1. Rassenkeuze suikerbieten

1.1 Inleiding

versie: december 2020

Elk jaar stelt de Werkgroep Rassenonderzoek Suikerbieten in november/december de Aanbevelende Rassenlijst samen. Dit gebeurt aan de hand van de resultaten van het door het IRS uitgevoerde rassenonderzoek. Voor opname op de rassenlijst moeten de rassen minimaal drie jaar onderzocht zijn en de financiële opbrengst moet beter zijn dan het gemiddelde van de beste vier rassen op de bestaande lijst. Deze rassen worden dan ingedeeld in de N-rubriek (N = nieuw). De gegevens van de overige rassen op de rassenlijst zijn gebaseerd op de laatste vier jaar onderzoek en opgedeeld in de A-rubriek (A = aanbevolen) en B-rubriek (B = beperkt aanbevolen). In uitzonderlijke gevallen als een nieuw ras niet voldoet aan de eis voor financiële opbrengst, maar wel een bijzondere eigenschap heeft (resistentie of kwaliteit) of bijdraagt aan de genetische diversiteit, dan kan deze opgenomen worden in de B-rubriek.

De tabellen uit de rassenlijst worden door het IRS overgenomen in de Brochure Suikerbietenzaad (zie hoofd­stuk 1.6, Brochure Suikerbietenzaad) die het IRS voor Cosun Beet Company samenstelt voor de hoofdbestelling in december.

Om ervaring op te doen met in ontwikkeling zijnde rassen, is het mogelijk dat kweek­bedrijven zaad van twee jaar onderzochte rassen in het verkeer brengen. Dit mag tot een maximum van 1000 eenheden. Mede om telers op de hoogte te brengen van de potentiële mogelijkheden van deze rassen, worden ze vanaf 2017 in de Brochure Suikerbietenzaad opgenomen. Naast de gegevens uit de rassenlijst staan hierin nu dus ook de resul­taten behaald met rassen na twee jaar onderzoek en van rassen die drie jaar of langer zijn onder­zocht, maar niet toegelaten zijn op de Aanbevelende Rassenlijst.

1.2 Bietenzaad

versie: december 2020

1.2.1 Oppassen met bietenzaad

Bietenzaad bevat gewasbeschermingsmiddelen (fungiciden en soms ook het insecticide Force) en daarom is het advies om handschoenen te dragen bij het omgaan met het zaad. Bij het gebruik van pillenzaad, waar het insecticide Force in zit, mag het zaad niet bloot komen te liggen in verband met giftigheid voor vogels en zoogdieren. Uitzaai van gepilleerd zaad met insecticide (Force) is alleen toegelaten met behulp van precisiezaai. Zorg voor een goede bedekking van het zaad (gesloten zaaivoren) bij het zaaien en verwijder gemorst zaad om vogels en zoogdieren te beschermen. Resten van behandeld zaad mogen nooit worden verspreid of vervoederd aan dieren (bron: www.ctgb.nl).

1.2.2 Verzaaibaarheid

Alleen in het geval dat er vanuit de praktijk signalen komen dat er met een partij bietenzaad iets aan de hand is, zal een controle op verzaaibaarheid plaatsvinden.

De controle vindt zo nodig plaats over drie zaaimachines: Monosem, Monopill S en Monozentra. De eerste twee behoren tot het type binnenvuller, de laatste is een buitenvuller. De controle van binnenvullers gebeurt bij een rijsnelheid van 7 km/h. Bij een buitenvuller (Monozentra) is dat 5 km/h. Bij de beoordeling van de verzaaibaarheid is de norm dat tenmin­ste 95% van de cellen gevuld moet zijn met één zaadje. De zaadbreuk mag maximaal 2% bedragen. Zaadbreuk wordt bepaald door in het verzaaide zaad de halfnaakte en naakte zaden te tel­len. Voor andere machines verwijzen wij u voor verdere informatie en advies naar de fabri­kant of importeur.

1.2.3 Benodigde hoeveelheid zaaizaad

In onderstaande tabel kunt u bij een gekozen zaaiafstand nagaan hoeveel pakken à 100.000 zaden nodig zijn voor een bepaald oppervlakte. Het aantal eenheden zaad kunt u ook uitrekenen met de optie op de zaadbestelsite van Cosun Beet Company.

Tabel 1.2.1 Benodigde hoeveelheid zaaizaad (exclusief schep- of vulzaad).

te zaaien oppervlakte in hectare
zaaiafstand 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
15 cm 1,3 2,7 4,0 5,3 6,7 8,0 9,3 10,7 12,0 13,3
16 cm 1,3 2,5 3,8 5,0 6,3 7,5 8,8 10,0 11,3 12,5
17 cm 1,2 2,4 3,5 4,7 5,9 7,0 8,2 9,4 10,6 11,8
18 cm 1,1 2,2 3,3 4,4 5,6 6,7 7,8 8,9 10,0 11,1
19 cm 1,1 2,1 3,2 4,2 5,3 6,3 7,4 8,4 9,5 10,5
20 cm 1,0 2,0 3,0 4,0 5,0 6,0 7,0 8,0 9,0 10,0
21 cm 1,0 1,9 2,9 3,8 4,8 5,7 6,7 7,6 8,6 9,5
22 cm 0,9 1,8 2,7 3,6 4,5 5,5 6,4 7,3 8,2 9,1

Het is aan te raden goed notie te nemen van de gegevens op het officiële label op de ver­pakking en voor eventuele controle of claims deze labels minimaal tot na de campagne te bewaren.

Meer informatie over bietenzaad kunt u vinden in de Brochure Suikerbietenzaad, hoofdstuk 1.6.

1.2.4 Bewaaradvies overgebleven bietenzaad

Aan de meeste partijen suikerbietenzaad is het middel Vibrance SB toegevoegd ter bescherming van de kiemplant tegen schimmels. De toelating van dit middel is inmiddels beëindigd en de opgebruiktermijn loopt tot 1 juni 2021. De mogelijkheid tot herregistratie van het middel wordt onderzocht, maar de uitkomst is nog zeer onzeker. Dit betekent dat zaad wat met Vibrance SB is behandeld waarschijnlijk niet kan worden bewaard voor gebruik in 2022. Geadviseerd wordt daarom om niet meer zaad te bestellen dan met zekerheid kan worden uitgezaaid.

Tot en met zaaiseizoen 2017 werd geadviseerd om geen overgebleven geprimed bietenzaad te bewaren voor het volgende teeltseizoen, er was geen veilige methode voor bekend. In recent IRS-onderzoek (2015-2017) zijn uiteenlopende bewaarmethoden onderzocht. Twee methoden bleken het risico op achteruitgang van de kwaliteit van geprimed bietenzaad bij éénjarige bewaring te minimaliseren:

  1. het bewaren van suikerbietenzaad in een hermetisch afsluitbaar vat waarin bietenzaad wordt ingedroogd met silicagel;
  2. het bewaren van suikerbietenzaad in een afgesloten plastic zak bij -18°C.

In het onderzoek werden deze bewaarmethoden onder ongunstige veldomstandigheden (vroeg en diep zaaien) beproefd. Het opkomstverloop van zaad bewaard met deze methoden was vergelijkbaar met die van nieuw zaad. Bovendien bleef de werking van de actieve stoffen in het pillenzaad op peil. Het bleek dat voornamelijk vocht de kwaliteit van geprimed bietenzaad aanzienlijk kan verminderen. Voorkom daarom elke blootstelling aan vocht voor, tijdens en na het zaaien, anders kan de kwaliteit al aangetast zijn voordat het bietenzaad de bewaring in gaat. De luchtvochtigheid wordt vaak onderschat, in een geïsoleerde loods kan het vooral voor aangebroken originele verpakkingen al te vochtig zijn.

De geadviseerde bewaarmethoden zijn vooral van toepassing op zaad dat u wilt bewaren voor het volgende jaar. Indien u zaad in hetzelfde zaaiseizoen nog wilt gebruiken is het voldoende om dit droog in de originele verpakking te bewaren. Voor de langere bewaring hebben de bovenstaande methoden de meerwaarde dat de kiemenergie en actieve stoffen beter worden geconserveerd ten opzichte van alleen droog wegzetten. Daarnaast wordt met deze methoden tijdens de langere bewaring het risico op een aantasting van de kwaliteit door een hoge luchtvochtigheid geminimaliseerd. Zorg dat altijd duidelijk is welk ras bewaard wordt en wanneer het is ingezet; bijvoorbeeld door een kopie van het NAK-label duidelijk zichtbaar aan de buitenkant van een vat, ton of plastic zak te bevestigen. Dit geldt ook voor de eventuele veiligheidsinstructies.

De volgende aandachtspunten zijn van toepassing bij het uitvoeren van de bewaarmethoden:

  1. Hermetisch afsluitbaar vat met silicagel
  • Zorg dat het bietenzaad hermetisch kan worden afgesloten van de omringende lucht door een zuurkoolvat of weckfles te gebruiken (figuur 1.2.1). Zorg altijd dat er een intacte rubberen afsluiting in het deksel zit.

S:\IRS\POST\vanOverveld\Samengevoegde foto\Bewaring nr.2 - nr. 17.jpg

Figuur 1.2.1 Hermetisch afsluiten van de omringende lucht, links een zuurkoolvat (ook bekend als wijdmondvat of voerton), rechts een weckfles. Beiden hebben in het deksel een rubber dat voor een hermetische afsluiting van de omgeving zorgt.

  • Voeg een zak met silicagel toe, daarmee wordt het zaad ingedroogd. Tot een half pak overgebleven bietenzaad geeft 250 gram silicagel voldoende werking, voor hoeveelheden tussen een half en vol pak is 500 gram silicagel nodig (figuur 1.2.2). Sluit het vervolgens met het deksel af.
  • Gebruik zo droog mogelijke silicagel; nieuw uit de verpakking of bij hergebruik terugdrogen conform de aanwijzingen van de leverancier.

S:\IRS\POST\vanOverveld\Samengevoegde foto\Bewaring nr.18 - nr. 9.jpg

Figuur 1.2.2 Silicagel in een luchtdoorlatende zak van 250 gram, welke tot een half pak restzaad voldoende is, tussen een half en heel pak zijn twee zakjes nodig. Silicagel is verkrijgbaar in zakjes in verschillende formaten.

  • Zet dit vat in het donker weg, dat kan bijvoorbeeld in de kelder of op kamertemperatuur.
  • Let op dat het zaad niet in een ruimte (bijvoorbeeld op zolder) wordt bewaard, waarbij het in de zomer erg warm (>35°C) kan worden. Dan kan de kwaliteit alsnog aangetast worden.
  1. Afgesloten plastic zak bij -18°C
  • Gebruik een schone stevige plastic zak zonder beschadigingen, zodat er geen vocht uit de lucht op het bietenzaad kan condenseren tijdens het bewaren en ontdooien.
  • Druk voor het afsluiten de lucht uit de plastic zak, dit verkleint de kans op het scheuren van het plastic en condensvorming binnen in de zak (figuur 1.2.3).

http://cos0mb1547.cosun.org/irs/pcache/10004/31/lt-bewaring_pillenzaad-15_11123.jpg

Figuur 1.2.3 Stevige goed afgesloten plastic zak zonder lucht.

  • Pillenzaad is behandeld met actieve stoffen, voorkom daarom dat pillenzaad in een vriezer in contact kan komen met levensmiddelen en houd het buiten bereik van kinderen.
  • Ontdooi het bietenzaad een dag voor het zaaien en open de plastic zak vlak voor zaaien, zo wordt condensvorming vanuit de lucht op het koude bietenzaad voorkomen.
  • Om scheuren van de plastic zak te voorkomen kan de zak met zaad in een box, doos of ton worden bewaard tijdens het invriezen.

1.3 Schietergevoeligheid

versie: december 2020

Een suikerbiet is een tweejarige plant. In het eerste jaar verkeert zij in de vegetatieve fase en vormt reservevoedsel wat opgeslagen wordt in een wortel. In het tweede jaar gaat zij over in de gene­ratieve fase en gaat een bloeiwijze vormen en zaad produceren (figuur 1.3.1). Onder bepaalde omstandigheden kan de suikerbiet echter al in het eerste jaar in de generatieve fase komen en ontstaat als het ware een eenjarige vorm. Dan ontstaan schieters.

Er zijn ook wilde soortgenoten van de suikerbiet die eenjarig zijn of onkruidbieten afkomstig van schieters vanuit een vorige teelt. Die vormen in het eerste jaar een vrij kleine wortel en gaan in datzelfde jaar bloeien en zaad vormen. Zaden van wilde soorten kwamen vroeger soms voor in zaadpartijen, maar dit is tegenwoordig zeldzaam (zie ook paragraaf 1.3.3). Onkruidbieten komen helaas wel vaker voor, door het niet op tijd verwijderen van schieters in een vorige bietenteelt (zie ook paragraaf 1.3.4).

1.3.1 Wanneer ontstaan schieters?

De opwekking van schietervorming in suikerbieten wordt ingezet door vernalisatie. Dit is een biochemisch proces in de plant dat in gang gezet wordt door koude omstandigheden of andere stresscondities. Vanaf het moment dat het zaad vocht heeft opgenomen tot in juni is de hoeveelheid koude bepalend hiervoor. De vernalisatie is het sterkst tussen 3 en 12ºC. Hoe langer een dergelijk lage tempera­tuur aanhoudt, hoe erger de vernalisatie. Er zijn enkele factoren die de schietervorming bevorderen:

  • stress, zoals door vertraging van de veldopkomst door veel regen, diep zaaien, een korst of door zware herbicidedoseringen;
  • een (te) hoge stikstofgift.

Bietenplanten met voldoende vernalisatie gaan schieten bij een daglengte van meer dan twaalf uur. Het proces van vernalisatie kan (deels) teruggedraaid worden door hoge temperaturen en veel licht. Dit proces heet devernalisatie. Stijgt de temperatuur vrij snel na de koudeperiode naar waarden boven de 20ºC, dan neemt de gevoeligheid voor schietervorming weer af. Ook door veel zonlicht wordt de schietervorming beperkt. Op een donkere zandgrond waar de zon op straalt, stijgt de bodem­temperatuur vaak vrij snel. Hierdoor worden op deze grond minder snel schieters gevormd in vergelijking met een klei- of zavelgrond onder gelijke weersomstan­dig­heden. Achter een bomenrij op het zuiden waar minder zonlicht op het perceel komt, zien we vaak meer schieters dan verder op het perceel.

In het algemeen is het beter niet te zaaien voor 10 maart. Is de grond in de eerste helft van maart bekwaam om te zaaien, let dan op de weersvoorspelling voor de lange termijn. Blijft de maximumtemperatuur volgens de weersvoorspelling lang onder de 12°C, dan loopt u extra risico op schieters en heeft u weinig voordeel, omdat het zaad dan langzaam kiemt.

1.3.2 Schieters bij rassen met twee-/drievoudige resistentie

Bij het kweken van rassen met naast rhizomanieresistentie ook resistentie tegen rhizoctonia en/of bietencysteaaltjes is gebruik gemaakt van eenjarige wilde soortgenoten van de bieten die de resistentie in zich hadden. Door de inbouw van deze resistentie is tegelijkertijd ook een deel(tje) van de eenjarigheid van de wilde bieten meegenomen. Door verdere veredeling is inmiddels de schietergevoeligheid van de dubbelresistente rassen sterk teruggedrongen. Sommige blij­ven onder ongunstige omstandigheden (zie paragraaf 1.3.1) gevoeliger voor schieten, met name de rassen met rhizoctoniaresistentie. Het algemene advies, om niet te vroeg te zaaien bij verwachte ongunstige omstandigheden, geldt in versterkte mate voor deze gevoelige rassen.

1.3.3 Controle bietenzaad op eenjarigheid

Vrijwel al het bietenzaad voor de Nederlandse markt wordt in Frankrijk of Italië geproduceerd.

Daar komen ook wilde soortgenoten van de suikerbieten in de natuur voor. Bij de zaadver­meer­dering wordt streng gecontroleerd of er wilde bieten in de buurt van de suikerbieten­zaad­productie voor­komen en zo nodig worden de wilde bieten weggehaald. Daarnaast worden alle geproduceerde partijen bietenzaad, nog voordat partijen gemengd worden, gecontroleerd op de aanwezigheid van inkruisingen met stuifmeel van wilde bieten. Hiertoe testen de kwekers alle par­tijen door een grote hoeveelheid zaad uit te zaaien in een kas onder geconditioneerde omstandighe­den. Hierbij laten eenjarige inkruisingen al vrij snel schieters zien en dan worden partijen zaad afgekeurd en vernietigd.

1.3.4 Onkruidbieten

Vaak zien we in de bietenpercelen de schieters pleksgewijs voorkomen (figuur 1.3.2). Dit heeft dan niets te maken met plekken met stress tijdens de op­komst of met minder instraling van de zon door bijvoorbeeld een bomenrij. Het pleksgewijs optreden van schieters wijst op de aanwezigheid van onkruidbietenzaad in de grond. Door het niet goed bestrijden van schieters in het verleden, is door de schieters rijp zaad geproduceerd en is dit zaad in de grond achter­gebleven. Als de plekken goed bekeken worden, staan veel van de schieters niet of niet goed in de rij. Dat wijst op de aanwezigheid van onkruidbietenzaad in de grond. Vrijwel alle onkruidbieten gaan in het eerste jaar schieten.

1.3.5 Waarom zijn schieters een probleem?

Het grootste probleem wordt gevormd door de zaadproductie van de schieters. Deze kun­nen voor de toekomst een groot onkruidprobleem veroorzaken (zie 1.3.4). Schieters concurreren bovendien sterk met de niet geschoten bieten voor voedingstoffen en vocht, maar vooral nemen ze veel licht weg voor de omringende planten. Duits onderzoek heeft uitgewezen dat bij 10% schieters rekening gehouden moet worden met een verlies aan suikeropbrengst van 5 tot 15%.

Geschoten bieten zijn moeilijker te rooien. Het suikergehalte van schieters is lager en de gehal­ten aan K+Na en aminoN hoger, waardoor de WIN sterk daalt.

1.3.6 Laterale schieters

In sommige jaren zien we schieters die niet in het centrum van de plant, maar aan de zijkant van de kop verschijnen. Deze zogenaamde laterale schieters zijn in feite ‘slapende’ zijknoppen die uitgroeien tot een bloeistengel. Als dit er erg veel zijn, dan is het mogelijk om ze te verwijderen door ze van de kop af te scheuren, maar het kan een tijdelijke oplossing zijn. Het risico bestaat dat de basis van de zaadstengel weer opnieuw uitloopt. Het voordeel is dat de biet behouden blijft.

1.3.7 Ook fytosanitair probleem

Onkruidbieten kiemen niet alleen in suikerbieten, maar ook in andere gewassen. Afhankelijk van de onkruidbestrijdingsmiddelen die in die gewassen gebruikt worden, kunnen ze ook in die gewas­sen tot volle ontwikkeling komen. Zo zijn er al onkruidbieten gevonden in uien, cichorei, tarwe en erwten. Onkruidbieten in andere gewassen dan suikerbieten houden wel de ziekten en plagen van de bieten in stand. Met name het witte bietencysteaaltje is op plekken met onkruidbieten vaak een groot probleem.

Het probleem van de onkruidbieten wordt verder besproken in de paragraaf 6.1.8 ˈOnkruidbietenˈ in het hoofdstuk Onkruidbeheersing.

afb 1 - deel A schietergevoeligheid - Betatip hfst 1

Figuur 1.3.1 Een schieter in een bietenveld. Op tijd verwijderen van de schieter voorkomt dat er later een onkruidprobleem ontstaat.

Figuur 1.3.2 Pleksgewijs optreden van schieters; een duidelijke aanwijzing dat hier sprake is van onkruidbieten.

1.4 Rassenkeuze

versie: augustus 2021

De gegevens over de rassen in de rassenlijst zijn verkregen uit onderzoek dat minimaal gedu­rende drie jaar is verricht op meerdere proefvelden, die verspreid over het land zijn aangelegd. Dit is een solide basis voor een verantwoorde rassenkeuze. Bij de rassenkeuze dient een teler eerst te kiezen voor de juiste resistenties, bestaande uit resistenties tegen (aanvullend) rhizomanie, rhizoctonia en bietencysteaaltjes. Het onderstaande diagram is een hulp bij die keuze:

Diagram Description automatically generated

1.4.1 Rhizomanie

Alle in Nederland verkochte suikerbietenrassen zijn sinds 2007 partieel resistent tegen rhizo­manie. Deze resistentie berust op het gebruik van één resistentiegen (Rz1). Ook bij toepassing van deze rassen kunnen later in het seizoen een beperkt aantal planten met een bleekgeel of bleekgroen verkleurd loof voorkomen. Dit zijn de zogenaamde ˈblinkersˈ, waarvan er niet meer dan circa 2-5% egaal verspreid op een perceel aanwezig mogen zijn.

Eind 2010 is vastgesteld dat op percelen met extreem veel blinkers (meer dan circa 2-5%) of op plekken en stro­ken met blinkers een resisten­tiedoorbre­kende variant (bijvoorbeeld met de nadere variant aanduiding AYPR, TYPR of VYPR) van het rhizomanievirus voorkomt. Deze varianten doorbreken de resistentie van het resistentiegen (Rz1). Om dergelijke varianten te beheersen is aanvullende resistentie nodig. Een ras met aanvullende resistentie tegen rhizomanie bevat twee resistentiegenen (Rz1 en Rz2). Op de Aanbevelende Rassenlijst en in de Brochure Suikerbietenzaad wordt de mate van aanvullende resistentie expliciet vermeld bij deze rassen in de laatste kolom (zeer goed, goed of matig). Meer informatie over rhizomanie kunt u lezen in paragraaf 10.7.1 ˈRhizomanieˈ van de teelthandleiding.

1.4.2 Rhizoctonia

De bodemschimmel Rhizoctonia solani komt veel voor op zandgrond, maar soms ook op andere grondsoorten en kan veel schade aan de bieten veroorzaken. Chemische be­strijding is niet mogelijk. Rhizoctoniaresistente rassen beperken veelal de schade. Is er risico op rhizoctonia, dan is het advies om een rhizoctoniaresistent ras te bestellen. Of er rhizoctonia op een perceel zal voorkomen is nooit met zekerheid te voorspellen, maar het risico is groot als in een gebied veel rhizoctonia voorkomt en in het bouwplan regelmatig goede waardplanten van rhizoctonia voorkomen. De bekendste waardplant is maïs, maar ook gladiolen, lelies en enkele vollegrondsgroenten, zoals (was)peen, kunnen rhizoctonia vermeerderen. In de bovenstaande gevallen is een rhizoctoniaresistent ras de beste keuze. Dit geldt ook voor kleipercelen als daar eerder problemen waren met rhizoctonia. Op percelen waar een risico op rhizoctonia bestaat komen soms ook bietencysteaaltjes voor. In dat geval is het advies om een rhizoctoniaresistent ras te gebruiken met tevens bietencysteaaltjesresistentie.

Het resistentieniveau van de rassen verschilt. Dit wordt in de rassenlijst weergegeven met de aanduiding zeer goed, goed of matig. Deze classificatie is gebaseerd op een cijfer voor rhizoctonia-aantasting (ziekte-index) gemeten in kunstmatig geïnfecteerde proeven. Als een teler veel rhizoctonia verwacht, dan kan hij het beste kiezen voor een ras met een (zeer) goede resistentie.

De resistentie van deze rassen is niet volledig. Vooral bij een vroege aantasting kan nog plantuitval plaatsvinden. Bij een zware besmetting kunnen ook later in het seizoen deze bietenrassen aangetast worden en gaan rotten. De kans op schade door rhizoctonia neemt toe door een slechte structuur en door de teelt van waardgewassen. Zorg daarom vooral voor een goede structuur van de grond en beperk de teelt van bieten na risicovolle gewassen. Goede voorvruchten zijn: granen, aardappelen, blad­rammenas en gele mosterd. Alle rhizoctoniaresistente rassen zijn ook resistent tegen rhizomanie. De relatieve opbrengst- en kwaliteitsgegevens van deze rassen en het resistentieniveau staan vermeld in de eerste tabel van de Brochure Suikerbietenzaad.

Meer informatie over rhizoctonia kunt u lezen in paragraaf 10.5.1 ˈRhizoctoniaˈ van de teelthandleiding.

1.4.3 Bietencysteaaltjes

In vrijwel alle teeltgebieden komen aantastingen door bietencysteaaltjes voor. Er zijn twee soor­ten: het witte bietencysteaaltje (Heterodera schachtii) en het gele bietencysteaaltje (Heterodera betae). Bietencysteaaltjesresistente rassen beperken de vermeerdering van en de schade door zowel het witte als het gele bietencysteaaltje. Deze rassen zijn partieel resistent. Dit betekent dat er nog altijd vermeerdering kan zijn van het bietencysteaaltje. De vermeerdering is echter wel flink minder dan bij de vatbare rassen. Vanwege de kans op vermeerdering zijn aanvullende maatregelen nodig, zie hiervoor hoofdstuk 10.2.3 ˈBietencysteaaltjesˈ.

De relatieve opbrengst- en kwaliteitsgegevens van de partieel resistente rassen staan vermeld in tabel 2 van de Brochure Suikerbietenzaad. Op proef­velden met een matige tot zeer zware beginbesmetting van bietencysteaaltjes is de opbrengst van de resistente rassen aanzienlijk hoger dan die van de vatbare rassen. De teler dient er zich echter wel van bewust te zijn dat ook de partieel resistente rassen enige schade ondervinden bij zeer hoge dichtheden en dat aanvullende maatregelen dus nodig zijn. De in de tabel vermelde opbrengsten zijn bepaald op proefvelden met bietencysteaaltjes.

Onder niet besmette omstandigheden is de financiële opbrengst van de meeste van deze rassen vergelijkbaar met die van de rhizomanieresistente rassen. In tabel 3 van de Brochure Suikerbietenzaad kan de teler bietencysteaaltjesresistente rassen vergelijken met rhizomanierassen zonder bietencysteaaltjesresistentie onder niet-besmette omstandigheden. Al bij een lichte besmetting of bij twijfel over de aanwezigheid van bietencysteaaltjes kan het lonen om een bietencysteaaltjesresistent ras te kiezen. De teler dient wel rekening te houden met hogere zaadkosten voor deze rassen. Heeft het perceel geen bietencysteaaltjes (bij voorkeur met een grondmonsteranalyse vastgesteld), dan kan de teler eveneens een keuze maken uit de lijst van rhizomanieresistente rassen. Het advies is om bij een rotatie van suikerbieten of andere waardplanten van bietencysteaaltjes (bijv. spruitkool of koolzaad) van 1 op 5 of krapper te kiezen voor een bietencysteaaltjesresistent ras.

1.4.4 Bladgezondheid

In de Aanbevelende Rassenlijst en Brochure Suikerbietenzaad 2021 is ook informatie opgenomen over de bladgezondheid van rassen ten aanzien van cercospora op basis van drie jaar onderzoek. De bladgezondheid wordt weergegeven met een klassering die loopt van cijfer 9 (zeer hoge bladgezondheid) tot 4 (zeer lage bladgezondheid). Deze indeling is gebaseerd op waarnemingen die in 2018, 2019 en 2020 zijn uitgevoerd op speciaal aangelegde proefvelden voor beoordeling van de bladgezondheid van rassen. Deze proefvelden zijn aangelegd in regio’s waar een hoge bladschimmeldruk verwacht werd en tijdens het groeiseizoen zijn geen fungicidebespuitingen uitgevoerd. In 2018, 2019 en 2020 ontstond vooral aantasting door cercospora en niet of nauwelijks door andere bladschimmels. Daardoor konden alleen voor cercospora betrouwbare gegevens verzameld worden. In september/oktober waren er duidelijke verschillen in aantasting zichtbaar in het veld en zijn de rassen beoordeeld. Uiteindelijk vertoonden echter bijna alle rassen een dermate zware aantasting dat het blad massaal afstierf wat een (forse) opbrengstderving geeft. Daarom dient er rekening mee gehouden te worden dat aandacht voor bladschimmelbeheersing tijdens het seizoen onverminderd nodig blijft, ook bij rassen met een hoog cijfer voor bladgezondheid. Hierbij speelt ook mee dat we in Nederland te maken hebben met vijf bladschimmels: cercospora, stemphylium, ramularia, roest en meeldauw. Om schade te voorkomen moeten ze allemaal beheerst worden. Bladvlekken kunnen op elkaar lijken, maar toch veroorzaakt zijn door verschillende schimmels. Dit heeft ook als consequentie dat de bladgezondheid van rassen ten aanzien van een van deze bladschimmels niets zegt over de bladgezondheid ten aanzien van een andere bladschimmel. Er blijven dan altijd nog vier andere over die schade kunnen doen.

Daarnaast is er voor stemphylium vastgesteld dat de gevoeligheid van rassen afhankelijk is van het isolaat en dus kan verschuiven door de jaren heen.

Keuze van een ras met hoge bladgezondheid is daarom niet voldoende om schade te voorkomen. Ook bij deze rassen ligt de schadedrempel bij de eerste aantasting/vlekjes.

Om schade veroorzaakt door de vijf bladschimmels, cercospora, stemphylium, ramularia, roest en meeldauw te voorkomen, moeten ze worden bestreden. Hiervoor is de bladschimmelwaarschuwingsdienst actief. Voor alle rassen geldt dat als er een waarschuwing (sms) uitgaat, ze gecontroleerd moeten worden op bladschimmels. Pas wanneer na een grondige controle de eerste vlekjes van één of meerdere bladschimmels zijn gevonden, is het nodig om een bespuiting met een fungicide uit te voeren. Zie voor meer informatie: www.irs.nl/bladschimmel en paragraaf 10.4 ˈBladschimmelsˈ in de teelthandleiding.

