Aaltjesbeheersing is veel informatie beschikbaar gekomen over aaltjes. Hieronder staan de belangrijkste documenten over trichodoriden voor u op een rij:

2 Aasman, B., Van Beers, T., Wolfs, A. (2013). Aaltjesmanagement in de akkerbouw. Actieplan Aaltjesbeheersing, Den Haag. p.45.

10.2.6 Stengelaaltjes

Symptomen veroorzaakt door stengelaaltjes (Ditylenchus dipsaci) zijn soms al vroeg in het voorjaar waar te nemen. Als ze vroeg in het seizoen de plant binnendringen, veroorzaken ze gedraaide bladstelen, meerkoppigheid en gezwollen en misvormde bladeren (figuur 10.2.16)3. Deze schade is eenvoudig te verwarren met verkleving en misvorming door herbicidenschade, bijvoorbeeld door ethofumesaat.

Veel vaker zijn de symptomen pas in het najaar waar te nemen. In de meeste gevallen worden ze pas opgemerkt als de bieten rot aan de hoop liggen. Het stengelaaltje veroorzaakt namelijk koprot. In het begin is dit te herkennen aan de verticale groeischeurtjes in de kop (figuur 10.2.17). Er zijn dan vaak bruinachtige vlekken zichtbaar, die zich vrij snel kunnen ontwikkelen tot grote kurkachtige vlekken (figuur 10.2.18) en later rotte bieten (figuur 10.2.19). Bij het schillen van bieten met groeischeurtjes en kurkachtige vlekken zijn typische plekjes zichtbaar (figuur 10.2.20). Zodra de bieten echt rot zijn, is dit niet of nauwelijks meer te zien. Meer symptomen van stengelaaltjes zijn te zien in de interactieve video ˈwortelrot in beeld – stengelaaltjesˈ.

Schade door stengelaaltjes in suikerbieten kan al ontstaan vanaf hele lage dichtheden (1 aaltje per liter grond), waarbij bieten gaan rotten. Wortelrot neemt toe in het najaar en daarom is het advies om aangetaste percelen zo vroeg mogelijk te rooien. Inundatie helpt het aaltje bestrijden. Het stengelaaltjes wordt sterk vermeerderd in het bouwplan door uien, erwten, bonen, luzerne en klaver.

ziekten&plagen_stengelaaltje-07
Figuur 10.2.16 Verdikte bladstelen en gezwollen en misvormde bladeren veroorzaakt door stengelaaltjes (foto: Cosun Beet Company).


Figuur 10.2.17 Verticale groeischeurtjes in de kop veroorzaakt door het stengelaaltje.

IRS_proef-stengelaaltje-01
Figuur 10.2.18 Grote kurkachtige plekken in de kop veroorzaakt door stengelaaltjes.

IRS_proef-stengelaaltje-33
Figuur 10.2.19 Rotte bieten veroorzaakt door stengelaaltjes.

diagnostiek-630a
Figuur 10.2.20 Net onder de schil zijn kleine verkurkte vlekjes zichtbaar veroorzaakt door stengelaaltjes.

De volgende achtergrondinformatie is tot stand gekomen door de informatie uit de brochure ˈAaltjesmanagement in de akkerbouwˈ2.

Stengelaaltjes verkeren het grootste deel van hun leven bovengronds in de plant. Niet alleen stengels, maar ook bloemknoppen en bladscheden zijn favoriete verblijfsplaatsen van dit aaltje. De levenscyclus is bij 15°C in drie weken rond. Het vrouwtje legt per generatie tot wel 500 eieren. De minimumtemperatuur voor het leggen van eieren ligt tussen de 1°C en 5°C. Deze eigenschappen zorgen ervoor dat zeer lage besmettingsniveaus gedurende het groeiseizoen oplopen tot zware besmettingen en deze leiden tot problemen met de groei. Vooral bij koud en vochtig weer worden de plekken steeds groter. Tijdens de bewaring gaat de aantasting door. Stengelaaltjes kunnen in principe op alle grondsoorten voorkomen. Ze overleven langer op zware grond, dan op de zandgronden. Daardoor vormen ze vaker een probleem op zware grond. In klei met meer dan 30% afslibbaar kunnen de stengelaaltjes het namelijk meer dan tien jaar zonder waardplant uithouden. De overleving vindt plaats in zowel de grond als op plantmateriaal en in zaad. De aaltjes vormen samen een soort bolletje (kluwen) om zo uitdroging tegen te gaan. Er zijn meer dan twintig verschillende rassen van het stengelaaltje bekend met kleine verschil­len in waardplantenreeks. Eén van deze rassen is het uien/roggeras. Het wordt voor de Nederlandse akkerbouw als belangrijkste gezien. In de tuinbouw zijn andere rassen stengelaaltjes belangrijk. Uiterlijk zijn verschillende rassen stengelaaltjes niet van elkaar te onderscheiden. De lange overleving en de moeilijkheden bij de identificatie maken een concrete advisering op het gebied van vruchtwisseling praktisch onmogelijk.

Meer informatie

In onderstaande publicaties vindt u meer informatie over stengelaaltjes:

2 Aasman, B., Van Beers, T., Wolfs, A. (2013). Aaltjesmanagement in de akkerbouw. Actieplan Aaltjesbeheersing, Den Haag. p.45.

3 Lejealle, F. (1982). Nederlandse bewerking: W. Heijbroek. Ziekten en plagen van de suikerbiet. Deleplanque & Cie, F-78600 Maisons Laffitte. 167 pp.

10.3 Insecten

Versie: maart 2024

CONTACTPERSONEN: ELMA RAAIJMAKERS, LINDA GEENEN EN LEVINE DE ZINGER

10.3 Insecten
10.3.1 Inleiding
10.3.2 Bodeminsecten
10.3.2.1 Bietenkevers
10.3.2.2 Emelten
10.3.2.3 Miljoenpoten
10.3.2.4 Ritnaalden
10.3.2.5 Ondergrondse springstaarten
10.3.2.6 Wortelduizendpoten
10.3.3 Bladinsecten
10.3.3.1 Aardvlooien
10.3.3.2 Bietenvliegen
10.3.3.3 Bietenkevers
10.3.3.4 Bladluizen
10.3.3.5 Rupsen
10.3.3.6 Schildpadtor
10.3.3.7 Bovengrondse springstaarten
10.3.3.8 Tripsen
10.3.4 Natuurlijke vijanden van insecten
10.3.4.1 Loopkevers
10.3.4.2 Kortschildkevers
10.3.4.3 Soldaatkever (weekschildkever)
10.3.4.4 Lieveheersbeestjes
10.3.4.5 Sluipwespen
10.3.4.6 Gaasvliegen
10.3.4.7 Zweefvliegen
10.3.4.8 Galmuggen
10.3.4.9 Insectparasitaire schimmels
10.3.5 Overzicht toegelaten insecticiden

10.3.1 Inleiding

Er zijn zeer veel verschillende insecten, die suikerbieten aantasten. Om schade door insecten te beperken, is het belangrijk om nuttige en schadelijke insecten en de schade die deze laatsten veroorzaken, te herkennen. De applicatie ˈZiekten en Plagenˈ is hierbij een handig hulpmiddel en bovendien gemakkelijk te gebruiken in het veld. In dit hoofdstuk zullen eerst de bodeminsecten (paragraaf 10.3.2) en vervolgens de bladinsecten (paragraaf 10.3.3) worden besproken. In paragraaf 10.3.4 gaan we in op de belangrijkste natuurlijke vijanden van insecten en in paragraaf 10.3.5 treft u een overzicht van de toegelaten insecticiden aan.

10.3.2 Bodeminsecten

10.3.2 Bodeminsecten
10.3.2.1 Bietenkevers
10.3.2.2 Emelten
10.3.2.3 Miljoenpoten
10.3.2.4 Ritnaalden
10.3.2.5 Ondergrondse springstaarten
10.3.2.6 Wortelduizendpoten

Bodeminsecten (zoals bietenkevers, ritnaalden, wortelduizendpoten, miljoenpoten, ondergrondse springstaarten en emelten) veroorzaken de meeste aantasting op percelen waar de grond los is en waar relatief diep is gezaaid. In losse grond verplaatsen bodeminsecten zich makkelijker. Bij diepe zaai zijn bieten relatief langer onderweg en daardoor langer kwetsbaar voor de bodeminsecten. Om deze reden dienen bieten niet dieper dan circa 2 cm gezaaid te worden. Uiteraard is het wel altijd belangrijk te zaaien in vochtige grond voor een goede kieming en opkomst (zie hoofdstuk 3.3 ˈZaaidiepteˈ). Voor de beheersing van bodeminsecten is het belangrijk de verschillende bodeminsecten te herkennen. Deze worden verderop in dit hoofdstuk besproken en komen ook aan bod in het artikel in Akkerwijzer ˈHerkenning bodeminsecten verdient extra aandachtˈ. In het rapport ‘Beheersing bodemplagen via bodemgezondheidsmaatregelen’ en het rapport ‘Biologie en gedrag van ritnaalden, emelten, wortelduizendpoten en ondergrondse springstaarten’, staat veel beschikbare kennis over bodemplagen en bijbehorende (teelt)maatregelen beschreven om schade te beperken.

Bij de beheersing van de bodeminsecten is het advies om te kiezen voor pillenzaad met Force (10g tefluthrin). Force heeft een contactwerking, waardoor bodeminsecten in de buurt van het pillenzaad doodgaan. Bij een te hoge druk van insecten en bij te diep zaaien (>2,5-3 cm) werkt dit echter onvoldoende. Indien schade door ritnaalden wordt verwacht, is het advies om aanvullende granulaat Belem (cypermethrin) toe te passen. Bij toepassing van Belem is het belangrijk dat het granulaat rondom het zaadje komt te liggen en zo een barrière vormt rondom het zaad. De werking van Force en Belem staat weergegeven in tabel 10.3.1.

Het kaartje in figuur 10.3.2 geeft weer voor welke gebieden een bestrijding van bodeminsecten met Force wordt aangeraden. In Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, West-Brabant klei, Flevoland, de rivierkleigebieden, de Betuwe en Zuid-Limburg is het vrijwel altijd noodzakelijk om te kiezen voor Force. In deze gebieden komen insecten voor die na opkomst niet meer te bestrijden zijn, zoals bietenkevertjes, ondergrondse springstaarten, wortelduizend- en miljoenpoten. In de overige gebieden is Force alleen aan te raden indien schade door ritnaalden of emelten wordt verwacht. Belem wordt alleen geadviseerd als schade door ritnaalden wordt verwacht. Bij de beheersing van bietenkevers, wortelduizendpoten en springstaarten heeft Belem geen meerwaarde op Force en daarom is het advies om het niet met elkaar te combineren.

Tabel 10.3.1 Werking Force en Belem bij aanwezigheid van diverse insecten.

werking1
werking tegen Force2 Belem2
bladluizen, bietenvliegen, tripsen, aardvlooien, wantsen, schildpadtorretjes ○○○ ○○○
bietenkevers bovengronds ○○○ ○○○
bietenkevers ondergronds ●●○ ●○○
ritnaalden ●●○ ●●○
wortelduizendpoten ●●○ ●○○
miljoenpoten ●●○ ?
springstaarten ●○○ ●○○
emelten ●○○ ?

1 ○○○ = geen werking; ●○○ = matige werking; ●●○ = redelijke werking; ●●● = goede werking, ? = werking onbekend.

2 Ook bij zaaien van behandeld zaaizaad en het toedienen van granulaat in de zaaivoor is het belangrijk persoonlijke beschermingsmaatregelen te nemen. Syngenta heeft hiervoor bij Force een folder ontwikkeld: ˈVeilig hanteren en gebruiken van behandeld zaaizaadˈ.

Afbeelding met buitenshuis, landbouw, Handelsgewas, oogst Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 10.3.1 Een proefveld met plantwegval door ondergrondse springstaarten. Force (links) heeft enige werking ten opzichte van onbehandeld (rechts). Echter, aanvullende teeltmaatregelen zijn nodig om plantwegval te beheersen.

Figuur 10.3.2 In gebieden met de rode kleur is het advies om Force (pillenzaad met insecticiden) te kiezen. In gebieden met een witte kleur is Force alleen te adviseren indien er schade door ritnaalden en/of emelten verwacht worden.

10.3.2.1 Bietenkevers

Bietenkevertjes (Atomaria linearis) (1-1,5 mm lang) veroorzaken kleine ronde gaatjes of vlekjes op de wortel, onderaan de stengel en bladeren van suikerbieten (figuur 10.3.3). Hierdoor kunnen planten in het kiemblad- tot tweebladstadium wegvallen (figuur 10.3.4). Daarnaast kunnen ze in grote aantallen in het hart van de (jonge) bietenplanten vreten, met misvormde planten tot gevolg. Een bietenkever lijkt sterk op een aardvlo. De bietenkever is echter kleiner en langwerpiger dan de aardvlo en glanst minder. Ze kunnen beide de bladeren aantasten, waarbij de bietenkever met name aan de bladranden vreet en de aardvlo vooral gaatjes in het midden van de bladeren maakt.

Bietenkevers veroorzaken vrijwel uitsluitend schade op klei- en lössgronden. Bietenkevertjes overwinteren in de bodem, onder andere in achtergebleven bietenresten na de oogst. Voorkom daarom biet-op-biet in het bouwplan. Bij gemiddelde dagtemperaturen lager dan 15°C verplaatsen ze zich lopend over de grond over een afstand tot 30 meter. Hierdoor kan er ook ernstige plantwegval plaatsvinden op percelen aangrenzend aan het bietenperceel van het voorgaande jaar. Voorkom daarom ook biet-naast-biet. Een bufferstrook met een ander gewas van 30 meter ten opzichte van het perceel van vorig jaar of een sloot waar water in staat is daarbij voldoende. Zodra de gemiddelde dagtemperatuur boven de 15°C uitkomt, kunnen de kevertjes gaan vliegen en vreten ze ook bovengronds aan de bietenplanten (figuur 10.3.5). Meer informatie staat in het ˈBodemplagenschemaˈ.

Figuur 10.3.3 Bietenkevertjes veroorzaken kleine ronde gaatjes of vlekken aan de wortel en het hypocotyl, waardoor planten kunnen wegvallen.

Figuur 10.3.4 Plantwegval op een proefveld als gevolg van ondergrondse vraat door bietenkevers. Een veldje (linksvoor) met zaad zonder insecticiden naast een veldje met zaad behandeld met Force (rechtsvoor).

Figuur 10.3.5 Bietenkevertjes kunnen ook kleine ronde gaatjes veroorzaken aan de bladeren als de temperatuur boven de 15°C uitkomt.

Monitoring

Het vaststellen van bietenkevertjes is in de winter mogelijk door achtergebleven bietenkoppen of grond van het perceel te verzamelen en op te spoelen in een emmer met water. De kevertjes komen dan vanzelf bovendrijven. Zie voor uitleg over het opspoelen van bietenkevers het filmpje ˈBietenkever in suikerbieten in beeldˈ.

Beheersing

Ondergrondse vraat aan de wortels met plantwegval tot gevolg veroorzaakt opbrengstderving. Omdat bietenkevers overwinteren in achtergebleven bietenresten dient in het bouwplan biet-op-biet en biet-naast-biet (eerste 30m) te worden voorkomen voor een goede beheersing. Force heeft een redelijke werking op de beheersing van schade aan de wortels door bietenkevers. Het werkt echter onvoldoende op percelen met een zeer zware druk als gevolg van biet-op-biet of biet-naast-biet. Ook werkt het niet op bietenkevers die bovengronds vreten. Bietenkevers beginnen bovengronds te vreten zodra de gemiddelde dagtemperaturen boven de 15°C uitkomen een bespuiting is echter in veel gevallen niet rendabel, omdat de schade aan de bladeren zelden leidt tot opbrengstderving. Zie hiervoor ook paragraaf 10.3.3 Bladinsecten.

Meer informatie

Meer informatie over bietenkevers is te vinden in de presentatie ˈBeheersing van bietenkevers en springstaartenˈ en de publicaties ˈTesting alternative insecticides and monitoring systems for the control of pygmy mangold beetles (Atomaria linearis) in sugar beet in 2019ˈ en ˈTesting insecticides and monitoring systems for the control of pygmy mangold beetles in sugar beet in 2020ˈ. Meer informatie over het opspoelen van bietenkevers is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ.