1.4.5 Conviso Smart

Voor percelen waar onkruidbieten of bepaalde probleemonkruiden verwacht worden is de inzet van een Conviso Smart ras te overwegen. Conviso Smart rassen hebben een resistentie tegen het herbicide Conviso One. Sinds 2019 zijn op beperkte schaal de eerste ervaringen in de praktijk opgedaan met een Conviso Smart ras. Op de Aanbevelende Rassenlijst voor 2021 is voor het eerst een Conviso Smart ras opgenomen. In de Brochure Suikerbietenzaad 2021 zijn eveneens twee Conviso Smart rassen opgenomen die nog maar twee jaar onderzocht zijn. Conviso Smart rassen zijn beperkt beschikbaar en alleen in overleg met Cosun te bestellen. Zie voor meer informatie paragraaf 6.1.6 ‘Conviso Smart systeem’ in de teelthandleiding.

1.4.6 Aphanomyces

In 2016 en in mindere mate 2014 zijn veel telers overvallen door het optreden van aphanomyces in de bieten. Voor Nederland was de schaal waarop het in 2016 voorkwam ongebruikelijk groot. Aantasting kwam in dat jaar vooral voor op zand- en dalgrond met een pH lager dan 6,0 en hing samen met de extreme hoeveelheid neerslag in juni en juli. In alle rassen kwam aantasting voor, maar in sommige rassen meer dan in andere. Dit kwam ook naar voren uit de beoordeling van bieten van enkele rassenproeven in Noordoost- en Zuidoost-Nederland. In 2021 is op diverse percelen op zand- en dalgrond na overvloedige neerslag in mei en juni wederom aantasting door aphanomyces ontstaan. Bij diverse rassen is in meer of mindere mate aantasting waargenomen, waarbij vooral het ras Caprianna KWS gevoelig blijkt te zijn voor aphanomyces. Deze informatie was niet eerder naar voren gekomen in de drie eerdere jaren waarin dit ras onderzocht is en waarin aphanomyces op de proefvelden en in de praktijk niet of nauwelijks tot problemen heeft geleid. Om het risico te beperken is het advies om het ras Caprianna KWS niet te zaaien op zand- en dalgrond. Er is onvoldoende informatie beschikbaar om de gevoeligheid voor aphanomyces van de andere rassen die momenteel beschikbaar zijn aan te geven. Hiervoor is nader onderzoek nodig.

1.5 Financiële opbrengst

versie: december 2020

De financiële opbrengst van de rassen is berekend voor gemiddelde Nederlandse omstandig­heden. Voor een goede rassenkeuze spelen echter ook de omstandigheden op perceelsniveau een rol. Is bijvoorbeeld bekend dat op een bepaald perceel het suikergehalte vaak laag is, dan kan een ras met een relatief hoog suikergehalte de financiële opbrengst verhogen. Bij problemen met de winbaarheid is het nodig eerst na te gaan wat hiervan de oorzaak is. Is het gehalte aan K+Na erg hoog, overweeg dan een ras met weinig K+Na. Is het gehalte aan aminoN te hoog, overweeg dan een ras met een laag gehalte aan aminoN. Is de grondtarra op het beoogde perceel een probleem, dan kan er soms financieel voordeel te behalen zijn door een ras te kiezen met weinig meegeleverde grond. Dit eventuele voordeel zal in de meeste gevallen minder dan 1% zijn.

1.5.1 Uitgangspunten bij de berekening van WIN en financiële opbrengst

De financiële opbrengst van de rassen op de Aanbevelende Rassenlijst is berekend op basis van de uitbetalingsregeling van Cosun Beet Company die geldt vanaf de campagne 2017. Daarbij wordt een bietenprijs aangenomen van € 35,00 per ton nettobiet bij 17% suiker. Onder nettobiet wordt verstaan: de gewassen biet inclusief de kop, maar zonder groen. Verrekening vindt plaats voor:

  • gehalte: Bij 17% suiker vindt geen verrekening plaats. Bij lagere suikergehalten wordt een korting toegepast (bijvoorbeeld bij 16% suiker € 3,15 per ton nettobiet), terwijl bij hogere gehalten een toeslag wordt gegeven (bijvoorbeeld bij 18% suiker € 3,15 per ton nettobiet).
  • WIN: De WIN-verrekening is vergelijkbaar met die van Cosun Beet Company. Bij WIN 91 vindt geen verrekening plaats. Bij een lagere WIN wordt een korting toegepast, terwijl bij hogere WIN een toeslag wordt gegeven.
  • tarra: € 12,70 per ton tarra. Aangezien alleen met grondtarra (meegeleverde grond) gerekend wordt, is een aftrek van de geleverde kop niet van toepassing.

De in de rassenproeven gemeten gemiddelde opbrengst en kwaliteit van de rassen wordt omgerekend naar een verhoudingsgetal. De WIN en de financiële opbrengst worden vervolgens berekend op basis van de volgende uitgangspunten, overeenkomend met het meerjaars gemiddelde van de leveringen bij Cosun Beet Company:

wortelopbrengst (t/ha) 85,0

suikergehalte (%) 17,0

grondtarra (%) 10,0

aminoN (mmol/kg biet) 10,0

K+Na (mmol/kg biet) 40,0

1.6 Brochure Suikerbietenzaad

versie: augustus 2021

De Brochure Suikerbietenzaad geeft de gemiddelde resultaten weer van het rassenonderzoek (Cultuur en Gebruikswaarde Onderzoek (CGO)) van suikerbieten van 2017-2020. Deze zijn gebruikt voor het vaststellen van de Aanbevelende Rassenlijst 2021 door de Commissie Samenstelling Aanbevelende Rassenlijst (CSAR). Ze zijn verkregen uit onderzoek dat gedurende minimaal drie jaar is verricht op meerdere proefvelden, verdeeld over de teeltgebieden in het land. In de brochure (voorheen Zaadbrochure) worden ook de resultaten gegeven van de rassen die (nog) niet op de rassenlijst staan en waarvoor slechts twee jaar CGO-onderzoek plaatsvond. Deze rassen zijn niet verkrijgbaar in de vroegbestelling, maar worden getoond om aan te geven welke rassen in december mogelijk beschikbaar komen. De eigenschappen van de rassen staan in de tabellen 1 tot en met 3. De cijfers uit de verschillende tabellen zijn niet onderling vergelijkbaar. Aanvullende informatie over teelttechnische achtergronden voor de rassenkeuze vindt u in de paragrafen 1.1 t/m 1.5 van het hoofdstuk rassen van de teelthandleiding.

2. Grondbewerking/ zaaibedbereiding

2.1 Grondbewerking en zaaibedbereiding voor suikerbieten

Versie: mei 2019

Een goed zaaibed is een eerste vereiste voor een vlotte kieming en opkomst van de bieten. Een vlakke ondergrond en voldoende losse grond om het zaad af te dekken zijn hierbij van wezen­lijk belang. De grondbewerking(en) voorafgaande aan de bietenteelt moeten zo worden uitgevoerd dat het mogelijk is een goed zaaibed te maken. Grondsoort en vochtgehalte bepalen het tijdstip en de wijze van uitvoering van de zaaibed­be­reiding. Belangrijk is het aantal bewerkingen zo klein mogelijk te houden, ook hier geldt het uitgangs­punt ‘overdaad schaadt’.

2.1.1 Het ideale zaaibed

Een goed zaaibed maakt zaaien in de vochtige (aangedrukte of bezakte) grond mogelijk. Hier-door is de opkomst veel minder afhankelijk van regen in de eerste weken na het zaaien (figuur 2.1.1). Het is belangrijk dat er voldoende droge, goed verkruimelde grond als toplaag op het zaaibed aanwezig is. Deze toplaag moet van een niet te fijne structuur zijn, om ver­slemping en winderosie tegen te gaan en een egale dikte van 2-3 cm hebben. De toplaag ligt op het eigenlijke zaaibed: een vlakke, stevige en enigszins vochtige bouwvoor (figuur 2.1.2).

Uiteraard dient voor elke grondsoort de grond bekwaam te zijn voor bereiding en berijding bij alle grondbewerkingen. Zorg dat er zo min mogelijk werkgangen nodig zijn om het zaaibed klaar te leggen, om inspo­ring en verdichting van de grond te beperken. Insporing en verdichting veroorzaken onregel­ma­tige gewassen met een ongunstig gevolg voor de opbrengst. Ook kan dit leiden tot vertakte bie­ten, met meer kans op tarra! Zo min mogelijk werkgangen heeft uiteraard ook een voordeel op het gebied van arbeid, tijd, brandstof en dus kosten.

Leg het zaaibed bij voorkeur klaar in dezelfde richting als het ploegen en zaaien. Om het ideale zaaibed te bereiken, geldt voor elke grond een specifieke aanpak.

Figuur 2.1.1 Ook op een zaaibed waar de toplaag uit harde kluitjes bestaat kan de veldopkomst goed zijn als alle zaadjes in de vochtige grond zijn gezaaid.

Figuur 2.1.2 Het effect van een goed zaaibed op de opkomst. Een goed zaaibed maakt zaaien in de vochtige (aangedrukte of bezakte) grond mogelijk (links). Hierdoor is de opkomst ook bij uitblijven van regen in de eerste weken na het zaaien goed. Bij een te diep zaaibed waarbij niet in de vochtige grond gezaaid wordt is de opkomst afhankelijk van neerslag na het zaaien (rechts). Blijft het lange tijd droog dan is de opkomst zeer laag en onregelmatig, in extreme gevallen zelfs 0% (naar Klooster & Meijer, 1974).

2.1.2 Klei- en zware zavelgronden (meer dan 17,5% lutum)

Op klei- en zware zavelgronden wordt de hoofdgrondbewerking doorgaans in het najaar uitge­voerd. Voor de opbrengst van de bieten maakt het niet uit welke hoofdgrondbewerking men kiest (ploegen, spitten, cultivateren), mits de totale bouwvoor goed losgemaakt wordt en er geen storende lagen meer aanwezig zijn. Voor een goed zaaibed, egaal van dikte, is het een vereiste dat het land vlak de winter in gaat. Daarom is het vaak nuttig om het ploegwerk te egaliseren. Dit kan men doen door een snedeverdeler of een extra werktuig aan de ploeg te koppelen, dat met messen of schijven de sneden egaliseert. Egaliseren in een extra werkgang, direct na het ploegen of gedu­rende de winter, kan in principe ook. Men krijgt echter niet elke winter de kans om dit uit te voe­ren. Op zware kleigronden (circa >35% lutum) kan men dan vaak met één bewerking in het voorjaar het zaaibed gereed leggen of is zelfs geen zaaibedbe­reiding nodig. Als de grond niet vlak genoeg de winter uitkomt, is het niet altijd te vermijden het zaai­bed in twee werkgangen klaar te maken. Rijdt dan beide keren in dezelfde richting en rijd de twee­de keer ‘halve slag verschoven/versprongen’, zodat overal één keer wordt gereden.

Tijdens verschillende zaaibedbereidingsdemonstraties, gehouden in de jaren negen­tig, bleek het belang van goede egalisatieplaten en egaal berijden! De uitvoering van de trekker is (bijna) net zo belang­rijk als de keuze van de zaaibedcombinatie (figuur 2.1.3). Zorg voor een trekker op lage bandendruk door brede banden of dubbellucht op een lage spanning (0,4 bar). Bij zaai­bedcombinaties met een werkbreedte tot circa 3,5 meter is een belaste rol tussen de wielsporen een zeer goed hulpmid­del om een egale dikte van het zaaibed te realiseren. Op deze manier kan men in één werkgang vooral ook de onderkant van het zaaibed vlak krijgen. De druk op deze rol moet zo groot zijn dat een zaaibed ontstaat dat overal 2-3 cm diep is. Hoe min­der de in­spo­ring hoe eenvou­diger (en dus goedkoper) de zaaibedbereiding kan zijn. Wanneer de zaai­bed­combi­natie, naast eggentanden en verkruimelrollen, beschikt over één of twee goed instel­bare, veerbelaste egalisatieplaten, is het goed mogelijk om ook bij een minder ideale uitgangssituatie een geschikt zaaibed te maken in één werkgang. Op basis van onderzoek in de jaren negentig is geen voorkeur aan te geven voor een aangedreven of niet-aangedreven zaai­bed­bereidings­werktuig. Met beide typen is een uitstekend zaaibed te maken in één werkgang.

Figuur 2.1.3 Streef naar één bewerking, waarbij de bouwvoor gelijk­matig wordt aangedrukt.

2.1.3 Lichte zavelgronden (8 tot 17,5% lutum)

In de praktijk zien we op dit soort gronden een grote diversiteit in de grondbewerking, waarbij met name het tijdstip van de hoofdgrondbewerking nogal varieert. Deze gronden worden zowel in het late najaar (december) als het vroege voorjaar (januari, februari en maart) geploegd. Als deze grond één tot twee maanden voor het zaaien geploegd ligt, kan die bij drogend weer harde bonken maken die tijdens de zaaibedbereiding moeilijk fijn te krijgen zijn. Het gebruik van een snedemixer of verdeler kan zorgen voor een betere verkruimeling van de grond. Onderzoek uit begin jaren negentig heeft aangetoond dat het zeker niet noodzakelijk is om deze gronden voor 1 februari te ploegen. Ploegen, spitten of cultivatoren vlak voor het zaaien behoort op deze gronden ook tot de mogelijkheden. Een aanvullende zaaibedbereiding is bij gebruik van een voren­pakker, even­tueel gevolgd door enkele egaliseerrollen, vaak niet nodig.

2.1.4 Zand- en dalgronden

In het algemeen moet men zand- en dalgronden eerst bewerken met een cultivator om eventuele sporen van het najaar los te trekken en te egaliseren. Door dit in het najaar uit te voeren, kan men plasvorming in de winter voorkomen. De hoofdgrondbewerking wordt op zand- en dal­gronden in het voorjaar uitgevoerd en is tevens de zaaibedbereiding. Men kan kiezen uit ploegen of cultivateren in combinatie met (een) vorenpakker(s) of spitten in combinatie met vorenpakker(s) of een rol. Er is geen duidelijke voorkeur voor één van deze grondbewerkings­methoden. Als men kiest voor ploegen luidt het advies om voorafgaand daaraan een bewerking met een cultivator uit te voeren net na het toe­dienen van de meststoffen. Werk hier­bij niet te diep, zodat er nog voldoende vaste grond is om goed te kunnen ploegen. Voor de lemige zandgronden luidt het advies te ploegen zonder voren­pakker(s). Lemige zandgronden kenmerken zich door een grotere structuurgevoeligheid, vooral als de ontwatering te wensen overlaat, waardoor natte plekken in het perceel ontstaan. Deze gronden moet men na het ploe­gen niet aandrukken, zodat de vaak wat koudere, natte grond eerst kan opdrogen. Vervolgens moet men één of twee dagen wachten om met een zaai­bedcom­binatie een zaaibed te maken. Deze zaaibedcombinatie bestaat uit een vastetandcultiva­tor met één rij tanden met een grote tandafstand en een vorenpakker.

Een belangrijke eis die men aan de vorenpakker of vorenpakkercombinatie moet stellen, is dat deze voldoende zwaar moet zijn om een goede aansluiting van de bouwvoor op de ondergrond en een goed zaai­bed te realiseren. Bij een ploegdiepte van 25 cm moeten de ringen van de vorenpakker een diameter van mini­maal 70 cm hebben.

Vooral op stuifgevoelige gronden is het belangrijk om de grond niet te fijn te maken, maar een grofkluiterige bovenlaag te houden. Spoor aan spoor rijden om een mechanische verdichting aan te brengen, raden wij sterk af in verband met de slechtere werking en een hogere kans op stuiven. Bovendien kan dit leiden tot een te sterke verdichting bovenin de bouwvoor.

2.1.5 Lössgronden

Een lössgrond kan men het beste in het voorjaar (eind februari tot begin april) ploegen, cultivatoren of spitten, waarna de zaaibedbereiding direct volgt. Houd de tijd tussen hoofdgrondbewerking en zaaibed­bereiding goed in de gaten. De zaaibedbereiding moet uitgevoerd worden, zodra de grond begint ‘op te grijzen’. Let vooral op bij scherp drogend weer. De zaaibedbereiding kan men uitvoeren met een zaaibedcombinatie of met een aangedreven werktuig, zoals een rotor­kopeg. De tanden van de rotorkopeg moeten ongeveer zeven centimeter diep werken. Laat bij voorkeur de grond tussen de zaaibedbereiding en het zaaien weer even ‘opgrijzen’, daarmee voorkomt u een verslempte zaaivoor.

Kleefaarde moet men wél voor de winter ploegen, waarna in het voorjaar een zaaibed van enkele centimeters gemaakt wordt.

Op watererosiegevoelige gronden is men vaak aangewezen op een niet-kerende grondbewer­king. Hierbij is de ploeg vervangen door bijvoorbeeld een aangedreven woeler-freescombinatie of een woeler-rotoregcombinatie, die de bouwvoor goed los maakt en zorgt voor een vrij grove toplaag. Deze grondbewerking bevordert het waterbergend vermogen van de grond en vermindert de kans op verslemping van de bovengrond.

2.1.6 Niet kerende grondbewerking

Op alle grondsoorten kan de hoofdgrondbewerking niet-kerend worden uitgevoerd door middel van spitten, vaste tand cultivator, woeler of bouwvoorlichter (eventueel in combinatie met een rotoreg). Wanneer de gehele bouwvoor voldoende diep wordt losgemaakt om de verdichting door de oogst van het voorgewas op te heffen, ondervindt de bietenopbrengst hiervan geen schade (zie de bovenstaande paragrafen over de verschillende grondsoorten). Wel kan het zijn dat het moeilijker is om een goed zaaibed te maken door bijvoorbeeld losse grond waar de poten van de woeler of cultivator door de grond zijn getrokken en deze niet volledig bezakt zijn. In zulke gevallen zal de uiteindelijke veldopkomst onregelmatiger en lager zijn. Een onregelmatig gewas leidt tot meer verliezen bij de oogst. In het algemeen is de grond (met name de lichte of gediepploegde gronden) iets stuifgevoeliger na een niet kerende grondbewerking.

Wanneer niet kerende grondbewerking (NKG) wordt gecomineerd met het bewerken van alleen de strook waar de zaaivoor komt (strokenbewerking of strip-till) wordt dit voor elke grondsoort gedaan op het tijdstip dat de grond traditioneel bewerkt wordt. Voor klei- en zware zavelgronden betekent dit dat de stroken dus in het najaar op bouwvoordiepte bewerkt worden (in bijvoorbeeld een groenbemester). Hierdoor kan de losgemaakte grond weer bezakken en verweren in de winter. RTK-GPS is onontbeerlijk om bij het zaaien de zaaivoor precies midden op de bewerkte strook te plaatsen. Wanneer de verwering in de winter op de strook niet voldoende is zal met een aangepast werktuig alsnog op de strook een zaaivoor gemaakt moeten worden om een goede veldopkomst te bereiken.

Op zand- en dalgronden kan de strokenbewerking gelijktijdig met het zaaien worden uitgevoerd. Afhankelijk van of en hoe de dierlijke mest wordt aangewend is bij een groenbemester of graan- of graszaadstoppel de kans op stuifschade kleiner.

Wanneer men in het kader van de vergroeningsregels een groenbemester de winter over laat staan en deze niet onderwerkt of alleen stroken bewerkt, dient men de zaaimachine met schijfkouters uit te rusten om stropen van de gewasresten te voorkomen (zie ook hoofdstuk 3, zaaimachines). Ook neemt de kans op schade door bijvoorbeeld slakken toe op met name kleihoudende gronden (zie hoofdstuk 10.9.1).

2.2 Lage druk in de banden spaart bodemstructuur

Versie: mei 2019

De lucht in de bouwvoor wordt onder gemiddelde omstandigheden binnen een etmaal ververst. Bij verdichting, verslemping of versmering van de grond komt het zuurstofgehalte te snel op een te laag niveau. Alle reden om zuinig te zijn op de bodemstructuur, zeker in het voorjaar (zie figuur 2.2.1). Structuurschade telt het hele groeiseizoen door: lagere opkomst, vertakte bieten, slechtere groei onder droge omstandigheden, meer kans op schade door bodemschimmels en lagere opbrengsten. De beste preventie voor schadelijke verdichting is werken onder gunstige omstandig­heden en het gebruik van lage bandendruk. Daarbij geldt dat één werkgang van een zware machine met lage bodemdruk beter is dan meerdere werkgangen met een veel lichtere machine.

art Tijink - fig 1 - succescyclus

Figuur 2.2.1 De rol van een goede bodemstructuur in de succescyclus voor hoge suikeropbrengsten (naar SBU, 2002).

2.2.1 Bandendruk omlaag

Een lagere bandendruk geeft minder insporing (zie figuur 2.2.2). In figuur 2.2.2 is ook te zien dat een lagere bandendruk, bij een constante wiellast, een minder diep werkende bodemdruk geeft. Dit voordeel gaat verloren als betere bandentechniek wordt gebruikt om bij gelijke bandendruk de wiellast te verhogen; dan dringt de druk dieper in de bodem.

Het effect van lage bandendruk is het grootst beneden 1 bar. Lage bandendruk is te bereiken door bredere of meer banden te gebruiken. Dubbellucht is een relatief goedkope manier om een lage bandendruk te realiseren. Naast een verminderde insporing, leidt het gebruik van een lage bandendruk tot meer werkbare dagen waarbij de bodem ‘schadevrij’ te berijden is. Ook leidt verminderde insporing tot een lager brandstofverbruik.

bandspanning

Figuur 2.2.2 Een lagere bandendruk vermindert, bij constante wiellast, de insporing en de
dieptewerking van de bodemdruk (naar Söhne, 1953, 1956).

2.2.2 Gelijkmatig aandrukken

De banden moeten zo'n lage druk op de bodem uitoefenen dat deze de bouwvoor niet verdicht, maar licht aandrukt. Een praktische vuistregel is een gemiddelde bodemdruk van 0,5 bar1 in het vroege voorjaar. Een bodemdruk van 0,5 bar komt overeen met een bandendruk van ongeveer 0,4 bar. Het beste is het gehele oppervlak gelijkmatig aandrukken met dezelfde lage bodemdruk.

C:\Users\dam.IRS\AppData\Local\Microsoft\Windows\Temporary Internet Files\Content.Outlook\S0KVKB5E\Figuur 2.6-grond_bewerking-136.jpg

Figuur 2.2.3 Gelijkmatig aandrukken met lage druk van de hele bouwvoor in het voorjaar.

C:\Users\dam.IRS\AppData\Local\Microsoft\Windows\Temporary Internet Files\Content.Outlook\S0KVKB5E\Figuur 2.7 - FT_20140918_0030.jpg

Figuur 2.2.4 Een moderne radiaalband laat bij een juiste (lage) bandendruk zijn ‘bolle wangen’ zien. Rijden op lage druk op de akker geeft min­der wiel­slip en bespaart daar­mee 15 tot 20% op brand­stof.

1 1 bar = 1 kg/cm2 = 10 ton/m2 = 100 kPa.

2.2.3 Gevolgen verdichting

Een verdichte laag direct onder het zaaibed geeft vertakte bieten. Een verdichte bouwvoor remt de wortelgroei naar diepere lagen. Onder natte omstandigheden komt dit door zuurstofgebrek. De hoge indringingsweerstand werkt belemmerend op de wortelgroei onder droge omstandigheden. Een minder diepe doorworteling heeft tot gevolg dat de ondergrond minder benut wordt voor de voorziening van vocht en voedingsstoffen. Als het dan lang droog blijft, blijven de bieten stil staan in groei.

De gevolgen van bodemverdichting zijn ernstig bij rijden onder te natte omstandigheden in het voorjaar. De dan optredende structuurschade heeft ook gevolgen voor de opkomst en de gevoeligheid voor ziekten en plagen. Tevens is de trekkracht­behoefte een stuk hoger bij de najaarsgrondbewerking.

U vraagt zich misschien af hoeveel opbrengst verloren gaat door bodemverdichting. In een vierjarig onderzoek van Wageningen UR gaf rijden op lage bandendruk (0,4 bar in het voorjaar en 0,8 bar in de rest van het jaar) 4% hogere opbrengsten bij suikerbieten. Dit vergeleken met rijden op 0,8 bar (voorjaar) en 1,6 bar (rest van het jaar) en uitvoering van de werkzaamheden onder optimale omstandigheden. Berekeningen voor een 60-hectare-akkerbouwbedrijf toonden aan dat de extra investeringen om op lage druk te rijden een klein positief saldo opleveren. Je hebt dan wel de voordelen van extra werkbare dagen en een betere bodemstructuur. Meer werkbare dagen is voor de loonwerker een zeer belangrijk argument om op lage druk te rijden (zie figuur 2.2.5).

art Tijink - fig 2 - bodemdruk

Figuur 2.2.5 De voordelen van rijden op lage bodemdruk.

verdichting-diepte

Figuur 2.2.6 Bodemverdichting door transport van een last van 12 ton over een bewerkte bouwvoor. 100 = één keer rijden met 12 ton op 3 bar bandendruk (p). Een bandendruk van 0,75 bar geeft minder verdichting dan 3 bar. Bij 0,75 bar bandendruk geldt: in één werk­gang rijden met 12 ton geeft minder verdichting in de bouw­voor dan vier keer rijden met 3 ton (naar Rüdiger, 1989).

2.2.4 Eén werkgang

Werken in één werkgang is het beste voor de bodem. Figuur 2.2.6 laat twee interessante zaken zien. Allereerst dat lage bandendruk minder verdichting geeft dan hoge bandendruk. Ten tweede is te zien dat, bij een gelijke bandendruk, één keer rijden met een zware trekker van 12 ton de bouwvoor minder verdicht dan vier keer rijden met een lichte trekker van 3 ton. Deze uitkomst onderstreept dat de bandendruk en het aantal keren rijden het meest bepalend zijn voor de bouwvoorverdichting en niet het voertuiggewicht.

Enkele regels voor bodemvriendelijk rijden:

  • werk onder gunstige omstandigheden. Op zand- en dalgrond kan enkele uren wachten na een regenbui al veel schade voorkomen;
  • bandendruk in het voorjaar: 0,4 bar;
  • bandendruk in de rest van het jaar: 0,8 bar;
  • houd de bandendruk altijd beneden 1,5 bar om de ondergrond te sparen. Beter is systematisch onder 0,8 bar;
  • kies brede banden of veel banden;
  • combineer werkzaamheden tot één werkgang. Als twee keer bewerken echt nodig is, rijd dan de tweede keer in dezelfde richting op een halve spoorbreedte ‘versprongen’, zodat het gehele oppervlak één keer wordt bereden;
  • sluit géén compromis tussen veld- en wegtransport (lage bandendruk in het veld en hoge bandendruk bij wegtransport);
  • rijd niet meer dan strikt nodig is;
  • RTK GPS geeft mogelijkheden het transport op vaste paden te leggen;
  • gebruik de technische specificaties uit de bandenboekjes om het maximale uit uw banden te halen.

C:\Users\dam.IRS\AppData\Local\Microsoft\Windows\Temporary Internet Files\Content.Outlook\S0KVKB5E\Figuur 2.10 -SUSY.jpg

Figuur 2.2.7 Ideaal: gunstige omstandigheden, zaaibed maken en zaaien in één werkgang en rijden met een lage bandendruk.

2.3 Vaste spuitpaden in suikerbieten: meer werkbare dagen

Versie: mei 2019

Al jarenlang worden machines groter, breder en zwaarder. Dit geldt ook voor de spuitmachines. Bredere machines vragen om grotere spoorbreedtes. Zwaardere machines vragen om meer of bredere banden om een lage bandendruk te bereiken. Met vaste spuitpaden in suikerbieten kunt u bredere banden gebruiken, dit betekent meer werkbare dagen! Bij een 24-meter-spuit zal dit hooguit één procent opbrengst kosten.

Vooral na natte jaren groeit de belangstelling om bredere banden te monteren onder de zelf­rij­dende spuit of de trekker met de getrokken spuit. Een brede band in combinatie met een lage bandendruk betekent meer werkbare dagen. Dit kan het verschil zijn tussen op tijd en te laat spuiten!

Als men werkelijk bredere banden en een grotere spoorbreedte wil toepassen, is in bieten een systeem met vaste spuitpaden het meest geschikt.

2.3.1 Bieten kunnen compenseren

Het IRS heeft in het verleden onderzocht hoe goed bieten kunnen compense­ren. Het bleek dat een open plek in de rij gedeeltelijk gecompenseerd wordt door een hogere wortelopbrengst van de aan beide zijden naastliggende rijen. Ook de planten in de twee daar­naast liggende rijen kunnen zelfs compenseren.

2.3.2 Hoe vaste spuitpaden aanleggen?

Dit kan op diverse manieren. De meest simpele wijze is tijdens het zaaien geen rekening te houden met de geplande spuitpaden. Dit betekent geen extra tijdverlies en geen kans op fouten in het voorjaar. Met RTK GPS is de kans op fouten minimaal. Een iets geavanceerdere wijze is het element te legen, een element op te tillen (het zaait dan nog steeds) of de aandrijving van een element tijdelijk uit te schakelen, bijvoorbeeld door de ketting van het kettingwiel te halen. Dit kost in het voorjaar wat extra tijd, maar hier staat een geringe besparing op de zaaizaadkosten tegenover. Bij een spuit van 24 meter is dit 4,2% per hectare, afhankelijk van de zaadprijs en zaadhoeveelheid betekent dit globaal tussen 8 en 13 euro per hectare.

Weer iets geavanceerder is een systeem waarbij men de aandrijving per element elektrisch in en uit kan schakelen vanuit de cabine van de trekker.

De meest geavanceerde manier is een zaaimachine met een elektrische aandrijving per element. Men beschikt dan tevens over een elektronische controle of het element ook zaait. Bij een elektrische aandrijving kan men met behulp van een druk op de knop bepaalde elementen uitschakelen. Tevens heeft dit de mogelijkheid om de zaaiafstand in de vier gewasrijen naast de spuitpaden te verlagen van bijvoorbeeld 20 cm naar 18 cm. Dit heeft als voordeel dat de bieten in de rijen naast de spuitpaden minder exceptioneel groeien. Meerrijige oogstsystemen kunnen dan beter kopwerk leveren.

Let op: Wanneer u een element niet laat zaaien, is het spuitpad pas zichtbaar na opkomst.

2.3.3 Ervaringen in het buitenland

In Zweden heeft men het systeem onderzocht bij een rijenafstand van 50 cm en een afstand tussen de spuitpaden van 24 meter. De conclusie was dat de suikeropbrengst circa 1% lager was bij het systeem met spuitpaden.

In Duitsland was de suikeropbrengst 1,4% lager bij spuitpaden op 24 meter en minder dan 1% bij 32 meter.

2.3.4 Conclusie

Veel werkbare dagen vereist een relatief lage bandendruk. Lage bandendruk betekent bij steeds breder en zwaarder wordende machines bredere banden en grotere spoorbreedten. Als men kiest voor een systeem van spuitpaden in aardappelen en suikerbieten, betekent dit voor het laatste gewas waarschijnlijk een niet meetbaar opbrengstverlies. De genoemde onderzoeken in het buitenland gaan uit van spuitbreedtes van 24 meter. Bij een mechanisatiegraad waar de behoefte ontstaat naar grotere spoorbreedten is de spuit vaak breder, zodat het eventuele opbrengstver­lies evenredig geringer is. Dit opbrengstverlies is zeer snel terugverdiend als men in natte perioden toch op tijd kan spuiten en beter rooiwerk is te leveren. Als de spuitpaden systematisch met RTK GPS worden aangelegd, zijn deze ook te gebruiken voor transport om eventuele hierdoor veroorzaakte structuurschade op vaste plekken te leggen.

Aspecten van vaste spuitpaden in bieten:

  • vereist een aangepaste mechanisatie;
  • meer werkbare dagen;
  • beperkt de insporing;
  • eventueel zaaiafstand aanpassen naast spuitpaden;
  • rijenafstand kan 50 cm blijven;
  • minder rooiverlies doordat bieten niet in diepe sporen vallen bij het lichten;
  • bij een afstand tussen de spuitpaden van 24 meter of meer is het eventuele suikerverlies hooguit 1 procent;
  • op tijd kunnen spuiten kan een beter bestrijdingsresultaat tegen lagere kosten (minder bespuitingen) betekenen. Een eventueel opbrengstverlies is dan snel gecompenseerd.

3. Zaaien

3.1 Vroeg of laat zaaien?

versie: maart 2020

Het IRS adviseert suikerbieten te zaaien zodra de grond bekwaam is, maar niet vóór 1 maart. Zo vroeg mogelijk zaaien levert geld op en vermindert de (kans op) schade door onder andere aaltjes en rhizoctonia. De extra risicoˈs van vorst zijn zeer gering.

3.1.1 Overwegingen

Het tijdstip van zaaien hangt voornamelijk af van de toestand van de grond. Of deze bekwaam is en zonder versmering en verdichting bewerkt kan worden, zal men met eigen ervaring en inzicht moeten beoordelen.

Een lage temperatuur bij de beginontwikkeling van de planten verhoogt de kans op schieten. Vuist­regel hierbij is dat meer dan veertig dagen met een maximumtemperatuur onder 12ºC later in het seizoen een schieterprobleem kan veroorzaken. De kans op een dergelijk aantal koude dagen is bij zaai in februari nog groot. Vanaf begin maart is de kans daarop kleiner, mits de ver­wachte maximumtemperatuur in de erop volgende periode van tien dagen niet te vaak onder de 12ºC blijft. Rassen met resistentie tegen rhizoctonia en/of bietencysteaaltjes zijn wat gevoeliger voor schieten. Let bij deze rassen extra goed op de weersverwachting bij vroege zaai en zorg voor een vlotte opkomst, onder andere door niet te diep te zaaien en een goed zaaibed klaar te leggen.

Vroeg zaaien kan betekenen dat de opkomst trager is door een lage temperatuur. Het is dan extra belangrijk om voor een goede conditie van het zaaibed te zorgen. Wordt op korte termijn na het zaaien hevige regen voorspelt, dan is het beter te wachten op percelen die gevoelig zijn voor korstvorming. Zaai ook niet te diep en neem eventueel een iets nauwere zaaiafstand (bijvoorbeeld 19 in plaats van 22 cm).

De risicoˈs op aantasting door kiemschimmels zijn door de bescherming door fungiciden in de pil gering. Zie voor meer informatie het gewasbeschermingsbulletin. Door het verbod op neonicotinoïden vanaf 2019 is de kans op schade door plaaginsecten in het beginstadium van de ontwikkeling groter dan voorheen. Bij ondiepe zaai is er een grotere kans op muizenschade. Houd daarmee rekening en bied zo nodig op tijd alternatief voer aan.

Andere ziekten (bijvoorbeeld bietencysteaaltjes en rhizoctonia) ontwikkelen zich juist pas later in het seizoen. Vroeg gezaaide bieten zijn dan verder in ontwikkeling en hebben al een zekere weerstand. In dat geval kan vroeg zaaien meehelpen deze ziekten goed te beheersen. Bij een droogtegevoelige grond is vroeg zaaien van belang om tijdig een diep wortelstelsel te krijgen.

3.1.2 Vroeg zaaien levert extra groei en dus financieel rendement op

Vroeg zaaien van de bieten leidt gemiddeld door de jaren heen tot extra groei en geeft daardoor een hogere financiële opbrengst. Met behulp van het groeimodel SUMO zijn de verbeteringen gekwantificeerd (zie tabel 3.1.1. en figuur 3.1.1.). Met dit groeimodel kan een opbrengstprognose berekend worden op basis van zaaidatum en dagelijkse weergegevens.

Tabel 3.1.1. Berekeningen met het groeimodel SUMO bij gemiddeld weer en een bietenprijs van €35,-.

zaaidatum wortelopbrengst

(t/ha)

suikeropbrengst

(t/ha)

verschil in financiële

opbrengst t.o.v. 1 maart

(€/ha)

01 maart 96,1 16,7
15 maart 93,6 16,2 -89
31 maart 89,8 15,4 -227
15 april 84,8 14,4 -408
30 april 78,5 13,1 -656
15 mei 70,7 11,4 -989

Figuur 3.1.1. Invloed van zaaidatum op wortel- en suikeropbrengst, berekend met SUMO op basis van gemiddeld weer. Elke dag uitstel van zaaien kost in maart gemiddeld ruim 200 kg wortelopbrengst per dag. In april is dat circa 375 kg per dag en in mei 600 kg per dag.

3.1.3 Geen extra vorstrisicoˈs bij vroeg zaaien

Jonge bietenplanten zijn net na opkomst het meest gevoelig voor vorst, vooral bij grote ver­schil­len tussen de dag- en de nachttemperatuur. Het aantal dagen met flinke vorst aan de grond (zie tabel 3.1.2.) neemt vanaf de tweede decade van maart tot ver in april bijna niet af. Dat betekent dat vroege zaai vanaf begin maart het risico op bevriezen van de bietenplanten weinig ver­hoogt, omdat het pakweg twee weken duurt voordat de bieten boven staan.

Tabel 3.1.2. Gemiddeld aantal nachten met temperaturen onder -3°C op 10 cm hoogte per decade (periode 1986-2005; bron: KNMI).

februari maart april
station/decade III I II III I II III
Eelde 2,9 2,7 1,6 2,2 1,7 1,8 1,1
Rotterdam 2,4 2,5 1,7 1,9 1,7 1,1 0,7
Volkel 2,9 2,8 2,5 2,7 2,3 1,6 0,8

Er is dus geen reden om het zaaien uit te stellen vanwege vorstrisico. Probeer wel te vermijden dat in het vroege voorjaar de bovengrond los wordt gemaakt, daar dat bij nachtvorst een snelle afkoeling van de luchtlaag erboven bevordert. Dus niet schoffelen in perioden dat nachtvorst kan voorkomen.

3.2 Zaaimachines

versie: maart 2020

Vrijwel al het suikerbietenzaad wordt gezaaid met mechanische precisiezaaimachines. In sommige gevallen wordt een pneumatische zaaimachine gebruikt. Bij een pneumatische zaai­machine worden de zaadjes uit de zaadbak op de zaaischijf meegenomen met behulp van een onderdruk (vacuüm) of overdruk (Becker/Kongskilde Demeter Aeromat). Een mechanische zaaimachine gebruikt geen lucht, maar heeft zaaischijven die de zaadjes uit de zaadbak mee­nemen met behulp van gaatjes. De essentie van de werking van een pneumatische zaaimachine komt verder grotendeels overeen met die van een mechanische precisiezaai­machine.

Wanneer een pneumatische zaaimachine wordt gebruikt van het onderdrukprincipe, moet de luchtstroom naar het grondoppervlak of in de grond worden gericht via zogenaamde deflectoren.

3.2.1 Werking mechanische precisiezaaimachine

Twaalfrijige mechanische precisiezaaimachines zaaien het grootste deel van het areaal. Een zaaielement bestaat uit een aantal essentiële onderdelen, zie figuur 3.2.1 Het begint met een kluitenruimer om stenen en eventueel grove kluiten weg te schuiven. De voorlooprol dient om het zaaibed enigszins aan te drukken en is een onderdeel van de zaaidiepteregeling. Het zaaikouter dient een scherpe voor te maken, waar het zaadje in komt te liggen. Eén of meerdere aandrukrollen zorgen voor goed contact tussen zaad en grond om het voor kieming benodigde vocht bij het zaad te krijgen en het toedekken van het zaad met losse grond. Het zaaihuis, met een voorraadbak en een zaaischijf, zorgt voor het gedoseerd toestromen van het zaad naar de zaaivoor.

We kennen buitenvullers en binnenvullers. Buitenvullers hebben langzaam draaiende schijven met 36 tot 60 gaatjes, die de zaadjes meenemen uit de voorraadbak (zie figuur 3.2.1). Nieuwe machines zijn bij alle merken praktisch alleen nog maar binnenvullers. Deze machines zijn niet geschikt voor het verzaaien van naakt zaad. Ze hebben zaaischijven met vier tot acht cellen en hierbij is de omtreksnelheid van de zaaischijven praktisch gelijk én tegengesteld aan de rijsnelheid (zie figuur 3.2.2). Hierdoor valt het zaadje vrijwel zonder horizontale snelheid recht omlaag. Het zaadje verrolt in de zaaivoor minder snel dan bij de zaaischijven met veel cellen. IRS-onderzoek heeft aangetoond dat met binnenvullers de onderlinge plantafstanden regelma­tiger zijn en dat dit de oogstbaarheid van de bieten vergroot (betere kwaliteit kopwerk: minder te diep gekopte bieten en minder bladresten).

teelt6

Figuur 3.2.1 Zaaielement van een buitenvuller met een schematische weergave van de werking van de onderdelen. (Bron: Kverneland Accord)

teelt7

Figuur 3.2.2 Het zaaihuis van een binnenvuller met vijf cellen in de zaai-schijf. (Bron: Kverneland Accord) O=omtreksnelheid, R=rijsnelheid

Telkens moet er één zaadje worden meegenomen. Dit is alleen mogelijk wanneer de afmetin­gen van de cellen en de zaadjes met elkaar in overeenstemming zijn. Afstrijkers zorgen ervoor dat er slechts één zaadje in elke cel zit (bij sommige binnenvullers ontbreken afstrijkers). Uitwerpers verwijderen de zaadjes die niet zonder meer de cel verlaten.

De zaadjes moeten niet alleen op regelmatige onderlinge afstand komen te liggen, maar ook op goede diepte.

Drukrollen

Drukrollen zijn er in diverse uitvoeringen. Een conische drukrol met een rubberen Monoflex band of twee drukrollen in V-vorm geven over het algemeen de hoogste veldop­komst met de minste spreiding (figuur 3.2.3 en 3.2.4). De vingerdrukrol wordt vooral geadviseerd op droge, zware gronden.

monoflexband bron kverneland

Figuur 3.2.3 Monoflex drukrol. (Bron: Kverneland)

H:\Temp\zaaien&planten_machine-84.jpg

Figuur 3.2.4 Twee drukrollen in V-vorm.

Rijsnelheid

Het zaairesultaat wordt niet alleen bepaald door de perfectie en afstelling van de machine, maar ook door de rijsnelheid. De gewenste rijsnelheid is bij buitenvullers ongeveer 5 km per uur, bij binnenvullers tot ongeveer 7 km per uur. Wordt er sneller gereden dan 7 km per uur, dan kan de bedekking van het zaad onregelmatig worden door een onrustige loop van de zaaielementen (afhankelijk van de kwaliteit van het zaaibed). Ook kan het aantal missers toenemen, omdat het zaad onvoldoende tijd krijgt om in de cel te komen (afhankelijk van de zaaischijf en zaaiafstand; bepalend is in dit geval de omtreksnelheid van de zaaischijf). Bij binnenvullers kan het aantal missers toenemen bij een te lage rijsnelheid, omdat de centrifugaalkracht onvoldoende is om de cellen te vullen en/of gevuld te houden.

3.2.2 Onderhoud

Het onderhoud van de zaaimachine is een jaarlijks terugkerende klus. Het is echter noodzakelijk voor het goed blijven functioneren van de zaaimachine en daarom heeft het IRS in samenwerking met LandbouwMechanisatie een poster over het onderhouden en afstellen van de mechanische presiciezaaimachine gemaakt. Hij is tezamen met COSUN Magazine december 2012 door de abonnees ontvangen. De poster met tips over het onderhoud en afstellen van de zaaimachine vindt u hier: de poster.

Algemeen

Door een verkeerde afstelling of slijtage van onderdelen, zoals afstrijkers, uitwerpers, zaai­schij­ven en dergelijke, kunnen zaadjes beschadigen. Controleer deze onderdelen dan ook regelmatig en vervang ze wanneer slijtage is opgetreden. Verder is het van groot belang dat de cellen in de zaaischijven schoon zijn in verband met de vulling.

Begin met het schoonmaken van de machine. Controleer lagers, kettingen, markeurs en schar­nierpunten. Ze moeten soepel en zonder speling bewegen. Bij meerdere aandrijfwielen kan verschil in bandendruk een verschil in zaaiafstand tussen elementen geven.

Indien de zaaimachine voorzien is van een zogenaamde doorzaai-inrichting, let er dan op dat de snijschijven scherp zijn.

Alles op een lijn

Zorg dat de afzonderlijke onderdelen van de elementen in elkaars verlengde staan. Toedek­organen die niet midden boven het zaad lopen, geven geen juiste toedekking van het zaad. Let erop dat de zaaielementen haaks ten opzichte van de bevestigingsbalk staan. Vooral bij verticaal opklapbare delen krijgen de buitenste elementen tijdens het transport soms grote schok­ken. Controleer de rijafstand, meet deze tussen de punten van de kouters.

Zaadbreuk

De afstand tussen afstrijkrol en zaaischijf moet bij de Monozentra 0,7 mm zijn en bij de Hassia Exakta 1,45 mm (beide met een speling van 0,1 mm). Meet dit op vier plaatsen aan de omtrek van de schijf. Soms hebben machines te kampen met zaadbreuk. De oorzaak is een te krappe of te ruime afstand tussen afstrijkrol en zaaischijf. Bij de Monozentra kan dit al optreden bij een afstand van <0,6 mm.

Zaaischijven

De zaaischijf zorgt voor de afstand tussen de planten in de rij, door de omtreksnelheid en het aantal cellen ten opzichte van de rijsnelheid. Ook zorgt de zaaischijf ervoor dat er op elke plaats één zaadje en dus één plant komt. Het contact met het zaad en het continu draaien van de schijven betekent dat ze kunnen slijten. Een versleten zaaischijf kan leiden tot meer dubbelen of meer missers, soms in combinatie met pilbreuk. Het effect hiervan staat beschreven in paragraaf 3.2.4 ˈHet effect van goede zaaischijvenˈ.

Schijven van buitenvullers, zoals de Monozentra en Hassia Exakta, kan men zelf niet keuren; de meting van de diepte van de cellen vereist precisieapparatuur. Stuur deze op naar het IRS, zie paragraaf 3.2.3 ˈHet keuren van zaaischijvenˈ. Bietentelers en loonwerkers kunnen de zaaischijven van binnenvullers, zoals van de Monopill, zelf controleren (zie figuur 3.2.5). De celgrootte bepaalt in eerste instantie of elke cel wordt gevuld met precies één zaadje. De celdiameter is te contro­leren met een een­vou­dige meetstift. Het principe is heel eenvoudig: past de stift met het smalle gedeelte in de cel, dan is de cel te groot. Deze meetstift wordt bij de machine geleverd. Mocht u niet meer be­schik­ken over een dergelijke stift, dan kunt u een nieuwe meet­stift aan­vragen bij de importeur of de schijven opsturen naar het IRS.

Figuur 3.2.5 Met een speciaal meetstiftje zijn de schijven van de Monopill te controleren. (Bron: Kverneland Accord)

Als volgens deze meetmethode de schijven nog goed zijn, dan moet de schijf gecontroleerd worden op slijtage, zie figuur 3.2.6.

3zaaischijf-1

Figuur 3.2.6 Drie schijven van de Kverneland Monopill. De linker schijf vertoont geen slijtage, de middelste heeft een putje van 1,5 mm. De rechter schijf heeft een putje van 2,5 mm en kan men beter vervangen.

Bij de Monopill is een 4-mm-zaaischijf aan te bevelen.

Speling van het lager van de as waarop de zaaischijf is bevestigd, heeft een nadelige invloed op een goede cel­vulling. Bij het monteren van de zaaischijf moeten de letters op de zaaischijf zichtbaar blijven. De Monopill heeft een kunststof uitstrijker. Deze rust met wat druk tegen de zaaischijf. Bij slijtage wordt deze druk minder. Wanneer deze zo ver is versleten dat ze tegen de afdekplaat rust en praktisch vrijloopt van de zaaischijf, is het zaak de uitstrijker te vervangen.

Bij de Kleine Unicorn moet een staafje van 5,0 mm in de cel passen, een afwijking van 0,1 mm mag nog. Hierbij gelden twee voorwaarden: de zaaischijf moet gemonteerd zijn en het staafje moet in de richting van het midden van de zaaischijf wijzen, dus als het ware schuin ten opzichte van de cel. Als dit niet past, moet de storing verholpen worden. De Unicorn heeft een uitwerpplaatje. Dit moet zo ingesteld worden dat het nét vrijloopt van de zaaischijf.

Bij de Meca 2000 van Monosem moet men de cellen controleren met een schuifmaat. De diameter moet 5,5 mm (speling: 0,1 mm) zijn. In het zaaihuis zit een borsteltje dat eventuele vastzittende zaden verwijdert. Dit is nastelbaar, bij slijtage moet men de borstel iets naar buiten verplaatsen.

Bij de Monozentra kan na langdurig gebruik van pillenzaad een slijtgroef in het zaai­huis ontstaan, zie figuur 3.2.7. Kleinere zaden kunnen op den duur zo eerder de cel verlaten, zodat de zaden op een onregelmatige afstand komen te liggen. Deze groef vullen met vloeibaar staal is een lastige klus, omdat het moeilijk hecht aan het zaaihuis. Een betere oplossing is een zaaistrip te (laten) monteren. Het huis moet hiervoor eerst afgedraaid worden om ruimte te maken voor de strip. De Hassia Exakta kent dit probleem van de slijtgroef niet.

teeltmapslijtgroef fig 6

Figuur 3.2.7 Bij dit zaaihuis is een slijtgroef zichtbaar.

Zaaidieptecontrole

Controleer de zaaidiepte door de elementen op een vlakke vloer en de wielen op een verhoging te plaatsen, zie figuur 3.2.8.

zaaidiepte bepalen

Figuur 3.2.8 Voor de juiste zaaidiepte controleert men alle elementen afzonderlijk.

Kies een instelling van de zaaidiepte waarbij de kouters de vlakke vloer net niet raken. Als het verschil tussen de elementen groter is dan vijf millimeter, probeer dan eerst de oorzaak op te zoeken. Soms is enige speling in de bevestigingspunten van het element aanwezig. Gebruik deze om de elementen gelijk te zetten. Ook slijtage van zaaikouters kunnen afwijkende zaai­diepten veroorzaken. Soms is verschil in zaaidiepte tussen afzonderlijke elementen niet te verhelpen. Een handige oplossing is dan een verstelbare aanduiding van de zaaidiepte, zodat alle elementen precies gelijk gezet kunnen worden, zie figuur 3.2.9.

zaaidieptereg1

Figuur 3.2.9 Een verstelbare aanduiding van de zaaidiepte.

Kouters

Kouters moeten scherp zijn. Dit bevordert een goede plaatsing van het zaad. In een smalle zaai­voor verrolt het zaadje minder, waardoor de onderlinge plantafstand regelmatiger is. In een smalle zaaivoor heeft het zaadje ook een beter contact met de vochtige ondergrond. Dit is gun­stig voor een snelle en hoge veldopkomst.

kouterdetail1

Figuur 3.2.10 Links een scherp kouter met de juiste druppel­vorm, rechts een versleten kouter.

De onderzijde van het kouter heeft een soort druppelvorm, vier millimeter breed en vijf millimeter hoog. Wanneer door bijvoorbeeld niet-kerende grondbewerking (eventueel in combinatie met een groenbemester) veel gewasresten op het perceel aanwezig zijn, dient men de zaaimachine met schijfkouters uit te rusten om stropen te voorkomen (figuur 3.2.11). Ook wordt aanbevolen om de toestrijker te vervangen door een of twee schijfjes (figuur 3.2.12).

Figuur 3.2.11 Het monteren van een schijfkouter voorkomt stropen op percelen met veel gewasresten.

Figuur 3.2.12 Twee schijfjes die dienen als toestrijker. Op percelen met veel gewasresten aan de oppervlakte voorkomt dit stropen.

3.2.3 Het keuren van zaaischijven

Een goed werkende zaaischijf is een eerste vereiste voor goed zaaiwerk. Slijtage en bescha­digingen aan de schijven kunnen het zaaibeeld sterk benadelen. Bietentelers en loonwerkers kunnen al enige jaren de zaaischijven van de bietenzaaimachine laten keuren door het IRS, zie figuur 3.2.13.


Figuur 3.2.13
Verloop van het aantal goed- en afgekeurde zaaischijven door het IRS.

Het IRS heeft de indruk dat er nog flink wat zaaimachines van het type buitenvuller worden gebruikt voor het bieten zaaien, waarvan niet regelmatig (eens per vier jaar of iedere 250 hectare) de zaaischijven worden gekeurd. Zaaischijven van binnenvullers kan men vaak gemakkelijk zelf keuren, zie paragraaf 3.2.2 ˈOnderhoudˈ. Op verzoek keurt het IRS deze schijven ook.

De celgrootte bepaalt in eerste instantie of elke cel wordt gevuld met precies één zaadje.

De test geeft uitslag over wel of niet meer geschikt zijn van de zaaischijven voor het verzaaien van bietenzaad. Het IRS voorziet de gekeurde schijven van een keurmerk, met daarbij vermeld het jaartal van keuring. Het keurmerk geeft aan of de schijf goed- dan wel afgekeurd is. De inzender van de zaaischijven ontvangt een keuringsrapport.

Om een indruk te krijgen van de zaaischijvenkeuring, kunt u op de website van Boerderij de fotoreportage ˈZaaischijvencontrole voor goede start nieuwe groeiseizoenˈ bekijken.

1528

Figuur 3.2.14 Een micrometer meet de celdiepte van de schijf.

De keuring is gratis, als de volgende voorwaarden worden nageleefd:

  • de inzender van de schijven betaalt de verzendkosten;
  • nummer de schijven zodat u weet uit welk element ze komen;
  • stuur alleen zeer goed gereinigde schijven en uitwerpers op;
  • schijven aanbieden in een stevige verpakking, zorg dat ze niet kunnen beschadigen tijdens het transport;
  • op en in de verpakking duidelijk naam, straat, postcode, woonplaats en telefoonnummer van de afzender vermelden.

Zaaischijven insturen kan jaarlijks van begin november tot eind januari. Houd de berichtgeving in de gaten voor de exacte data voor het komende seizoen.

De schijven kan men sturen naar:

IRS t.a.v. Zaaischijvenkeuring

p.a. Cosun innovation center

Kreekweg 1

4671 VA Dinteloord

3.2.4 Het effect van goede zaaischijven

Het contact van de zaaischijf met het zaad en het continu draaien van de schijven betekent dat ze kan slijten. Een versleten zaaischijf kan leiden tot meer dubbelen, meer missers of pilbreuk, afhankelijk van het type zaaimachine. Dit verslechtert de kwaliteit van het zaaien: meer dub­bele planten, meer missers en een grotere variatie in plantafstand. Belangrijk is dus te zorgen dat de zaaischijf aan de daarvoor gestelde normen voldoet. Hiervoor kunnen de zaaischijven naar het IRS worden opgestuurd voor de zaaischijvenkeuring, zie paragraaf 3.2.3.

Demonstratie ˈZaaischijvenˈ op Beet Europe 2010

Op het terrein van Beet Europe 2010 lag een demonstratie van het effect van goed- en afgekeur­de zaaischijven. De zaaischijven waren van het type Monopill (figuur 3.2.15). In een twaalfrijige zaaimachine werden zes goedgekeurde en zes afgekeurde zaaischijven gemonteerd. De afge­keurde zaaischijven hadden elk slechts één of twee cellen (van de in totaal vijf) waar de paspen doorheen viel. Van alle 42 rijen op het demonstratieveldje is de afstand van plant tot plant gemeten en het aantal dubbelen en missers genoteerd.

IRS_Teelt-zaaischijf-11

Figuur 3.2.15 Twee van de gebruikte zaai­schijven op de demonstratie bij Beet Europe 2010. De zaai­schijven van het type Monopill zijn afgekeurd als het smalle gedeelte van de meegeleverde paspen door één of meer cellen van de schijf heen kan steken (bovenste schijf). Bij een goedgekeurde schijf blijft de paspen in de cel steken (onderste schijf). Het verschil is een fractie van een millimeter.

Het resultaat was een grotere variatie in afstand tussen de planten en significant meer missers bij de afgekeurde zaaischijf (figuur 3.2.16). Door de onregelmatigere stand wordt het goed koppen bij de oogst ook moeilijker (figuur 3.2.17). Het kopmes van de bietenrooier heeft tijd en daardoor ruimte tussen twee opeenvolgende planten nodig om zich goed af te stellen. Bij gemiddelde rooisnelheden is dit een fractie van een seconde. Wanneer de planten onregelmatig staan, gaat de kwaliteit van het kopwerk variëren. Bij planten die te dicht op elkaar staan, zoals in figuur 3.2.17 op de rechter foto, is de kans groot dat één of zelfs beide planten niet optimaal worden ge­kopt.

BE06 zaai-goed DSC_7406 BE07 zaai-slecht DSC_7409

Figuur 3.2.16 Fotoˈs van de demonstratie ˈZaaischijven 2010ˈ in Lelystad, genomen in juni: links het resultaat van het zaaien met goedgekeurde en rechts met afgekeurde schijven van de Monopill. Bij de drie goedgekeurde zaaischijven was de plant­afstand homogener en waren er minder missers. Bij de afgekeurde zaaischijven nam het aantal missers sterk toe.

IMG_4543 IMG_4538

Figuur 3.2.17 Foto van de demonstratie in oktober ˈZaaischijven 2010ˈ in Lelystad. Links staan de bieten op 22 cm en rechts op 15 cm. Bij versleten zaaischijven nam de variatie in plantafstand toe. De bieten stonden onregelmatiger. Dit beïnvloedt de kwaliteit van het kopwerk. Voor een goede oogst­kwaliteit is een regelmatig gewas belangrijk.

Overige typen zaaimachines

Ook de zaaischijven van andere typen zaaimachines zijn aan slijtage onderhevig. Zo kunnen de cellen van de buitenvullers (Hassia Exakta en Monozentra) uitslijten, hierdoor neemt de kans op dubbelen en breuk van de pil toe. Wanneer stukjes van de afgebroken pil worden gezaaid, neemt ook het aantal missers toe. Bij andere binnenvullers, zoals bijvoorbeeld de Kleine Unicorn, neemt bij slijtage de grootte van de cellen toe en daardoor ook het aantal dubbelen sterk toe (figuur 3.2.18 en 3.2.19).

IMG_4346

Figuur 3.2.18 Links een goedgekeurde en rechts een afgekeurde zaaischijf van de Kleine Unicorn.

gewasstand_slecht-75

Figuur 3.2.19 Door slijtage aan de zaaischijven neemt de kans op dubbelen toe.