10.3.2.2 Emelten

Emelten (1-4 cm lang) zijn de larven van de langpootmug (Tipula spp./Nephrotoma spp.). De weidelangpootmug (Tipula paludosa) is de belangrijkste veroorzaker van schade in suikerbieten. ˈs Nachts komen de emelten boven de grond en vreten dan aan bladeren en stengels van jonge bietenplanten (figuur 10.3.6). Naast de weidelangpootmug doen ook andere soorten schade in bieten. Aantasting door emelten is gemakkelijk te verwarren met aantasting door slakken. Bij verse vreterij door emelten zijn kartelvormige happen aan de bladeren zichtbaar. Bij slakken is de vreterij aan de bladeren duidelijk meer afgerond. Daarnaast vreten emelten soms hele bladeren van de plant, die ze vervolgens enkele centimeters meenemen en soms in hun holletje in de grond proberen te trekken. Dit beeld is bij slakken nooit waargenomen.

Figuur 10.3.6 De emelt vreet aan de bladeren en stengels van jonge bietenplanten. In de ochtend of vlak na een regenbui zijn ze soms boven de grond te vinden.

Monitoring

De aanwezigheid van emelten is te controleren door verspreid over het perceel in de maanden januari tot en met april grondmonsters te nemen van 10 bij 10 cm van de bovenste 10 cm met een schepje of spade. Spoel de grond met water over een zeef (circa 1 mm maaswijdte) dan blijven de emelten achter op de zeef. Het is ook mogelijk om emelten op te spoelen door de grond in een zoutoplossing te leggen (1 kg zout op 5 liter water). De emelten komen dan vanzelf bovendrijven. Het is dan wel belangrijk om de grond voldoende te verkruimelen, zodat de grond goed oplost in de zoutoplossing. Tel van tien monsters het totaal aantal larven. Dit vermenigvuldigt met tien geeft het aantal emelten per vierkante meter. Bij meer dan 100 emelten per vierkante meter is het verstandig om geen bieten te zaaien, omdat de kans op schade dan te groot is. Op proefvelden is in het verleden echter al schade geconstateerd bij 20 emelten per vierkante meter.

Levenscyclus Tipula paludosa

Langpootmuggen van deze soort leggen hun eieren bij voorkeur op vochtige grasachtige planten in de periode van half augustus tot begin oktober (figuur 10.3.7). Zodra de langpootmug haar eieren heeft gelegd, kruipen de jonge larven (emelten) na enkele dagen uit de eieren. Afhankelijk van de temperatuur in de herfst, overwinteren de emelten in het tweede of derde larvale stadium. Bij temperaturen lager dan 5°C zijn ze niet actief. Ze zijn niet gevoelig voor vorst, maar wel voor droogte. Wanneer de bodemtemperatuur in het voorjaar boven 5°C komt, zet de levenscyclus zich voort. De larven uit het derde en vierde larvale stadium zorgen voor schade in bieten. Vanaf ongeveer begin mei begint het prepupale stadium. In dit stadium doet de emelt geen schade meer aan bieten. Vervolgens verpopt de emelt. In de zomer kruipen de langpootmuggen uit de poppen, die dan van half augustus tot begin oktober weer eieren gaan leggen. Meer informatie is te vinden in het ˈBodemplagenschemaˈ en het artikel ˈEmelten, de larven van de langpootmugˈ.

Figuur 10.3.7 Levenscyclus van de langpootmug (Tipula paludosa).

Beheersing

Force heeft een zeer matige werking op emelten (tabel 10.3.1). Bij meer dan 100 emelten per vierkante meter is het advies om geen bieten te zaaien op het perceel, want dan zal Force onvoldoende bescherming geven. Indien het mogelijk is binnen het bouwplan te schuiven, kan het helpen om grasland, graszaad, granen en grasachtige groenbemesters als voorvrucht te vermijden. De langpootmug zet haar eieren al in het najaar af. De eieren en jonge larven zijn zeer gevoelig voor droogte. Bevorderen van uitdroging van de eieren en larven kan door het kort houden van gewassen in het najaar en het uitvoeren van een lichte grondbewerking in het najaar met bijvoorbeeld een cultivator. In het voorjaar zijn de larven al zo groot dat ze moeilijk te bestrijden zijn. Als de emelten van hoefijzertijger (Nephromtoma appendiculata) zijn kan het zinvol zijn om later te zaaien. Zie ook ˈLater zaaien voorkomt emeltschadeˈ en de ‘Bodemadvieskalender – maand mei’.

Meer informatie

Meer informatie over emelten is te vinden in de video ˈEmelten een probleem in suikerbietenˈ. Meer informatie over het opspoelen van emelten is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ.

10.3.2.3 Miljoenpoten1

Miljoenpoten zijn geen insecten, maar behoren tot de duizendpotigen (Myriapoda). Het lichaam bestaat uit segmenten. Ieder segment heeft twee paar poten. Er zijn verschillende soorten miljoenpoten. De gespikkelde miljoenpoot (Blaniulus guttulatus) is de miljoenpoot die de meeste schade veroorzaakt in bieten (figuur 10.3.8). Deze miljoenpoot is acht tot twintig mm lang en slechts één mm breed. De miljoenpoten Polydesmus en Brachydesmus veroorzaken slechts zelden schade. Miljoenpoten zijn het meest actief op klei- en lössgronden met een losse structuur en na de teelt van een groenbemester met niet-kerende grondbewerking (NKG).

Levenscyclus

Volwassen miljoenpoten zetten hun eieren af in holtes in de bodem. Ze leggen tot wel enkele honderden eitjes per vrouwtje. Uit de eieren komen larven met zes poten. Elke keer als de larve vervelt, komen er segmenten met poten bij. In het tweede en derde jaar gaan de vervellingen door, totdat de miljoenpoot in het volwassen stadium is gekomen. Ze kunnen tot wel 60 segmenten lang worden en leven tot wel zes jaar.

Waardplanten en vermeerdering

Miljoenpoten hebben geen waardplanten waar ze zich goed op vermeerderen, het zijn alleseters. Ze zijn zeer polyfaag wat betreft plantenkeuze, wat betekent dat ze naast suikerbieten ook veel andere planten(resten) eten. Hierdoor heeft gewasrotatie weinig effect om schade te voorkomen. Echter, ze voeden zich voornamelijk met dood organisch materiaal of organische stof. De aantallen zijn daardoor vaak het grootst op zware klei- en lössgronden, vooral die met een hoog organische stof gehalte.

Schade

Schade treedt vooral op op percelen waar veel organische stof, zoals stro, in de bodem aanwezig is of wordt ingewerkt. Ze veroorzaken vooral schade als ze in grote aantallen aanwezig zijn. Schade ontstaat vooral aan kiemende zaden, jonge planten en vruchten, zoals aardbeien. Miljoenpoten veroorzaken schade in maïs, wortelen, granen, aardappelen, bieten, haver, tarwe, hop, erwten, bonen, sla, uien, bloemkool, aardbeien, lelie, tulpen en hyacinten. Bij suikerbieten is de schade doorgaans beperkt, met uitzondering van Zuid-Limburg. Hier kan de schade op percelen met kleefaarde ernstig zijn. Miljoenpoten kunnen vooral onder vochtige en koude omstandigheden schade veroorzaken tot aan het twee- tot vierbladstadium van suikerbieten (figuur 10.3.9).

Beheersing

Force heeft een redelijke werking op de beheersing van schade door miljoenpoten. Het werkt echter onvoldoende op percelen met een zeer zware druk.

Figuur 10.3.8 Gespikkelde miljoenpoot (Blaniulus guttulatus) is de meest voorkomende miljoenpoot in de bietenteelt.

Figuur 10.3.9 Miljoenpoten vreten aan de wortels van bietenplanten tot aan het twee- tot vierbladstadium. Daarbij ontstaan langgerekte vraatplekken. Het fosfaatgebrek aan de bladeren is een gevolg van de slechte opname van fosfaat door de beschadigde wortels.

1 Deze tekst is gedeeltelijk overgenomen uit hetˈBodemplagenschemaˈ.

10.3.2.4 Ritnaalden

Ritnaalden zijn de larven van de kniptor (Agriotes spp.) (figuur 10.3.10). Ze komen op alle grondsoorten voor. Er zijn verschillende soorten ritnaalden. In Nederland zijn de gestreepte kniptor (Agriotes linearis) en de donkere akkerkniptor (A. obscurus) het belangrijkst. Ritnaalden worden tot circa 25 mm lang. De kniptorren zelf veroorzaken geen schade aan suikerbieten. De kniptorren zetten hun eitjes het liefst af op grassen en/of granen. Daarom veroorzaken ritnaalden op percelen met meerjarig grasland als voorvrucht, de meeste schade in suikerbieten. Dit kan tot wel 4 jaar na het scheuren van grasland, omdat ze een vier- tot vijfjarige levenscyclus hebben (figuur 10.3.11). Ritnaalden hebben een voorkeur voor gronden met veel humus en een lage pH. Ze zijn erg gevoelig voor droogte en komen daardoor vaak het meest voor op vochtige plekken in een perceel.

Aantasting

Ritnaalden bijten de wortels van jonge bietenplanten (tot het vierbladstadium) door, waardoor de plant verwelkt en dood kan gaan. Ritnaalden vreten de wortels en ondergrondse stengels vaak in één keer door, waardoor het relatief grotere vraatplekken zijn dan bij bietenkevers, springstaarten, miljoenpoten en/of wortelduizendpoten. Aantasting vindt meestal pleksgewijs plaats. Ze kunnen al schade veroorzaken voordat planten boven komen, waardoor de indruk kan bestaan dat zaad niet is gekiemd.

Monitoring

Het is mogelijk inzicht te krijgen in de aanwezigheid van ritnaalden door een halve aardappel 20 cm in de grond te graven en twee weken later weer op te graven. Als er boorgaten van ritnaalden aanwezig zijn, is schade te verwachten. Inzicht krijgen is ook mogelijk met behulp van kniptormonitoring. Meer informatie over het opspoelen van ritnaalden is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ.

Beheersing

Force beschermt de planten, maar alleen als de druk van ritnaalden niet te hoog is (tabel 10.3.1). Als er te veel ritnaalden zitten, zullen er toch veel planten wegvallen, omdat de ritnaald pas doodgaat nadat hij in contact is gekomen met het middel. Granulaat Belem heeft ook een werking tegen ritnaalden en kan toegepast worden bij zaai. Het is belangrijk dat het granulaat rondom het zaad komt te liggen en een barrière vormt.

Door met behulp van kniptormonitoring de kniptorren te bestrijden in voorvruchten, kan schade in bieten worden beperkt. Lees meer informatie over de kniptormonitoring in dit artikel: ˈSignaleren van kniptorrenˈ.

Meer informatie

Meer informatie over ritnaalden is te vinden in het ˈBodemplagenschemaˈ.

Figuur 10.3.10 Ritnaalden (larven van de kniptor) kunnen de wortels van jonge bietenplanten doorbijten, waardoor planten wegvallen.

Figuur 10.3.11 Levenscyclus van de kniptor, die vier tot vijf jaar duurt.

10.3.2.5 Ondergrondse springstaarten

Er zijn twee soorten springstaarten die schade veroorzaken in bieten: ondergrondse springstaarten (Onychiurus armatus) en bovengrondse springstaarten (Sminthurus viridis) . Dit zijn twee verschillende soorten. Bovengrondse springstaarten komen voor op alle grondsoorten, terwijl ondergrondse springstaarten vooral te vinden zijn op de zware kleipercelen en dan met name de percelen met een hoog organisch stofgehalte. Zie voor meer informatie over bovengrondse springstaarten paragraaf 10.3.3. Bladinsecten.

Kenmerken

De ondergronds levende springstaart (1,5 mm lang) is wit van kleur (figuur 10.3.12).

Op een aangetaste plant zijn meerdere zeer kleine vraatplekjes zichtbaar. Hierbij ontstaan planten met zware misvormingen of komen ze helemaal niet tot ontwikkeling (figuur 10.3.13). In een later stadium ontstaan er langgerekte vraatplekken op de wortels en op het hypocotyl. Vooral onder koude omstandigheden en diepe zaai kan er schade ontstaan.

Monitoring

Het vaststellen van ondergrondse springstaarten in de grond is mogelijk door grond van het perceel te verzamelen en op te spoelen in een emmer met water. Door de grond op te lossen in een emmer water, komen de ondergrondse springstaarten vanzelf bovendrijven. Meer informatie over het opspoelen van ondergrondse springstaarten is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ.

Beheersing

Ondergrondse springstaarten kunnen al schade veroorzaken, zodra het kiempje uit het zaadje komt. Ze doen dit vooral op percelen met een losse structuur. Het licht aandrukken van een perceel kan dus schade beperken. Daarnaast leidt vroeg zaaien tot meer aantasting, doordat het dan vaak kouder is, de bieten langer onderweg zijn voor de opkomst en daardoor langer vatbaar zijn voor springstaartenschade. Datzelfde geldt voor diep zaaien. Force heeft een matige werking op springstaarten (tabel 10.3.1). Bij een hoge druk van springstaarten is de werking van Force onvoldoende en daarom zijn aanvullende teeltmaatregelen nodig. Schade is te beperken door voorafgaand aan de bietenteelt een groenbemester te telen en voor de winter onder te werken, zodat er vers organisch materiaal aanwezig is als alternatief voer. Op percelen met verse organische stof (groenbemester in het najaar) veroorzaken ze minder schade dan op percelen zonder groenbemester. Bladrammenas is daarbij veiliger dan Italiaans raaigras, omdat het de springstaarten minder vermeerdert.

Meer informatie

Meer informatie over de ondergrondse springstaart is te vinden in het ˈBodemplagenschemaˈ, de presentatie ˈBeheersing van bietenkevers en springstaartenˈ en de ˈBodemadvieskalender – maand meiˈ.

Figuur 10.3.12 Ondergronds levende springstaarten.

Figuur 10.3.13 Zwaar misvormde plant door vreterij van ondergrondse springstaarten.

10.3.2.6 Wortelduizendpoten1

Wortelduizendpoten (Scutigerella immaculata) zijn geen insecten, maar behoren wel tot de geleedpotigen (Arthropoda). De volwassen wortelduizendpoot is langgerekt (5 tot 7 mm lang) en is helder crèmewit van kleur (figuur 10.3.14).

Levenscyclus

Wortelduizendpoten overwinteren hoofdzakelijk in het volwassen stadium. Ze kunnen tot wel 1,20 m diepte in de bodem zitten. In het voorjaar (vanaf 4,5°C) beginnen ze met de ei-afzet. Elk vrouwtje legt 4 tot 25 eieren per keer. De larven komen na 8 tot 28 dagen uit de eieren. Dit is afhankelijk van de temperatuur en de vochtigheid. De jonge larven hebben zes paar poten en iedere keer als ze vervellen neemt het aantal poten en segmenten toe, tot maximaal twaalf paar. Na ongeveer de negende vervelling (40-60 dagen later) zijn de dieren volwassen en begint de ei-afzet opnieuw. De ei-afzet duurt tot de herfst. Wortelduizendpoten kunnen 2,5 tot 4 jaar overleven.

Waardplanten en vermeerdering

De wortelduizendpoot Scutigerella immaculata heeft een zeer brede waardplantenreeks. Hieronder vallen aardappelen, bieten en maïs, maar ook chrysanten, asperges, selderij, sla, komkommer, tomaten, radijs, peterselie, spinazie, aubergine, wortels, luzerne, asters, gerst, bonen, rode bieten, bloemkool, fresiaˈs, geraniums, gladiolen, grassen, sla, voederbieten, champignons, erwten, aardbeien en tarwe. In zware klei- en lössgronden, vooral de gronden met een hoog organische stof gehalte, zijn de aantallen wortelduizendpoten het grootst. Na gele mosterd als groenbemester zitten er meer wortelduizendpoten in de bodem dan na gerst, rogge en haver. Doordat wortelduizendpoten zich voeden met afgestorven plantenresten, gisten, schimmels, mest en grond, lijkt de vermeerdering niet afhankelijk van de voorvrucht, maar van de bodemstructuur en de hoeveelheid vocht in de bodem.

Schade

Wortelduizendpoten voeden zich met afgestorven plantenresten, gisten, schimmels, mest, grond en planten. Ze vreten pas aan levende planten als er een voedseltekort in de bodem is. Wortelduizendpoten zijn het meest actief op klei- en lössgronden met een losse structuur en worden niet aangetroffen op zandgronden. In gematigde gebieden kunnen ze schade doen in aardappelen, bieten en maïs. In bieten kan schade optreden tot aan het zes- tot achtbladstadium (figuren 10.3.15 en 10.3.16). Aantasting kenmerkt zich door langgerekte vraatplekken op de wortels, net zoals bij miljoenpoten. Vaak is ook wortelrot zichtbaar aan de wortels.