3.3 Zaaidiepte

versie: maart 2020

Precisiezaai vereist een prima zaaibed; vlak, niet te grof maar ook niet te fijn, met een egale dikte van 3-4 cm op een vlakke, bezakte ondergrond met zo min mogelijk wielsporen. Een juiste zaaidiepte is zeer belangrijk. Bietenzaad hoort op de vaste ondergrond te liggen, bedekt met 1,5 à 2 cm losse grond. Naarmate men later zaait en de grond zwaarder is, moet de bedekkings­hoogte iets groter zijn, 2 à 3 cm. In een los of te diep los gemaakt zaaibed zaait men gemakke­lijk te diep. Als noodmaatregel kan men de kluitenruimer gebruiken om een beetje losse grond opzij te schuiven. Met de toestrijkers kan meer of minder losse grond op het zaad gebracht worden. Maak gebruik van de mogelijkheden die de zaaimachine biedt.

Een scherp zaaikouter maakt een smalle scherpe zaaivoor, die een goede plaatsing van het zaad bevordert.

De onderstaande figuur (3.3.1) geeft een beeld van de ideale ligging van het zaad. Ook toont dit dat een goede vlakligging van de UonderkantU van het zaaibed van groot belang is en dat insporing tot het minimum beperkt moet worden.

teelt10

Figuur 3.3.1 Een tekening van het ideale zaaibed.

Controleer tijdens het zaaien regelmatig de volgende aandachtspunten:

  • zaaidiepte
  • zaaiafstand en zaairegelmaat1
  • zaaisnelheid
  • afstand tussen de aansluitrijen
  • zaadvoorraad in de zaadbakken
  • bedekken en aandrukken van het zaad
  • losse bovenlaag
  • verstopping kouters

De werkelijke zaaiafstand kan afwijken van de tabel op de machine. Negatieve wielslip van een aandrijfwiel kan hiervan een reden zijn.

De slip wordt groter naarmate het zaaibed losser is. Bijvoorbeeld bij zandgronden als de kopakkers geploegd zijn zonder vorenpakker en het perceel met vorenpakker. Bij twaalf- of meerrijige machines zijn er vaak meerdere aandrijf­wielen. Als de buitenste aandrijfwielen niet in een trekkerspoor lopen en de binnenste aan­drijfwielen wel, dan kan er verschil in wielslip en dus verschil in zaaiafstand bestaan. Een andere mogelijkheid is een verkeerde bandspanning van het aandrijfwiel. Het geheel kan gemakkelijk leiden tot een afwijking van 10%, zeg maar 2 cm. Bij elektrisch aangedreven zaaimachines speelt bovenstaande problematiek geen rol.

3.4 Zaaiafstand en standdichtheid

versie: maart 2021

Uit onderzoek van het IRS in de jaren 1997, 1998 en 1999 bleek dat de standdichtheid in het traject van 55.000 tot 105.000 planten per hectare niet van grote invloed is op de suiker- en wortelopbrengst en, bij de toen geldende bieten- en zaadprijs, op het saldo van de bietenteelt (zie tabel 3.4.1). Met een bietenprijs van 35 euro en een bie­ten­zaadprijs van 220 euro per eenheid is het saldo anno 2020 berekend.

Tabel 3.4.1 Plantaantal, wortelopbrengst, suikergehalte, suikeropbrengst, grondtarra en saldo per zaaiafstand. Gemiddelden van acht proeven in de periode 1997-1999, uitgedrukt in verhoudingsgetallen, waarbij de uitkomst bij 84.000 planten/ha = 100

zaai-

afstand

(cm)

plantaantal

(1000/ha)

wortel-

opbrengst

suiker-

gehalte

suiker-

opbrengst

grond-

tarra

fin

opbr

2019

saldo

2019

38,6

26,0

19,7

15,9

13,3

11,1

43

65

84

105

125

142

96

100

100

97

98

93

98

99

100

99

100

101

94

99

100

98

98

94

83

93

100

107

117

123

92

98

100

96

98

94

97

101

100

93

92

85

Bij hogere plantaantallen daalt de externe kwaliteit (grondtarra neemt toe) en stijgt de interne kwaliteit (suikergehalte). De wortelopbrengst, suikeropbrengst en het saldo bereiken de hoogste waarden tussen de 62.000 en 84.000 planten per hectare. Op basis van de huidige verrekening is het saldo licht verschoven; de lagere kosten voor zaaizaad leiden op basis van de acht proeven tot een iets hoger saldo bij een zaaiafstand van 26 centimeter. Het saldo wordt ook beïnvloedt door de verschillende opkomstpercentages in de proeven.

Om het optimum te bepalen zijn van alle behandelingen uit het bovengenoemde onderzoek de berekende saldoˈs uitgezet tegen de plantaantallen (figuur 3.4.1). Het optimum lag bij ongeveer 72.500 planten per hectare. Voor zand- en dalgrond lag het optimum iets hoger.


Figuur 3.4.1
De relatie tussen het saldo als verhoudingsgetal en het plantaantal.

Op basis van dit onderzoek en van ervaringen in de praktijk is het algemene advies: streef naar een homogeen plantbestand tussen 70.000 en 90.000 per hectare. Het gewenste aantal planten verschilt per perceel binnen de aangegeven range. Factoren die hierop van invloed zijn:

  • zaaitijdstip. Bij vroege zaai zal het advies iets hoger liggen dan bij late zaai;
  • perceelsomstandigheden. Weet een teler welke veldopkomst hij kan verwachten, dan kan het advies daarop worden aangepast. Als dat niet goed te voorspellen is (bijvoorbeeld als het niet zijn eigen grond is), dan zal voor de zekerheid een plantaantal in de bovenste range van het advies gekozen moeten worden;
  • onkruiddruk, bladbedekking. Op percelen met een hoge onkruiddruk is een hoger plant­aantal gewenst;
  • risicoˈs van insectenschade (o.a. door voorvrucht). Deze kan invloed hebben op wegval van planten (bijvoorbeeld door emeltenschade na een graszaadteelt). Streef in die gevallen een hoger plantaantal na;
  • weersomstandigheden voor en na de zaai en zaaibedkwaliteit. Bij ongunstige omstandig­heden een hoger plantaantal nastreven dan bij gunstige omstandigheden.

De benodigde zaaiafstand is te berekenen met de formule:

zaaiafstand = 20.000 × verwachte veldopkomst (%) / gewenst plantaantal.

Wanneer men zeker is van een gebruikelijke veldopkomst (80% of hoger), kan met een zaaiafstand van 23 cm een plantaantal van 70.000 behaald worden. Is de verwachte veldopkomst lager (70%) en wil de teler een plantaantal van 80.000 planten, dan zal hij een zaaiafstand van 18 cm moeten gebruiken. Het is echter altijd beter om de oorzaken voor een lage veldopkomst weg te nemen dan om de lage veldopkomst te compenseren door nauwer te zaaien. In het laatste geval zal het gewas onregelmatiger zijn en meer gaten vertonen.

 

3.5 Overzaaien of niet overzaaien

versie: maart 2020

De opkomstperiode is elk jaar opnieuw een spannende aangelegenheid. Tel regelmatig de opkomst en beoordeel de regelmaat van de stand van de bieten. Om eventuele verschillen in zaaimachine-elementen te constateren, gaat men als volgt te werk: zet diagonaalsgewijs op het perceel een aantal telstroken uit van tien meter rijlengte en het aantal rijen van de gebruikte zaaimachine. Het gemiddeld aantal planten per tien meter rij vermenigvuldigd met 2000 geeft het plantaantal per hectare. Doe dit tijdens de opkomst om de dag en daarna wekelijks. Men krijgt dan een betrouwbaar beeld van de standdichtheid en weet of er nog planten bijkomen of juist planten wegvallen. Hierbij kan de temperatuursom als leidraad dienen.

Temperatuursom = som van (dagelijkse gemiddelde etmaaltemperatuur - 3) vanaf zaaien, waarbij negatieve waarden niet worden meegeteld

Gemiddeld is de 50%-opkomst bereikt bij 90 graaddagen. Bij een gemiddelde etmaaltempe­ra­tuur van 12°C is de opkomst na 90/(12-3) = 10 dagen.

Met behulp van de applicatie ˈ(Over)zaai, opkomst en groeiˈ kan iedereen zijn of haar eigen zaaidatum invoeren en laten berekenen wanneer de opkomst- en groeipuntsdatum bereikt worden.

Behalve het plantaantal per hectare speelt ook de plantverdeling een belangrijke rol. Met een plantaantal van 40.000 à 50.000 per hectare kan nog een redelijke opbrengst per hectare worden

gehaald, als deze planten regelmatig over het veld verdeeld zijn. Men moet dan ook niet te snel tot overzaaien besluiten. Wanneer de verwachte hogere opbrengst bij overzaaien alleen als surplussuiker (tegen wereldmarktprijs) kan worden afgezet, is overzaaien nog minder zinvol. De extra kosten bedragen, afhankelijk van de keuze van het zaaizaad, de grondbewerking en de onkruidbestrijding, 200 tot 350 euro per hectare. Vooral wanneer laat wordt overge­zaaid, is er sprake van een korte groeiperiode met als gevolg een aanzienlijke opbrengstderving. Bij de afweging overzaaien of niet overzaaien, dient men naar de oorzaak van de slechte opkomst te kijken en na te gaan of er nog kansen op herstel zijn.

Wanneer er te ondiep gezaaid is en er daardoor zaden nog niet gekiemd zijn, kan na regen nog wel herstel optreden. Wanneer er sprake is van vreterij, moet men nagaan of aan dit uitdun­ningsproces al een einde is gekomen of niet. Bij nachtvorst-, hagel- en stuifschade moet worden nagegaan of het groeipunt wel of niet dood is. Zo niet, dan zijn er nog kansen op herstel. Als er sprake is van een harde, droge korst treedt er vaak na regen en hoge temperatuur een verbete­ring op in de opkomst. De korst moet dan niet al te dik zijn. Als men besluit om de korst mechanisch te breken, dan moet dit ˈs ochtends vroeg gebeuren met een lage rijsnelheid. Er zijn verschillende mogelijkheden om dit te doen. Volveldsrollen met cambridgerollen of gladde rollen raden we af. De drukverschillen over de werkbreedte zouden plantjes kunnen beschadigen op plekken met hoge druk of geen effect hebben op plekken waar de korst niet geraakt wordt. Dieptewiel­tjes (Farmflexbandjes) van schoffelapparatuur kunnen redelijk goed werk leveren.

De beste uitvoering van korstbreekapparatuur bij een proef in 1992 is te zien op figuur 3.5.1. De pijl geeft het element aan. Het bestond uit een velg van een kruiwagenwiel met daarop stukken hoekijzer gelast.

Goede praktijkervaringen zijn er ook met de elementen van de zaaimachine, waarbij het kouter is verwijderd. Tevens zijn er ook ervaringen opgedaan met een wiedeg. Dit heeft een positief effect zolang de korst niet te dik is.

Als de groei van de bieten reeds zover is dat de eerste bieten reeds boven staan, is men eigen­lijk te laat. Een vrij groot gedeelte van de plantjes zit dan waarschijnlijk al in de korst en zal een bewerking niet overleven. Is men er wat vroeger bij, de planten staan nog niet boven en de grootste planten zitten nog onder in plaats van in de korst, dan kan het voordelig zijn om de korst te breken. Pas er wel voor op dat de korst niet gaat schuiven maar alleen breekt, zeker als de kiemen al in of tegen de korst zitten. Een schuivende korst kan de bieten die erin vastzitten afbreken. Dit is enigszins te regelen door de druk op de wieltjes en de rijsnelheid te variëren. Een stukje proberen met een bepaalde afstelling en dan controleren is de beste werkwijze. Een beregening van circa 15 mm met een niet te grove druppel kan het bietenplantje ook net door de korst helpen. Hierover staat meer informatie in paragraaf 4.15.1.

teeltmap fig 13

Figuur 3.5.1 Verschillende uitvoeringen van apparatuur om een korst te breken. Bij een proef in 1992 gaf het aangegeven element de beste resultaten; veel haarscheuren in de korst zonder beschadiging van de kiemplantjes.

De beslissing tot het al of niet overzaaien, moet men niet onnodig lang uitstellen. Hierbij moet men rekening houden met het zaaitijdeffect en onderscheid maken of het perceel in de Flevo­polders of elders ligt. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat bieten op gronden in de Flevo­polders meer kunnen compenseren. Overzaaien na 26 mei of bij plantaantallen boven de aantal­len die zijn genoemd in tabel 3.5.1, is niet rendabel. Wanneer bijvoorbeeld op 8 april is gezaaid en op 28 april wordt overwogen om over te zaaien, dan is het kritieke plantaantal 40.000 per hectare. Voor de Flevopoldergronden geldt dat het kritische plantaantal, ongeacht de zaaidatum en overzaaidatum, ruim 10.000 planten per hectare lager is dan genoemd in tabel 3.5.1 Dit is bepaald op basis van PPO-agv-onderzoek en berekening met SUMO. Is het plantaantal op dat moment hoger, dan is het niet rendabel om over te zaaien.

Tabel 3.5.1 Maximaal aantal planten per hectare (×1000) waarbij overzaaien nog rendabel is bij verschillende combinaties van zaai- en overzaaidata. Uitgangspunten voor de onder­liggende berekeningen zijn: een gemiddelde bietenopbrengst van 87 ton per hectare en een suikergehalte van 17% bij een zaaidatum van 9 april; kosten van overzaai 275 euro per hectare, een bietenprijs van 35 euro per ton en geen surplus­bieten. Voor een speci­fie­kere berekening wordt verwezen naar het teeltbegeleidingsprogramma de applicatie ˈhttps://www.irs.nl/applicatie-zaai-opkomst-groei/ˈ.

 overzaaidatum
zaaidatum 11/3 15/3 19/3 23/3 27/3 31/3 4/4 8/4 12/4 16/4 20/4 24/4 28/4 2/5 6/5 10/5 14/5 18/5 22/5 26/5 30/5
3/3 54 53 51 50 49 45 43 41 39 36 34
7/3 54 52 50 48 46 44 42 39 37 35 32
11/3 53 51 49 47 45 42 40 38 35 33 31
15/3 52 50 48 46 44 41 39 36 34 31 29
19/3 52 50 47 45 42 40 37 35 32 30 27
23/3 51 49 46 44 41 38 36 33 30 28
27/3 51 48 45 43 40 37 34 32 29 26
31/3 50 47 44 41 38 36 33 30 27
4/4 49 46 43 40 37 34 31 28
8/4 48 45 42 39 36 33 30 26
12/4 48 44 41 38 34 31 28
16/4 47 43 40 36 33 29 26
20/4 46 42 38 35 31 28
24/4 45 41 37 33 30 26
28/4 44 40 36 32 28
2/5 43 39 34 30 26
6/5 42 37 33 28
10/5 41 36 31 26

(Bron: IRS - Groeimodel SUMO en teeltbegeleidingsprogramma Betakwik; PPO-agv: A.L. Smit, 1986: Overzaaien van bieten).

3.6 Horizontale bieten

versie: maart 2020

3.6.1 Inleiding

Soms groeien bieten horizontaal in plaats van verticaal. Als het worteltje van het kiemplantje zijn weg zoekt naar beneden, kan het zijn dat dit niet direct gebeurt, maar eerst een stukje horizontaal gaat. Uit onderzoek blijkt de vorm van het kouter, het weer na het zaaien en de zwaarte van de grond van invloed te zijn. Het kouter kunt u vervangen, het weer en de zwaarte van de grond niet.

In droge zomers zullen horizontaal of scheef gegroeide bieten achterblijven in groei. Bij de oogst is goed kop- en ontbladerwerk onmogelijk. Een opbrengstderving van enkele honderden euroˈs per hectare is dan niet uitgesloten.

Figuur 3.6.1 Horizontaal groeiende bieten. Op het rechtse plaatje is de pil nog zichtbaar onder de biet.

3.6.2 Veldonderzoek

In 1999 en 2000 heeft het IRS veldonderzoek uitgevoerd naar de invloed van de vorm van het zaaikouter op de horizontale groei van suikerbieten (figuur 3.6.1) op zavelgronden met een lutum­gehalte van 10 tot 21%. Het betrof een twaalfrijige zaaimachine van het merk en type Hassia Exakta-S. Er zijn twee typen kouters onderzocht: een type met een verwisselbaar mes (fuguur 3.6.2) en een type uit één geheel (figuur 3.6.3). Elk type kouter was op zes elementen gemonteerd. Het verwisselbare mes had een dikte van circa twee millimeter en stak circa twee centimeter onder het kouter uit. Het kouter uit één geheel was min of meer gelijk aan het eerste kouter, maar dan zonder verwisselbaar mes.

3.6.3 Invloed op horizontale bieten

De vorm van de kouters, het weer na het zaaien en de grondsoort hadden een invloed op de horizontale groei van de bieten.

kouterwissel koutereengeheel

Figuur 3.6.2 Het kouter met een verwisselbaar mes. Figuur 3.6.3 Het kouter uit één geheel.

3.6.3.1 Kouters

Er bleek een duidelijk verschil in horizontale groei tussen de bieten die gezaaid waren met het element met het ene type kouter en het element met het andere type. Het kouter uit één geheel verminderde de horizontale groei met ongeveer tweederde ten opzichte van het kouter met een verwisselbaar mes. Gemiddeld over beide jaren veroorzaakte het kouter uit één geheel 3,7% horizontale bieten en het kouter met verwisselbaar mes 10,6%.

3.6.3.2 Het weer na het zaaien

Ook was een duidelijk jaareffect aanwezig. Dit had te maken met het weer na het zaaien van de bieten. In 1999, met gemiddeld 11,3% horizontale bieten, bleef het ruim een week droog na het zaaien. In 2000 is het de dag nadat het zaaien klaar was, gaan regenen. Dit heeft zes dagen lang geduurd, met als gevolg duidelijk minder horizontaal of scheef gegroeide bieten, namelijk gemiddeld 3,2%.

3.6.3.3 Iets meer op zware zavelgronden

Het verschijnsel van horizontale bieten leek ongeveer drie keer zo sterk op te treden op lichte zavelgronden (lutumgehalte 10-15%) dan op zware (lutumgehalte 18-21%) of enigszins moeilijk bewerkbare zavelgronden.

3.6.4 Verklaring

De verklaring lijkt te zijn dat het kouter met het verwisselbare mes een gleuf maakt net onder de zaaivoor. De gleuf heeft de breedte van het mes (ongeveer 2 mm) en is, afhankelijk van de slijtage van het mesje, tot maximaal 2 centimeter diep. Deze gleuf is te smal voor het zaadje om erin te vallen. Vooral bij een slechtere structuur en sterk drogend weer na het zaaien, is het goed denkbaar dat de wand van de gleuf verhardt. Het is dan voor het worteltje moeilijk om direct naar beneden te gaan.

3.6.5 Vervang de kouters

De machine Hassia Exakta-S is uit de productie genomen. Toch draaien er in de praktijk nog vrij veel van dergelijke machines, voornamelijk bij telers die zelf zaaien en wat minder bij loonbedrijven. De Hassia Betasem is een machine die slechts op beperkte schaal gebruikt wordt voor het zaaien van suikerbieten. Voor beide typen zaaimachines geldt het advies om de kouters met een verwisselbaar mes te vervangen door kouters uit één geheel en de kouters met een verwisselbaar mes niet meer te gebruiken.

4. Bemesting

4.1 Inleiding

Versie: maart 2020

Bemesting in suikerbieten vindt plaats om ervoor te zorgen dat het gewas gedurende het groeiseizoen over de juiste en in voldoende mate aanwezige voedingsstoffen beschikt zodat het voorspoedig kan groeien, op tijd is volgroeid en bij de oogst een gunstige samenstelling heeft. Zowel een tekort als een overmaat aan bepaalde nutriënten is nadelig en belemmert de groei. De bemes­ting moet daarom goed op de behoefte van het gewas worden afgestemd. Het uitgangspunt daarbij is de reeds in de bodem aanwezige nutriëntenvoorraad die gedurende het seizoen voor het gewas beschikbaar komt. Gegevens van grondonderzoek zijn voor het vaststellen van bemestingsgiften voor suikerbieten dan ook onmisbaar. Op basis van de bodemvoorraad kan jaarlijks een passend bemestingsplan opgesteld worden.

Om bieten voorspoedig te laten groeien, is een goede vocht- en zuurstofhuishouding van de grond noodzakelijk. Verdichte lagen in de bouwvoor als gevolg van berijden onder natte omstandigheden of een slechte ontwatering kunnen tot gevolg hebben dat de in de bodem beschikbare of toegediende nutriënten onvoldoende worden benut.

Veel informatie in dit hoofdstuk is ontleend aan het Handboek Bodem en Bemesting; zie www.handboekbodemenbemesting.nl.

Gebreksziekten

De oorzaken en gevolgen van gebrek aan diverse nutriënten zijn, voorzien van illustraties, beschreven in de applicatie ˈZiekten en plagenˈ (www.irs.nl).

4.2 Opname van nutriënten

Versie: februari 2021

Een suikerbiet neemt het grootste gedeelte van de benodigde voedingsstoffen (of: nutriënten) op uit de bodem. Deze nutriënten zijn in opgeloste vorm in het bodemvocht aanwezig. Nutriënten kunnen een positieve (kation) of negatieve (anion) lading hebben. Kalium (K+) en calcium (Ca2+) zijn voorbeelden van kationen. Stikstof heeft in een opgeloste vorm een negatieve lading: nitraat (NO3-), maar kan ook met een positieve lading voorkomen in de vorm van ammonium (NH4+). De opname van nutriënten vindt via de wortels plaats. Dit kan passief of actief gebeuren. Een passieve opname vindt middels de opname van water plaats en vraagt geen energie van de plant. Een actieve opname van nutriënten gebeurt met behulp van een pompmechanisme en kost wel energie. De wijze van opname is afhankelijk van het nutriënt. Calcium en borium worden met name passief opgenomen; bij een vochttekort in de bodem zal een gebrek snel ontstaan.

Tevens kunnen nutriënten met dezelfde lading, zoals kalium, calcium, natrium en magnesium concurreren in de opname. Een juiste verhouding van deze nutriënten in de bodem is dan ook belangrijk voor een gunstige beschikbaarheid.

In tabel 4.2.1 staat hoeveel nutriënten (kg/ha) een bietengewas met een hoge opbrengst gemiddeld opneemt.

De cijfers zijn gebaseerd op gewasanalyses, uitgevoerd op praktijkpercelen en stikstof­hoe­veel­hedenproefvelden in de periode 2009 tot en met 2011.

Tabel 4.2.1 De gemiddelde nutriëntenopname door suikerbieten op 16 percelen (2009 t/m 2011). De gemiddelde wortelopbrengst was 92,2 ton per hectare. De gemiddelde loofopbrengst bij de oogst was 44,7 ton per hectare.

nutriënt opname (kg/ha)
wortel loof1 totaal
stikstof N 124 140 264
fosfaat P2O5 63 44 107
kalium K2O 152 242 394
natrium Na2O 10 96 106
magnesium MgO 36 45 81
calcium CaO 32 66 98

1 + deel kop.

De opname van nutriënten door het loof is in werkelijkheid hoger, omdat er tijdens het groei­seizoen ook bietenbladeren afsterven. Deze bladeren bevatten vrij veel nutriënten.

Uit onderzoek in 1967 bleek dat een bietengewas vier tot vijf ton droge stof per hectare door bladafsterving kan verliezen. Hiermee werden verliezen per hectare berekend van 90 tot 140 kg stikstof, 80 tot 105 kg kalium en 4 tot 9 kg fosfaat1. Deze getallen zijn wellicht niet helemaal toepasbaar voor de huidige situatie, maar geven wel een indicatie.

Om de bemestingstoestand van een perceel op peil te houden, moeten over een gewasrotatie zowel de afvoer van nutriënten door de gewassen als de onvermijdelijke verliezen, bijvoorbeeld door uit­spoeling, worden gecompenseerd.

De hoogte van de onvermijdelijke verliezen is sterk afhankelijk van vooral grondsoort en weer.

Figuur 4.2.1 geeft het opnameverloop van stikstof door een bietengewas weer. Deze figuur is geba­seerd op proefveldonderzoek in de tachtiger jaren. De opbrengsten en wellicht ook de opname van stikstof door het gewas waren toen lager dan nu. Desondanks mag worden aangenomen dat het verloop van de stikstofopname nu niet veel zal afwijken van toen. De wortelopbrengsten zijn sinds de vorige eeuw fors gestegen, waarbij de stikstofafvoer per kg bieten is gedaald. In de periode 1960 tot 2019 is de wortelopbrengst met circa 75% gestegen (van 46 naar 81 ton per hectare), en nam de afvoer van stikstof per hectare toe met slechts 17% (van 1,8 naar 1,2 kg N per ton bieten).

Figuur 4.2.1 Het opnameverloop van stikstof door een bietengewas; gemiddelde van zestien proefvelden verspreid over Nederland; gemiddelde Nmin-voorraad (0-60 cm): 56 kg per hectare en gemiddelde stikstofgift: 140 kg per hectare.

1 Houba, V.J.G. (1973). Effect of nitrogen dressings on growth and development of sugar beet. Doctoral thesis, Wageningen, ISBN 902200435X., (viii) + 65 p., 25 tbs, 21 figs, 54 refs, Eng. and Dutch, summaries.

4.3 Stikstofbemesting

Versie: april 2021

De hoogte van de stikstofbemesting beïnvloedt het rendement van de teelt van suikerbieten. Te weinig stikstof betekent een lagere wortelopbrengst en te veel stikstof is nadelig voor het suiker­gehalte en de winbaarheidsindex (WIN). Vooral het suikergehalte is bij de uitbetaling erg belang­rijk. Bij de huidige uitbetalingsmethodiek met een gehalteverrekening van 9% is een één procent hoger suikergehalte financieel gezien ongeveer evenveel waard als acht ton per hectare extra aan wortelopbrengst. Hierbij is uitgegaan van 85 ton bieten per hectare.

4.3.1 Hoogte van de stikstofgift

De hoogte van de stikstofgift kan men bepalen door gebruik te maken van de adviesformule:

N-gift (kg/ha) = 200 - 1,7 × Nmin (tot 100 kg/ha in laag 0-60 cm).

De hoeveelheid Nmin kan men in de maanden januari en februari vaststellen door een grondmonster te laten analyseren. Dit kan eventueel ook in maart, maar dan bestaat de kans dat door oplopende (bodem)temperaturen de stikstofmineralisatie in de grond op gang komt en daardoor de Nmin-hoeveelheid in de grond toeneemt. De hoeveelheid Nmin in de formule is de hoeveelheid voor de plant beschikbare stikstof die na de voorgaande wintermaanden nog in het bodemprofiel (laag 0-60 cm) achtergebleven is.

Men kan de hoeveelheid Nmin in de bodem proberen in te schatten. Dit is eigenlijk alleen enigszins verantwoord als er geen dierlijke mest in het najaar is aangewend en/of als er geen groenbemester is geteeld. De Nmin-voorraad in de grond op percelen die geen dierlijke mest hebben gekregen, is door de jaren heen op zand­grond gemiddeld 25 kg per hectare, op zavel- en lichte kleigronden 35 à 40 kg per hectare en op de zwaardere kleigronden 50 à 55 kg per hecta­re. Na een natte winter is de Nmin-voorraad lager dan deze waarden, na een droge winter hoger. Bij een Nmin-voorraad tussen 100 en 140 kg per hectare is het advies om 30 kg stik­stof per hectare te geven en boven 140 kg per hectare om geen stikstof te geven; zie figuur 4.3.1.

Figuur 4.3.1 De stikstofbemestingsadvieslijn; de bodemvoorraad wordt bepaald in de laag 0-60 cm.

Het advies dat met de formule berekend is, moet (indien van toepassing) worden gecorrigeerd voor:

  • teelt van een groenbemester

Korting op N-gift (kg/ha):

type groenbemester1 onderwerken/afsterven in herfst onderwerken in voorjaar
zonder Nmin voorjaar met Nmin voorjaar
kruisbloemigen 30 0 40
vlinderbloemigen 60 40 60
grasachtigen 30 20 40

1 kruisbloemigen: bladrammenas, gele mosterd, bladkool;
vlinderbloemigen: klaversoorten en wikke;
grasachtigen: raaisoorten en winterrogge.

De korting geldt voor goed ontwikkelde groenbemesters. Voor matig ontwikkelde groenbemesters kan de helft van de in de tabel genoemde kortingen worden genomen.

  • dierlijke mestgift in voorafgaand najaar (N uit Norg)1 tabel 4.3.4;
  • gescheurd eenjarig grasland2 -20 kg;
  • gescheurd meerjarig grasland2 -45 kg;
  • slechte structuur, ondiepe beworteling +25 kg.
    1. De aftrek voor de toediening van dierlijke mest in het najaar is nodig, omdat er in het groei­seizoen (periode maart t/m augustus) een hoeveelheid stikstof uit de mest door minera­lisatie beschikbaar komt (zie paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.4). In de Applicatie Stikstofbemesting kan deze mestgift worden ingevuld, waarna in het advies een correctie voor de nalevering van stikstof wordt opgenomen. Bij opgave van het bepaal­de N-gehalte van de mest wordt bij de berekening hiervan uitgegaan. Als men het N-gehal­te niet opgeeft, wordt gerekend met het gemid­delde gehalte van de betref­fende mestsoort. Als er geen Nmin-monster wordt genomen, moet men de stikstof­werking van de in het najaar gegeven mest inschatten (zie paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.3). De in tabel 4.3.3 genoemde werkingspercentages gelden voor percelen zonder groenbemester;
    2. Als er geen Nmin-monster is genomen, kan men voor eenjarig en meerjarig grasland res­pec­tievelijk 50 en 100 kg stikstof per hectare aftrekken.

Algemene opmerkingen bij het advies:

  • correctie voor nalevering van gewasresten (uitgezonderd gescheurd grasland) is niet mee­ge­nomen, omdat de verschillen in nalevering tussen de gangbare voorvruchten van sui­kerbieten gering zijn (minder dan 10 kg per hectare);
  • de adviesformule is vastgesteld op basis van de resultaten van een groot aantal stikstofhoe­veelhedenproefvelden. De stikstofdepositie is dus (gemiddeld) in de formule verdiscon­teerd. Het advies hoeft hiervoor dus niet gecorrigeerd te worden. De stikstofdepositie in Nederland bedraagt overigens gemiddeld circa 15 kg per hectare;
  • er is geen correctie opgenomen voor het percentage lutum of organische stof. Uit de resul­taten van het grote aantal proefvelden die de basis van het stikstofbemestings­advies vormen, is niet gebleken dat een dergelijke correctie gerechtvaardigd is;
  • Tot 1990 werd er geen rekening gehouden met de kosten van de stikstofmeststoffen. Vanaf 1990 zijn de adviesgiften met 20 kg N per hectare verlaagd door het getal 220 in de adviesformule te verlagen naar 200.

De hoogte van de stikstofgift is onafhankelijk van het tijdstip van zaaien en oogsten van de bieten. Suikerbieten nemen namelijk het leeuwendeel van de benodigde hoeveelheid stikstof op in de periode juni tot en met augustus. Na augustus komt door mineralisatie genoeg stikstof in de grond vrij om aan de (geringe) stikstofbehoefte te voldoen. De hoogte van de optimale stikstofgift is onafhankelijk van de hoogte van de wortel- en suikeropbrengst.

De adviesformule geldt niet voor dal- en veengronden. Een Nmin-monster is op deze gronden minder betrouwbaar door de heterogene ondergrond. Voor deze gronden geldt een bruto ­advies van 150 kg stikstof per hectare. Als één of meer van de correctieposten van toepassing zijn, moet men het advies hiervoor corrigeren.

Men moet bij de stikstofbemesting rekening houden met de gebruiksnormen (zie paragraaf 4.14.1).

4.3.2 Tijdstip van toediening

Kleigrond

Op kleigrond kan men alle benodigde kunstmeststikstof al geven vanaf circa half februari. Bij stikstof strooien in februari bestaat de kans dat er nadien, onder erg natte omstandigheden, enig stikstofverlies optreedt. Het verlies blijft meestal beperkt tot maximaal circa 10 kg per hectare. Uitspoeling veroorzaakt een deel van dit verlies. Doorgaans zullen echter de verliezen door uitspoeling van kunstmeststikstof te verwaarlozen zijn. Voordat de nitraatstikstof uit kunstmest uit de bewor­telbare zone is verdwenen, moet er wel erg veel regen gevallen zijn. Per 100 mm neerslag­over­schot (neerslag minus verdamping) is de verplaatsing van nitraat­stikstof in de grond op klei- en zavelgronden respectievelijk 20 en 30 cm.

Als men stikstof strooit binnen circa drie weken voor de geschatte zaaidatum is het advies om, in ver­band met de kans op zoutschade, niet meer dan 120 kg N per hectare geven. De even­tueel res­teren­de benodigde hoeveelheid kan dan in het twee- tot zesbladstadium van de bieten toegediend worden.

Het is ook mogelijk om de stikstof na opkomst van de bieten te geven, bijvoorbeeld in het tweebladstadium. Het voordeel is dat er dan over relatief vlak land gereden kan worden, eventueel gebruik makend van (spuit)sporen.

Drijfmest mag op kleigrond uitgereden worden van 16 februari tot en met 31 juli. Wanneer er een groenbemester wordt gezaaid mag dit tot 15 september. Vaste mest mag men op klei het hele jaar toepassen.

Zand-, dal- en lössgrond

Op zand-, dal- en lössgrond kan men zonder gevaar voor zoutschade alle benodigde stikstof, zowel organisch als anorganisch, kort voor het zaaien toedienen, mits u de meststof zoals gebruikelijk inwerkt. Een gedeelde toepassing is ook mogelijk, maar levert onder de gangbare omstandigheden geen voordeel op.

Drijfmest mag op zand-, dal- en lössgrond van 16 februari tot en met 31 juli gegeven worden. Bij de teelt van een groenbemester, dan mag dit tot en met 15 september. Vaste mest mag van 1 februari tot en met 31 augustus toegepast worden.

Het komt regelmatig voor dat de bieten in het begin van het groeiseizoen slecht groeien en er wat gelig uitzien. De oorzaak hiervan is vaak koude en/of zuurstoftekort door overvloedige neerslag. Stikstofgebrek kan hier niet de oorzaak van zijn. Op stikstofbemestingsproef­velden is op onbemeste veldjes voor begin juni zelden of nooit groeiachterstand geconstateerd. Op be­meste velden, bijvoorbeeld met 50 kg stikstof per hectare, was stikstofgebrek nooit voor circa half juni zichtbaar. Een lichte, gelige loofkleur kan ook een raseigenschap zijn. Rassen met een lichte loofkleur hebben niet meer stikstof nodig dan rassen met een donkere loofkleur. Toch is men vaak bij slecht groeiende, gelige bieten geneigd om extra stik­stof te strooien. Deze extra stikstof verlaagt het suikergehalte en de winbaarheidsindex en dus ook de finan­ciële opbrengst.

4.3.3 Wijze van toedienen

Volvelds

Het volvelds uitrijden van dierlijke mest dient emissiearm, dat wil zeggen in de grond, te worden uitgevoerd. Voor vloeibare meststoffen als urean en spuiwater bestaat zoˈn verplichting niet. Deze meststoffen bevatten doorgaans relatief veel ammoniumstikstof, waarvan bij het niet-inwerken een deel verloren kan gaan. Inwerken is dus aan te bevelen!

In de rij

Bij rijentoediening plaatst men de stikstof vijf à zes centimeter naast het zaad (aan één kant), op een diepte van ongeveer 5 centimeter. Door de stikstof in de rij toe te passen, wordt de stikstof beter benut. Hierdoor kan gemid­deld ongeveer 15% stikstof bespaard worden ten opzichte van volveldstoediening. Deze besparing kan oplopen tot 30% als de bieten vroeg gezaaid worden en een trage begingroei wordt verwacht. Er zijn aan­wij­zingen dat rijentoediening bij slechte bewortelingsmogelijkheden door bijvoorbeeld een slechte structuur en/of aaltjesaantasting tot een besparingseffect van 30% kan leiden.

Een bijkomend voordeel van rijentoediening is dat de meststof egaal wordt toegediend. Dit bevordert de gewasregelmaat. Bovendien worden overlappingen en strooibanen voorkomen. Omdat de meststoffen in de grond worden gebracht, zal er vrijwel geen stikstofemissie plaatsvinden, door bijvoorbeeld ammoniakvervluchtiging.

Tegenover de voordelen staat een extra investering en een hoger gewicht (meststoftank, soms zwaardere trekker) dat over het land moet. Ook het opnieuw vullen van de tank kost wat tijd.

4.3.4 Keuze van de meststof

De stikstofbemesting kan men uitvoeren met kunstmeststikstof en/of organische mest. Als het stikstofgehalte van de organische mest tijdens het uitrijden niet bekend is en men uitgaat van een mediaan gehalte (zie tabel 4.3.2), dan is het advies om maximaal tweederde van de benodigde stik­stofgift in de vorm van organische mest toe te dienen. Na het bekend worden van het stikstofgehalte van de mest kan de eventueel resterende benodigde hoeveelheid stikstof met kunstmeststikstof worden gegeven. Als het stikstofgehalte van de mest tijdens het uitrijden bekend is, kan men zonder noemenswaardig bezwaar de volledige stikstofbehoefte met dierlijke mest dekken. Zorg dat de mest homogeen is en egaal wordt verspreid. De stelling dat bij gebruik van organische mest, vooral bij een lage Nmin-voorraad, een startgift met kunst­mest aan te raden is, is niet correct. Dit, omdat de stikstof in organische mest in principe hetzelf­de effect heeft op de suikerbieten als die in kunstmest. De voor de plant beschikbare stikstof in de mest bestaat grotendeels uit ammoniumstikstof. Deze is meestal binnen circa drie weken na toediening volledig omgezet in nitraat. Voor wat betreft de kunstmeststikstof zal op zand- en dalgrond de keuze vaak vallen op Kalkam­monsalpeter (KAS).

Op klei- en lössgronden zal de keuze meestal vallen op een mengmeststof of op KAS. Een selectie van stikstof- en stikstofhoudende meststoffen staat in tabel 4.3.1.

Tabel 4.3.1 Enkele van de belangrijkste stikstof- en stikstofhoudende meststoffen.

naam/soort gehalte (%) be1
N-totaal NO3 NH4 NH2 P2O5 K2O MgO
vaste N-meststoffen
Kalkammonsalpeter 27 13,5 13,5 0 0 0 0-4 -15
Ammonsulfaatsalpeter 26 7 19 0 0 0 0 -51
Kalksalpeter 15,5 14,4 1,1 0 0 0 0 +11
Unika chili2 14 11,5 2,5 0 0 0 0 +9,9
Nitrakali plus2 15 15 0 0 0 9 0
Unika calcium2 13 13 0 0 0 24 0 +12,2
Agrifirm bietenmix2 15,4 7,7 7,7 0 0 0 1,3
Ureum 46 0 0 46 0 0 0 -46
Sulfan (+ 6% S) 24 12 12 0 0 0 0 -34
vloeibare N-meststoffen
Urean 30 7,2-7,9 7,2-7,9 14-16 0 0 0 -30
Anasol 15 5,5 9,5 0 0 0 0 -21
Nitrosol 15 2,4 7,8 4,8 0 0 0 -25
NTS 27 3S 27 6,5 7,5 13 0 0 0 -31
NP-meststoffen
23-23 23 7,6-9 14,5-15,4 0 23 0 0 -34
26-7 26 12 14 0 7 0 0 -29
26-14 26 10,3-12 14-15,7 0 14 0 0 -32
NPK-meststoffen chloorarm3
7-14-28 7 2 5 0 14 28 0 +4
12-10-18 12 0-5 7-12 0 10 18 0 -5
15-15-15 15 2,5-6,5 8,5-12,5 0 15 15 0 -12
16-10-20 16 6,5-7 9-9,5 0 10 20 0 -8
NPK-meststoffen chloorhoudend
15-12-24 15 5,5-6,5 8,5-9,5 0 12 24 0 -5
17-17-17 17 6-7 10-11 0 17 17 0 -14
18-7-7 18 8-8,5 9,5-10 0 7 7 7 -7
20-10-10 20 9 11 0 10 10 0 -21

1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend.

2 Unika chili bevat ook 2,5% SO3, 8,5% Na2O en 0,2% B. Nitrakali plus bevat tevens 21% Na2O en 0,05% B. Unika Calcium bevat tevens 12% CaO. Agrifirm bietenmix bevat tevens 18,4% Na2O, 1,3% MgO, 0,2% B en 6,2% SO3.

3 chloorarm = <2% Cl; chloorhoudend = >2% Cl.

Tabel 4.3.2 Samenstelling in gram per kg product1 van de belangrijkste dierlijke mest­soorten, digestaat en compost. Waarde is niet bekend als er niets is ingevuld.

soort ds os N-totaal Nmin Norg P2O5 K2O MgO Na2O dichtheid

(kg/m3)

dunne mest
varkens 107 79 7,0 3,7 3,3 3,9 4,7 1,5 1,2 1040
zeugen 67 25 5,0 3,3 1,7 3,5 4,9 1,4 0,9 1024
rundvee 92 71 4,0 1,9 2,1 1,5 5,4 1,2 0,7 1005
rosékalveren 94 71 5,6 3,0 2,6 2,6 5,0 1,6 1,2
witvleeskalveren 22 17 2,6 2,1 0,5 1,1 4,5 1,7 1,6
gier
varkens 20 5 6,5 6,1 0,4 0,9 4,5 0,2 0,1 1010
zeugen 10 10 2,0 1,9 0,1 0,9 2,5 0,2 0,2
rundvee 25 10 4,0 3,8 0,2 0,2 8,0 0,2 1,0 1030
vaste mest
pluimvee

(zonder nadroging)

562 416 28,4 2,9 25,7 23,0 19,2 5,5 1,7 605
kippenstrooisel 677 359 29,0 3,7 25,3 25,6 18,2 7,5 3,4 600
vleeskuikens 628 419 34,1 8,5 25,6 16,6 19,4 7,1 3,0 605
rundvee grupstal 267 155 7,7 1,1 6,6 4,3 8,8 4,1 1,1 900
mestproducten
Fertex2 30 12 22 8
mineralenconcentraat 37 14 8,2 7,5 0,7 0,4 9,7
digestaat2
Betafert basis 75 40 4,0 2,7 1,3 1,5 5,5 1,3
Betafert vast 370 160 9,0 4,5 4,5 5,5 6,0 4,0
Top Soil terrafert 275 171 12 3,7 8,2 3,2
compost
champost 336 211 7,6 0,4 7,2 4,5 10,0 2,3 0,9 550
GFT 696 242 8,9 0,8 8,1 4,4 7,9 3,3 800
groencompost 559 179 5,0 0,5 4,5 2,2 4,2 1,8 800

1 Gekozen is voor de mediane samenstelling, omdat ze minder wordt beïnvloed door sterk afwijkende waarden in de gegevenssamenstelling dan het rekenkundig gemiddelde. Vaak wijkt de mediane samenstelling niet erg af van de gemiddelde samenstelling. Van de mestproducten, de digestaten en de compostsoorten is wel de gemiddelde samenstelling weergegeven.

2 Indicatieve waarden.

Bron: Handboek Bodem en Bemesting. Voor digestaten: Crop Solutions.

Als men dierlijke mest gebruikt, moet men voor wat betreft de daarin aanwezige stikstof reke­ning houden met werkingspercentages. Deze per­centages zijn vooral afhankelijk van de soort mest, het tijdstip van toedienen en de wijze van inwerken. Ze geven aan welk deel van de totale hoeveelheid stikstof in de mest eenzelfde wer­king heeft als kunstmeststikstof. In tabel 4.3.3 staan de werkingspercentages van in het najaar toege­diende vaste mest vermeld. Deze percen­tages gelden voor onbeteelde percelen, gemiddelde weersomstandigheden en gemiddelde Nmin- en Norg-gehalten van de mest. Als er een Nmin-bemonstering van de grond plaatsvindt in bijvoorbeeld februari, zijn deze werkingspercentages niet relevant. In het Nmin-monster wordt gemeten hoeveel Nmin uit dierlijke mest na de winter is overgebleven. Deze hoeveelheid neemt men dus mee in de bere­kening van het stikstofbemestingsadvies. Van dit advies moet men vervol­gens nog een hoe­veelheid stikstof aftrekken voor stikstof uit dierlijke mest die pas in het groeiseizoen als Nmin beschikbaar komt. In de Applicatie stikstofbemesting (www.irs.nl) wordt deze hoeveelheid berekend op basis van de getallen die in tabel 4.3.4 staan.

De stikstofwerking van in het najaar toegediende vaste kippenmest, vooral die van vlees­kui­kens, kan overschat zijn van­wege de hoge Norg-fractie in deze mest. Een deel van deze Norg-fractie is urinezuur, dat eigenlijk tot de Nmin-fractie behoort1. Vaste kippenmest wordt echter niet of nauwelijks in de bietenteelt gebruikt.

Tabel 4.3.3 De stikstofwerking van in het najaar toegediende vaste dierlijke mest in percentage van het N-totaalgehalte van de mest. Dunne mestsoorten mogen in genoemde maanden niet en/of niet op onbeteelde percelen worden toegediend.

toedieningstijdstip vaste mestsoort
kippenstrooisel vleeskuikens rundvee
augustus 20 25 20
september 20 30 20
oktober 30 35 25
november 30 40 30
december 40 50 35

Tabel 4.3.4 De hoeveelheid stikstof als percentage van N-totaal, dat tussen 1 maart en 31 augustus vrijkomt uit de organische stof in dierlijke mest en compost.

mestsoort toedieningstijdstip
maand aug sept okt nov dec
dunne mest
varkens 10 12 - - -
zeugen 10 12 - - -
kippen 10 13 - - -
rundvee 10 13 - - -
vaste mest
leghennen 22 28 35 40 43
kippenstrooisel 20 20 30 30 40
vleeskuikens 19 24 29 33 36
rundvee 18 20 24 26 28
varkens 17 20 23 25 27
compost
champost 10 10 10 10 10
GFT 10 10 10 10 10

In tabel 4.3.5 staan de stikstofwerkingspercentages van in het voorjaar toegediende dierlijke mest vermeld. Dit van zowel de hoeveelheid Nmin, Norg en N-totaal. Wanneer jaarlijks dierlijke mest wordt gebruikt zijn de werkingspercentages hoger. Voor dunne mest van varkens zijn ze ongeveer 10 procentpunten hoger en voor rundvee ongeveer 20 procentpunten.

De stikstofwerkingscoëfficiënten die worden gehanteerd in de mestwetgeving, staan in paragraaf 4.14.1.

Voor zowel kunstmest als dierlijke mest is een egale verspreiding belangrijk voor de opbrengst en de interne kwaliteit van de suikerbieten. Voor de aanwending van dierlijke mest zijn wettelijke regels gesteld. De belangrijkste staan vermeld in paragraaf 4.14.

Tabel 4.3.5 De stikstofwerking van in het voorjaar (februari, maart, april) toegediende dierlijke mest en compost, uitgaande van mediane gehalten (tabel 4.3.2). Toediening van dunne mest en gier door bouwlandinjectie, vaste mest en compost bovengronds verspreid en direct daaropvolgend ingewerkt.

mestsoort stikstofwerkingspercentage
Nmin Norg N-totaal
dunne mest
varkens 95 55 75
zeugen 95 55 80
rundvee 95 15 55
rosékalveren 95 20 60
witvleeskalveren 95 15 80
gier
rundvee 95 15 90
varkens 95 55 90
zeugen 95 55 90
vaste mest
pluimvee (droog) 75 55 57
kippenstrooisel 75 55 55
vleeskuikens 75 50 55
rundvee 75 20 30
compost
champost 30
GFT compost 15
groencompost 10

1 G.L. Velthof, P.J. van Erp en J.C.A. Steevens. Karakterisering en stik­stof­mineralisatie van organische meststoffen in een nieuw daglicht; Meststoffen 1999; NMI.

4.4 Fosfaatbemesting

Versie: februari 2021

Vanaf 2021 wordt de fosfaattoestand van bouwland bepaald met twee indicatoren, die het Pw-getal vervangen. Deze indicatoren, het P-AL-getal en P-CaCl2-getal, geven een nauwkeuriger beeld van de fosfaattoestand in de bodem. Het P-AL-getal, uitgedrukt in mg P2O5 per 100 mg grond, geeft een indicatie van de op de langere termijn beschikbaar komende fosfaatvoorraad in de bodem. Deze fosfaat is niet direct beschikbaar voor het gewas. Het P-CaCl2-getal (mg P2O5/l grond) geeft de hoeveelheid direct beschikbare fosfaat weer. De wijziging van deze methode is een van de laatste maatregelen die vanuit het zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn is doorgevoerd.

Bij analyserapporten die zowel het Pw-getal als de P-Al en P-CaCl2 bevatten, kan men kiezen voor de oude of nieuwe bepaling bij het vaststellen van de gebruiksnorm.

In tabel 4.4.1 staan de fosfaattoestanden genoemd op basis van de nieuwe fosfaatklassen. Tussen haakjes staat de desbetreffende gebruiksnorm. Tabel 4.4.2 geeft de gebruiksnormen behorend bij het Pw-getal weer.

Tabel 4.4.1 Fosfaattoestand en gebruiksnormen voor bouwland vanaf 2021, gebaseerd op het P-AL-getal en de P-CaCl2-getal.

indeling klassen

P-CaCl2-getal

indeling klassen P-AL-getal
<21 21 - 30 31 - 45 46 - 55 >55
<0,8 arm (120) arm (120) arm (120) laag (80) laag (80)
0,8 - 1,4 arm (120) arm (120) arm (120) laag (80) neutraal (70)
1,5 - 2,4 arm (120) arm (120) laag (80) neutraal (70) ruim (60)
2,5 - 3,4 arm (120) laag (80) neutraal (70) ruim (60) hoog (40)
>3,4 laag (80) laag (80) neutraal (70) ruim (60) hoog (40)

Tabel 4.4.2 Fosfaatklassen en gebruiksnormen vanaf 2020.

fosfaatklasse Pw hoeveelheid fosfaat (kg P2O5/ha)
arm <25 120
laag 25-35 80
neutraal 36-45 70
ruim 46-55 60
hoog >55 40

4.4.1 Hoogte van de fosfaatgift

a. Bodemgericht advies

Het bodemgerichte fosfaatadvies dat de gecombineerde indicator als uitgangspunt heeft, is nog in ontwikkeling en wordt in een later stadium door de CBAV opgenomen. Als de fosfaattoestand onder de streefwaarde valt, luidt het advies om bovenop de fosfaatont­trek­king een extra hoeveelheid fosfaat te geven om de streefwaarde te bereiken. De streefwaarde uitgedrukt in het Pw-getal is 25 voor zeeklei en zeezand. Voor overige grondsoorten is een Pw van 30 de streefwaarde. In tabel 4.4.3 staat hoeveel fosfaat er nodig is boven de onttrekking om het Pw-getal te verhogen tot de streefwaarde.

Tabel 4.4.3 Hoeveelheid fosfaat (kg P2O5/ha) die boven de afvoer nodig is om het Pw-getal te verhogen tot 25 op zeeklei en 30 op de overige gronden.

Pw-getal zeeklei, zeezand overige gronden
10

15

20

25

780

490

230

0

990

700

440

210

Om de bestaande fosfaattoestand te handhaven moet voor een bouwplan met goede opbrengsten gemid­deld 70 kg P2O5 per hectare gegeven worden. In vier jaar tijd moet men dus ongeveer 280 kg P2O5 per hectare geven. Een deel hiervan kan men aan de suikerbieten geven. De gemiddelde fosfaatafvoer met bieten bedraagt overigens ongeveer 0,7 kg P2O5 per ton bieten.

b. Gewasgericht advies

Op percelen met een Pw-getal >25 à 30 reage­ren sui­kerbieten niet op een fosfaatbemesting. Op dergelijke percelen dient een fosfaatbe­mes­ting dan ook alleen om de bodemvoorraad op peil te houden c.q. te brengen. Een fosfaatbemes­ting aan suikerbieten is dus bij een voldoende bodemvoorraad gericht op de bodem en niet op het bietengewas.

De CBAV heeft in 2020 het gewasgerichte fosfaatadvies afgestemd op de bodemvoorraad (P-AL) en plantbeschikbaar fosfaat (P-CaCl2). Dit advies is in het Handboek Bodem en Bemesting opgenomen.

Ook bij fosfaatbemesting moet men rekening houden met de wetgeving; zie paragraaf 4.14.

4.4.2 Tijdstip van toediening

Op percelen met een te lage fosfaattoestand moet de fosfaatbemesting in het voorjaar plaats­vinden. Op percelen met een voldoende hoge fosfaattoestand kan men de fosfaat zowel in het najaar als in het voorjaar geven.

4.4.3 Keuze van de meststof

Als enkelvoudige fosfaatmeststof wordt vrijwel uitsluitend Tripelsuperfosfaat of Superfosfaat, beide in water oplosbaar, gebruikt.

Verder zijn er veel verschillende mengmeststoffen in uiteenlopende samenstellingen (NPK-, NP- en PK-meststof­fen). Bij toepassing van een mengmeststof moet de samenstelling passen bij de behoefte van het gewas. Bij voorjaarstoediening is de kans op zoutschade met een chloorarm product wat kleiner. In tabel 4.4.4 staan enkele fosfaat- en fosfaat-kaliummeststoffen (PK) vermeld. Voor de NP- en NPK-meststoffen: zie paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.1.

Fosfaat uit dierlijke mest is over een langjarige periode bezien, gelijkwaardig aan kunstmest­fosfaat. In het eerste jaar na toediening is de werking van fosfaat uit varkensmest 100%, uit kippenmest 70% en uit rundveemest 60%. Bij voldoende hoge Pw-getallen doet dit laatste er niet toe, omdat de bieten dan sowieso niet op fosfaat reageren. De fosfaatgehalten van de belangrijkste dierlijke mestsoorten en compost staan in tabel 4.3.2.

Tabel 4.4.4 Enkele van de belangrijkste fosfaat- en fosfaathoudende meststoffen.

naam/soort gehalte (%) be1
P2O5 K2O S
Tripelsuperfosfaat 46 0 0 0
Superfosfaat 18 0 11 +2
15-302 15 30 0 +12

1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend;

2 de PK 15-30 is chloorhoudend, maar ook chloorarm te verkrijgen.

4.5 Kaliumbemesting

Versie: maart 2020

Op grondmonsteranalyses staan vaak verschillende waarden die een indicatie geven van de kaliumtoestand in de grond. De meetmethode voor het vaststellen van de hoeveelheid beschikbare kalium is niet overal hetzelfde. De adviezen die in de teelthandleiding en in het Handboek Bodem en Bemesting zijn opgenomen, zijn gebaseerd op het K-getal. De Commissie Bemesting Akkerbouw en Vollegrondsgroenten (CBAV) zal deze andere meetmethoden naar verwachting op termijn toetsen. Vooralsnog zijn de officiële kaliumbemestingadviezen, vermeld in het Handboek Bodem en Bemesting, in dit hoofdstuk het uitgangspunt.

Voor de verschillende grondsoorten is vastgesteld naar welke kaliumtoestand (K-getal) van de grond men minimaal moet streven. In tabel 4.5.1 staan de streefgetallen en het traject waarbinnen wordt geadviseerd om de toestand te handhaven.

Vooral voor de klei- en lössgronden is het realiseren van de streefgetallen belangrijk, omdat op deze gronden het opbrengstniveau afhankelijk is van de kaliumtoestand van de grond. Met andere woorden, op klei- en lössgronden kan bij een te laag K-getal (lössgrond K-HCl), met een daarbij passende bemesting, niet dezelfde opbrengst worden behaald als bij een voldoende hoog K-getal, met een daarbij behorende bemesting. Dit geldt vooral voor aardappelen en dus ook voor een bouwplan met aardappelen. Voor een bouwplan zonder aardappelen gelden geen streefgetallen. Een goede kaliumvoorziening is gunstig voor zowel de wortelopbrengst als het suikergehalte van suikerbieten.

Tabel 4.5.1 Het voor een bouwplan met aardappelen gewenste K-getal.

grondsoort streefgetal toestand handhaven
zand en dal 11 11 t/m 17
zeezand 11 11 t/m 15
zeeklei
<12% lutum 14 14 t/m 20
>12% lutum 18 18 t/m 26
rivierklei
<8% lutum 14 14 t/m 20
8-18% lutum 18 18 t/m 26
>18% lutum 14 14 t/m 26
löss 15 (K-HCl) 15 t/m 20 (K-HCl)

Op kleigronden met <12% lutum wordt K-getal 14 als streefgetal aangehouden, omdat K-getal 18 op deze gronden door uitspoeling waarschijnlijk niet gehandhaafd zal kunnen blijven. Op rivierklei met meer dan 18% lutum houdt men als streefgetal 14 aan, omdat wel erg grote hoeveelheden kalium nodig zouden zijn om K-getal 18 te bereiken. Dit omdat deze grond kalifixerend is.

4.5.1 Hoogte van de kaliumgift

a. Bodemgericht advies

Als de kaliumtoestand van de bouwvoor beneden de streefwaarde ligt, is het aan te bevelen een zogenaamde reparatiebemesting uit te voeren. De hoeveelheden die hiervoor nodig zijn, staan op het adviesformulier. Wil men de totale kaliumbemesting over een bepaalde periode vast­stellen, dan moet men de hoeveelheid die nodig is om de toestand te verhogen, vermeerderen met de afvoer in deze periode. Bij goede opbrengsten bedraagt de kaliumafvoer (met gewas + uitspoeling in de winter) op zand- en dalgrond gemid­deld 200 kg K2O per hectare per jaar en op de overige gronden 150 kg. Om de bestaande toe­stand te handhaven moet men dus in vier jaar tijd op zand- en dalgrond 800 kg K2O per hectare en op de overige gronden 600 kg K2O toedienen. De afvoer van kalium met de bieten kan men nauwkeurig bepalen op basis van het kaliumgehalte van de bieten, dat op het uitslagenformulier van Cosun Beet Company staat.

Rekenvoorbeeld: bij een wortelopbrengst van 87 ton per hectare en een kaliumgehalte van de biet van 37 mmol per kg biet is de afvoer van kalium: 87 * 37 (mmol K) * 39,1 (atoomgewicht K) * 1,205 (omrekeningsfactor K K2O)/1000= 152 kg K2O per hectare (1,74 kg K2O/ton bieten)

b. Gewasgericht advies

Uit kali­um­proeven van het IRS is naar voren gekomen dat er geen duidelijk verband is tussen de reactie van de opbrengst en interne kwaliteit van de suikerbieten enerzijds en de kalium­voor­raad (K-getal) van de grond anderzijds. Wel bleek dat in de meeste gevallen een kaliumbe­mesting van meer dan 100 kg K2O per hectare de financiële opbrengst van de bieten ver­hoog­de. De hoogte van de kaliumgift (tot 300 kg K2O/ha) had nauwelijks invloed op de interne kwaliteit. Op grond van bovenstaande is het daarom verstandig om, ongeacht het K-getal, de suikerbieten te bemesten met 150 à 200 kg K2O per hectare. Met deze hoeveelheid compenseert men tevens de afvoer van kalium met de bieten.