Monitoring

Het vaststellen van wortelduizendpoten in de bovenste laag is mogelijk door grond van het perceel te verzamelen en op te spoelen in een emmer met water. Soms komen wortelduizendpoten dan al vanzelf bovendrijven. Is dit niet het geval, dan kan het water met de grond over een zeef (circa 1 mm maaswijdte) worden gegoten en blijven de wortelduizendpoten achter op de zeef. Als er geen wortelduizendpoten worden aangetroffen op deze manier, betekent dat overigens niet dat er geen zitten, want ze kunnen tot wel 1,20 m diep in de grond aanwezig zijn. Meer informatie over het opspoelen van wortelduizendpoten is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ.

Beheersing

Force heeft een redelijke werking op de beheersing van schade door wortelduizendpoten. Het werkt echter onvoldoende op percelen met een zeer zware druk. Ze kunnen zelf niet graven en kunnen zich in een vaste structuur dus slecht bewegen. Licht aandrukken van de grond kan de schade beperken. Ze hebben bij voorkeur een losse, rijkelijk bemeste grond.

Figuur 10.3.14 Wortelduizendpoot (foto: Proefstation voor de Bloemisterij).

Figuur 10.3.15 Schade aan kiemplanten veroorzaakt door wortelduizendpoten kenmerkt zich door langgerekte vraatplekken op de wortels.

Figuur 10.3.16 Planten kunnen wegvallen door aantasting door wortelduizendpoten tot aan het zes- tot achtbladstadium.

1 Deze tekst is gedeeltelijk overgenomen uit het ˈBodemplagenschemaˈ.

10.3.3 Bladinsecten

10.3.3 Bladinsecten
10.3.3.1 Aardvlooien
10.3.3.2 Bietenvliegen
10.3.3.3 Bietenkevers
10.3.3.4 Bladluizen
10.3.3.5 Rupsen
10.3.3.6 Schildpadtor
10.3.3.7 Bovengrondse springstaarten
10.3.3.8 Tripsen

Er zijn verschillende bladinsecten die schade kunnen veroorzaken aan de bieten, zoals: aardvlooien, bietenvliegen, bietenkevers, bladluizen, rupsen, bovengrondse springstaarten en tripsen. Veel insecten, zoals bovengrondse springstaarten, bietenkevers (bovengronds) en aardvlooien veroorzaken zelden opbrengstderving, omdat de biet een gigantisch compenserend vermogen heeft. In het kiemblad- tot tweebladstadium leidt een aantasting waarbij 30 tot 60% van het blad beschadigd is tot een 3 tot 4% lagere suikeropbrengst. Bladinsecten veroorzaken echter zelden een dergelijke grote aantasting. Door een beetje aantasting te accepteren van deze insecten en terughoudend te zijn met de inzet van pyrethroïden, worden natuurlijke vijanden gespaard, die later de bladluisbeheersing makkelijker maken (zie paragraaf 10.3.4 Natuurlijke vijanden van insecten). Belangrijk is om bij aantasting te kijken of er nog schadelijke insecten aanwezig zijn. Vaak wordt de aantasting later waargenomen dan dat het insect de aantasting doet. In zoˈn geval is bestrijden niet meer zinvol.

Als toch een bestrijding moet worden uitgevoerd is de keuze van het juiste middel erg belangrijk. De middelen Force en Belem werken alleen tegen bodeminsecten, niet tegen bladinsecten (tabel 10.3.1). Daardoor dienen bladluizen, bietenvliegen en tripsen met volveldsbespuitingen te worden aangepakt. De toegelaten insecticiden staan vermeld in paragraaf 10.3.5 Overzicht toegelaten insecticiden. De beheersing van bladinsecten zal vooral gericht moeten zijn op de beheersing van bladluizen. Dit betekent dat pyrethroïden (Decis, Karate Zeon, Ninja, Sumicidin Super) zo min mogelijk moeten worden ingezet.

Herkenning van insecten

Voor de juiste keuzes in de beheersing van insecten is het belangrijk om de insecten te kunnen herkennen. Meer informatie over de herkenning kunt u vinden in:

10.3.3.1 Aardvlooien

Een aardvlo (Chaetocnema spp.) vreet kleine gaatjes in de kiembladeren en in de eerste echte bladeren van de bietenplant (figuur 10.3.17). De aantasting door dit insect wordt gemakkelijk verward met de schade veroorzaakt door de bovengrondse springstaart (paragraaf 10.3.3.7). Aardvlooien komen voornamelijk voor op zand- en dalgronden en kunnen bij droog en schraal weer plotseling kiemplanten en jonge planten aantasten. De aantasting is vaak het ergst aan de randen van een perceel. Op beschadigde planten kunnen herbicidenbespuitingen leiden tot meer gewasreacties. Meestal leidt dit niet tot schade. Aardvlooien bestrijden is dan ook zelden rendabel. Dit komt omdat de biet een gigantisch compenserend vermogen heeft en in een jong stadium (2-4 bladstadium) tot wel tweederde van het bladoppervlak kan missen voor financiële opbrengstderving ontstaat. Een aardvlo lijkt sterk op een bietenkever. De aardvlo is echter groter en boller dan de bietenkever en glanst meer. Bovendien zitten de gaatjes bij een aardvlo vaak midden in het blad, terwijl de bietenkever met name aan de bladranden vreet. De aardvlo maakt dezelfde ronde gaatjes als de bovengrondse springstaarten en daarom is op basis van de aantasting (ronde gaatjes in het blad) niet mogelijk vast te stellen door welke van deze twee plagen de aantasting is veroorzaakt.

Beheersing

Bestrijden van aardvlooien is zelden rendabel, omdat bieten zich snel kunnen herstellen van aantasting en een biet veel aantasting kan verdragen voordat er financiële schade optreedt. Een bespuiting met pyrethroïden heeft dan alleen negatieve gevolgen op de natuurlijke vijanden en kan daarmee later in het seizoen leiden tot meer problemen met bladluizen.

Meer informatie

Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.5. Meer informatie neveneffecten van middelen staat in paragraaf 5.1.2.2 Neveneffecten op natuurlijke vijanden.

Figuur 10.3.17 De aardvlo (gezien vanaf de zijkant; ongeveer 2,5 mm lang) veroorzaakt vraatschade aan bieten­planten.

Figuur 10.3.18 De aardvlo (gezien vanaf de bovenkant; ongeveer 2,5 mm lang) veroorzaakt vraatschade aan bieten­planten.

10.3.3.2 Bietenvliegen

Bietenvliegen (Pegomya betae) zetten hun eieren in groepjes af op bietenplanten (figuur 10.3.19). Uit deze eieren kruipen larven, die mineergangen maken in de bietenbladeren (figuur 10.3.20). Na ongeveer 9 tot 22 dagen verpoppen de larven zich in de grond. Dit is afhankelijk van de temperatuur. De bietenvlieg heeft drie generaties per jaar.

Figuur 10.3.19 Eieren van de bietenvlieg op de onderkant van een bietenblad.

Figuur 10.3.20 De larven van de bietenvlieg maken mineergangen in de bladeren.

Schadedrempel

De eerste generatie kan geringe aantasting in bieten veroorzaken. Dit wordt vooral waargenomen op percelen met een zavel- of lichte kleigrond in de Wieringermeer, Noordoostpolder, Noordelijke klei en Schouwen-Duiveland, die in het voorjaar geploegd worden. Tussen jaren zijn er grote verschillen in de druk van bietenvliegen en daarom is het belangrijk dat telers gebruik maken van de schadedrempel. De schadedrempel van de eerste generatie bietenvliegen is te vinden in tabel 10.3.2. Het optimale bestrijdingstijdstip is bij het uitkomen van de eieren en het zien van de eerste mineergangen. Over het algemeen is dit halverwege mei. Het is zinvol een bespuiting uit te voeren als de eieren uitkomen, de eerste mineergangen zichtbaar zijn én de schadedrempel wordt overschreden. Bestrijden kan alleen met pyrethroïden. Als de mineergangen al groter zijn, dan heeft spuiten geen zin en leidt alleen maar tot meer aantasting door de volgende generaties (figuur 10.3.21), doordat de larven van de bietenvliegen dan al te groot zijn en niet worden gedood, maar de natuurlijke vijanden van de bietenvliegen wel. Aantasting is alleen zichtbaar op bladeren waarop eieren zijn afgezet. Indien een larve een blad verlaat, gaat zij nooit naar een ander blad, maar verpopt in de grond. Daardoor stopt de aantasting vanzelf. Tussen de generaties in is daardoor geen aantasting zichtbaar.

Tabel 10.3.2 Schadedrempel voor insecticide bespuitingen tegen bietenvlieglarven in de eerste generatie.

bietenstadium aantal volle eitjes per plant
2-4 echte bladeren 10 of meer
4-6 echte bladeren 12 of meer
6 of meer echte bladeren 20 of meer

Figuur 10.3.21 Aantasting door larven van de bietenvlieg.

De mineergangen drogen na verloop van tijd uit, waardoor delen van het blad dor worden, ze kunnen dan gemakkelijk verward worden met aantasting door bladschimmels. Zodra een bietengewas gesloten is kan een gezonde biet tot 30% van zijn bladoppervlak missen, voordat er financiële schade door de bietenvlieg optreedt.

Figuur 10.3.22 Lege (platte eieren van de bietenvlieg). De larve is met een insecticide bestreden op het moment dat het uit het ei is gekropen en aan het blad is gaan vreten. Dit is te herkennen aan gaatjes, zonder opvolgende mineergang.

Bestrijding van de tweede en derde generatie is zelden rendabel. Een gezonde biet kan namelijk tot 30% van zijn bladoppervlak missen nadat het gewas gesloten is, voordat er financiële schade optreedt. Bij slechtgroeiende bieten ligt dit percentage lager. Het optimale bestrijdingstijdstip voor de tweede en derde generatie is bij het zien van de eerste (kleine) mineergangen. Een bespuiting later uitvoeren heeft geen zin. De schadedrempel voor de tweede en derde generatie is overschreden als er meer eieren per plant zijn dan het aantal bladeren van die plant in het kwadraat1. Bijvoorbeeld bij een gemiddeld aantal bladeren van 25 bladeren per plant wordt de schadedrempel overschreden als er meer dan 25 * 25 (aantal bladeren in het kwadraat) = 625 eieren gemiddeld per plant aanwezig zijn. Omdat ei-afzet niet uniform verdeeld is over het perceel is het aan te raden meer dan 20 planten verdeeld over het perceel te bekijken en daarvan het gemiddelde aantal eitjes per plant te nemen. Indien de ei-afzet voornamelijk aan de rand van het perceel voorkomt kan er ook voor een randbespuiting worden gekozen. In figuur 10.3.23 staat de levenscyclus van de bietenvliegen.

Afbeelding met grafiek Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 10.3.23 Schematische weergave van de levenscyclus van de bietenvlieg (naar Brendler et al., 20082).

1 BBRO (2018). Advisory Bulletin. https://bbro.co.uk/media/1135/bbro-advisory-bulletin-no-8.pdf

2 Brendler, F., Holtschulte, B. en Rieckmann, W. (2008). Zuckerrübe Krankheiten – Schädlinge – Unkräuter. AgroConceptVerlagsgesellschaft, Bonn. p272.

Monitoring

In samenwerking met De Groene Vlieg is een vangsysteem ontwikkeld waarmee de pieken van vluchten van de drie generaties waar te nemen zijn. Circa 10 dagen na de piek van de vlucht zijn de meeste eitjes zichtbaar in het bietenperceel en kan een telling uitgevoerd worden of de schadedrempel wordt overschreden. Met name voor de tweede en derde generatie kan dit systeem hulp bieden. Voor de eerste generatie is dit systeem niet nodig, omdat het optimale tijdstip tussen begin en half mei ligt.

Beheersing

De larven van de bietenvliegen kunnen bestreden worden met deltamethrin (o.a. Decis; 0,3 l/ha; maximaal één toepassing per seizoen). Bestrijding dient te worden uitgevoerd op het moment van uitkomen van de larven uit de eieren. Meestal ligt dit tijdstip halverwege mei. Dit is het moment waarop de eerste mineergangen zichtbaar worden. Voer alleen een bespuiting uit indien de schadedrempel wordt overschreden (zie tabel 10.3.2). Later bespuiten heeft geen zin, aangezien de larve dan spoedig gaat verpoppen. Daarbij kan een pyrethroïdenresistente bladluispopulatie bij de bestrijding van de bietenvlieg bovendien snel toenemen. Daardoor is het in gebieden met een hoge bladluisdruk te overwegen om de aantasting van bietenvliegen te accepteren en niet in te grijpen met pyrethroïden, ook niet als de schadedrempel van de bietenvlieg wordt overschreden. Zie ook paragraaf 5.1.2.2 Neveneffecten op natuurlijke vijanden.

Meer informatie

Meer informatie over bietenvliegen is te vinden in het ˈBodemplagenschemaˈ. De toegelaten insecticiden staan vermeld in paragraaf ˈ10.3.5 Overzicht toegelaten insecticidenˈ. Meer informatie over de natuurlijke vijanden is te vinden in paragraaf ˈ10.3.4 Natuurlijke vijanden van insectenˈ.

10.3.3.3 Bietenkevers

Bietenkevertjes (Atomaria linearis) (1-1,5 mm lang) veroorzaken kleine ronde gaatjes of vlekjes op de wortel, onderaan de stengel en bladeren van suikerbieten. Ze veroorzaken vrijwel uitsluitend schade op klei- en lössgronden. Voor meer informatie over ondergrondse vraat en beheersing hiervan zie paragraaf 10.3.2.1 Bietenkevers. Zodra de gemiddelde dagtemperatuur boven de 15°C uitkomt samen met een hoge luchtvochtigheid, kunnen de kevertjes gaan vliegen en vreten ze ook bovengronds aan de bietenplanten. Hierbij vreten ze kleine ronde gaatjes in de bladeren, een schadebeeld dat erg lijkt op de vraat van bovengrondse springstaarten en aardvlooien. Bietenkevers vreten vooral aan de bladranden, terwijl bovengrondse springstaarten en aardvlooien vooral midden uit de bladschijf vreten. Bij hoge druk kan de vraat leiden tot planten met misvormde groei.

Monitoring

Het vaststellen van bietenkevertjes is in de winter mogelijk door achtergebleven bietenkoppen of grond van het perceel te verzamelen en op te spoelen in een emmer met water. De kevertjes komen dan vanzelf bovendrijven. Zie voor uitleg over het opspoelen van bietenkevers het filmpje ˈBietenkever in suikerbieten in beeldˈ.

Beheersing

Ondergronds kunnen bietenkevers bestreden worden met Force, dit heeft echter geen effect op bovengrondse vraat van de bietenkevers. Opbrengstderving wordt voornamelijk veroorzaakt door plantwegval als gevolg van vraat aan de wortels. Net als aantasting door aardvlooien en bovengrondse springstaarten, veroorzaken de gaatjes in de bladeren door bietenkevers zelden voor opbrengstderving. Dit komt omdat de biet een gigantisch compenserend vermogen heeft en in een jong stadium (2-4 bladstadium) tot wel 30% van het bladoppervlak kan missen voor financiële opbrengstderving ontstaat. Bovengrondse vraat door bietenkevers leidt zelden tot opbrengstderving, waardoor een bespuiting niet rendabel is. Bietenkevertjes overwinteren in de bodem, onder andere in achtergebleven bietenresten na de oogst. Voorkom daarom biet-op-biet in het bouwplan. Bij gemiddelde dagtemperaturen lager dan 15°C verplaatsen ze zich lopend over de grond over een afstand tot ongeveer 30 meter. Voorkom daarom ook biet-naast-biet. Een bufferstrook met een ander gewas van 30 meter ten opzichte van het perceel van vorig jaar of een sloot met water vermindert schade aanzienlijk. Als meer dan 30% van het bladoppervlak dreigt te worden weggevreten, dan kan een bestrijding worden uitgevoerd met een pyrethroïde. Het is daarbij belangrijk dat de bespuiting wordt uitgevoerd wanneer de bietenkevers bovengronds zichtbaar zijn. Een bespuiting met pyrethroïden heeft echter vaak negatieve gevolgen voor de natuurlijke vijanden en daarmee kan dit later leiden tot meer problemen met bladluizen. Zie ook paragraaf ‘5.1.2.2 Neveneffecten op natuurlijke vijanden’.

Meer informatie

Meer informatie over bietenkevers is te vinden in de presentatie ˈBeheersing van bietenkevers en springstaartenˈ en de publicaties ˈTesting alternative insecticides and monitoring systems for the control of pygmy mangold beetles (Atomaria linearis) in sugar beet in 2019ˈ en ‘Testing insecticides and monitoring systems for the control of pygmy mangold beetles in sugar beet in 2020’. Meer informatie over het opspoelen van bietenkevers is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ. Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.5.