4.5.2 Tijdstip van toediening

De kalium kan men toedienen in het najaar of in het voorjaar. Eventueel is een gift in het twee- tot vierbladstadium van de bieten ook mogelijk.

Op kleigrond heeft najaarstoediening de voorkeur. Op proefvelden waren de positieve effec­ten van kalium bij najaarstoediening wat groter dan die bij voorjaarstoediening. Bij voorjaars­aanwending is de kans op zoutschade bij gebruik van een chloor­hou­dende kaliummeststof groter dan bij een chloorarme kaliummeststof. Dit geldt vooral als het toedieningstijdstip kort (circa twee weken of minder) voor het zaaien is. Op kaliumfixerende grond dient men de kalium in het voorjaar te geven. Vooral rivierklei en zoete getijden­afzet­tingen (Zuid-Holland) zijn kaliumfixerend. Op zand- en dalgronden, waar de meststoffen ingewerkt worden, is het voor­jaar het geschiktste toedieningstijdstip.

4.5.3 Keuze van de meststof

Kalium uit dierlijke mest is gelijkwaardig aan kalium uit kunstmest. In tabel 4.3.2 staan de kaliumgehalten van de belangrijkste dierlijke mestsoorten en compost. In tabel 4.5.2 staan enkele kaliummeststoffen. Voor de NPK- en PK-meststoffen: zie respectievelijk paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.1 en paragraaf 4.4.3, tabel 4.4.3.

Tabel 4.5.2 Enkele van de belangrijkste kaliummeststoffen. Waarden zijn onbekend als niets is ingevuld.

naam/soort gehalte (%) be1
K2O MgO Cl SO3
vaste meststoffen
Kali 60 60 0 45 0 0
Korn-Kali2 40 6 36 12 +3
Kaliumsulfaat 50 0 <3 45 0
Patentkali 30 10 <3 42 -2
vloeibare meststoffen
Kalimix3 25-28 0 <1 30-40
NatuC4 1,4-1,6 0 <0,01 3-3,5
PPL plus5 14-16 0 <0,15 32-37

1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend;

2 Korn-kali bevat tevens 4% Na2O per hectare.

3 Kalimix bevat tevens 0,5-1,5% N, 4-7% Na2O en 0,2-0,5% P2O5.

4 NatuC bevat tevens 0,8-1,0% N, 0,5-0,6% Na2O en 0,2-0,3% P2O5.

5 PPL plus bevat tevens 0,4-0,5% N, 0,2-0,6% Na2O en 0,2-0,5% P2O5.

4.6 Natriumbemesting

Versie: maart 2020

Het natriumbemestingsadvies is niet gebaseerd op het natriumgehalte van de grond. Natriumbemesting heeft op zand-, dal- en veengronden bij suikerbieten vaak een positief effect op zowel het wortelgewicht als het sui­ker­gehalte.

4.6.1 Hoogte van de natriumgift

Voor de zand-, dal- en veengronden is het advies om de suikerbieten te bemesten met 200 kg Na2O per hectare. IRS-onderzoek in de jaren negentig heeft dit advies voor de noordoostelijke lichte gronden bevestigd. Door een Na2O-gift van 200 kg per hectare werd de financiële opbrengst (exclusief de kosten van de meststof) gemiddeld met ongeveer 5% verhoogd. Op de zuidoostelijke zandgronden was het positieve effect van natrium op de financiële opbrengst van de bieten veel minder dan op de noordoostelijke lichte gronden, zonder dat hiervoor een verklaring was. Vaak was er zelfs geen positief effect. De noodzaak om op de zuidoostelijke zandgronden natrium te geven lijkt dan ook niet zo groot als op de noordoostelijke lichte gronden. Toch komt indicatief uit Unitipgegevens naar voren dat bietentelers op de zuidoostelijke zandgronden met een natriumbemesting gemiddeld een hogere suiker- en financiële opbrengst realiseerden dan bietentelers zonder natriumbemesting. In de periode 2014 tot en met 2018 was de financiële meeropbrengst (exclusief de kosten van de meststof) gemiddeld ongeveer 200 euro per hectare. In dezelfde periode was de financiële meeropbrengst op de noordoostelijke zandgronden gemiddeld ongeveer 150 euro per hectare.

Op klei- en zavelgronden is het effect van een natriumbemesting op de suikeropbrengst minder duidelijk dan op lichte gronden, maar wel aanwezig. Een natriumbemesting op met name zavelgronden werkt echter verslemping in de hand.

4.6.2 Tijdstip van toediening

De natriummeststoffen moet men voor het zaaien strooien en door de bouwvoor mengen. De gangbare methode voor menging door de bouwvoor is één of meerdere bewerkingen met een cultivator, gevolgd bijvoorbeeld door ploegen of spitten. Meerdere bewerkingen voorafgaand aan het zaaien leidt op stuifgevoelige gronden wel tot een verhoogde kans op stuifschade.

4.6.3 Keuze van de meststof

Het maakt niet veel uit welke natriummeststof men gebruikt. De keuze kan men bepalen op basis van de prijs en/of de nevenbestanddelen in de meststof. In tabel 4.6.1 staan de belangrijkste natriumhoudende meststoffen. De gemiddelde natriumgehalten van de belangrijkste dierlijke mestsoorten staan in paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.2.

Tabel 4.6.1 Enkele van de belangrijkste natriumhoudende meststoffen. Waarden zijn niet bekend als er niets is ingevuld.

naam/soort gehalte (%) be1
Na2O K2O MgO Cl SO3
Magnesia-Kainit 27 11 5 44 10 -5
Landbouwzout 50 0 0 57-60 0 +5
Unika chili2 8,8 0 0 0 0
Nitrakali plus3 21 9 0 0 0
Agrifirm bietenzout4 50 0 0 57-60 0
Agrifirm bietenmix5 18,4 0 1,3 6,2

1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend.

2 Unika chili bevat tevens 14% N, 2,5% SO3 en 0,2% B.

3 Nitrakali plus bevat tevens 15% N en 0,05% B.

4 Agrifirm bietenzout bevat tevens 0,06% B.

5 Agrifirm bietenmix bevat tevens 15,4% N en 0,2% B.

4.7 Magnesiumbemesting

Versie: maart 2020

Op zand-, dal- en lössgronden kan men magnesiumgebrek voorkomen door te zorgen voor een voldoende hoge magnesiumtoestand van de bouwvoor. Als streefgetal voor magnesium geldt een gehalte van 45 mg Mg per kg grond (bepaald door extractie met CaCl2). Soms wordt magnesium nog gemeten na extractie met NaCl. Deze waarden kan men omrekenen naar CaCl2-waarden met de formule:

Mg-CaCl2 (mg Mg/kg)= [MgO-NaCl (mg MgO/kg)+6,8]/1,987. Een tekort aan magnesium kost wortelgewicht en/of suikergehalte.

4.7.1 Hoogte van de magnesiumgift

Als de magnesiumtoestand op zand-, dal- en lössgronden lager is dan het streefgetal dan luidt het advies deze hiernaar te verhogen. De hoeveelheid (MgO/ha) die hiervoor benodigd is, kan worden berekend met de formule:

(89 - 1,987x Mg-gehalte) × dikte bouwvoor in dm × volumegewicht bouwvoor.

Voorbeeld: een zandgrond met een Mg-gehalte van 30, een bouwvoor van 25 cm en een volu­me­gewicht van 1,3 kg per dm3. De benodigde gift = (89-1,987 x 30) × 2,5 × 1,3 = 96 kg MgO per hectare.

Daarna moet elk jaar een onderhoudsbemesting plaatsvinden. Ligt het Mg-gehalte hoger dan 45, dan hoeft men één of meerdere jaren niet te bemesten, afhankelijk van het gehalte:

- tussen 45 en 75 het eerste jaar niet, daarna onderhoudsbemesting;

- tussen 76 en 115 de eerste twee jaar niet, daarna onderhoudsbemesting;

- tussen 116 en 155 de eerste drie jaar niet, daarna onderhoudsbemesting;

- boven 155 de eerste vier jaar niet.

De hoogte van de onderhoudsbemesting kan men berekenen met de formule:

20,7 × dikte bouwvoor in dm × volumegewicht bouwvoor.

Voor zand- en dalgrond betekent dit een onderhoudsbemesting van respectievelijk circa 70 en 50 kg MgO per hectare.

De adviesgiften gelden voor MgO toegediend in de vorm van MgSO4 of MgO uit dierlijke mest.

Magnesium kan men ook in het groeiseizoen spuiten, vanaf het verschijnen van de eerste magnesiumgebrekverschijnselen. Hiervoor zijn diverse producten op de markt. De hoeveelheden magnesium die men hiermee geeft, zijn veel lager dan de hiervoor beschreven adviezen. Deze zijn namelijk gericht op een bodembemesting. Vooral onder on­gunstige omstandigheden kan een bladbemesting uitkomst bieden, zelfs bij een goede magne­siumtoestand van de grond. Onder ongunstige omstandigheden wordt verstaan: kou, droogte, aantasting door aaltjes, hoge pH en een hoog aanbod aan kationen (o.a. waterstof, kalium, natrium en ammonium).

Voor zeeklei- en zeezandgronden (alluviaal zand) is er geen advies op basis van grond­on­derzoek. Voor deze gronden is het aan te bevelen een bespuiting uit te voeren met een magne­siumhoudende meststof als er magnesiumgebreksverschijnselen zichtbaar zijn. Op basis van het Mg-gehalte van de grond kan men de kans op magnesiumgebrek inschatten. Beneden 35 mg Mg per kg grond neemt met name op lichtere, kalkrijke kleigronden de kans op gebreksver­schijnselen toe.

Als er twijfel is over wel of geen magnesiumgebrek, kan men het magnesiumgehalte van de jongst volgroeide bladeren van de bieten laten analyseren. Beneden 250 mg Mg per 100 gram droge stof is de kans op magnesiumgebrek groot.

4.7.2 Tijdstip van toediening

Magnesiumhoudende kalkmeststoffen kan men het best in het najaar toedienen. Voor andere magnesiumhoudende (bodem)meststoffen doet het toedieningstijdstip er niet veel toe. Voor het meest geschikte tijdstip voor het toedienen van bladmeststoffen: zie de gebruiksaanwijzing op het etiket.

4.7.3 Keuze van de meststof

Men kan kiezen tussen magnesiumhoudende meststoffen die men aan de bodem moet toedienen en/of aan magnesiumhoudende meststoffen die men in het groeiseizoen over het gewas spuit. De werking van magnesium kan verschillend zijn. Magnesium in kalkmeststoffen (MgCO3) werkt op lichte gronden met een relatief lage pH (<5,5) in het eerste jaar na toediening voor ongeveer 80%. Op kleihoudende gronden met een hoge pH (>7,0) komt magnesium in gemalen kalkmeststoffen in het eerste jaar na toediening vrijwel niet tot werking. Magnesium in Betacal werkt in het eerste jaar voor ongeveer 25%. Magnesium in de meeste andere meststoffen werkt in het eerste jaar voor 100%. In tabel 4.7.1 staan enkele belangrijke magnesiumhoudende mest­stoffen vermeld. De gemiddelde magnesiumgehalten van dierlijke mest staan in tabel 4.3.2 van paragraaf 4.3.4. De magnesiumgehalten van diverse kalkmeststoffen staan in paragraaf 4.8.4, tabel 4.8.3.

Tabel 4.7.1 Enkele van de belangrijkste magnesiumhoudende meststoffen.

naam/soort gehalte (%) be1
MgO SO3
Esta Kieserit (gran.) 25 50 -2
EPSO TOP 16 32 -1/+5
EPSO Microtop3 15 31 0
EPSO Combitop4 13 34 0
FoliPlus Mg-nitraat 135 (g/l) 0 0
Hydromag 500 50

1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend.

2 Kieserit is een bodemmeststof. EPSO TOP en EPSO Microtop zijn oplosmeststoffen.

3 EPSO Microtop bevat tevens 0,9% borium en 1% mangaan.

4 EPSO Combitop bevat tevens 4% Mn en 1% Zn.

4.8 Kalkbemesting

Versie: maart 2020

Een goede pH (zuurgraad) van de bouwvoor is voor een goede groei van de biet belangrijk, vooral voor de groei van jonge plantjes. Ook de pH van de ondergrond heeft invloed op de opbrengst. Het is moeilijk deze te verhogen door een rechtstreekse bekalking. Wordt de pH van de bouwvoor op peil gehouden, dan zal door inspoeling de ondergrond zeer geleidelijk een iets hogere pH krijgen.

De in dit hoofdstuk genoemde pH-waarden zijn pH-CaCl2-waarden. Dat wil zeggen dat voor de bepaling van de hoogte van de pH de grond geëxtraheerd wordt met CaCl2. Voorheen werd uitgegaan van pH-KCl-waarden. Deze waarden kan men omrekenen naar pH-CaCl2-waarden met de formule:

pH-CaCl2= 0,928 * pH-KCl + 0,5262

In het Handboek Bodem en Bemesting staan uitgebreide pH-adviestabellen en formules om de benodigde hoeveelheden kalk te berekenen.

4.8.1 Kalkadvies zand- en dalgrond

De optimale pH is afhankelijk van het bouwplan en het organische stofgehalte van de bouwvoor. In tabel 4.8.1 staan de pH-adviezen vermeld. Voor een bouwplan met fabrieksaardappelen gelden andere adviezen. Hierin is het effect van een besmetting met aardappelcysten verdisconteerd. Deze adviezen staan in tabel 4.8.2.

Tabel 4.8.1 Advies pHˈs op diluviale zand-, dal- en veengronden zonder fabrieksaardappelen in het bouwplan, bij diverse organische stofklassen.

aardappelen

(%)

bieten

(%)

organische stofgehalte (%)
<5 5-7,9 8-14,9 >15
33-50 16-25 5,7 5,5 5,4 5,3
0-33 20-33 5,81 5,8 5,7 5,5

1 de optimale pH is hier berekend op 6,0. Het pH-advies is hier afgetopt naar 5,8 vanwege de vrij grote kans op mangaangebrek.

Opmerkingen bij tabel 4.8.1:

  • er is van uitgegaan dat de bekalking plaatsvindt in het najaar voorafgaand aan de teelt van suiker­bieten;
  • bij een organische stofgehalte van <8% is gerekend met een bouwvoordikte van 28 cm, bij hogere gehalten van 22 cm.

Tabel 4.8.2 Advies pHˈs op diluviale zand-, dal- en veengronden met fabrieksaardappelen in het bouwplan, bij diverse organische stofklassen. AM-besmetting: 500-2000 (HLB-methode).

aardappelen

(%)

bieten

(%)

organische stofgehalte (%)
<5 5-7,9 8-14,9 >15
50 25 5,5 5,4 5,3 5,2
33 16 5,7 5,5 5,4 5,3
25 25 5,7 5,6 5,5 5,4
20 20 5,8 5,7 5,6 5,4
16 33 5,8 5,8 5,7 5,6

Opmerkingen bij tabel 4.8.2:

  • bij een AM-besmetting lager dan 500 is de geadviseerde pH 0,1 hoger; bij een AM-besmetting hoger dan 2000 is de geadviseerde pH 0,1 lager;
  • de pH-adviezen van 5,8 zijn eigenlijk hoger, maar zijn op 5,8 gesteld door de vrij grote kans op mangaangebrek bij deze hogere pHˈs;
  • er is van uitgegaan dat de bekalking plaatsvindt in het najaar voorafgaand aan de teelt van suiker­bieten;
  • bij een organische stofgehalte <5%, 5-8% en 8-15% is gerekend met een bouwvoordikte van 25 cm en bij >15% met een bouwvoordikte van 20 cm;
  • er is uitgegaan van gerst als graangewas in het bouwplan.

De hoeveelheden kalk, in kg neutraliserende waarde (NW), die nodig zijn om de gewenste niveaus te bereiken, staan op het uitslagenformulier van het grondonderzoek. U kunt de hoeveelheden ook berekenen met de Applicatie Kalkbemesting. De term NW heeft jaren geleden de plaats ingenomen van de term zbw (zuurbindende waarde). De betekenis is identiek.

Men kan bij een optimale pH globaal uitgaan van een jaarlijks verlies aan NW door onttrekking, uitspoeling en verzurende werking van meststoffen van ongeveer 200 kg per hectare op een zandgrond met 3% organische stof en 250 kg op dal- en veengronden en zandgrond met 8% organische stof. Deze getallen zijn niet erg vast en kunnen tussen de percelen aanzienlijk verschillen. Een pH-analyse van de grond is dus altijd aan te raden.

4.8.2 Kalkadvies zeezand-, zavel-, klei- en lössgrond

Ook op kleigrond is er een belangrijk verschil tussen de gewenste pH voor aardappelen en de overige gewassen. In tegenstelling tot zandgrond is er echter nauwelijks verschil tussen de meest gewenste pH voor bieten en die voor bijvoorbeeld granen.

De hoogte van het pH-advies op kleigrond is afhankelijk van het percentage lutum en het per­centage organische stof. Globaal varieert de streef-pH bij een organische stofgehalte van de grond <3% van 6,3 op zeezandgrond tot 7,2 op zwaardere kleigrond. Bij hogere organische ­stof­gehalten liggen deze streef-pHˈs lager.

Op rivierklei met meer dan 12% lutum is de streef-pH 6,5, bij minder lutum liggen de streef-pHˈs 0,2 tot 0,4 lager.

Op lössgrond wordt geadviseerd te bekalken tot pH 6,4 op percelen met <10% lutum en tot 6,7 op percelen met >10% lutum.

Een onderhoudsbekalking is alleen aan te bevelen voor percelen met minder dan 2% CaCO3 (kool­zure kalk). De verliezen bedragen op zulke percelen circa 400 kg NW per hectare per jaar.

Los van de pH-adviezen kan het zinvol zijn om kleigrond te bekalken om de slempgevoeligheid te beperken (lichtere gronden) of de bewerkbaarheid te verbeteren (zwaardere gronden). Omdat deze aspecten moeilijk te kwantificeren zijn, wordt hiermee in het advies geen rekening gehouden.

4.8.3 Tijdstip bekalking

Om suikerbieten optimaal te laten profiteren van de bekalking, moet men deze in het vooraf­gaande najaar uitvoeren. De kalk moet zo intensief mogelijk vermengd worden met de bouw­voor. Door omstandigheden is het soms niet mogelijk om in het najaar te bekalken. Dit is dan nog wel mogelijk in het vroege voorjaar, mits men een fijne kalkmeststof, bij voorkeur met een laag magnesiumgehalte, gebruikt (de werking van MgCO3 is minder dan van CaCO3). Een dergelijke meststof lost relatief snel op in de grond. Betacal is vanwege zijn goede oplosbaar­heid de geschiktste kalkmeststof voor het voorjaar. De goede oplosbaarheid van Betacal is niet alleen te danken aan de fijnheid, maar ook aan de organische stof in de Betacal. De koolzuur die vrij­komt bij de vertering van de organische stof, zorgt voor een extra snelle werking. Een bekalking van de bovengrond, vlak voor de zaaibedbereiding (een zogenaamde topbekalking), gaf in proe­ven in het verleden soms positieve resultaten op gronden met minder dan 6% organische stof. Deze methode van bekalking is echter een stuk minder effectief dan een bekalking waarbij de kalk intensief door de bouwvoor is gewerkt.

4.8.4 Keuze van de meststof

Op zand- en dalgronden kan men bij najaarsaanwending in principe iedere gangbare kalkmest­stof gebruiken. Bij voorjaarsaanwending en bij aanwending op kleigronden is in feite alleen Betacal geschikt. De werking van gemalen koolzure kalkmeststoffen valt op kleigrond tegen. Deze kalkmeststoffen lossen bij een hoge pH (pH>6,5) moeilijk op en werken daardoor traag. Betacal daarentegen werkt wel snel, omdat het zeer reactieve kalk (CaCO3) bevat. Het IRS heeft van een aantal gangbare kalkmeststoffen de werkingssnelheid bepaald volgens NEN-EN13971 (Sauerbeck-methode). Betacal bleek verreweg de snelst werkende kalkmeststof te zijn; zie figuur 4.8.1. In tabel 4.8.3 worden de belangrijkste kalkmeststoffen genoemd en de complete chemische samenstelling van Betacal vindt u in tabel 4.8.4.

Tabel 4.8.3 Enkele van de belangrijkste kalkmeststoffen.

productnaam NW1

(g CaO/100g)

N

(g/kg)

P2O5

(g/kg)

MgO

(g/100g)

fijnheid <0,15 mm (%)
Ankal 50 0 0 0 90
Betacal-carbo 26 3,25 11,5 1,1 >95
Betacal-filter 22 2,75 9,75 0,9 >95
Betacal-flow 17 2,25 8 0,8 >95
Borgakal 53 0 0 7 60
Calhix Flow 25 0 0 0 >952
Dolokal Supra 57 0 0 19 90
Dolokal Extra 55 0 0 10 90
Dolokal 54 0 0 5 90
Emkal 53 0 0 0 90
Limkal 50 0 0 0 50
Magkal 54 0 0 17 80
Miramag 55 0 0 19 >95
Vitacal 50 0 0 0 70

1 NW = neutraliserende waarde.

2 Kalkdeeltjes zijn volgens opgave producent <0,005 mm.

Opmerkingen bij tabel 4.8.3:

  • de fijnheid van Betacal, Magkal en Vitacal is bepaald volgens de natte zeefmethode;
  • de werking van de stikstof in Betacal bedraagt bij najaarsaanwending circa 40%; bij voorjaars­aanwending circa 75%.
  • tot voorkort is Betacal-MgPlus beschikbaar geweest. Vanwege de geringe afzet is hier in 2019 mee gestopt.

Tabel 4.8.4 Overzicht chemische samenstelling van Betacal.

eenheid in product
Betacal

carbo

Betacal

filter

Betacal

flow

D.S. g/100g 68 58 45
O.S. g/100g 9 8 6
NW* g CaO/100g 26 22 17
CaO g/100g 27 23 18
MgO g/100g 1,1 0,9 0,8
Ntotaal g/kg 3,25 2,75 2,25
P2O5 g/kg 11,5 9,75 8
K2O g/kg 1,1 0,9 0,8
Na2O g/kg 0,3 0,2 0,2
SO3 (S) g/kg 7 (3) 6 (2,5) 5 (2)
Fe g/kg 1,7 1,3
Mn mg/kg 150 130 100
B mg/kg 5 4 3
Cd mg/kg 0,4 0,3 0,3
Cr mg/kg 6,8 5,8 4,5
Cu mg/kg 11,6 9,9 7,7
Hg mg/kg <0,007 <0,006 <0,005
Ni mg/kg 1,4 1,2 0,9
Pb mg/kg 2,7 2,3 1,8
Zn mg/kg 47,6 40,6 31,5
As mg/kg 1,8 1,5 1,1

* NW = neutraliserende waarde.

Betacal staat op de lijst van meststoffen en bodemverbeteringsmiddelen die mogen worden toegepast in de biologische landbouw (bijlage 1, Verordening (EG) Nr. 834/2007).

Figuur 4.8.1 Reactiesnelheid van uiteenlopende kalkmeststoffen (NEN-EN13971).

4.9 Boriumbemesting

Versie: maart 2020

Een tekort aan borium veroorzaakt bij bieten hartrot. De belangrijkste verschijnselen hiervan zijn het afster­ven en zwart verkleuren van de jongste blaadjes midden in de kop en de vorming van nieuwe zij­scheuten. De kans op boriumgebrek is het grootst op percelen met een te lage boriumtoestand van de bouwvoor. Een slechte structuur, hoge pH (>5,8) en watergebrek verhogen de kans op boriumgebrek. Boriumgebrek is nadelig voor zowel de wortelopbrengst als de interne kwaliteit van de biet.

Boriumgebrek komt vooral voor op zandgronden (zowel de alluviale als de diluviale zand­gron­den), maar kan ook voorkomen op rivierklei-, dal- en lössgronden. Zeekleigronden zijn van nature borium­rijk.

In incidentele gevallen kunnen bieten op zeekleigrond ook last van boriumgebrek hebben. Meestal betreffen dit percelen met een dun kleipakket, in jaren met een droge zomer en droog najaar. Op basis van ervaringen in het verleden kan men overwegen om tegen boriumgebrek preventieve maatregelen te nemen.

4.9.1 Hoogte van de boriumgift

Via grondonderzoek (extractie met heet water) kan men vaststellen of de bouwvoor voldoende borium bevat en hoeveel borium wordt geadviseerd (zie tabel 4.9.1). Tegenwoordig vindt op veel percelen grondonderzoek op borium plaats op basis van extractie met CaCl2 (ook wel PAE-methode genoemd). Voor borium is deze methode echter nog niet gevalideerd en opgenomen in het Handboek Bodem en Bemesting.

Tabel 4.9.1 Waardering boriumtoestand en adviesgiften.

waardering boriumgehalte (mg/kg grond) adviesgift (kg B/ha)
vloeibare boriummeststof, boriumhoudende mengmeststof vaste boriummeststof
zeer laag <0,20 0,4 1,5
laag 0,20-0,29 0,3 1,0
vrij goed 0,30-0,35 0,2 0,5
goed >0,35 0 0

Bij afwezigheid van een bodemanalyse is het advies voor gronden die gevoelig zijn voor borium­gebrek (vooral lichte, droogtegevoelige gronden) om minimaal 400 gram borium per hectare te geven.

4.9.2 Tijdstip van toediening

Vaste boriummeststoffen, zoals Borax, moet men bij voor­keur voor het zaaien toedienen. Vloeibare boriummeststoffen kan men spuiten in de periode vlak voor het zaaien tot en met het sluiten van het gewas. Er is een lichte voorkeur voor een bespuiting bij het zaaien. Percelen die sterk gevoelig zijn voor boriumgebrek kunt u het beste borium geven bij het zaaien, gevolgd door een tweede gift voor het sluiten van het gewas. Veelal kunnen vloeibare boriummeststoffen gemengd met herbiciden worden gespo­ten. Lees ook de aanwijzingen op het etiket. Als er onvoorzien in juli of begin augustus boriumgebrekverschijnselen optreden, kan men verslechtering van de situatie trachten te voorkomen door ongeveer 400 gram B per hectare te spuiten. Bij twijfel over al dan niet boriumgebrek kan men het boriumgehalte van de jongst volgroeide bladeren laten onderzoeken. Bij B-gehalten beneden 3,2 mg B per 100 gram droge stof is de kans op boriumgebrek groot.

4.9.3 Keuze van de meststof

Voor een bemesting met een borium­mest­stof kan men Borax gebruiken, maar deze meststof geeft door de geringe be­no­digde hoeveelheden (5 tot 15 kg/ha) vaak problemen wat betreft de regelmaat van verde­ling.

Er zijn goed oplosbare boriummeststoffen verkrijgbaar, die men zowel vóór opkomst als na opkomst van de bieten met een landbouwspuit kan toedienen. In tabel 4.9.2 staan enkele van de belangrijkste borium- en boriumhoudende meststoffen. Het boriumgehalte van de meeste dier­lijke mestsoorten bedraagt 3 tot 5 gram per ton.

Tabel 4.9.2 Enkele van de belangrijkste borium- en borium­houdende meststoffen.

productnaam borium
Agrifirm bietenmix1 0,2%
Agrifirm bietenzout2 0,06%
Borax 11,0%
Boron 150 g/l
Bortrac 150 150 g/l
EPSO Microtop3 0,9%
Fertichel Borium 135 g/l
FoliPlus Borium 150 g/l
Nitrakali plus4 0,05%
Solubor DF 17,4%
Unika chili5 0,2%

1 Agrifirm bietenmix bevat tevens 15,4% N, 1,3% MgO, 18,4% Na2O en 6,2% SO3.

2 Agrifirm bietenzout bevat tevens 50% Na2O.

3 EPSO Microtop bevat tevens 15% MgO, 31% SO3 en 1% Mn.

4 Nitrakali plus bevat tevens 15% N, 9% K2O en 21% Na2O.

5 Unika chili bevat tevens 14% N, 2,5% SO3 en 8,5% Na2O.

4.10 Mangaanbemesting

Versie: maart 2020

Op zand- en dalgronden is de hoogte van de pH verreweg de belangrijkste factor voor het op­treden van mangaangebrek. Beneden pH 5,5 is er geen, tussen pH 5,5 en 5,8 een geringe, tussen pH 5,9 en 6,3 een gerede en boven pH 6,3 een erg grote kans op het optreden van man­gaan­gebrek. Genoemde pH-waarden zijn pH-CaCl2-waarden. Gebreksverschijnselen zijn vaak het eerst te zien op humusarme perceelsgedeelten (zandkop­pen), omdat na bekalking de pH daar meer stijgt dan op humusrijke perceelsgedeelten.