Figuur 10.3.24 Bietenkevertjes kunnen ook kleine ronde gaatjes veroorzaken aan de bladeren als de temperatuur boven de 15°C uitkomt.

Figuur 10.3.25 Bij een zeer hoge druk (bijvoorbeeld biet-op-biet of biet-naast-biet percelen), kunnen de bietenkevertjes massaal voorkomen en vraatschade veroorzaken in het hart van de bietenplant.

Figuur 10.3.26 Bovengrondse schade kenmerkt zich door vreterij aan de bladranden. Bij zeer zware aantasting kan ook misvorming van hartbladeren optreden. Echter, ook in dit geval leidde de aantasting niet tot financiële opbrengstderving.

10.3.3.4 Bladluizen

De zwarte bonenluis veroorzaakt zuigschade aan bieten. Dit resulteert in het kroezen en omkrullen van de bladeren (figuur 10.3.27). De zwarte bonenluis kan ook het sterk vergelingsvirus (BYV) overbrengen, maar dit is van weinig betekenis, omdat de overdrachtsefficiëntie van dit virus door zwarte bonenluizen zeer laag is en bovendien deze bladluizen zich weinig verplaatsen. Dit in tegenstelling tot de groene perzikluizen, die hoppen van plant naar plant. Daarom is de schadedrempel (tabel 10.3.3) van de zwarte bonenluis veel hoger dan die van de groene bladluizen.

Figuur 10.3.27 Omdat zwarte bonenluizen aan de bladeren zuigen, kroezen ze en krullen ze om.

Tabel 10.3.3 Schadedrempel van de zwarte bonenluis. Zodra deze wordt overschreden, is een bespuiting rendabel.

maand aantal zwarte bonenluizen
mei/juni meer dan 50% van de planten bezet met kolonies van 30 tot 50 luizen
juli meer dan 75% van de planten bezet met grote kolonies van meer dan 200 luizen

De groene perzikluis (Myzus persicae) (figuur 10.3.28), de aardappeltopluis (Macrosiphum euphorbiae) en de sjalottenluis (Myzus ascalonicus) (figuur 10.3.29) kunnen alle drie de vergelingsvirussen overbrengen (Beet Yellows Virus (BYV), Beet Mild Yellowing Virus (BMYV) en Beet Chlorose Vius (BChV)). Zie voor meer informatie over vergelingsziekte paragraaf 10.7.2. De groene perzikluis is het meest aanwezig in bietenpercelen ten opzichte van de twee andere soorten. De groene perzikluis overleeft onder andere op koolsoorten, onkruidbieten en onkruiden, waarvan vogelmuur en herderstasje de belangrijkste zijn, omdat dit ook waardplanten zijn van de vergelingsvirussen.

Figuur 10.3.28 Groene perzikluizen.

Figuur 10.3.29 Van links naar rechts: een gevleugelde aardappeltopluis, gevleugelde zwarte bonenluis en een gevleugelde groene perzikluis.

Levenscyclus

In figuur 10.3.30 staat de levenscyclus van de groene perzikluis weergegeven. In koude winters overwinteren groene perzikluizen in eivorm op hun winterwaarden (o.a. perzikbomen). In het voorjaar komen de eieren uit en na enkele generaties vliegen de gevleugelden van de winterwaarden naar de zomerwaarden (o.a. suikerbieten). Dit vindt plaats vanaf eind mei tot en met eind juni. Ze kunnen ook als volwassenen overleven in kassen, bietenhopen en in warme winters ook op onkruiden en groenbemesters. De populatieopbouw vanuit deze manier van overleven verloopt sneller dan van de eivorm, waardoor reeds eind april bladluizen te vinden zijn in suikerbieten. In koude winters (meerdere dagen < -7°C) sterven met name de volwassen bladluizen en moeten de populaties dus weer helemaal worden opgebouwd vanuit de eieren. Dit duurt over het algemeen langer, waardoor populaties van de bladluizen kleiner zijn en ook later opgebouwd worden. Bladluizen geven de virussen niet door aan hun nakomelingen, waardoor gevleugelde bladluizen eerst ergens de virussen moeten oppikken, voordat ze suikerbieten in het voorjaar kunnen infecteren. Als de volwassen bladluizen overleven op onkruiden of bietenkoppen, die virus bevatten, kunnen zij al vroeg in het voorjaar virus overbrengen. Eén volwassen vrouwtje kan 50 tot 60 nakomelingen afzetten. Bij 20°C duurt het ongeveer 10 tot 12 dagen voordat een nieuwe generatie is voltooid. Bij koudere temperaturen duurt dit langer.

Gedurende de maanden mei, juni en juli kunnen populaties bladluizen zich opbouwen in de bietenpercelen. Als de aantallen op één plant te groot worden, vormen ze gevleugelden en gaan op zoek naar nieuwe planten. Op het einde van de zomer en het begin van de herfst vormen de groene perzikluizen gevleugelden en verlaten ze de bietenpercelen op zoek naar hun winterwaarden.

Afbeelding met tekst, kaart, diagram Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 10.3.30 Levenscyclus groene perzikluis.

Voer wekelijks bladluistellingen uit

Het is belangrijk om bladluispopulaties goed in de gaten te houden. Dit valt onder het tweede principe van een geïntegreerde bestrijding (monitoring, zie paragraaf 5.2.2). Zo kan een teler vaststellen wanneer de schadedrempel wordt overschreden (tabellen 10.3.3 en 10.3.4). Op dat moment is het ook pas zinvol om een bespuiting uit te voeren. Tellingen dienen wekelijks uitgevoerd te worden op minimaal 20 bietenplanten per perceel. Kies de planten redelijk verspreid over het perceel, maar vergeet daarbij zeker niet de luwtes (onder bomen, achter dijken, etc.) en plekken waar de bieten gaterig staan. Dit zijn de plaatsen waar bladluizen het eerst gevonden kunnen worden. Bladluizen houden zich vaak schuil aan de onderzijde van de bladeren, op de hartbladeren en in de gekrulde bladranden. Bekijk dus blad voor blad aan boven- en onderzijde. In de video's ’Controle bietenperceel op groene bladluizen’ en ’Vergelingsziekte beperken: wekelijks waarnemen tot half juli noodzakelijk’ wordt uitgelegd hoe de tellingen het beste uitgevoerd kunnen worden.

Medewerkers van Cosun Beet Company en Delphy tellen wekelijks groene bladluizen op meer dan 100 percelen om de situatie verspreid over Nederland in kaart te brengen. De resultaten worden direct op de bladluiswaarschuwingskaart van de bladluiswaarschuwingsdienst gepresenteerd. Het blijft echter belangrijk dat telers en/of adviseurs eigen percelen controleren, omdat de populatieopbouw per perceel verschillend kan zijn. Dit komt door verschillen in grondbewerking, voorvruchten en aanwezigheid van luwtes (dijken en/of bomen). Op percelen met niet-kerende grondbewerking overleven natuurlijke vijanden makkelijker gedurende de winter, waardoor schadedrempels van bladluizen minder snel overschreden zullen worden ten opzichte van geploegde percelen. Vanaf half juni of begin juli worden luizen gedood door parasitaire schimmels of andere natuurlijke vijanden (figuur 10.3.32). Dit was onder andere te zien op proefvelden in 2009 (zie project 03-01 in Jaarverslag 2009) en in 2014 (zie rapport ˈMonitoring van bladluizen en hun natuurlijke vijanden in suikerbieten in 2014ˈ). Kijk daarom altijd eerst goed in het gewas alvorens een bespuiting uit te voeren. In veel gevallen is het dan niet meer nodig en kunt u kosten besparen.

Tabel 10.3.4 Schadedrempel van de groene bladluizen. Zodra deze wordt overschreden, is een bespuiting rendabel. Omdat de groene perzikluis de meest dominante soort is, is het niet nodig om in het veld onderscheid te kunnen maken tussen de verschillende soorten groene bladluizen.

periode aantal groene bladluizen per tien planten
april, mei en eerste helft juni meer dan 2
tweede helft juni meer dan 5
eerste helft juli meer dan 50

Figuur 10.3.31 Pleksgewijs zijn planten aangetast door het zwak vergelingsvirus (BMYV) dat de groene perzikluizen kunnen overbrengen. Om aantasting door vergelingsziekte te beperken is wekelijks tellen van groene bladluizen en op tijd ingrijpen noodzakelijk.

Figuur 10.3.32 Vanaf half juni of begin juli worden zwarte bonenluizen gedood door parasitaire schimmels of andere natuurlijke vijanden en is bestrijden van deze bladluizen niet meer nodig.

Beheersing

Tussenzaaien van gerst zorgt ervoor dat de populatie bladluizen zich minder snel opbouwt en meer natuurlijke vijanden aanwezig zijn, waardoor de schadedrempel minder snel wordt overschreden. Tussenzaaien van gerst wordt ook gebruikt op de zandgronden als anti-stuifdek. Bij het zaaien van een anti-stuifdek is het belangrijk de gerst zo vroeg mogelijk te zaaien. Als het wordt gebruikt voor de beheersing van bladluizen dan is het prima als de gerst net voor zaai van de bieten wordt gezaaid. Lees meer over het tussenzaaien van gerst in paragraaf ‘5.5.1. Inzaaien van zomergerst’. Als bestrijding dan toch nodig is, dan kunnen groene bladluizen bestreden worden met het selectieve middel flonicamid (Teppeki (0,14 kg/ha)) dat de meeste natuurlijke vijanden spaart (zie ook artikel over natuurlijke vijanden). Mogelijk komen er nog vrijstellingen voor teeltseizoen 2024 voor de beheersing van groene perzikluizen. Als er vrijstellingen komen dan laten we dat zo spoedig mogelijk via www.irs.nl weten. Voor de bestrijding van zwarte bonenluizen kan ook Pirimor (0,4 kg/ha) worden gebruikt. Het wordt niet meer geadviseerd voor de beheersing van groene perzikluizen vanwege het grote percentage populaties van deze bladluis, die resistent zijn voor Pirimor. De groene perzikluis is ook resistent voor pyrethroïden en ook daarom dienen deze middelen niet gebruikt te worden voor de beheersing van de groene perzikluis. Zie hiervoor de presentatie ˈInsecticideresistenties bij groene perzikluizenˈ. Teppeki is in te zetten tot het tienbladstadium (uiterlijk tot 1 juni) vanwege kans op overschrijding van de MRL bij latere toepassing. Dit geldt ook voor bieten die laat geleverd worden. Teppeki mag één keer per seizoen worden ingezet. Insecticiden breken sneller af bij warm en zonnig weer en daarom is het aan te bevelen in de avonduren een bestrijding uit te voeren. Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.5.

A person kneeling on the ground touching a plant Description automatically generated

Figuur 10.3.33 Voor de beheersing van bladluizen en vergelingsziekte is het belangrijk om wekelijks bladluizen te tellen van 1 april tot en met 15 juli.

A sprayer on a field Description automatically generated

Figuur 10.3.34 Een bespuiting met insecticiden kan het beste bij bewolkt weer of in de avond worden uitgevoerd.

Meer informatie

Meer informatie over het herkennen en het beheersen van bladluizen, het herkennen van natuurlijke vijanden en de bladluiswaarschuwingsdienst is te vinden in:

10.3.3.5 Rupsen

In de zomer kunnen verschillende soorten rupsen aan de bietenbladeren vreten. De rups van de gamma-uil veroorzaakt de meeste schade in bieten. Schade kenmerkt zich door onregelmatige gaten in de bladeren (figuur 10.3.35).

De levenscyclus van deze rupsen duurt gemiddeld 56 dagen (figuur 10.3.36). Een vlinder zet ongeveer 260 eieren af. Na ongeveer tien dagen kruipen de rupsen uit de eieren. Vervolgens vreten ze gedurende ongeveer 27 dagen aan de bieten, waarna ze zich verpoppen. Na 19 dagen kruipen de vlinders uit de pop en begint de levenscyclus opnieuw. Per jaar zijn er twee tot drie levenscycli.

Figuur 10.3.35 Rups van de gamma-uil maakt onregelmatige gaten in de bladeren.

Figuur 10.3.36 Levenscyclus van de gamma-uil. Tijdens het groeiseizoen kan de levenscyclus twee- tot driemaal worden doorlopen.

Beheersing

Bestrijding is pas nodig als 30% van het bladoppervlak dreigt te worden weggevreten. Na het sluiten van het gewas kan een gezonde biet namelijk 30% van zijn blad missen, voordat er opbrengstderving optreedt. Bestrijden is daardoor zelden rendabel. Bestrijding van rupsen is mogelijk met deltamethrin (diverse merken; 0,3 l/ha; maximaal één toepassing per seizoen). Deltamethrin werkt alleen op rupsen, maar niet op vlinders, eieren en poppen. Indien te laat wordt gespoten en de rupsen al verpopt zijn, dan kan een bespuiting met pyrethroïden alleen maar negatieve gevolgen hebben op de natuurlijke vijanden en daarmee later alleen maar leiden tot meer problemen met bladluizen.

Meer informatie

Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.5.

10.3.3.6 Schildpadtor

De larve van de schildpadtor (figuur 10.3.37) en de tor (figuur 10.3.38) zelf vreten gaatjes in de bladeren van suikerbietenplanten, waardoor venstervraat ontstaat (figuren 10.3.39 en 10.3.40). Er zijn meerdere soorten schildpadtorretjes, maar de gestreepte schildpadtor (Cassida nobilis) is de meest voorkomende in de bietenteelt. Meestal is aantasting vanaf juni zichtbaar als het bietengewas gaat sluiten.

Levenscyclus

De schildpadtor zet in mei eieren (figuur 10.3.41) af aan de onderzijde van bietenbladeren of één van de andere waardplanten (spinazie, bijvoet, Canadese fijnstraal, melde, zeepostelein, avondkoekoeksbloem, spurrie, reukloze kamille). Een vrouwtje kan ongeveer 300 eieren afzetten. Eieren zijn lichtbruin van kleur en zitten vaak in een doorzichtig vliesje. Na ongeveer 12 dagen komen de larven uit de eieren en beginnen ze te vreten aan de bladeren. Deze larven zijn lichtgroen van kleur en verpoppen zich na ongeveer 2 maanden. Het schildpadtorretje overleeft als volwassen insect de winter.

Beheersing

Bestrijden van schildpadtorretjes en de larven is zelden rendabel, omdat bieten zich snel kunnen herstellen van aantasting en een biet veel aantasting kan verdragen voordat er financiële schade optreedt. Bovendien is het moeilijk om ze te raken met pyrethroïden, waardoor het resultaat van een bestrijding tegenvalt. Andere middelen dan pyrethroïden hebben geen effect op schildpadtorretjes en hun larven. Een bespuiting met pyrethroïden heeft dus alleen negatieve gevolgen op de natuurlijke vijanden en kan daarmee later in het seizoen leiden tot meer problemen met bladluizen.

Meer informatie

Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.5. Meer informatie neveneffecten van middelen staat in paragraaf 5.1.2.2 Neveneffecten op natuurlijke vijanden.

Afbeelding met komkommer Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 10.3.37 Larve van het schildpadtorretje.

Afbeelding met insect Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 10.3.38 Gestreepte schildpadtor (Cassida nobilis) zet een eitje af op de achterzijde van een bietenblad.

Figuur 10.3.39 De larve van de schildpadtor vreet gaatjes in de bladeren van suikerbieten, die meestal vanaf juni zichtbaar worden. Ook de schildpadtor zelf kan aan de bladeren vreten.

Afbeelding met plant, groente Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 10.3.40 Venstervraat als gevolg van vreterij door (de larve van) de schildpadtor.

Figuur 10.3.41 Een eitje van de schildpadtor.

10.3.3.7 Bovengrondse springstaarten

Er zijn twee soorten springstaarten die schade veroorzaken in bieten: bovengrondse springstaarten (Sminthurus viridis) en ondergrondse springstaarten (Onychiurus armatus). Voor meer informatie over ondergrondse springstaarten zie 10.3.2.5 ‘Ondergrondse springstaarten’.

Kenmerken bovengrondse springstaarten

De bovengrondse springstaart is donkergrijs en bolvormig (figuur 10.3.42). Hij komt voor op alle grondsoorten en veroorzaakt schraapvraat en kleine gaatjes aan kiembladeren en eerste echte bladeren. Hierdoor kunnen er kleine gaatjes in de bladeren en bladmisvormingen ontstaan. Aantasting is niet te onderscheiden van aantasting door aardvlooien en lijkt ook veel op aantasting aan het blad door bietenkevers, maar bietenkevers vreten daarbij vooral aan de bladranden, terwijl deze springstaarten vooral gaatjes in het blad maken.

Figuur 10.3.42 Bovengrondse springstaarten veroorzaken kleine gaatjes in de bladeren.

Beheersing

Bestrijden van bovengrondse springstaarten is zelden rendabel, omdat bieten zich snel kunnen herstellen van aantasting. Bovendien heeft de biet een gigantisch compenserend vermogen heeft en kan in een jong stadium (twee- tot vierbladstadium) tot wel 66% van het bladoppervlak missen voor financiële opbrengstderving ontstaat. Een bespuiting met pyrethroïden heeft bovendien negatieve gevolgen op de natuurlijke vijanden en daarmee kan dit later leiden tot meer problemen met andere insecten, zoals bladluizen.

Meer informatie

Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.5.

10.3.3.8 Tripsen

Tripsen (Thrips tabaci/T. angusticeps) (figuur 10.3.43) veroorzaken schade aan kiemplanten en planten in het tweebladstadium (figuur 10.3.44). Ze prikken aan de bladeren en zuigen de cellen leeg. Daardoor ontstaan kleine zilverachtige vlekjes op de bladeren. Bij vroege aantastingen sterven de uiteinden van de kiem- en eerste echte bladeren, waardoor ze naar buiten krullen. In een koud en droog voorjaar kunnen ze schade veroorzaken. Met erwten, uien of vlas als voorvrucht of als buurperceel van vorig jaar kan meer schade worden verwacht. Probeer deze voorvruchten dus te vermijden. Door bieten of distels op de hand uit te kloppen is te zien of ze aanwezig zijn. Bestrijding is pas zinvol wanneer er veel tripsen aanwezig zijn, maar omdat tripsen zich in het hart van de plant kunnen verschuilen, is het soms moeilijk ze te raken.

Beheersing

Bestrijding van tripsen is mogelijk met deltamethrin (diverse merken; 0,3 l/ha; maximaal één toepassing per seizoen), Karate Zeon (0,05 l/ha; maximaal één toepassing per seizoen) of Sumicidin Super (0,2 l/ha; maximaal twee toepassingen per seizoen met een interval van 7 dagen).

Meer informatie

Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.5.

Figuur 10.3.43 Een volwassen trips is zwart bruin van kleur en ongeveer 1-2 mm lang (boven). Een larve van de trips is 0,5-1 mm lang en geel van kleur (onder).

Figuur 10.3.44 Schade door tripsen.

10.3.3.9 Bietenaaskevers

De larven en kevers van de bietenaaskever (Blitophaga spp.) vreten aan de bladeren, waarbij de bladeren gerafelde vraatplekken vertonen. Soms is een zwart groene kleverige vloeistof op de bladranden te vinden.

Levenscyclus bietenaaskever

De bietenaaskever leeft vooral op zandgronden. De volwassen bietenaaskever overwintert in de grond en onder plantafval. De kever zet zijn eieren af aan de voet van bietenplanten. De larven komen uit de eieren en kunnen dan voor vreterij zorgen (figuur 10.3.45). Larven lijken een soort ‘zwarte pissenbedden’ en zijn 1 tot 1,5 cm lang. Na 11 tot 21 dagen verpoppen ze zich. Dit doen ze in de grond. In juli verschijnen de kevers weer boven de grond. Ze veroorzaken dan geen schade van betekenis meer en gaan al vrij snel op zoek naar een plek om te overwinteren.

Beheersing

Als er op het perceel alleen larven van de bietenaaskever zichtbaar zijn, dan is het belangrijk om te kijken of het verse vraat betreft. De larven verpoppen namelijk al na 11 tot 21 dagen. Een biet kan bovendien rond het vier- tot zesbladstadium wel 33% van zijn bladoppervlak missen, voordat er echt financiële opbrengstderving optreedt.

Als het er nog niet naar uitziet dat de larven gaan verpoppen, of ze veroorzaken meer schade, dan kan een teler overwegen om een bespuiting uit te voeren met pyrethroïden (Decis, Karate Zeon, Ninja of Sumicidin Super). Een bespuiting met pyrethroïden heeft echter vaak negatieve gevolgen voor de natuurlijke vijanden en daarmee kan dit later leiden tot meer problemen met bladluizen. Zie ook paragraaf ‘5.1.2.2 Neveneffecten op natuurlijke vijanden’.

A close-up of a leaf Description automatically generated

Figuur 10.3.45 Bietenaaskevers (links) en larve (rechts) vreten aan de bladranden. Door hun groenzwarte ontlasting blijft er een groenzwarte plakkerige vloeistof op de bladranden achter.

10.3.3.10 Bietenmot

Als gevolg van klimaatverandering treden ook verschuivingen op in ziekten en plagen. De van oorsprong vooral in Zuidoost Europa voorkomende bietenmot (Scrobipalpa ocellatella) kan in warme droge zomers ook hier steeds makkelijker overleven.

Levenscyclus
De poppen overwinteren in bietenkoppen en in de grond. In het voorjaar komen de motten de bietenpercelen invliegen en planten zich voort door na bevruchting eitjes af te zetten op of rondom de bietenplant. Uit deze eieren kruipen de rupsen die het hart en de stelen van het bietenblad mineren (figuur 10.3.46). Hierdoor ontstaat een zwart hart, wat verward kan worden met boriumgebrek (figuur 10.3.47). Bij nadere inspectie kunnen in een door bietenmot aangetaste biet echter spinseldraden, uitwerpselen en rupsen terug gevonden worden. Wortelrot door de bietenmot begint vanuit de kop, doordat de larve van de bietenmot via de bladstelen de kop binnendringt. Aantasting wordt bevorderd door droge en warme omstandigheden in de maanden juli en augustus.

Beheersing

Er zijn geen maatregelen om bietenmot te beheersen. Regenachtig en koud weer zorgt voor een natuurlijke afname van de druk.

Afbeelding met ongewerveld dier, rups, larve, geleedpotige Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 10.3.46 Bietenmotrups.

Afbeelding met plant, kruid, Bladgroente, groente Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 10.3.47 Symptomen van aantasting door bietenmotrups lijken op boriumgebrek.

10.3.4 Natuurlijke vijanden van insecten

10.3.4 Natuurlijke vijanden van insecten
10.3.4.1 Loopkevers
10.3.4.2 Kortschildkevers
10.3.4.3 Soldaatkever (weekschildkever)
10.3.4.4 Lieveheersbeestjes
10.3.4.5 Sluipwespen
10.3.4.6 Gaasvliegen
10.3.4.7 Zweefvliegen
10.3.4.8 Galmuggen
10.3.4.9 Insectparasitaire schimmels

In de bietenteelt komen diverse soorten natuurlijke vijanden voor, zoals lieveheersbeestjes, sluipwespen, kortschildkevers, weekschildkevers (soldaatkevers), loopkevers, gaasvliegen, zweefvliegen en galmuggen. In deze paragraaf vindt u onder andere meer informatie over de belangrijkste natuurlijke vijanden in de bietenteelt en tips om ze te sparen.

Natuurlijke vijanden sparen

Omdat het belangrijk is om natuurlijke vijanden van bietenvliegen en bladluizen te sparen om de populatieopbouw te beperken, is het advies om zo min mogelijk pyrethroïden (Decis, Karate Zeon, Ninja, Sumicidin Super) in te zetten. Zeker omdat er reeds is aangetoond dat groene perzikluizen (de overbrengers van vergelingsvirussen) verminderd gevoelig zijn voor pyrethroïden. Bovendien is het niet mogelijk om groene perzikluizen te raken met pyrethroïden, omdat deze bladluizen zich aan de onderzijde van de bladeren bevinden. Door pyrethroïden te gebruiken worden de natuurlijke vijanden van deze bladluizen wel gedood, maar de bladluizen zelf niet, waardoor de populatie bladluizen alleen maar sneller zal toenemen. In het artikel ˈBeheersing begint bij insectenherkenning en gebruik natuurlijke vijandenˈ staan de effecten van insecticiden op de natuurlijke vijanden. Houdt hier rekening mee met de keuze van de insecticide.

Habitat natuurlijke vijanden

Vliegende natuurlijke vijanden zijn afhankelijk van verschillende leefgebieden. In de lente en zomer wisselen de volwassen zweefvliegen, sluipwespen en gaasvliegen hun bezoek af tussen bloemenranden om nectar te eten en de gewassen om hun eieren af te zetten. Of een soort een bloem bezoekt, is afhankelijk van de lengte van hun tong waarmee ze de nectar opnemen. Hun larven eten dan van de bladluizen in het gewas. Aan het einde van het seizoen worden vaak houtachtige planten bezocht, dus struiken en bosjes vormen een overwinteringsplek. Lopende natuurlijke vijanden zoals loop-, kortschild- en soldaatkevers, die voornamelijk op en in de bodem leven, zijn al volop in de bieten aanwezig op het moment dat de eerste bieten bovenkomen. Ze wisselen minder tussen verschillende leefgebieden, maar zijn voor de overwintering vaak wel afhankelijk van meerjarige akkerranden, keverbanken, ecologisch beheerde bermen en struikgewas. Ook wintertarwe of een groenbemester biedt schuilplaatsen voor lopende natuurlijke vijanden. Er worden veel meer natuurlijke vijanden (in aantallen en soorten) gevonden in een kleinschalig landschap met veel natuurlijke elementen dan in gebieden waar voornamelijk grote percelen aanwezig zijn. Ploegen heeft op veel lopende natuurlijke vijanden een nadelig effect.

Effectiviteit natuurlijke vijanden

Er zijn vuistregels voor een gunstige verhouding van natuurlijke vijanden versus plaaginsecten die zijn omschreven per vangmethode in de instrumentenkaart ˈNatuurlijke vijanden – waarnemenˈ. Houd de schadedrempels van de plaaginsecten altijd in acht; het effect van natuurlijke vijanden kan soms traag zijn.

Meer informatie

Meer informatie over het effect van insecticiden op de natuurlijke vijanden is te vinden in het, de applicatie Ziekten en plagen (kopje ˈNuttige insectenˈ). Meer informatie over natuurlijke vijanden naast akkerranden is ook te vinden in het rapport ˈMonitoring van bladluizen en hun natuurlijke vijanden in suikerbieten in 2014ˈ.

10.3.4.1 Loopkevers

De loopkever (figuur 10.3.48) is al voor het zaaien aanwezig op het perceel. Tijdens de winter ontwikkelen de larven in de bodem en vinden volwassen kevers daar hun schuilplaats. Ze overwinteren ook in zodevormende grassoorten zoals kropaar, bosgierstgras, echte witbol en ruwe smele. Deze kever en hun larven eten bladluizen, maar ook eitjes van bietenvliegen, bietenkevers, aardvlooien, emelten en wantsen. Ze zijn vooral ’s nachts actief.

Figuur 10.3.48 Een loopkever.

10.3.4.2 Kortschildkevers

Net als de loopkever is ook de kortschildkever (figuur 10.3.49) vooral ’s nachts actief. Deze kever is ook al vroeg in het seizoen aanwezig. Tijdens de winter ontwikkelen de larven in de bodem en vinden volwassen kevers daar hun schuilplaats. Ze overwinteren ook in zodevormende grassoorten zoals kropaar, bosgierstgras, echte witbol en ruwe smele. De kortschildkever en hun larven eten bladluizen, bietenvliegen, bietenkevers, emelten en wantsen.

Figuur 10.3.49 De kortschildkever.

10.3.4.3 Soldaatkever (weekschildkever)

De soldaatkever (weekschildkever; figuur 10.3.50) laat zich makkelijker zien. Tijdens de winter ontwikkelen de larven in de bodem en vinden volwassen kevers daar hun schuilplaats. Al vroeg in het voorjaar leveren vooral de larven een grote bijdrage aan de bladluisbeheersing. Maar soldaatkevers eten niet alleen bladluizen, ze dragen ook bij in de beheersing van bietenvliegen.

Figuur 10.3.50 De soldaatkever.

Figuur 10.3.51 Deze soldaatkever eet een zwarte bonenluis.

10.3.4.4 Lieveheersbeestjes

Lieveheersbeestjes zijn zeer makkelijk zichtbaar door de opvallende rode kleur (figuur 10.3.52). De volwassenen eten ongeveer 50 bladluizen per dag en dragen daarmee substantieel bij aan de natuurlijke plaagbestrijding. De eieren van een lieveheersbeestje zijn vaak aan de onderzijde van de bladeren te zien. De geel-oranje eieren staan in groepjes rechtop op het blad (figuur 10.3.53). Uit de eieren kruipen de larven van het lieveheersbeestje. Deze larve eet zwarte bonenluizen (figuur 10.3.54), maar hij lust ook andere bladluizen en eieren van de bietenvlieg. De larve eet tot wel 100 bladluizen per dag.

Figuur 10.3.52 Een volwassen lieveheersbeestje.

Figuur 10.3.53 Eitjes van het lieveheersbeestje.

Figuur 10.3.54 Larve van het lieveheersbeestje, die een zwarte bonenluis eet.

10.3.4.5 Sluipwespen

Sluipwespen (figuur 10.3.55) dragen bij aan de beheersing van verschillende soorten bladluizen. Omdat ze vaak wegvliegen als een blad wordt aangeraakt, zijn ze niet makkelijk te vinden. De aanwezigheid van sluipwespen is te herkennen aan geparasiteerde bladluizen (mummies; figuur 10.3.56). Zodra de sluipwesp zijn eieren afzet in een bladluis, wordt hij goudgeel van kleur, zwelt hij op en gaat dood.

Sluipwespen kunnen ook andere insecten parasiteren, zoals de eieren van de bietenvlieg en rupsen. Bij rupsen worden de eitjes door een andere sluipwespensoort afgezet (figuur 10.3.57). De eitjes ontwikkelen zich tot larven. De larven voeden zich met de inhoud van de rups, die hieraan doodgaat op den duur. In dit filmpje is te zien hoe inventief natuurlijke vijanden zoals sluipwespen kunnen zijn.

Figuur 10.3.55 Een sluipwesp.

Figuur 10.3.56 Deze bladluis is geparasiteerd door een sluipwesp.

http://cos0mb1547.cosun.org/irs/pcache/10004/dc/ziektenampplagen_rups-03_cadb5.jpg
Figuur 10.3.57 Een geparasiteerde rups.

10.3.4.6 Gaasvliegen

De groene gaasvlieg (figuur 10.3.58) komt vanaf half mei ook voor in de bieten. Zij zet dan haar eitjes af. Een eitje is heel makkelijk te herkennen, doordat dit eitje op een stokje staat (figuur 10.3.59). De larve die hieruit komt eet bladluizen (figuur 10.3.60), eieren van de bietenvlieg en bovengrondse springstaarten.

Figuur 10.3.58 De groene gaasvlieg.

Figuur 10.3.59 Een eitje van een gaasvlieg.

Figuur 10.3.60 De larve van een gaasvlieg, die een zwarte bonenluis opeet.

10.3.4.7 Zweefvliegen

Er zijn verschillende soorten zweefvliegen (figuur 10.3.61). Ze verschijnen vanaf half mei en voeden zich met stuifmeel van de bloemen. Ze leggen al naar gelang de soort 500 tot 3000 eieren. Elk ei wordt afzonderlijk te midden van een bladluiskolonie afgezet. De larve van de zweefvlieg (figuur 10.3.62) eet zo’n dertig bladluizen per dag op. Naast bladluizen eet de zweefvlieglarve ook bietenvliegeieren. Er kunnen één tot zes generaties per jaar tot ontwikkeling komen.

Figuur 10.3.61 Een zweefvlieg.

Figuur 10.3.62 De larve van een zweefvlieg, die zwarte bonenluizen eet.

10.3.4.8 Galmuggen

De larven van vijf verschillende soorten galmuggen treden op als natuurlijke vijand van bladluizen en mijten (figuur 10.3.63). De adulten verschijnen vanaf mei en en zijn van juni tot september in de gewassen te vinden. De poppen overwinteren op 2 cm diepte in de bodem. Akkerranden met luisaanbod tot in de herfst dragen bij aan overleving van de soort. Indirect beperkt deze soort de grootte van bladluispopulaties die de winter in gaan. De galmugvrouwtjes leggen onder gunstige omstandigheden 100 tot 150 eieren in een bladluiskolonie waar nog geen andere natuurlijke vijanden aanwezig zijn. Er kunnen twee tot drie generaties per jaar tot ontwikkeling komen.

Figuur 10.3.63 De larve van een galmug.