Op kleihoudende gronden bestaat ook de kans op het optreden van mangaangebrek. Hiervan is een onvoldoende beschikbaarheid door een combinatie van een aantal factoren (organische stof­gehalte, droogte, hoeveelheid reduceerbaar mangaan in de grond) de oorzaak. De hoe­veel­heid reduceerbaar mangaan kan men door grondonderzoek (extractie met ammoniumacetaat 1 N hydrochinon) laten vaststellen. Op gronden met een organische stofgehalte <2,5% kan bij een reduceerbaar mangaangehalte <60 mg per kg grond gebrek worden verwacht. Dit geldt ook voor een organische stofgehalte >2,5% bij een mangaangehalte van <100 mg per kg, maar niet voor gronden in de Noordoostpolder, de Biesboschpolders en de Kreekrakpolder.

Als men twijfelt of er sprake is van mangaangebrek, kan men bietenbladeren laten analyseren op mangaangehalte. Van jonge bieten de buitenste bladeren, van oudere bieten de jongst volgroeide bladeren. Bij gehalten lager dan 2,0 mg Mn per 100 gram droge is er een gerede kans op mangaangebrek. Bij gehalten lager dan 1,5 mg Mn per 100 gram droge stof is er bijna altijd sprake van mangaangebrek.

Mangaanbespuitingen kunnen gebrek snel opheffen. Op drie proefvelden (1981, 1991 en 1998) bleek dat mangaangebrek bij bieten geen aantoonbare invloed had op de opbrengst en interne kwaliteit.

Uit onderzoek in de jaren 2001 tot en met 2004 bleek dat langdurig mangaangebrek bij sommige rassen leidde tot een significant lagere suikeropbrengst.

Het bestrijdingsadvies van mangaangebrek is als volgt: Als mangaangebrek vroeg optreedt (circa zesbladstadium) en men op basis van ervaringen in het verleden vermoedt dat dit gebrek langdurig (circa drie maanden of meer) zal zijn, luidt het advies om mangaangebrek te bestrijden zodra dit zichtbaar is. Vaak zal het nodig zijn om de bespuiting, met een tussenpoos van een paar weken, één of twee keer te herhalen. Er zijn rassen die niet lijden onder mangaangebrek en waarvoor bestrijding niet rendabel is. Het is echter niet bekend welke rassen dit betreft. De lage meststofkosten per hectare van een bespuiting (gemid­deld circa 10 euro per bespuiting) kan men beschouwen als een verzekerings­premie voor even­tuele opbrengst­verliezen. Een bijkomend voordeel van bestrijding van man­gaangebrek kan zijn dat bieten dan minder gevoelig zijn voor gewasbeschermingsmiddelen.

Mengen van mangaanmeststoffen met gewasbeschermingsmiddelen kan het risico inhouden dat de be­schik­baarheid van mangaan voor de plant terugloopt. Dit geldt in ieder geval voor de mangaan­chelaten. Let in ieder geval op de gebruiksvoorschriften bij de diverse middelen!

4.10.1 Hoogte van de mangaangift

De hoogte van de mangaangift varieert per mangaanmeststof; zie hiervoor de aanwijzingen op het etiket. Het is praktisch niet mogelijk om door bemestingen het mangaangehalte van de bodem zodanig te verhogen dat mangaangebrek niet zal optreden.

4.10.2 Tijdstip van toediening

De bespuiting moet plaatsvinden als mangaangebrek zichtbaar is. Indien nodig, moet men de bespui­ting een paar weken later herhalen.

4.10.3 Keuze van de meststof

Bij de keuze van de meststof moet men zich vooral laten leiden door de kosten van de bespui­ting per hectare. In tabel 4.10.1 staan enkele van de belangrijkste mangaanmeststoffen vermeld. Al deze meststoffen zijn bladmeststoffen.

Tabel 4.10.1 Enkele van de belangrijkste mangaanmeststoffen.

productnaam mangaan
% g/l
Chelal Mn n.b.1 90
Fertichel Mangaan 5,0 60
FoliPlus Mn-carbonaat n.b.1 260
FoliPlus Mn-nitraat n.b.1 200
Hu-mn2 15 150
Mangaansulfaat 31,0 -
Mangaan vloeibaar Extra3 15,0 235
Mantrac Pro 27,4 500
Mantrilon 6,0 80

1 n.b. = niet bekend.

2 Hu-mn bevat tevens 12 gram per liter Mg en 93 gram per liter S.

3 bevat tevens 7,7% N (120 g/l).

4.11 Molybdeenbemesting

Versie: maart 2020

Molybdeengebrek uit zich in een geremde groei, waarbij de bladeren bleekgroen en dikwijls samengeknepen zijn. Veel jonge plantjes kunnen wegvallen. In Nederland komt molybdeen­gebrek vooral voor op ijzeroerbevattende zand- en dalgronden met een pH-CaCl2 lager dan 5,6.

Molybdeengebrek kan men voorkomen door de pH-CaCl2 op minimaal 5,6 te brengen. Bestrijding van molybdeengebrek is mogelijk door een bespuiting met bijvoorbeeld 0,25 kg Natriummolybdaat per hectare of 0,25 liter Molytrac 250 per hectare.

4.12 Overige nutriënten

Versie: maart 2020

4.12.1 Zwavel

Uit zowel buitenlandse als Nederlandse onderzoeksresultaten is gebleken dat suikerbieten niet op een zwavelbemesting reageren, zelfs niet bij lage bodemvoorraden aan zwavel. Grondonderzoek op zwavel en een bewuste keuze voor een zwavelhoudende meststof zijn dan ook voor suikerbieten niet nodig.

4.12.2 Groeibevorderaars

Regelmatig komen er producten op de markt, waarvan men zegt dat deze de groei en productie van suikerbieten bevorderen. Het IRS heeft verschillende van dergelijke producten in één of meerdere proefvelden onderzocht. Tot dusver leidde toediening van deze producten in geen enkel geval tot een hogere opbrengst en interne kwaliteit.

5. Gewasbescherming algemeen

5.1 Algemeen

Versie: april 2021

5.1.1 Gewasbeschermingsbulletin

Versie: april 2021

Zie GewasBeschermingsBulletin suikerbieten.

5.1.2 Effecten van gewasbeschermingsmiddelen op milieu en natuurlijke vijanden

Versie: april 2021

Voor een geïntegreerde gewasbescherming is het belangrijk om een bewuste middelenkeuze te maken. Volgens principe vijf van een geïntegreerde gewasbescherming dient u rekening te houden met de effecten van middelen op de omgeving en specifiek op natuurlijke vijanden (zie ook 5.2.5). In deze paragraaf gaan we eerst in op milieubelastingspunten en vervolgens op de effecten van middelen op natuurlijke vijanden.

5.1.2.1 Milieubelastingspunten

Milieubelastingspunten geven aan wat het effect van een gewasbeschermingsmiddel is op de omgeving. Het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) ontwikkelde een milieumeetlat om deze effecten weer te geven. Er is daarbij een indeling gemaakt in de volgende milieu­compartimenten:

  • waterleven (oppervlaktewater);
  • bodemleven;
  • grondwater.

Daarnaast geeft de meetlat de risico's weer voor nuttige organismen (bestrijders en bestuivers; zie ook 5.1.2.2) en voor de gezondheid van de toepasser.

Voor alle milieucompartimenten is de toelatingsnorm van het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) per toepassing 100 milieubelastingspunten. Bij meer dan 100 punten is er te veel risico op schade aan bodem- of waterleven en/of grondwater. Streef er dan ook altijd naar om middelen met zo laag mogelijke milieubelastingspunten te gebruiken.

De actieve stof bepaalt de effecten op het waterleven en de toepassingstechniek heeft invloed op de mate waarop ze in het oppervlaktewater terechtkomt. Driftarme technieken kunnen de milieubelastingspunten sterk terugdringen. Vooral de persistentie van een actieve stof beïnvloedt de effecten ervan op het bodemleven, terwijl het effect op het grondwater vooral met de mobiliteit en afbraaksnelheid van een actieve stof te maken heeft. Bij dit laatste spelen vooral het organischestofgehalte en de pH een rol.

Voor de gewasbeschermingsmiddelen en combinaties van middelen die worden gebruikt in de bietenteelt staan in de meest recente GewasBeschermingsBulletin suikerbieten de milieubelas­tingspunten bij twee organischestofgehalten van de bodem bij 1% drift.

De volledige milieumeetlat is te vinden op: www.milieumeetlat.nl. Op deze website wordt de milieumeetlat vaker vernieuwd dan in de Teelthandleiding. Kijk daarom op de website van CLM voor de meest actuele stand van zaken.

5.1.2.2 Neveneffecten op natuurlijke vijanden

Naast negatieve effecten op grondwater, bodem- en waterleven kunnen gewasbeschermings­middelen neveneffecten hebben op natuurlijke vijanden van ziekten en plagen in de bieten­teelt en bestuivende insecten (bijen en hommels). Deze neveneffecten zijn ongewenst en kunnen ervoor zorgen dat de populatie van een plaag zich na een bespuiting weer snel opbouwt. Het kan ook gebeuren dat een andere plaag veel schade gaat doen, terwijl deze eerst onder controle werd gehouden door natuurlijke vijanden, zoals lieveheersbeestjes, gaasvliegen, sluipwespen en loopkevers. Deze nuttige insecten hebben namelijk vaak meer tijd nodig om te herstellen na een insecticidenbespuiting, dan een plaaginsect als bladluis of bietenvlieg. Denk altijd goed na of een plaagbestrijding nodig is en of het niet meer kwaad doet dan goed. Zie het tabblad 'biologische bestrijders' in de applicatie ziekten en plagen en de teelthandleiding ‘10.3.5 Natuurlijke vijanden van insecten’ voor een overzicht van de belangrijkste natuurlijke vijanden in suikerbieten.

Vooral breedwerkende insecticiden hebben negatieve effecten op populaties van natuurlijke vijanden (tabel 5.1.1). Pyrethroïden, zoals Decis EC (of een ander middel met deltamethrin), Sumicidin Super, Karate Zeon en Ninja, werken zeer breed, waarbij dus ook lieveheersbeestjes, gaasvliegen en andere natuurlijke vijanden het moeten ontgelden. Teppeki en Pirimor sparen wel de meeste natuurlijke vijanden.

Insecticiden en fungiciden, die in de pil zitten en de bietenplant in zijn prille stadium beschermen, hebben niet of nauwelijks een negatief effect op nuttige insecten en schimmels. Middelen die op het zaad worden toegepast, zijn dan ook niet genoemd in tabel 5.1.1.

De meeste fungiciden zijn goed te gebruiken in een geïntegreerde teelt, aangezien ze natuurlijke vijanden weinig kwaad doen (tabel 5.1.1). De meeste herbiciden hebben geen nadelige effecten op natuurlijke vijanden.

Tabel 5.1.1 Neveneffecten van een bespuiting met insecticiden en fungiciden op natuurlijke vijanden en bestuivers. A (groen) is bruikbaar, B (oranje­) is beperkt bruikbaar en C (rood) is niet bruikbaar in een geïntegreerde teelt. Herbiciden zijn niet opgenomen, omdat er nauwelijks kennis is over de neveneffecten. De tabel is gebaseerd op gegevens van het CLM (www.milieumeetlat.nl).

5.1.3 Activiteitenbesluit milieubeheer

Versie: april 2021

Het doel van het besluit is de emissie van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen naar het oppervlaktewater verminderen en bijdragen aan een betere kwaliteit van het oppervlak­tewater. Van alle ondernemers die vallen onder het activiteitenbesluit, wordt verwacht dat zij op hun bedrijf de juiste maatregelen nemen. In principe vallen alle suikerbietentelers hieronder.

Het 'Activiteitenbesluit milieubeheer' komt in hoofdzaak neer op:

  • het voorkomen van drift van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater;
  • het voorkomen van het meebemesten van de slootkanten;
  • het in acht nemen van teeltvrije, spuitvrije en bemestingsvrije zones;
  • het voorkomen van emissies door activiteiten in en rond de gebouwen.

De regels voor de percelen zijn in 2017 aangepast aan de verschillende teelten en/of gewassen. De belangrijkste voor gewasbescherming van suikerbieten zijn:

  • een teeltvrije zone langs oppervlaktewater van ten minste 50 cm;
  • een bespuiting is alleen toegestaan bij gebruik van driftarme doppen/technieken (minstens 75% driftreducerend en een driftarme kantdop aan de kant van een oppervlaktewaterlichaam (bijvoorbeeld vaart of sloot)). Meer informatie over driftarme spuitdoppen kunt u vinden in hoofdstuk 5.4.1.

Vanaf 2019/2020 zou de verplichting van een drukregistratievoorziening op de veldspuit hieraan worden toegevoegd. Inmiddels zijn er ook andere voorzieningen te treffen om hieraan te voldoen. Deze zijn te vinden op de website van Helpdesk Water.

Belangrijk te weten dat op etiketten van diverse gewasbeschermingsmiddelen ook driftreducerende voorschriften staan vermeld. Veelal is de driftreductie hoger op het etiket dan het Activiteitenbesluit voorschrijft en in dat geval geldt het strengste voorschrift.

5.1.4 Actuele berichten over toelatingssituatie van gewasbeschermingsmiddelen

Versie: april 2021

Een actuele lijst van in suikerbieten toegelaten gewasbeschermingsmiddelen is te raadplegen op onder andere de IRS-site. Via de digitale IRS-nieuwsbrief kan iedereen zich opgeven voor berichten over gewasbescherming. Alle abonnees ontvangen een e-mailbericht als de lijst 'toelatingssituatie gewasbeschermingsmiddelen' is aangepast.

5.1.5 Uitleg over spuitlicenties

Versie: april 2021

Ga voor uitleg over de spuitlicenties naar de website: www.erkenningen.nl.

5.1.6 Gewasbeschermingsmonitor

Versie: april 2021

De gewasbeschermingsmonitor dient gedurende het teeltseizoen te worden bijgehouden en dient binnen twee maanden nadat de teelt is afgerond volledig te zijn. Op die manier kan een teler dus de maatregelen die hij genomen heeft ook evalueren.

In de gewasbeschermingsmonitor dient aandacht besteed te worden aan de volgende aspecten:

  • teeltfrequentie en voorvrucht, door middel van vruchtwisselingsplan;
  • rassenkeuze en uitgangsmateriaal, met aandacht voor: resistente/tolerante rassen en standaard- of gecertificeerd zaad;
  • monitoring van schadelijke organismen in het gewas;
  • gebruik van waarschuwings-, advies- en beslissingsondersteunende systemen gericht op tijdig signaleren van toenemende ziektedruk;
  • toegepaste biologische, fysische en mechanische gewasbeschermingsmaatregelen, waaronder de inzet van biologische bestrijders en mechanische onkruidbestrijding;
  • keuze van gebruikte gewasbeschermingsmiddelen op basis van risico's voor mens en milieu;
  • emissiebeperkende maatregelen, inclusief toedieningstechniek;
  • resistentiemanagement bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen;
  • overige maatregelen die hebben bijgedragen aan het verminderen van het gebruik van chemische middelen;
  • oordeel over het succes van de toegepaste beheersmaatregelen.

Het is mogelijk om dit te registreren voor uw bietenteelt via Unitip, het teeltregistratieprogramma op de website van Cosun Beet Company. Let er dan nog wel op dat u de genomen teeltmaatregelen evalueert. Dit kan bijvoorbeeld door het raadplegen van de rapporten en adviesplannen in Unitip. Het is ook mogelijk om dit vast te leggen door de Excel-file of de pagina's in te vullen die u hieronder aantreft. Hierin zijn per onderdeel vijf kolommen weergegeven, uiteraard is het afhankelijk van de hoeveelheid waarnemingen hoeveel kolommen u in dient te vullen. In paragraaf 5.2 Duurzame gewasbescherming vindt u meer informatie over de achtergrond van de totstandkoming van de gewasbeschermingsmonitor.

Gewasbeschermingsmonitor_suikerbieten (Excel-bestand)

 

5.1.7 Erfemissiescan

Versie: april 2021

Het invullen van een erfemissiescan is een eis bij het certificaat Voedsel- en Voederveiligheid Akkerbouw (VVAK). Door het invullen van de Erfemissiescan kunt u eenvoudig zien waar (nog) mogelijkheden liggen om de belasting van het oppervlaktewater verder te verminderen. Na het invullen van diverse vragen in de Erfemissiescan over bijvoorbeeld het vullen van de spuit, de inwendige en uitwendige reiniging en de omgang met fust wordt duidelijk bij welke van deze activiteiten emissie naar het oppervlaktewater optreedt. Daarnaast geeft de scan informatie over de wetgeving op het gebied van erfemissie en praktische informatie over maatregelen die mogelijk zijn om emissie vanaf het erf te verminderen.Meer informatie over erfemissie en deze scan is te vinden op de website van BO Akkerbouw en in het rapport ‘Erfemissie? Natuurlijk niet!’.

Figuur 5.1.1 Door het uitvoeren van een erfemissiescan kunt u inzien waar (nog) mogelijkheden liggen om de belasting van het oppervlaktewater verder te verminderen (foto: www.erfemissiescan.nl).

5.2 Duurzame gewasbescherming

Versie: april 2021

H:\Temp\5-2 kader.jpg

Volgens de Europese Unie-richtlijn 'Duurzame gewasbescherming' (richtlijn 2009/128/EG) moeten alle ziekten, plagen en onkruiden in zowel de landbouw als niet-land­bouw op een geïntegreerde manier worden aangepakt. Nederland moet net als alle andere EU-lidstaten ervoor zorgen dat alle agrariërs, gemeenten, provincies, bedrijven et cetera deze regels naleven. De EU heeft een geïntegreerde gewasbescherming samengevat in acht principes (figuur 5.2.1). Voor iedere ziekte, plaag of onkruid dienen deze principes te worden overwogen om te voldoen aan een geïntegreerde gewasbescherming.

http://irsdocu08/irs/pcache/10000/7e/IPM-basis_ec014.jpg In deze paragraaf zal bij elk principe worden toegelicht wat het inhoudt. Voor de uitleg zal in een aantal gevallen een voorbeeld worden gegeven, dat als schuingedrukte tekst staat weergegeven. Daarnaast staan in hoofdstuk 6 (Onkruidbeheersing) en 10 (ziekten en plagen) nog meer maatregelen beschreven.

http://irsdocu08/irs/pcache/10000/b1/Duurzame_gewasbescherming_10701.jpg

Figuur 5.2.1 De acht principes van geïntegreerde gewasbescherming volgens EU-richtlijn 'Duurzame gewasbescherming' (2009/128/EG) en hun onderlinge samenhang.

5.2.1 Voorkomen en/of vernietigen van schadelijke organismen (principe 1)

Er zijn diverse maatregelen waarmee kan worden voorkomen dat ziekten, plagen en onkrui­den schade in een gewas veroorzaken. Dit kan op twee manieren: (1) door het stimuleren van de groei en weerbaarheid van het gewas en (2) door het verkleinen van de kans op vermeer­dering of overleving van schadelijke organismen in andere teelten dan suikerbieten en tijdens perioden van braak of in een nateelt. Hier gaat het om het vernietigen van de schadelijke organismen zelf en van gewasresten en onkruiden waarop ze zich kunnen vermeerderen of overleven na een teeltseizoen. De diverse maatregelen, waarmee men dit kan doen, staan hieronder omschreven:

  • de teelt van bepaalde gewassen in een rotatie kan een positief of negatief effect hebben op de aanwezigheid van bepaalde ziekten, plagen en/of onkruiden. Het is belangrijk om een gewasrotatie aan te houden met eens per vier of meer jaren suikerbieten op hetzelfde perceel. Daarnaast moet er binnen deze rotatie ook rekening worden gehouden met de keuze van gewassen, die ook waardplant zijn voor ziekten en/of plagen in de bietenteelt. Bijvoorbeeld als bieten na maïs worden geteeld, is de kans op en de mate van schade door rhizoctonia groter, terwijl tarwe een veel betere voorvrucht is. De keuze voor tarwe kan echter resulteren in problemen met vrijlevende aaltjes (trichodoriden) en door aardappelen te telen voor bieten kunnen problemen met aardappelopslag ontstaan. Dit laatste probleem is niet alleen te beperken met gewasrotatie, maar ook door het spuiten van aardappelen met een product op basis van maleinehydrazide (bijvoorbeeld Royal MH), het beperken van rooiverliezen en het uitvoeren van een niet-kerende grondbewerking om de kans op bevriezing van aardappelen te vergroten. Voor meer informatie over vruchtwisseling: zie hoofdstuk 5.3;
  • een nateelt met een groenbemester heeft een effect op de aanwezigheid van ziekten, plagen en onkruiden. Bij de juiste keuze van soort en ras kan de aanwezigheid van bodemgebonden ziekten en plagen (bijvoorbeeld rhizoctonia en aaltjes) worden gere­duceerd. Als de verkeerde soort en/of ras wordt gekozen, kan een populatie van schade­lijke organismen echter (sterk) toenemen. Verder kan de aanwezigheid van een groen­bemester (in plaats van braakland) ervoor zorgen dat onkruiden meer moeite hebben zich te vestigen. Daarnaast kan een nateelt de uitspoeling van nutriënten beperken, het orga­nischestofgehalte verhogen en de bodemstructuur verbeteren1. In het aaltjesschema (www.aaltjesschema.nl) wordt aangegeven welke gewassen en groenbemesters als rotatiegewas en als groenbemester bij het bestrijden van bepaalde aaltjes geschikt zijn;
  • een goede bodemstructuur houdt in dat een overschot aan water snel kan worden afge­voerd, terwijl de bodem zelf voldoende vochtig blijft en er voldoende lucht in de bodem zit2. In een bodem met goede structuur kan een plant goed wortelen en gemakkelijker voldoende nutriënten, water en zuurstof opnemen. Hierdoor kan een plant optimaal groeien en zal daardoor sterker zijn tegen schadelijke organismen dan zwakke planten. Om een goede bodemstructuur te creëren, kan het nodig zijn om grondbewer­kingen uit te voeren (bijvoorbeeld ploegen en/of cultivatoren). Hierbij zijn de omstan­digheden (niet te nat) en timing (juiste moment) van deze werkzaamheden heel belang­rijk (zie hoofdstuk 2);
  • grondbewerkingen worden uitgevoerd om de bouwvoor na de oogst los te maken voor het nieuwe teeltseizoen en het zaaibed te bereiden (zie hoofdstuk 2). Als de hoofdgrond­bewerking een kerende bewerking is (ploegen) krijgen onkruidzaden minder kans om te kunnen kiemen3. Wanneer, op vooral lichte gronden, een kerende grondbewerking in het voorjaar wordt uitgevoerd, worden gelijktijdig overgebleven onkruiden bestreden. Hierdoor kan een chemische bestrijding met glyfosaat achterwege blijven.
    Door een grondbewerking kunnen ziekten en plagen (bijvoorbeeld rhizomanie en aaltjes) echter ook verder over een perceel worden verspreid. Daarnaast zou de bodemweerbaar­heid beter behouden blijven als er geen kerende grondbewerking wordt uitgevoerd4. Er moet dus goed nagedacht worden over de grondbewerkingen op een bepaald perceel;
  • het juiste zaaitijdstip kan ervoor zorgen dat planten een voorsprong krijgen op onkrui­den of al wat sterker zijn op het moment dat een ziekte of plaag schade kan veroorzaken. Het is natuurlijk ook mogelijk dat een ziekte of plaag juist vroeg in het seizoen schade kan aanrichten en dat een late zaai dit had kunnen voorkomen. Afhankelijk van de schadelijke organismen die op een perceel kunnen voorkomen, kan er dus beter relatief vroeg of laat worden gezaaid. In de meeste gevallen zal voor de hoge suikeropbrengst de regel opgaan: hoe vroeger hoe beter, maar niet voor begin maart;
  • door het juiste ras in te zaaien, kan de aantasting door bepaalde ziekten en plagen minder ernstig zijn en minder schade opleveren. Alle rassen zijn resistent tegen rhizomanie en een aantal ook tegen de resistentiedoorbrekende variant(en) (zie hoofdstuk 10.7). Daar­naast kan worden gekozen voor rassen, die ook een resistentie/tolerantie tegen rhizoc­tonia en/of bietencysteaaltjes hebben (zie ook hoofdstuk 1.4 en hoofdstuk 10). Bij problemen met onkruidbieten en andere onkruiden kan een ras worden gekozen met een tolerantie voor een specifiek ALS-remmend herbicide (Conviso One). Dit herbicide heeft een brede en lange werking op de meeste eenjarige onkruiden, maar ook op diverse meerjarige breedbladige en grasachtige onkruiden;
  • irrigatie of beregening kan ervoor zorgen dat een gewas beter opkomt bij korstvorming, beter groeit en gesloten blijft. De betere gewasgroei zorgt er ook voor dat planten minder gevoelig worden voor ziekten en plagen. Beregening na het sluiten van het gewas heeft echter gevolgen voor het micro­klimaat in het gewas. Door het langer vochtig blijven van het loof bij hogere tempera­turen, krijgen sommige organismen (bijvoorbeeld de bladschimmels cercospora, stemphylium, ramularia en roest) een grotere kans om te infecteren en schade te veroorzaken. Irrigatie kan ook de verspreiding van rhizomanie bevorderen (zie hoofdstuk 10.7);
  • een optimale bemesting zorgt voor een goede gewasgroei en daarbij een sterk gewas. Gebreksziekten, zoals magnesiumgebrek, kunnen een bietenplant gevoeliger maken voor ziekten en plagen (bijvoorbeeld pseudomonas of alternaria). Verder is er bij een te lage pH van de bodem een grotere kans dat organismen (bijvoorbeeld trichodoriden en bodemschimmels) schade aan het gewas veroorzaken. Vaak komt dit door een suboptimale groei van het gewas. Met behulp van kalkbemesting kan de pH worden verhoogd (zie hoofdstuk 4);
  • wanneer een ziekte en/of plaag (o.a. rhizomanie, aaltjes en rhizoctonia) op een perceel of in een gewas wordt gevonden, kan het belangrijk zijn om ervoor te zorgen dat ze zich niet verspreidt over het perceel en naar andere percelen. Het is dan erg belangrijk om hygiënemaatregelen te nemen om verdere verspreiding te voorkomen. Dit houdt onder andere het schoonmaken van machines in, wanneer ze op een besmet perceel zijn gebruikt. Daarnaast is het belangrijk om tarragrond en gewasresten te vernietigen of indien mogelijk, terug te brengen op het perceel van oorsprong. Te denken valt aan maatregelen nemen om te zorgen dat resten bieten niet opnieuw kunnen uitlopen en zo een bron kunnen zijn voor vergelingsziekte. Een ander voorbeeld van hygiënemaatregelen is het controleren van uitgangsmateriaal bij binnenkomst op het bedrijf op de aanwezigheid van ziekten en plagen;
  • met nuttige organismen worden natuurlijke vijanden en antagonisten van schadelijke organismen bedoeld. Zij kunnen ervoor zorgen dat ziekten en plagen minder of zelfs geen schade aanrichten in een gewas. In de natuur komen veel van deze nuttige organis­men voor. Een overzicht van de belangrijkste natuurlijke vijanden in suikerbieten staat in het tabblad 'biologische bestrijders' in de applicatie ziekten en plagen en de teelthandleiding ‘10.3.5 Natuurlijke vijanden van insecten’. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat nuttige organismen zich op een perceel thuis voelen. Dit kan door het aanleggen van akkerranden of het uitvoeren van selectieve ziekte- of plaagbestrijdingen (zie 5.1.2.2 voor een overzicht van de neveneffecten van gewasbeschermingsmiddelen). Een voorbeeld hiervan is het gebruik van Teppeki tegen bladluizen. Dit middel bestrijdt alleen de bladluizen en heeft nauwelijks een negatief effect op de natuurlijke vijanden.

Veel van deze maatregelen hebben ook te maken met het verhogen van de biodiversiteit. In het kader van Project 'Bietenteelt en biodiversiteit' is in samenwerking met Cosun Beet Company, CLM, Delphy een Akkerlevenpagina ontwikkeld (figuur 5.2.2). Deze is te vinden op de website van Cosun Beet Company: https://www.cosunleden.nl/unitip/akkerleven. Voorbeelden van het verhogen van de biodiversiteit, zoals het plaatsen van nestkasten voor uilen, de aanleg van een meerjarige kruidenrand langs het perceel, het zaaien van een groenbemester en het uitvoeren van een niet-kerende grondbewerking, zijn te vinden op deze pagina.

Figuur 5.2.2 Overzicht van maatregelen om de biodiversiteit te verhogen. Zie de interactieve kaart op: https://www.cosunleden.nl/unitip/akkerleven.

5.2.2 Monitoring (principe 2)

Door regelmatig (minimaal één keer per week) in het veld te gaan kijken (monitoren) hoe het gewas erbij staat en welke schadelijke organismen (voor herkenning zie: de applicatie 'ziekten en plagen') aanwezig zijn, kan een inschatting worden gemaakt of het nodig is een bestrijding uit te voeren. Loop hierbij een kruis door het perceel en bekijk om de 20 meter een aantal planten. Is er een plek in het veld zichtbaar met bieten die achterblijven in groei, of die aangetast zijn door een bepaalde ziekte of plaag, bekijk dan met name de bieten aan de rand van of net buiten de plek. Tegelijkertijd moet in het geval van insecten ook worden gekeken naar de aanwezigheid van natuurlijke vijanden (voor herkenning zie: de applicatie 'ziekten en plagen' of de beeldenbank natuurlijke vijanden). Zo kan een inschatting worden gemaakt of de natuurlijke vijanden een plaag tijdig onder controle kunnen krijgen of dat er een bestrijding noodzakelijk is. Resultaten van het FAB2-project (Functionele Agro­Biodiversiteit) laten zien dat er in granen niet tegen bladluizen hoeft te worden gespoten wanneer er een verhouding van natuurlijke vijanden: bladluizen van 1:10 of lager is5. Bij de groene perzikluis in bieten is dit echter niet toe te passen, omdat ze ook het vergelings­virus kan overbrengen. Bij het bestrijden van de zwarte bonenluis is het wel verstandig om vooraf in het veld te kijken naar zowel het aantal luizen als de natuurlijke vijanden (bijvoorbeeld lieveheersbeestjes, larven van de gaasvlieg, geparasiteerde en/of door schimmel aangetaste luizen) die aanwezig zijn.