10.3.4.9 Insectparasitaire schimmels

Vanaf de gewassluiting, als het bietengewas wat langer vochtig blijft, krijgen insectparasitaire schimmels de kans om zich te ontwikkelen. De sporen van deze schimmels dringen de bladluizen binnen, waardoor hele kolonies gedood kunnen worden (figuur 10.3.64). Insectparasitaire schimmels waarbij zwarte bonenluizen oranje of grijs kleuren, wordt vaak bij gewassluiting waargenomen (figuur 10.3.65 en 10.3.66). Hierbij is de oorspronkelijke bladluiskolonie soms nog zichtbaar waarna geleidelijk de schimmel alle bladluizen opruimt. Deze schimmels zijn niet schadelijk voor de bieten zelf. Fungiciden die worden gebruikt om bladschimmels te bestrijden hebben over het algemeen een schadelijk effect op de meest voorkomende insectparasitaire schimmel (Paecilomyces fumosoroseus, bron: Biobest).

http://cos0mb1547.cosun.org/irs/pcache/10004/9f/lagen_zwarte_bonenluis-46_f07d9.jpg

Figuur 10.3.64 Insectparasitaire schimmels op een kolonie zwarte bonenluizen.

Figuur 10.3.65 Een door een schimmel geparasiteerde bladluis (oranje) te midden van drie gezonde bladluizen.

Figuur 10.3.66 Oranje gekleurde geparsiteerde zwarte bonenluizen in een kolonie.

10.3.5 Overzicht toegelaten insecticiden

In tabel 10.3.5 staat een overzicht van de werking en nevenwerking van de op dit moment toegelaten insecticiden die ingezet kunnen worden tegen de insectenplagen genoemd in bovenstaande paragrafen.

Als de schadedrempel voor insecten wordt overschreden, kan tot een bestrijding worden overgegaan (zie ook hoofdstuk 5.2 en tabel 10.3.6). Hierbij is het belangrijk dat een teler rekening houdt met de effecten van middelen op milieu en natuurlijke vijanden, wat betekent dat het gebruik van pyrethroïden vermeden dient te worden (zie ook paragraaf 5.1.2 en 5.2).

Toepassingstijdstip

Systemische middelen, zoals Teppeki kunnen het beste worden gespoten bij groeizaam weer in de ochtend en/of avond, omdat ze dan beter door de plant worden opgenomen. Pirimor werkt het beste als de temperaturen hoger zijn dan 20°C. Pyrethroïden kunnen het beste in de avonduren te worden toegepast. Het is daarbij belangrijk om te kijken of de doelinsecten actief zijn, aangezien ze geraakt dienen te worden.

Mengen van insecticiden met herbiciden of meststoffen

Het mengen van insecticiden met herbiciden is theoretisch mogelijk maar niet aan te raden. Het advies is om insecticiden met meer water (bij voorkeur 400-500 l/ha) te spuiten in vergelijking met herbiciden. Bij gebruik van minder water kan de effectiviteit van insecticiden afnemen. Mengen met meststoffen wordt afgeraden. Meer informatie over het mengen van gewasbeschermingsmiddelen is te vinden in paragraaf 5.4.4.

Tabel 10.3.5 Werking en nevenwerking van insecticiden tegen de diverse insecten.

insect insecticide werkzame stof dosering aantal toepassingen interval toepassingsvoorwaarden opmerkingen
aardappelstengel-boorder Sumicidin Super esfenvaleraat 0,45 L/ha max. 2 min 7 dagen Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
bladluizen Teppeki flonicamid 0,14 kg/ha max. 1 In verband met MRL alleen toepassen tot 10 bladstadium (uiterlijk tot 1 juni). Teppeki is veilig voor natuurlijke vijanden. Het werkt alleen op bladluizen.
Pirimor (niet voor groene perzikluizen) pirimicarb 0,4 kg/ha max. 1 Op percelen die grenzen aan watergangen dient gebruik gemaakt te worden van een teeltvrije zone van 0,75 meter in combinatie met minimaal 90% driftreducerende doppen of een van de andere maatregelen zoals vermeld op het etiket. Een groot gedeelte van de groene perzikluizen is resistent voor pirimicarb. Dit product heeft daardoor niet de voorkeur bij deze beheersing van vergelingsziekte. Werking van Pirimor

op zwarte bonenluizen is goed.

bietenvliegen, rupsen Decis deltamethrin 0,3 L/ha max. 1 Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
bovengrondse bietenkevers Karate Zeon, Ninja lambda-cyhalothrin 0,05 L/ha max. 1 Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
Decis deltamethrin 0,3 L/ha max. 1 Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
Sumicidin Super esfenvaleraat 0,2 L/ha max. 2 min 7 dagen Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
ondergrondse bietenkevers, miljoenpoten,

wortelduizendpoten, springstaarten, emelten

Force tefluthrin 50 ml/100.000 zaden Uitzaai van behandeld zaad alleen is toegelaten met behulp van precisiezaai van gepilleerd zaad, waarbij het behandelde zaad direct met grond bedekt wordt. Om de vogels en zoogdieren te beschermen het product volledig in de bodem moet worden ondergewerkt; zorg ervoor dat het product ook aan de kopakker is ondergewerkt en gemorst product verwijderd wordt. Resten van behandeld zaad nooit verspreiden of vervoederen aan dieren. Ook bij zaaien van behandeld zaaizaad is het belangrijk persoonlijke beschermingsmaatregelen

te nemen. Zie hiervoor de folder ˈVeilig hanteren en gebruiken van behandeld zaaizaadˈ van Syngenta.

ritnaalden Force tefluthrin 50 ml/100.000 zaden Uitzaai van behandeld zaad alleen is toegelaten met

behulp van precisiezaai van gepilleerd zaad, waarbij het

behandelde zaad direct met grond bedekt wordt. Om de

vogels en zoogdieren te beschermen het product volledig

in de bodem moet worden ondergewerkt; zorg ervoor dat

het product ook aan de kopakker is ondergewerkt en

gemorst product verwijderd wordt. Resten van behandeld

zaad nooit verspreiden of vervoederen aan dieren.

Ook bij zaaien van behandeld zaaizaad is het belangrijk persoonlijke beschermingsmaatregelen

te nemen. Zie hiervoor de folder ‘Veilig hanteren en gebruiken van behandeld zaaizaad’ van Syngenta.

Belem cypermethrin 12 kg/ha Granulaat dient te worden toegepast in de zaaivoor tijdens het

zaaien.

Heeft een

werking heeft op ritnaalden.

tripsen Karate Zeon, Ninja lambda-cyhalothrin 0,05 L/ha max. 1 Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
Decis deltamethrin 0,3 L/ha max. 1 Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
Sumicidin Super esfenvaleraat 0,2 L/ha max. 2 min 7 dagen Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.

Tabel 10.3.6 Kenmerken van insecticiden.

insecticide werkzame stof werking duurwerking resistentie opmerkingen
Belem cypermethrin Contactwerking. Ritnaalden die in de buurt komen van het granulaat worden gedood. Het heeft geen effect op bladinsecten.
Decis deltamethrin Contactwerking. Het doodt alleen de insecten die geraakt worden. geen duurwerking Groene perzikluizen zijn resistent voor pyrethroïden
Force tefluthrin Contactwerking. Bodeminsecten die in de buurt komen van de pil worden gedood. Het heeft geen effect op bladinsecten. tot aan het vierbladstadium Werkt onvoldoende als er te diep (> 2,5-3 cm) gezaaid wordt.
Karate Zeon, Ninja lambda-cyhalothrin Contactwerking. Het doodt alleen de insecten die geraakt worden. geen duurwerking Groene perzikluizen zijn resistent voor pyrethroïden
Pirimor pirimicarb Dampwerking. ca. 2 weken Groene perzikluizen zijn resistent voor pirimicarb Temperatuur dient hoger te zijn dan 20°C voor een goede werking.
Sumicidin Super esfenvaleraat Contactwerking. Het doodt alleen de insecten die geraakt worden. geen duurwerking Groene perzikluizen zijn resistent voor pyrethroïden
Teppeki flonicamid Systemisch, wordt opgenomen in de geraakte bladeren. Bladluizen stoppen direct met eten en daarmee het overbrengen van virussen. Ze gaan pas na circa 5 dagen dood. ca. 2-3 weken In verband met kans op overschrijding van de MRL alleen toepassen t tot 10-bladstadium (uiterlijk tot 1 juni). Dit geldt ook bij late levering.

10.4 Bladschimmels

Versie: maart 2023

10.4 Bladschimmels
10.4.1 Cercospora
10.4.2 Ramularia
10.4.3 Roest
10.4.4 Meeldauw
10.4.5 Stemphylium (ˈgele vlekjesˈ)
10.4.6 Herkenning van bladschimmels
10.4.7 Beheersing bladschimmels
10.4.7.1 Keuze van het perceel en ras
10.4.7.2 Infectiewaarden cercospora en stemphylium
10.4.7.3 Bespuitingen
10.4.7.4 Voorkom resistentievorming
10.4.8 Werking bladschimmelwaarschuwingsdienst

In de loop van het groeiseizoen kunnen bladeren van suikerbieten door verschillende blad­schimmels worden aangetast. Hoe zwaarder de aantasting, hoe meer loof voor de productie van suiker verloren gaat en hoe groter de schade. Dit hoofdstuk gaat in op de diverse bladschimmels (10.4.1 t/m 10.4.5), de herkenning ervan (10.4.6), hun bestrijding met aandacht voor het voorkomen van resistentievorming bij de schimmel en in geval resistentievorming is opgetreden (10.4.7) en de bladschimmelwaarschuwingsdienst (10.4.8).

10.4.1 Cercospora

Afhankelijk van de weersomstandigheden, verschijnen vanaf begin/midden juli de eerste vlekjes veroorzaakt door de bladschimmel cercospora op de volgroeide bladeren. Deze vlekjes kunnen worden veroorzaakt door Cercospora beticola en Cercospora apii. Op basis van de vlekjes zijn deze twee schimmelsoorten niet van elkaar te onderscheiden. De vlekjes van beide schimmels zijn 1 tot 3 mm in doorsnee en hebben een donkere, bruinrode tot paarsachtige, rand (figuur 10.4.1). De vlekjes lijken ook sterk op bladvlekken veroorzaakt door de bacterie pseudomonas (zie paragraaf 10.8.1), echter de vlekjes van pseudomonas kunnen rond of onregelmatig van vorm zijn en een zwartbruine of roodachtige kleur hebben, waar de vlekjes van cercospora daarentegen rond en grijs zijn met een donkere roodpaarse rand. Bij warm vochtig weer ontstaan middenin die vlekjes, vooral aan de onderkant van het blad, zwarte puntjes omgeven door een grijze viltlaag. Dit zijn de sporendragers met daarop de witte sporen van de schimmel. De aantasting kan zich snel uitbreiden over het blad en over het perceel. De optimale temperatuur voor cercospora is 15-30°C en een hoge luchtvochtigheid van >95% in het gewas. De sporen van cercospora worden door regen en wind verspreid en kunnen enkele jaren op gewasresten in de grond overleven. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 10% van de cercosporasporen langer dan 22 maanden na de oogst van het bietengewas nog steeds vitaal zijn. Daardoor is de schimmeldruk vaak hoger op:

  • percelen waar biet-op-biet is gezaaid;
  • percelen met veel onkruidbieten;
  • percelen met een nauwe gewasrotatie met suikerbieten (1 op 4 of nauwer);
  • een perceelsgedeelte waarop in het voorgaande jaar een bietenhoop lag;
  • perceelsranden waar bieten naast een zwaaraangetast bietenperceel van vorig jaar staan. Op deze percelen (perceelsdelen) vindt men vaak de eerste aantasting. Deze eerste aantasting kan zich onder gunstig weer voor de schimmel snel uitbreiden over de rest van het perceel.

A rock in the water Description automatically generated with low confidence

Figuur 10.4.1 Een vergrote opname van een cercosporavlekje. In het midden zijn duidelijk de witte sporen zichtbaar. Ze staan op donkere sporen­dragers. Met de loep zijn ze als zwarte stipjes te zien.

Als er zoveel vlekjes komen dat ze in elkaar overlopen, verdort het blad. Dit leidt tot vorming van nieuw blad en daardoor verlies van suiker. Opbrengstderving, veroorzaakt door cercospora, kan oplopen tot 40%. Om schade te voorkomen is een fungicidenbespuiting bij de eerste vlekjes het meest effectief en efficiënt; zie hiervoor paragraaf 10.4.7 en 10.4.8.

Cercospora kan resistent of verminderd gevoelig worden voor de actieve stoffen in de fungiciden. Dit betekent dat de fungiciden minder goed werken tegen de schimmel en dat de aantasting na een bespuiting (sneller weer) toe zal blijven nemen. Zo zijn er in Nederland cercospora-isolaten gevonden die resistent zijn tegen strobilurinen, ook zijn er isolaten gevonden die verminderd gevoelig bleken te zijn voor triazolen (zie project 12-12 in het jaarverslag van 2012 en de publicatie van het onderzoek in 2018). Ondanks eventuele resistentievorming tegen de fungiciden is beheersing van cercospora nog steeds mogelijk door het:

  • kiezen voor rassen met een zo hoog mogelijke bladgezondheid cercospora. Zie hiervoor het Rassenbulletin;
  • inzetten van Charge (3 L/ha) of Microthiol Special Liquid (5 L/ha) wanneer de eerste keer de som van de infectiewaarden van de bladschimmelsensor van de afgelopen twee dagen op het perceel groter of gelijk aan zes is;
  • spuiten met een fungicide zodra de allereerste vlekjes in het gewas verschijnen en dit te herhalen wanneer er nieuwe vlekjes bijkomen;
  • vermijden van middelen met een strobilurine bij de eerste bespuiting;
  • goed afwisselen van de beschikbare fungiciden (afwisselen van middelen en afwisselen binnen de groepen van actieve stoffen) bij opeenvolgende bespuitingen;
  • eventueel toevoegen van Promotor als hulpstof voor betere opname fungiciden;
  • mixen van de volle dosering van twee verschillende fungiciden (twee verschillende triazolen of een triazoolhoudend fungicide met 3 L/ha Microthiol Special Liquid (niet na juli)) bij de eerste of tweede bespuiting;
  • gebruiken van de infectiekansen om de effectiviteit van de bladschimmelbeheersing te verbeteren.

Zie voor meer informatie over de bladschimmelbeheersing paragraaf 10.4.7 en de publicaties van het onderzoek in 2018, 2019, 2020 en 2021.

10.4.2 Ramularia

Deze bladschimmel infecteert de bladeren van de suikerbiet bij koele omstandigheden (16-18°C). Voorwaarde voor deze schimmel is een luchtvochtigheid van >95% in het gewas. Door deze koele en vochtige omstandigheden treedt de aantasting vaak pas later in het seizoen op, soms eerder bij een koele zomer. De opbrengstderving bij zware aantasting kan 10 tot 15% bedragen.

De sporen van ramularia (Ramularia beticola) verspreiden zich met wind en regen. Na infectie vormen zich op de oudere bladeren onregelmatige lichtbruine vlekken met een doorsnede van 1 tot 3 cm (figuur 10.4.2). Bij zware aantasting lopen de vlekken in elkaar over en verdort het blad. De sporen kunnen op gewasresten beperkte tijd in leven blijven en in de grond tot twee jaar overleven.

Om schade te voorkomen is een fungicidenbespuiting bij de eerste vlekjes het meest effectief en efficiënt; zie hiervoor paragraaf 10.4.7 en 10.4.8.

Figuur 10.4.2 Een vergrote opname van een ramulariavlekje. In het midden zijn duidelijk de witte sporenhoopjes zichtbaar. Ze zijn met een loep ook zichtbaar als witte puntjes.

10.4.3 Roest

Roest (Uromyces betae) komt vaak voor in jaren, waarin het bietenblad lang nat blijft door lange dauwperioden en veel regen. De optimale temperatuur is 15-22°C. Roest is gemakkelijk te herkennen aan de kleine, roestbruine puistjes op het blad, van circa 0,5 tot 1,5 mm groot (figuur 10.4.3). Hierin zitten de sporen. Soms kleurt het blad rondom het puistje geel. De schimmel overwintert op gewasresten en onkruidbieten. Ruim deze zoveel mogelijk op om aantasting in het volgende jaar zo veel mogelijk te beperken. Bij zware aantasting door roest kan de schade 5 tot 10% bedragen. Om schade te voorkomen, is een fungicidenbespuiting bij de eerste vlekjes het meest effectief en efficiënt; zie hiervoor paragraaf 10.4.7 en 10.4.8.

Figuur 10.4.3 Zware aantasting door roest. Over het hele blad zijn
duidelijk de roestbruine, kleine puistjes zichtbaar.

10.4.4 Meeldauw

Echte meeldauw (Erysiphe betae) treedt in de zomer op bij droog (luchtvochtigheid 30-40%) weer en hoge temperaturen (25-30°C). Bij een vroege en zware aantasting kan de schade 5-10% bedragen. Bestrijden van meeldauw is dan ook zeker zinvol. Meeldauw is te herkennen aan een witte stofachtige poederlaag op de bladeren (figuur 10.4.4). Het blad van de bieten­planten ziet er dan dofgroen uit. De schimmel overwintert op achterblijvende wortels (oogstverliezen), koppen en onkruidbieten. Ruim wortels, koppen (ook wat achter­blijft na verlading van de bietenhoop) en onkruidbieten zoveel mogelijk op om aantasting in het volgende jaar zo veel mogelijk te beperken. Om schade te voorkomen is een fungicidenbespuiting bij de eerste aantasting het meest effectief en efficiënt; zie hiervoor paragraaf 10.4.7 en 10.4.8.

Figuur 10.4.4 Aantasting door echte meeldauw. Op het blad is het
witte stofachtige poeder duidelijk zichtbaar. Het
blad lijkt hierdoor dofgroen.

10.4.5 Stemphylium (ˈgele vlekjesˈ)

De aantasting door gele vlekjes komt in alle teeltgebieden van Nederland voor. IRS-onderzoek toonde aan dat deze ˈgele vlekjesˈ worden veroorzaakt door stemphylium1,2. Het betreft een soort die nog niet eerder was beschreven, daarom heeft stemphylium in suikerbieten de naam Stemphylium beticola gekregen3. Ook Stemphylium vesicarium kan gele vlekjes op het bietenblad veroorzaken4. Deze aantasting is vaak wel minder agressief als de aantasting met Stemphylium beticola.

De eerste aantasting kenmerkt zich door kleine, onregelmatige gele vlekjes in het blad (figuur 10.4.5). Deze eerste aantasting van stemphylium verschijnt tussen eind juni en begin augustus op het suikerbietenblad bij lage tot milde zomertemperaturen (10-25°C) én bij een zeer hoge luchtvochtigheid (>97%) of nat blad. Bij het waarnemen kan verwarring optreden met vlekjes veroorzaakt door mangaangebrek en kleine beschadigingen aan de achterzijde van het blad. Na enige tijd sterft het binnenste van de eerste vlekjes af (necrotiseert) tot een bruin weefsel (figuur 10.4.6). De vlekjes zitten verspreid over het blad en tasten de gehele plant aan (figuur 10.4.7). Zwaar aangetaste bladeren sterven af en op nieuw gevormd blad verschijnen nieuwe vlekjes. Door het afsterven van de bladeren kan de grond in augustus/september weer zichtbaar worden. De aantasting begint vaak in haarden en kan zich over het hele perceel verspreiden (figuur 10.4.8). Uit IRS-onderzoek bleek dat de vlekjes niet worden veroorzaakt door nutriëntengebrek. Er bleek verder dat stemphylium de gele vlekjes kan veroorzaken als de bietenplant volledig gezond is (zonder stress). Dit maakt stemphylium een primaire ziekte van de suikerbiet en geen secundaire aantasting (zie paragraaf 10.8).

1 Hanse, B. (2013). Research on Stemphylium spp. the causal agent of the yellow leaf spot disease in sugar beet in 2012. 13P01, IRS, Bergen op Zoom. 32p. Link naar publicatie.

2 Hanse, B., Raaijmakers, E. E. M., Schoone, A. H. L., & van Oorschot, P. M. S. (2015). Stemphylium sp., the cause of yellow leaf spot disease in sugar beet (Beta vulgaris L.) in the Netherlands. European Journal of Plant Pathology, 141(4), 1-12, DOI: 10.1007/s10658-015-0617-8.

3 Woudenberg, J. and Hanse, B. (2016). Stemphylium beticola Woudenb. & Hanse, sp. nov., Fungal Planet 442 – 4 July 2016. Persoonia, 36: 402-403. DOI:10.3767/003158516X692185.

4 Hanse, B. (2020). Project 12-15 PPS Stemphylium in bouwplan verband. IRS Jaarverslag 2019. Stichting IRS, Dinteloord.88 p.

In fungicidenproeven is tot 42% reductie in suikeropbrengst vastgesteld. Dit betekent een derving van 50% voor de financiële opbrengst. Uit de IRS-proefvelden blijkt dat Spyrale en Bicanta een nevenwerking hebben tegen stemphylium. Houd tijdens het seizoen de website van de bladschimmelwaarschuwingsdienst (www.irs.nl/bladschimmel) in de gaten voor de actuele meldingen over bladschimmels. Vanwege de grote schade die de schimmel veroorzaakt wordt stemphylium ook meegenomen in de bladschimmel­waarschuwingsdienst (zie paragraaf 10.4.8).

Figuur 10.4.5 De schadedrempel bij stemphylium-aantasting ligt bij het eerste vlekje veroorzaakt door stemphylium. Bij het waarnemen kan verwarring optreden met vlekjes veroorzaakt door mangaangebrek en kleine beschadigingen aan de achterzijde van het blad.

Figuur 10.4.6 Detail van een geel vlekje veroorzaakt door stemphylium. Het bladweefsel sterft in de vlekjes van binnenuit af en wordt bruin (necrotiseren).

diagnostiek-154

Figuur 10.4.7 Zware aantasting door stemphylium. De vlekjes zijn onregelmatig van vorm en necrotiseren van binnenuit. In een later stadium vloeien de vlekjes samen en beginnen delen van het blad te necrotiseren.

diagnostiek-218

Figuur 10.4.8 Bij zware aantasting sterven bladeren af. Op nieuw gevormd blad verschijnen ook weer vlekjes (links). Wanneer blad afsterft, wordt de grond weer zichtbaar (21 september 2007).

10.4.6 Herkenning van bladschimmels

Om de herkenning van de bladschimmels cercospora, stempylium, ramularia, roest en meeldauw te vereenvoudigen is de handleiding ˈHerkenning bladschimmels in suikerbietenˈgemaakt. Alle bladschimmels zijn ookte vinden met fotoˈs en beschrijvingen in de applicatie ‘Ziekten & Plagen’. In 2020 is een video gemaakt voor het herkennen van bladschimmels:

Voor meer informatie over alle bladschimmels: zie www.irs.nl/bladschimmel.

10.4.7 Beheersing bladschimmels

In 2020 en 2022 zijn door IRS verschillende video's gemaakt over de beheersing van bladschimmels. Deze videoserie is te bekijken via het YouTube-kanaal IRSTelevisie. De volgende video's zijn beschikbaar:

10.4.7.1 Keuze van het perceel en ras

De beheersing van bladschimmels begint al voordat de bieten gezaaid worden. Het beste kan worden gekozen voor een perceel met een zo ruim mogelijke rotatie van waardplanten. De voorkeur heeft 1 op 6 of ruimer. Voor alle bladschimmels is dit in de reguliere akkerbouwrotaties een zo ruim mogelijke rotatie suikerbieten. Bij stemphylium komen daar nog de rotatie met (zetmeel)aardappelen bij. Vermijd bieten direct naast een bietenperceel van vorig jaar (figuur 10.4.9) en percelen waar een bietenhoop op de kopakker heeft gelegen.

A picture containing grass, outdoor, ground, plant Description automatically generated

Figuur 10.4.9 Suikerbieten naast een perceel waar vorig jaar bieten gestaan hebben. Door het overwaaien van sporen ontstaat de aantasting aan de kant eerder en is deze veel zwaarder dan de rest van het perceel.

Na de perceelskeuze is het belangrijk om te kiezen voor een ras met zo hoog mogelijke bladgezondheid. Hou wel rekening met de andere eigenschappen van rassen die nodig kunnen zijn op het perceel zoals rhizoctonia-, aaltjes- en rhizomanieresistentie. Ook rassen met een zeer hoge bladgezondheid cercospora (Bladgezondheid Cercospora =9) moeten worden gespoten bij het verschijnen van de eerste vlekjes cercospora of andere bladschimmels.

Na de gewassluiting zijn er verschillende typen middelen toegelaten voor de beheersing van bladschimmels (tabel 10.4.1).

De elicitor Charge (op basis van chitosan hydroxychloride) moet preventief worden ingezet, bijvoorbeeld na gewassluiting of op het moment dat hoge infectiewaarden zijn geregistreerd op het perceel. De werking is gebaseerd op het activeren van de plantweerstand tegen bladschimmels. Bij gebruik van Charge kan vaak aan de achterkant van het schema één of meer bespuitingen worden bespaart met dezelfde effectiviteit.
Microthiol Special Liquid is een bedekkingsfungicide wat vooral effectief is bij vroege toepassing tegen kiemende sporen op het blad. Het kan solo (5 L/ha) worden toegepast of in de tankmix (3 L/ha) met een ander fungicide, zoals Spyrale, Bicanta, Belanty, Difure SOLO of Borgi.

[embed]https://www.youtube.com/watch?v=AQvQ-SGKxNU[/embed]

De eerste behandeling met fungiciden tegen bladschimmels moet plaatsvinden bij het verschijnen van de eerste aantasting (de eerste vlekjes die verschijnen op het perceel) door cercospora, stemphylium, ramularia, roest of meeldauw in alle rassen, ook in de rassen met een bladgezondheid cercospora 9 (figuur 10.4.10). Later spuiten dan de eerste aantasting leidt al snel tot onvoldoende beheersing en daardoor tot schade. In verband met resistentievorming is ook te laat spuiten gevaarlijk.

Controleer (monitor) de bieten daarom regelmatig vanaf half juni of na een waarschuwing van de bladschimmelwaar­schuwings­dienst (principe 2 (moni­toring) en 3 (beslissing) van een geïntegreerde gewasbescherming, zie 5.2.2 en 5.2.3). In 2020 is een video gemaakt over het waarnemen van bladschimmels:

A picture containing grass Description automatically generated

Figuur 10.4.10 Op percelen met een hoge druk van cercospora (met name de lichte gronden in het oosten van het land) is een stapeling van ras (zeer hoge bladgezondheid cercospora) en fungicidenbespuitingen nodig om het loof tot aan de oogst voldoende groen te houden. Foto: 7 oktober 2022.

10.4.7.2 Infectiewaarden cercospora en stemphylium

Voor een goede beheersing van bladschimmels is de timing van de bespuiting essentieel. Om de timing van de bespuitingen te verbeteren worden in het Bieten Advies Systeem (BAS) van Cosun Beet Company de infectiewaarden voor cercospora en stemphylium weergegeven (figuur 10.4.11).

Deze infectiewaarden worden bepaald door sensoren die het microklimaat in het suikerbietengewas op 15 cm hoogte meten en deze elke tien minuten doorsturen (via het LoRa telefonienetwerk). Het gebruik van de infectiewaarden werkt het beste voor het perceel waar de sensor staat opgesteld. Infectiewaarden tussen naburige percelen kunnen behoorlijk verschillen door de verschillen tussen de percelen in bijvoorbeeld de hoeveelheid loof, wel of geen beregening en de vochttoestand van de bodem.

Hoe hoger de infectiewaarde op een dag, hoe groter de kans op succesvolle infectie door de schimmel. Hiervoor moeten wel schimmelsporen op het perceel aanwezig zijn. Op basis van de door de sensor gemeten omstandigheden in het bietengewas worden de infectiewaarden berekend op een schaal van 0-7, waarbij 0 staat voor geen kans op infectie en 7 voor zeer grote kans op infectie. De omstandigheden die optimaal zijn voor infectie, verschillen per schimmel. Vandaar dat de waarden voor zowel cercospora als stemphylium worden weergegeven. Bij een som van groter of gelijk aan 6 in twee opeenvolgende dagen wordt geadviseerd om het perceel binnen een aantal dagen waar te nemen op bladschimmels. Wanneer de dagelijkse infectiewaarden 5 of hoger zijn, wordt een rode balk weergegeven als indicatie dat de omstandigheden gunstig geweest zijn voor infectie. Als er sporen op het perceel aanwezig zijn hadden deze goede omstandigheden om te kiemen en het blad binnen te dringen. Echter zullen de eerste dagen na deze waarden nog geen vlekjes te zien zijn. Dit noemen we de latente periode. Voor stemphylium bedraagt deze 3 tot 7 dagen en voor cercospora 7 tot 14 dagen.

Door op de infectiewaarden te spuiten wordt de schimmel dus al in de latente fase bestreden, dus voordat er vlekjes zichtbaar zijn. Het risico van het spuiten op basis van de infectiewaarden zonder waarnemen is, dat wanneer de druk laag is, of de cercospora normaal gevoelig is voor de middelen, er eerder en vaker gespoten wordt met kortere intervallen dan strikt noodzakelijk zou zijn. Wanneer de cercospora minder gevoelig is voor de middelen (en dus moeilijker te beheersen) leidt het spuiten op infectiewaarden tot een betere beheersing.

Bij het spuiten op basis van de infectiewaarden moet er rekening gehouden worden met het feit dat de sensor geen rekening houdt met bespuitingen. Zodra de omstandigheden weer gunstig zijn zullen er weer hoge infectiewaarden getoond worden. Ook als er kort daarvoor gespoten is.

Hou bij het spuiten op basis van de infectiewaarden rekening met een werkingsduur van de fungiciden van circa drie tot vier weken. Komen er aan het begin van week 3 weer hoge infectiewaarden, dan kan dat dus het signaal zijn om een volgende bespuiting uit te voeren in combinatie met de eventueel verwachte neerslag rondom de bespuiting. De infectiewaarden kunnen zoals hierboven beschreven ook heel goed gebruikt worden om na het vaststellen van de eerste aantasting de vervolgbespuitingen beter te timen omdat de aantasting dan al aanwezig is. Daardoor hebben de infectiekansen een veel betere voorspellende waarde. De schimmel en dus de sporen zijn immers op het perceel aanwezig. In 2022 is een video gemaakt die het gebruik van de infectiewaarden uitlegd.

Figuur 10.4.11 Schermafbeeldingen van de BAS-app die de individuele weerpalen in de Nederlandse bietenteeltgebieden weergeeft (links). De hoogste infectiewaarde van de afgelopen week bepaalt de kleur van het sensorpictogram. Voor elke sensor kunnen de infectiekansen voor cercospora en voor stemphylium worden getoond (rechts). Hoe hoger de waarde, hoe groter de infectiekansen.

10.4.7.3 Bespuitingen

Wanneer er met een fungicide gespoten is, werkt deze niet langer dan drie tot vier weken op geraakt blad. Bladeren of gedeeltes van bladeren die niet geraakt zijn of gevormd worden na een bespuiting zijn onbeschermd (zie figuur 10.4.12). Dit betekent dat bij een bespuiting voor de maximale hoeveelheid loof van de bieten is gevormd (loof maximum begin-half augustus, zie hoofdstuk 7.4), er in de meeste gevallen elke week opnieuw moet worden gecontroleerd op uitbreiding of nieuwe aantasting door bladschimmels. Ook na een periode van droogte kan er snel extra nieuw blad gevormd worden.

Spuit de fungiciden op een droog gewas en houd rekening met een droogtijd van 1-2 uur. Streef naar een zo goed mogelijke indringing en bedekking van het gewas. Vaak is spuiten met 300 liter water per hectare voldoende om een goede verdeling van het fungicide te krijgen. Meer informatie over bladschimmels, middelen en de actuele waarschuwingen van de bladschimmel­waar­schuwings­dienst vindt u op www.irs.nl/bladschimmel.

Een bespuiting in de eerste helft van oktober heeft alleen zin als er na eind november wordt gerooid (minimaal vier weken tussen bespuiting en oogst) en wanneer de weersomstandigheden gunstig zijn voor verdere uitbreiding van de bladschimmels.

  • Voor de bestrijding van bladschimmels zijn diverse fungiciden toegelaten. De veiligheidstermijn en opmerkingen bij deze middelen staan in tabel 10.4.1. Bij een aantasting door voornamelijk meeldauw hebben Bicanta of Spyrale de voorkeur. Houd wel rekening met de veiligheidstermijn van de middelen (tabel 10.4.1). Gebruik bij aantasting door stemphylium middelen met nevenwerking hiertegen, bijvoorbeeld Spyrale en Bicanta. Zie ook de video ‘Bladschimmelbeheersing Deel 5: Middelenkeuze’.

Figuur 10.4.12 In de periode juli-augustus wordt relatief veel nieuw blad gevormd. Blad dat niet geraakt wordt en nieuw gevormd blad is onbeschermd. Bij een bespuiting vroeg in het seizoen (eind juni-begin juli), met een goede verdeling van de spuitvloeistof, worden alle uitgevouwen bladeren geraakt (A). Twee weken na de bespuiting van de bieten (A) zijn in de periode juli-augustus de rode bladeren (B) nieuw gevormd en dus onbeschermd!

Tabel 10.4.1 Veiligheidstermijn en opmerkingen bij de bladschimmelbestrijdingsmiddelen in suikerbieten*.

10.4.7.4 Voorkom resistentievorming

Belangrijk voor het voorkomen van resistentievorming bij de bladschimmels tegen de gebruikte actieve stoffen is het afwisselen van middelen (principe 7 van een geïntegreerde gewasbescherming; zie 5.2.7). Wissel middelen af gedurende het seizoen en gebruik bij voorkeur niet twee keer achter elkaar hetzelfde middel. Ook wanneer een alternatief middel actieve stoffen bevat die tot dezelfde groep behoren als een eerder gebruikt middel, is het beter af te wisselen. Dat noemen we afwisselen binnen de groepen van actieve stoffen. Naast het afwisselen van middelen is het uitvoeren van een bespuiting bij de eerste aantasting heel belangrijk. Eerder dan de eerste aantasting zonder gebruik van de infectiekansen (preventief) en te laat (meer aantasting) zijn beiden gevaarlijk voor de resistentievorming. Ook in Nederland moet met het voorkomen van resistente en verminderd gevoelige isolaten van cercospora rekening worden gehouden (zie paragraaf 10.4.1).

Bij het afwisselen van middelen zijn er een aantal eisen waar rekening mee moet worden gehouden. Zo mogen middelen die strobilurinen bevatten (Bicanta) maximaal 50% van het aantal bespuitingen tegen cercospora uitmaken. De andere bespuitingen tegen cercospora dient u uit te voeren met middelen die geen strobilurinen bevatten (Spyrale, Difure Solo, Borgi, Mavita 250 EC, Score 250 EC, Microthiol Special Liquid of Belanty). Wanneer slechts één toepassing tegen cercospora in het hele seizoen wordt uitgevoerd, kunt u wel kiezen voor een middel met een strobilurine. Als er geen cercospora aanwezig is op het perceel, mogen strobilurinebevattende middelen maximaal 2x per teeltseizoen worden toegepast. Deze bindende richtlijnen zijn gegeven door het FRAC (Fungicide Resistance Action Committee; www.frac.info) en zijn bedoeld om resistentievorming tegen te gaan.

Wanneer het effect van de bespuiting met fungiciden onder gunstige omstandigheden toch teleurstellende resultaten oplevert, kan er sprake zijn van resistentie tegen deze middelen óf er is te laat gespoten. Stuur in dat geval een bladmonster naar IRS Diagnostiek voor nader onderzoek. Een herhaling van de bespuiting met dezelfde middelen heeft dan geen zin.

10.4.8 Werking bladschimmelwaarschuwingsdienst

De bladschimmelwaarschuwingsdienst werkt als volgt:

  • buitendienstmedewerkers en adviseurs van Cosun Beet Company, gewasbeschermingshandel en adviesorganisaties die cercospora, ramularia, roest, stemphylium of meeldauw waarnemen, melden dit aan de bladschimmelwaarschuwingsdienst (een samenwerking tussen IRS (Bram Hanse; e-mail: bladschimmel@irs.nl), suikerindustrie, en andere belanghebbenden). Om uitsluitsel te krijgen over gevonden bladschimmels kan men enkele bladeren naar het IRS opsturen of afgeven (IRS Diagnostiek, Postbus 20, 4670 AA Dinteloord ). Laat elk ingezonden monster vergezellen door een volledig ingevuld diagnostiekinzendformulier (zie hoofdstuk 9 ˈDiagnostiekˈ);
  • komen er uit een bepaald gebied meerdere signalen, zoals spuitadviezen van het advies­model en worden er vlekjes in het veld gevonden, dan volgt overleg met iedereen die uit dat gebied tot op dat moment een melding heeft gedaan per telefoon of e-mail of het nodig is de telers te waarschuwen dat er in het gebied sprake is van een beginnende aantasting door cercospora, ramularia, roest, stemphylium of meeldauw;
  • de waarschuwing van de bladschimmelwaarschuwingsdienst is een oproep aan telers om de percelen te controleren op aantasting. Bij daadwerkelijke aantasting is het advies een bestrijding uit te voeren.

Er gaan geen bestrijdingswaarschuwingen uit. De bladschimmelwaar­schuwingsdienst geeft een monitoringswaarschuwing voor een perceel uit. Treft men een aantasting aan, dan is het advies een bestrijding op dat perceel uit te voeren.

10.5 Bodemschimmels

Versie: maart 2024

In de suikerbietenteelt spelen zeer veel bodemschimmels een rol. De belangrijkste bodemschimmels zijn rhizoctonia, verticillium, violetwortelrot en aphanomyces. Zij zullen hier worden toegelicht. Voor informatie over de overige bodemschimmels, zoals pythium, verwijzen wij u naar het Gewasbeschermingsbulletin Suikerbieten en de Applicatie ˈZiekten en Plagenˈ. Voor de herkenning van wortelrot is daarnaast een interactieve video beschikbaar. Voor de beheersing van een paar bodemschimmels die een rol spelen in suikerbieten is ook informatie in de Gezondgewastool beschikbaar.

10.5.1 Rhizoctonia

De bodemschimmel Rhizoctonia solani veroorzaakt wortelbrand (kiemplantwegval) en wor­telrot (figuur 10.5.1) in suikerbieten. Rhizoctonia veroorzaakt grote problemen op de lichte gronden in het zuidoosten, oosten en noordoosten van Nederland, maar kan ook voorkomen op kleigronden. In elke regio in Nederland komen percelen met rhizoctonia voor.

Bij zware aantasting gaan hele percelen verloren. Rotte bieten hebben een laag suikergehalte (figuur 10.5.2) en zorgen voor problemen bij de bewaring en verwerking. Daarom mag er voor de verwerking maximaal 10% bieten met rot in een partij zitten. De ziekte kan dus voor een forse inkomstenderving voor de teler zorgen.

Doordat het loof het langste gezond blijft wordt de volle omvang van de schade vaak pas bij het rooien van de bieten duidelijk (figuur 10.5.3). De teler kan niets anders doen dan de rotte bieten in het zwad uitzoeken. Een chemische bestrijding is niet mogelijk. Bij een te verwachten rhizoctoniaschade kan de keuze voor een rhizoctoniaresistent ras de schade beperken. Deze rassen zijn grotendeels resistent tegen wortelrot, maar niet tegen kiemplantwegval door rhizoctonia.

Figuur 10.5.1 Rhizoctonia solani veroorzaakt wortelbrand (plantwegval) bij oplopende temperaturen in het voorjaar (links) en wortelrot in de zomer/najaar (rechts).

Figuur 10.5.2 Effect van het aandeel door rhizoctonia aangetaste (rotte) bieten in het monster op suikergehalte (blauwe lijn) en invertsuiker (rode lijn) gemeten bij een partij bieten in oktober 2016. Het suikergehalte daalde van 17,0% naar 10,9% en het invertgehalte steeg van 5,0 naar 26,9 mmol per kg biet.

10.5.1.1 Biologie en symptomen

Rhizoctonia solani is een bodemschimmel en is goed aangepast aan het leven in de grond. De schimmel kan meerdere jaren in de bodem overleven:

  1. door de vorming van ruststructuren, zogenaamde sclerotiën;
  2. op of in organisch materiaal;
  3. op de wortels van waardplanten.

Rhizoctonia kan ook overleven zonder waardplant, waardoor een perceel een groot aantal jaren besmet kan blijven. De suikerbiet en andere waardgewassen, zoals waspeen en onkruiden, activeren de schimmel. Warm en vochtig weer bevorderen de mate van aantasting. De schimmel kan de wortel op elk willekeurig punt binnendringen. De biet kan gevoeliger worden voor rhizoctonia door stress, bijvoorbeeld bij een lage pH of slechte bodemstructuur. Ook insecten en aaltjes kunnen wondjes op de wortel veroorzaken en deze kunnen een invalspoort zijn voor rhizoctonia. Daarnaast versterkt droogtestress de aantasting.

Aantasting in de vorm van lichte tot donkerbruine ingezonken plekken kunnen verspreid op de wortel voorkomen (figuur 10.5.4). In het veld is de aantasting meestal het eerst zichtbaar vlak onder het grond­op­pervlak (figuur 10.5.3). Ook kan de wortel scheuren vertonen ter hoogte van het grond­opper­vlak. Deze scheuren kunnen gevuld zijn met bruin mycelium (schimmelweefsel), wat volop is ontwikkeld tussen juli en eind augustus (figuur 10.5.5). Na begin september is het moeilijker om de schimmel op de wortels te zien. Het onderste gedeelte van de bladstengels kan ook aangetast zijn door rhizoctonia. Vaak zijn dan zwarte plekken zichtbaar (figuur 10.5.6). Dit treedt vaak op nadat grond tegen de bladstelen is gekomen door bijvoorbeeld aanaarden.

Meer beelden en symptomen van wortelrot door rhizoctonia zijn te zien in de interactieve video ‘wortelrot in beeld - rhizoctonia’.

Figuur 10.5.3 De rhizoctonia-aantasting is vaak al bij de grens grond/lucht te zien zonder dat de bladeren ver­welken. Rotte plekken op de biet betekent al snel suikerverlies.

Figuur 10.5.4 Bietenwortels kunnen bedekt zijn met licht ingezonken, lichtbruine tot donkere plekken wat veroorzaakt wordt door rhizoctonia.

Figuur 10.5.5 Scheuren in de biet, vaak gevuld met het bruine mycelium van de rhizoctoniaschimmel. Deze scheuren in de figuur zijn niet veroorzaakt door schoffelen.

Figuur 10.5.6 Aantasting op de bladstelen door rhizoctonia. Dit kan optreden na aanaarden van de bieten.

Grillig ziekteverloop

De ziekte heeft een grillig karakter. Aangetaste bieten komen vaak in plekken op een perceel voor. Meestal op de kopakkers, maar ook her en der verspreid over het veld. Zware schade door rhizoctonia kan variëren van 25 tot 100% verlies van het gewas. Het komt vaak voor dat de ziekte begint met enkele wegval­lende bietenplantjes in het voorjaar, waarna deze plekken uitgroeien gedurende het seizoen. Soms zijn deze plekken rond, met duidelijke grenzen. Bij zware besmettingen groeien de verschillende plekken uit, soms tot het totale perceel (figuur 10.5.7).

Hoge temperaturen (>18°C) en een hoge vochtigheid bevorderen de ziekte. De zandgronden warmen in het voorjaar snel op, wat de infectie van kiemplanten bevordert. Bij warme omstandigheden en zware bodembesmettingen kan het kiemplantje al gedood zijn voordat het bovenkomt. Vroeg zaaien van bieten kan het verlies van kiemplanten verminderen. Pas wel op met zeer vroege zaai, voor 10 maart, vanwege het risico op schieters.

Tijdens koele en vochtige zomers is de schade door rhizoctonia vaak pas zichtbaar tijdens het rooien van het gewas. Rotte bieten kunnen namelijk toch een goed ontwikkeld bladapparaat hebben, wat de ziekte verbergt (figuur 10.5.3). Telers en loonwerkers dienen alert te zijn dat er geen rotte bieten aan de hoop komen. Rotte bieten hebben een zeer laag suikergehalte, zijn tarrabieten en zorgen voor problemen tijdens de bewaring en verwerking (figuur 10.5.2).

Figuur 10.5.7 Een perceel met zware rhizoctoniaschade; slechts een derde kon worden geleverd.

Verschillende typen

De schimmelsoort Rhizoctonia solani wordt onderverdeeld in verschillende anastomosegroepen (AG's). Tot op dit moment zijn er veertien verschillende groepen bekend. Het is belangrijk om de verschillende groepen te herkennen en te onderscheiden, want elke groep heeft zijn eigen waardplanten en ziektebeeld. Echter, deze verschillende groepen zijn enkel te onderscheiden met behulp van een microscoop en/of DNA-technieken. Verschillende AGˈs, met verschillende subgroepen komen voor in Nederland en infecteren suikerbieten (tabel 10.5.1), maar de belangrijkste ziekteverwekker is R. solani AG 2-2IIIB. Deze ˈbietenrhizoctoniaˈ veroorzaakt geen schade in aardappelen.

Tabel 10.5.1 Anastomosegroepen van Rhizoctonia solani die voorkomen in suikerbieten en hun waardplanten.

AG en subgroepen land opmerkingen over de ziekte in suikerbieten andere waardplanten
1-IB Japan kiemplantziekte kool, sla, maïs, rijst, bonen, sojabonen
1-IC NL, USA kiemplantziekte, verschijnt zelden in Nederland wortelen, vlas, sojabonen
2-1 NL, USA kiemplantziekte, zeldzaam in Nederland kruisbloemigen, tulpen, sla, aardappelen, kousenband, koolzaad, radijs, tarwe
2-2IIIB NL, S, B, Au, It, Gr, F, USA, Japan, Chili, Hu kiemplantziekte, kop- en wortelrot maïs, gladiolen, raaigras, wortelen, schorseneren, bonen, gras, rijst
2-2IV Japan, USA wortelrot, bladvlekken in Japan gras
3 NL, USA, Japan zeldzaam op kiemplanten, groeit op volwassen planten aardappelen, andere nachtschaden
4 USA, Iran, Chili, Es, Japan kiemplantziekte, zeldzaam en weinig agressief op bladstengels en volwassen bieten kiemplantziekte in bijna ieder gewas onder hoge temperaturen, infecteert in kassen verbouwde irissen, tulpen en sla in NL
5 NL, USA zeldzaam op kiemplanten, weinig agressief op volwassen bieten, groeit op bladstengels kiemplantziekte in Ierland, maar normaal een zwakke ziekteverwekker op een brede waardplantenreeks

10.5.1.2 Rassenkeuze

Het zwaartepunt van de beheersing van rhizoctonia zit in het kiezen voor een rhizoctoniaresistent ras (zie ook principe 1 (voorkomen en/of vernietigen) van een geïntegreerde gewasbescherming in paragraaf 5.2.1). Geadviseerd wordt om zeker geen risico te nemen en voor een rhizoctoniaresistent bietenras te kiezen als er rhizoctonia op het bedrijf voorkomt of wanneer het bouwplan veel maïs, (was)peen, schorseneren, lelies, gladiolen en/of gras bevat. Door te kiezen voor een resistent ras heeft een teler meer opbrengstzekerheid en worden risico's op rotte bieten of de noodzaak voor het uitzoeken in het zwad verminderd.

In het segment van de rhizoctoniaresistente rassen kan men nu ook kiezen voor rassen met en zonder bietencysteaaltjesresistentie. Komt op het perceel waar de bieten komen een aantoonbare besmetting met bietencysteaaltjes voor, kies dan voor een drievoudig resistent ras. Verwacht men een sterke aantasting door rhizoctonia, kies dan voor de rassen met de hoogste klasseindeling voor rhizoctoniaresistentie. Heeft u geen bietencysteaaltjes en verwacht u geen sterke aantasting, kies dan voor het ras met de hoogste financiële opbrengst, bladgezondheid, suikergehalte of mate van resistentie. Voor meer uitleg en hulp bij het kiezen van een juist bietenras kunt u ook de video ˈAanbevelende Rassenlijst: hulp bij het kiezen van een geschikt bietenras voor uw perceelˈ bekijken.

Onvolledige resistentie
Helaas is de resistentie tegen rhizoctonia niet volledig. Ook in rhizoctoniaresistente rassen kunnen rotte bieten voorkomen, maar de schade is vele malen minder dan in niet-resistente rassen. Daarnaast werkt de rhizoctoniaresistentie alleen tegen wortelrot en niet tegen kiemplantwegval. Om de schade door rhizoctonia zoveel mogelijk te beperken, zijn er aanvullende maatregelen nodig die de resistentie moeten helpen.

10.5.1.3 Aanvullende maatregelen

Bodemstructuur en gewasrotatie zijn maatregelen conform principe 1 (voorkomen en/of vernietigen) van een geïntegreerde gewasbescherming (zie 5.2.1). Ze spelen een belangrijke rol naast het inzetten van een rhizoctoniaresistent ras. Onder andere maïs, gras, (was)peen, lelies, schor­seneren en gladiolen zijn goede waardplanten van rhizoctonia. Bij teelt van deze gewassen voorafgaand aan de teelt van suikerbieten, neemt de kans op schade in de bieten toe. Granen en aardappelen zijn als voorvrucht beter, liefst in combinatie met een nateelt van kruisbloemige groen­bemesters, zoals bladrammenas en gele mosterd (figuur 10.5.8). Bladrammenas vermindert de rhizoctonia­besmetting van de grond en is hierdoor een goede groenbemester om zoveel mogelijk in