5.2.3 Beslissing met behulp van monitoring en schadedrempels (principe 3)

Wanneer bekend is welke organismen en hoeveel ervan op een perceel aanwezig zijn, kan worden besloten of het nuttig is om een bestrijding uit te voeren. Er zijn schadedrempels, waarschuwingssystemen en Beslissing Ondersteunende Systemen (B.O.S.) die kunnen helpen bij het nemen van een besluit.

  • Schadedrempels geven aan bij hoeveel aantasting of bij welke dichtheid van schadelijke organismen moet worden ingegrepen, om economische schade te voorkomen. Met behulp van de monitoringsresultaten en een schadedrempel kan worden besloten om wel of niet over te gaan tot het bestrijden van een ziekte of plaag. Daar waar van toepassing staat in de beschrijving van een ziekte of plaag een link naar schadedrempels, zie hiervoor de app(licatie) 'ziekten en plagen'.
  • Een waarschuwingssysteem geeft aan wanneer er een grote kans is dat een schadelijk organisme in een bepaald gebied zich voor kan doen of zich reeds voordoet (bijvoorbeeld app(licatie) 'bladschimmelkaart' of ‘bladluiswaarschuwingskaart’). Wanneer er een waarschuwing uitgaat, zal er een monitoring moeten worden uitgevoerd. Als op het eigen perceel de schadedrempel wordt overschreden, is het advies een bestrijding uit te voeren.
  • Verder zijn er ook B.O.S. om te helpen met het maken van de juiste keuzes hoe of wanneer moet worden ingegrepen, om te voorkomen dat ziekten, plagen en/of onkruiden schade kunnen aanrichten:
  • de applicatie 'IRS-LIZ-Onkruidbeheersing' bij het kiezen van de combinatie en de dosis van herbiciden die nodig is/zijn om aanwezige onkruiden te bestrijden;
  • om te bepalen welke onkruiden aanwezig zijn, kan de 'onkruidherkenning'-app(licatie) worden gebruikt;
  • voor ziekten en plagen is een app(licatie) voor identificatie van aanwezige schadeveroorzakers ('ziekten en plagen') beschikbaar;
  • de applicatie 'witte bietencysteaaltjesmanagement' voorspelt het verloop van een besmetting met witte bietencysteaaltjes en kan daardoor helpen met de keuzes voor de beste rotatiegewassen op een perceel;
  • de app(licatie) 'kalkbemesting' kan worden gebruikt voor advies over hoe tot een optimale pH te komen. Op basis van de huidige pH wordt een advies gegeven over de hoeveelheid kalk die nodig is om de pH op het gewenste niveau te brengen.

5.2.4 Niet-chemische bestrijding (principe 4)

Wanneer het nodig is om een bestrijding uit te voeren, zal waar mogelijk voor niet-chemische methoden gekozen moeten worden. Hiervoor is het belangrijk dat er niet-chemische alternatieven beschikbaar zijn, dat ze een voldoende bestrijdingseffect hebben en dat de kosten opwegen tegen de mogelijke schadebeperking. Er zijn een drietal categorieën waaronder niet-chemische methoden kunnen vallen:

  • Gewasbeschermingsmiddelen van Natuurlijk Oorsprong (GNO's) bevatten actieve stoffen die een natuurlijke origine hebben. Dit zijn stoffen die planten of andere organismen (bijvoorbeeld de bacterie Bacillus thuringiensis) produceren en schadelijk zijn voor organismen die moeten worden bestreden. Slakkenkorrels op basis van ijzer(III)fosfaat behoren tot deze groep;
  • in de natuur komen natuurlijke vijanden voor die, mits de populatie groot genoeg is, een plaag kunnen onderdrukken. De populatie is echter niet altijd voldoende groot. Het kan dan rendabel zijn om natuurlijke vijanden te stimuleren, door bijvoorbeeld een niet-kerende grondbewerking uit te voeren of akkerranden aan te leggen;
  • mechanische bestrijding kan worden ingezet tegen onkruiden (zie hoofdstuk 6.2.2). Met behoud van effectiviteit is het onder de juiste omstandigheden (niet te nat en drogend weer) mogelijk om een bespuiting te vervangen door een werkgang van bijvoorbeeld schoffelen tussen (en in) de rij of aanaarden. Aanaarden en schoffelen kunnen echter wel een aantasting van rhizoctonia verergeren als er bij deze bewerkingen grond in de kop van de biet terechtkomt (zie ook hoofdstuk 10.5.1).

5.2.5 Doelgericht (specifiek) middel met weinig milieueffecten (principe 5)

De keuze voor een chemisch gewasbeschermingsmiddel kan worden gebaseerd op de milieu­belastingspunten (mbp) en de neveneffecten op natuurlijke vijanden. Dit kan alleen als er voldoende effectieve middelen beschikbaar zijn voor de beoogde bestrijding. Op de website van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) staan de toegelaten middelen met hun milieubelastingspunten en neveneffecten op natuurlijke vijanden (bestrijders) en bestuivers (bijen en hommels) vermeld. Hoe lager de milieubelastingspunten hoe beter een middel is voor het waterleven, bodemleven en/of grondwater. In paragraaf 5.1.2 en in het GewasBeschermingsBulletin (verschijnt elk jaar in februari/maart) staan de milieubelastingspunten voor bieten­middelen/-combinaties vermeld. Daarnaast staan in paragraaf 5.1.2 ook de neveneffecten op natuurlijke vijanden en bestuivers.

5.2.6 Noodzakelijke dosis (principe 6)

Afhankelijk van de situatie in een perceel kan de dosering van een gewasbeschermingsmiddel worden aangepast. De plaagdruk of stadia van aanwezige onkruiden zijn belangrijke indica­toren voor een beslissing over de dosering.

Bij de zaadbestelling kan men kiezen voor standaard- of voor pillenzaad met Force. Het zaad is sowieso behandeld met fungiciden om jonge planten te beschermen tegen kiemplantziekten. Daarnaast is het mogelijk om zaad ook te laten behandelen met insecticiden (pillenzaad met Force). Na een dergelijke behandeling is een jonge plant tevens beschermd tegen bodeminsecten. In vergelijking met een volveldsbespuiting zijn doseringen van fungiciden en insecticiden toegepast als zaadbehandeling heel laag. Wanneer geen schade van insecten wordt verwacht, kan worden volstaan met standaardpillenzaad (zie hoofdstuk 10.3).

Bij de bestrijding van onkruiden is het erg belangrijk om te weten welke soorten in welke stadia op het perceel voorkomen. Op basis hiervan kan het lagedoseringensysteem (LDS) worden aangepast. Het meest effectief is om onkruiden al in het kiembladstadium met een lagere dosering aan te pakken dan nodig is voor grotere onkruiden. Daarnaast kan de applicatie 'IRS-LIZ-Onkruidbeheersing' voor de middelenkeuze worden geraadpleegd (zie 5.2.3).

5.2.7 Resistentie tegen middel voorkomen (principe 7)

Om de huidige methoden van gewasbescherming effectief te houden, moet met de mogelijk­heid van resistentieontwikkeling bij schadelijke organismen rekening worden gehouden. Hiervoor is het belangrijk om middelen met verschillende werkingsmechanismen af te wis­selen (zie ook www.frac.info en https://www.irac-online.org). Daarnaast is een effectieve bestrijding erg belangrijk, dus moet de meest optimale dosering worden gebruikt. Dat betekent niet te laag en niet te hoog. Om zodoende alle schadelijke organismen afdoende te doden en toch niet te veel middel te gebruiken. Een voorbeeld is de bestrijding van bladschimmels, zoals cercospora. Hiervoor dient de geadviseerde hoeveelheid fungiciden te worden gebruikt en dienen middelen met werkzame stoffen uit verschillende chemische groepen met elkaar te worden afgewisseld om resistentieontwikkeling tegen te gaan.

De betreffende ziekten en plagen kunnen ook resistenties tegen rhizomanie, rhizoctonia en/of bietencysteaaltjes doorbreken. Een voorbeeld is het Rz1-resistentie-gen van rhizomanieresistente rassen dat reeds is doorbroken (zie hoofdstuk 10.7.1.3). Om dit te voorkomen, dienen naast de rassenkeuze aanvullende maatregelen te worden genomen. Zo is het mogelijk om het aantal witte en/of gele bietencysteaaltjes in een perceel te verlagen door een bietencysteaaltjesresistente bladrammenas of gele mosterd te zaaien. Door een lagere plaagdruk is de kans op resistentievorming tegen bietencysteaaltjes resistente rassen ook lager.

5.2.8 Monitoring van resultaat en registratie van genomen maatregelen (principe 8)

Na het uitvoeren van een maatregel is het belangrijk om in het perceel te beoordelen of deze voldoende heeft gewerkt. Het beste moment hiervoor is afhankelijk van het schadelijke organisme en de genomen maatregel. In het geval van gewasbeschermingsmiddelen heeft een contactmiddel sneller een effect dan een systemisch middel, terwijl een systemisch middel langer effectief is in vergelijking met een contactmiddel.

Het is tevens afhankelijk van het moment in het seizoen of er wel of geen aanvullende maat­regelen nodig zijn en kunnen worden genomen. Bijvoorbeeld: een bladschimmelbestrijding laat in het najaar zal weinig effect hebben en vlak voor het rooien is het niet toegestaan vanwege de veiligheidstermijn van middelen.

Het resultaat van een genomen maatregel kan iets vertellen over overwegingen en maatregelen die voor een volgende (bieten)teelt belangrijk zijn. Hiervoor is het essentieel om resultaten van monitoring, effectiviteit van genomen maatregelen en de uiteindelijke (suiker)op­brengst goed te registreren. Er kan dan altijd worden nagezocht wat de problemen waren in een vorige teelt en op een bepaald perceel. Als er bijvoorbeeld veel problemen door rhizoctonia zijn veroorzaakt, kan maïs als voorvrucht beter worden vermeden. Daarnaast kan een volgende keer beter een rhizoctoniaresistent bietenras worden gekozen (zie ook hoofdstuk 10.5.1).

Bovendien geeft het resultaat van de genomen maatregel iets aan over de effectiviteit. Daar­mee moet ook rekening worden gehouden bij verdere maatregelen, met het oog op mogelijke resistentievorming van ziekten, plagen of onkruiden (zie 5.2.7).

1Kruidhof, H.M., Bastiaans, L. en Molema, G.J. (2005): Groenbemesters in biologische teeltsystemen: Wat dragen ze bij aan een ecologisch beheer van onkruiden? Gewasbescherming, vol. 36, no. 2, pp. 72-75.

2Van Balen, D. (2012): Effecten van grondbewerking op bodem en productie. https://kennisakker.nl/archief-publicaties/effecten-van-grondbewerking-op-bodem-en-productie3765.

3Vigoureux, A. (2003): Spring activities in sugar beets. Landbouw & Techniek, vol. 6; pp. 10-12.

4Van Balen, D. (2012): Effecten van grondbewerking op bodem en productie. https://kennisakker.nl/archief-publicaties/effecten-van-grondbewerking-op-bodem-en-productie3765.

5Visser, A., Vlaswinkel, M., van der Wal, E., Willemse, J. en van Alebeek, F. (2011): FAB en gewasbescherming, Het belang van goed waarnemen: LTO FAB2 project, https://edepot.wur.nl/188873.

5.3 Vruchtwisseling

Versie: april 2021

Vruchtwisseling is belangrijk om de vruchtbaarheid en de biologische acti­viteit van de bodem te behouden of te verhogen. Tevens is zij van grote invloed op het optreden van ziekten en plagen en de schade die daardoor wordt veroorzaakt. Het is van belang dat telers er in het bouwplan rekening mee houden dat groenbemesters en diepwortelende gewassen worden geteeld en maaigewassen met rooivruchten worden afgewisseld.

5.3.1 Optreden van ziekten en plagen

Ter voorkoming van bodemgebonden ziekten en plagen (vooral bietencysteaaltjes, cercospora en ­rhizoctonia), en de schade die deze veroorzaken, is een vruchtwisseling van suikerbieten van minimaal 1 op 4 maar het liefst 1 op 6 vereist. Let wat betreft bietencysteaaltjes ook op de teeltfrequentie van andere waardgewassen dan bieten, zoals koolsoorten, koolzaad, spinazie en rabarber. Beschouw deze waardgewassen als een bietengewas; zie ook hoofdstuk 10.2.3.

Gewassen, zoals maïs, raaigrassen, wortelen of schorseneren, verhogen de kans op rhizoctonia-aantasting in bieten (zie ook hoofdstuk 10.5.1). Wees in de vruchtwisseling dus voorzichtig met deze gewassen.

Probeer te vermijden dat een perceel bieten grenst aan een bietenperceel van het voorgaande jaar. Dit beperkt de kans op aantasting door cercospora en bietenkevertjes sterk.

Een ander voorbeeld van een gevaar voor het bietengewas is trips, als de bieten na vlas of erwten worden geteeld. Hetzelfde geldt voor emelten en ritnaalden na de teelt van gras, zoals grasland, graszaad of grasgroenbemesters. Meer informatie over ziekten en plagen vindt u in hoofdstuk 10 van deze teelthandleiding.

Het effect van vruchtwisseling op bodemplagen is te vinden in het bodemplagenschema. Het effect op aaltjes is te vinden in het aaltjesschema en het effect op bodemschimmels in het bodemschimmelschema.

5.3.2 Bemesting

Gezien de stikstofbehoefte van suikerbieten is een vlinderbloemige of kruisbloemige groen­bemester, geteeld voorafgaand aan de bieten, aan te bevelen, omdat deze de stikstof tijdig nalevert. Een grasgroenbemester daarentegen geeft de stikstof geleidelijk, en daardoor deels laat, vrij. Dit heeft een negatieve invloed op het suikergehalte in de bieten. Naast de teelt van groenbemesters kunnen ook gewassen en gewasresten bijdragen aan de bemesting van een volggewas. Zo kunnen de gewasresten van een dubbelteelt van erwten en bonen veel stikstof naleveren, die ten goede kan komen aan de bietenteelt in het jaar daarop. Meer informatie over bemesting is te vinden in hoofdstuk 4.

5.3.3 Structuur van de bodem

Uitgangspunt voor de vruchtwisseling is de afwisseling van maai- en rooivruchten in verband met de bodemstructuur.
Door inzet van groenbemesters wordt veelal in voldoende mate voorzien in verse organische stof, waardoor de structuur van de bodem verbetert.
Een passend vruchtwisselingsschema verschilt per bedrijf. De ideale voorvrucht voor suikerbieten geeft een goede, maar niet te late, stikstofnalevering. Te denken valt aan gewassen, zoals erwten en bonen, en aan groenbemesters, zoals klaver, bladrammenas of gele mosterd na een vroeg gewas als (winter)tarwe of (winter)gerst.

Met name door het gebruik van steeds zwaardere machines wordt de structuur van de grond steeds minder goed. Door ploegen of diepwoelen bewerk je de grond vrij intensief om de structuur van de bouwvoor weer te herstellen. Niet-kerende grondbewerking (NKG) is een bewerking die veel oppervlakkiger is, bij no-till wordt de grondbewerking helemaal achterwege gelaten. Mogelijke voordelen zijn een betere ontwikkeling van het bodemleven, betere bodemstructuur en een betere infiltratie van het water.

5.3.4 Onkruidbeheersing

In sommige gewassen zijn bepaalde onkruiden moeilijk te bestrijden vanwege de verwantschap met het geteelde gewas. In cichorei en witlof komt bijvoorbeeld akkermelkdistel vaak goed tot ontwikkeling. Het is daarom raadzaam na een dergelijk 'vermeerderend' gewas een gewas te telen waarin de bestrijding van dergelijke onkruiden minder problematisch is.
Met niet-kerende grondbewerkingen (in plaats van ploegen) neemt de kans op toename van wortelonkruiden als distels en hoefblad toe. Ook de kans op schade door herbiciden die in het voorgaande gewas zijn gebruikt neemt toe. Vooral in maïs worden vaak herbiciden gebruikt die in een volgend bietengewas onder bepaalde omstandigheden nog schade kunnen veroorzaken. Voorbeelden daarvan zijn mesotrione (o.a. Callisto) en tembotrione (o.a. Laudis en Capreno) in maïs, maar ook metribuzin (o.a. Sencor SC) in aardappelen. Meer informatie over onkruidbeheersing is te vinden in hoofdstuk 6.

5.3.5 Geraadpleegde bronnen

  • Artikel: 'Bouwplan is meer dan optelsom van gewassen'; A. Grunefeld en F. Wijnands, PAV Lelystad; Boerderij/Akkerbouw 28 januari 1998.
  • Artikel: 'De suikerbiet en haar teelttechniek'; R. Vereerstraeten en J.P. Vandergeten; Koninklijk Belgisch Instituut tot Verbetering van de Biet; de Bietplanter Nr. 347; maart 1999.
  • Artikel: 'Doorbraak biologische suikerbieten'; A. Dekking, PAV; Boerderij/Akkerbouw 84 - no. 1; 12 januari 1999.
  • PAGV-verslagen van het onderzoek WS 38.

5.4 Spuittechniek

Versie: april 2021

5.4.1 Spuitdoppen en -technieken

Voor de effectiviteit van bespuitingen met fungiciden, herbiciden en insecticiden zijn alle doppen met 75% driftreducerende doppen en/of technieken geschikt. Voor de toepassing van sommige insecticiden, fungiciden en herbiciden (o.a. Pirimor, Spyrale en Dual Gold 960 EC) gelden aanvullende eisen wat betreft de driftreductie. Lees daarom altijd zorgvuldig het etiket. De effectiviteit van bespuitingen met doppen met 75 en 90% driftreductie is in de meeste gevallen ook goed. Alleen in het lagedoseringensysteem (LDS) zijn doppen uit deze klassen bij toepassing op kleine onkruiden vanwege de grovere druppels wat minder effectief.

De driftgevoeligheid neemt af naarmate doppen in een hogere driftreductieklasse worden gebruikt. De indeling van spuitdoppen in driftreductieklassen is niet alleen gebaseerd op het type dop, maar ook op een bepaalde, bij de betreffende dop behorende spuitdruk.

Meer informatie over driftreducerende spuitdoppen (DRD) en technieken (DRT) kan men vinden op de site van Helpdesk Water.

5.4.2 Waterhoeveelheid, waterkwaliteit

Algemeen geldt dat het voor de effectiviteit van de herbicidenbespuitingen niet uitmaakt of men 200, 300 of 400 liter water per hectare gebruikt. Het belangrijkste criterium is dat men de spuitvloeistof goed en egaal op grond/gewas/onkruid aanbrengt.

Voor het bestrijden van insecten is het aan te bevelen om meer dan 300 liter water per hectare te gebruiken, terwijl voor de bestrijding van bladschimmels beter 200 of 300 liter per hectare water met een zo fijn mogelijke druppel kan worden gebruikt. De waterkwaliteit heeft slechts een beperkte invloed op de effectiviteit van de bespuitingen. Alleen bij een heel hoge pH (>9) en hard water (>20 dH) kan er een negatieve invloed op de werking zijn. Laat bij twijfel het spuitwater vooraf analyseren en/of raadpleeg uw gewasbeschermingsleverancier.

5.4.3 Tijdstip van spuiten

De effectiviteit van herbiciden hangt nauw samen met de weersomstandigheden voor, tijdens en na toepassing. Door rekening te houden met de weersomstandigheden kan het effect van een onkruidbespuiting sterk worden beïnvloed.

Contactherbiciden: De effectiviteit van contactherbiciden ligt vaak in lijn met de mate waarin de middelen er in slagen door de waslaag van het onkruid heen te dringen. De dikte van deze waslaag is afhankelijk van de weersomstandigheden. De functie van een waslaag bij planten is ter voorkoming van uitdroging, vandaar dat een dikkere waslaag ontstaat bij lage luchtvochtigheid, veel zonnestraling en weinig bodemvocht. Temperatuur is hierbij minder van invloed. Bij een dikkere waslaag nemen onkruiden herbiciden moeizaam op. Het advies is dan om 's avonds of 's morgens vroeg te spuiten. Als men 's ochtends vroeg spuit, mag het onkruid niet nat zijn, hooguit wat vochtig. Op nat onkruid kan de spuitvloeistof niet hechten.
Voor contactherbiciden geldt een bepaalde aandroogtijd. Dit zegt iets over de tijd die een middel nodig heeft om door de waslaag te dringen en opgenomen te worden door het onkruid. Indien kort na de bespuiting regen valt, zal een deel van de werkzame stof afspoelen.

Bodemherbiciden: Bij voorkeur worden bodemherbiciden gespoten op vochtige grond. Nadien is het belangrijk dat er voldoende regen valt, zodat het bodemherbicide in de toplaag van de grond kan dringen, waar het zijn werking kan doen op (kiemend) onkruid.

Een grote hoeveelheid neerslag die korte tijd na spuiten valt kan er daardoor voor zorgen dat een bodemherbicide in de wortelzone van het gewas komt, waardoor het gewas in de groei geremd kan worden. Dit risico is bij suikerbieten van toepassing bij de middelen Centium 360 CS, Dual Gold 960 EC en Frontier Optima.

Als er nachtvorst wordt voorspeld, stel de bespuiting dan uit. Dit geldt ook als de bieten door bijvoorbeeld stuifschade, insectenvraat of vorst zijn beschadigd. Laat de bieten dan een aantal dagen herstellen voordat u de onkruidbestrijding uitvoert.

Over het algemeen breken insecticiden sneller af bij fel zonlicht. Daarnaast zijn insecten vaak actiever bij hogere temperaturen. Daardoor kunnen deze middelen het beste in de avonduren worden toegepast. Insecticiden zijn het effectiefst bij groeizaam weer.

5.4.4 Mengen van gewasbeschermingsmiddelen

5.4.4.1 Mengen van herbiciden onderling

Bij de onkruidbestrijding in suikerbieten verspuit men vaak mengsels van middelen. De meeste middelencombinaties die mengbaar zijn, geven over het algemeen geen schade. Voor sommige middelen wordt mengen afgeraden, omdat ze de werking beïnvloeden of omdat de middelen niet mengbaar zijn. De voorschriften voor al dan niet mengen staan op het etiket van de producten. Wegens kans op slechtere werking bij de bestrijding van distels, middelen met als actieve stof clopyralid (o.a. Lontrel 100) niet mengen met combinaties met Safari en niet toepassen binnen tien dagen na het gebruik ervan.

5.4.4.2 Mengen van herbiciden met insecticiden

In de periode van onkruidbestrijding in suikerbieten kan het gebeuren dat men ook insecten moet bestrijden. Het advies is geen insecticiden te mengen met herbiciden. Is er sprake van een zware insectenaantasting, dan kan een herbicidebespuiting het gewas aantasten. Het is dan raadzaam eerst de insecten te bestrijden en het gewas zich te laten herstellen van de insectenaantasting alvorens het onkruid aan te pakken. Bestrijd insecten alleen als de schadedrempel is overschreden.

5.4.4.3 Mengen van herbiciden met meststoffen

Meststoffen die eventueel in combinatie met herbiciden kunnen worden gespoten, zijn in de praktijk borium- en mangaanmeststoffen. Bij veel van deze meststoffen levert menging geen probleem op, maar er zijn er die men beter apart kan toedienen. Zo is bekend dat door menging van mangaanchelaatmeststoffen met herbiciden de beschikbaarheid van mangaan vermindert. Lees vooraf de gebruiksvoorschriften voor de diverse middelen!

5.4.4.4 Mengen van insecticiden met fungiciden

In de maand juli kunnen zowel de eerste vlekjes van bladschimmels zichtbaar zijn, evenals schade door rupsen.

5.5 Preventie van schade door winderosie

Versie: april 2021

CONTACTPERSOON: ANDRÉ VAN VALEN

Ruim 10% van de Nederlandse landbouwgrond is min of meer gevoelig voor winderosie, in de volksmond stuiven genoemd. Stuifgevoelige grond waarop men suikerbieten teelt, komt vooral voor in het zuidoosten (het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg) en in het noordoosten (de Veenkoloniën en de aangrenzende zandgebieden van zuidoost Groningen, Drenthe en Overijssel (figuur 5.5.1)). Ook kunnen zeer lichte en/of bezande zavel- en kleigronden stuifgevoelig zijn. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de centrale polders en op Texel. Zwaardere kleigronden kunnen in uitzonderlijke gevallen, bij een zeer goede structuur van de toplaag door vorst, stuifgevoelig zijn.

Figuur 5.5.1 Stuiven op perceel zandgrond (foto: Cosun Beet Company).

Het verstuiven van bieten leidt in veel gevallen tot vrij grote (financiële) schade, vooral als de bieten moeten worden overgezaaid. Hierdoor is, naast de kosten van zaaien en zaaizaad, de groeiperiode korter, wat tot een lagere suikeropbrengst leidt.

Enkele algemene maatregelen die men kan nemen, zijn het zorgen voor een grofkluiterig zaaibed (figuur 5.5.2) en voldoende organische stof in de bovenlaag.

Op zand- en dalpercelen waar een niet-kerende hoofdgrondbewerking (spitten, vleugelschaar­cultivator, vaste tandcultivator) wordt uitgevoerd, is het lastiger om een grofkluiterig zaaibed te maken dan op percelen die worden geploegd in combinatie met een vorenpakker. Bij spitten kunt u de mate van kluiterigheid beïnvloeden door bijvoorbeeld de rijsnelheid en het toerental van de aftakas te verlagen. Vooral bij zogenaamde ‘snelspitters’ vraagt dit aandacht. Bij spit­machines is verder het type eggenrol en de draaisnelheid ervan van belang. In het algemeen geeft een lagere draaisnelheid meer en grotere kluiten.

Figuur 5.5.2 Een grof kluiterig zaaibed beperkt de kans op stuiven.

Op percelen met veel organische stof in de toplaag hebben bieten vaak minder last van stuifschade. Voldoende organische stof kan op diverse manieren gerealiseerd worden:

  • gewasresten zoveel mogelijk op het land achterlaten;
  • groenbemesters telen;
  • organische stof met organische producten aanvoeren (bijvoorbeeld compost);
  • ondiepe en/of niet-kerende grondbewerking.

Een ander belangrijk aspect in het kader van stuifbestrijding is dat u zo snel mogelijk na de zaaibedbereiding (bijvoorbeeld ploegen in combinatie met vorenpakker) de bieten zaait. Anders bestaat de kans dat u in een uitgedroogd zaaibed zaait, waardoor de stuifgevoeligheid aanzienlijk toeneemt.

Daarnaast kan het nodig zijn om specifiek gerichte, preventieve maatregelen te treffen. De belangrijkste maatregel is het inzaaien van zomergerst kort voor het zaaien van de bieten en/of het toedienen van een bodemstabiliserend middel.

5.5.1 Inzaaien van zomergerst

In de praktijk is gebleken dat het inzaaien van zomergerst bij het zaaien van de bieten een goede methode is om stuiven te voorkomen (figuur 5.5.3). Zomergerst ontwikkelt zich snel en is gemakkelijk dood te spuiten (figuur 5.5.4). Dit betekent echter ook dat een LDS-bespuiting de ontwikkeling van de gerst kan remmen. Het ene ras is hiervoor gevoeliger dan het andere. Het ras Quench staat bijvoorbeeld bekend om zijn gevoeligheid voor LDS-bespuitingen.

Naast de rassenkeuze is het ook belangrijk om goed zaaizaad te gebruiken. De kiemkracht hiervan moet minimaal 90% zijn.

Het zaaien van de gerst kan op diverse manieren gebeuren:

1. met een zaaimachine op de vorenpakker of achter de spitmachine dan wel cultivator vóór de aandrukrol;

2. breedwerpig met een kunstmeststrooier en het inwerken met bijvoorbeeld een cultivator;

3. breedwerpig met een kunstmeststrooier, gevolgd door spitten;

4. breedwerpig met een kunstmeststrooier en niet inwerken;

5. met een graanzaaimachine.

Voor het zaaien in de grond is 60 tot 80 kg per hectare zaaizaad nodig. Bij breedwerpige toediening zonder inwerken en spitten is 10 tot 20 kg per hectare extra nodig.

Figuur 5.5.3 Een antistuifdek van gerst voorkomt of beperkt stuifschade.

U dient de gerst dood te spuiten als deze gemiddeld 15 cm hoog is. Hiervoor zijn diverse grassenbestrijdingsmiddelen beschikbaar (zie meest recente GewasBeschermingsBulletin suikerbieten). Te sterk ontwikkelde, uitgestoelde gerst is moeilijk te bestrijden.

Figuur 5.5.4 Doodgespoten gerst op een bietenperceel.

De kosten van een antistuifdek van gerst bestaan uit de aanschaf van het zaaizaad (afhankelijk van de geldende prijs) en het grassenbestrijdingsmiddel (globaal 45-65 euro per hectare als aparte bespuiting).

Er zijn wel een aantal punten waar u op moet letten als u gerst als antistuifdek gebruikt:

  • spitten na breedwerpig gerst zaaien geeft een onregelmatige opkomst. Het bepalen van het doodspuitmoment is dan lastiger. In het ongunstigste geval moet u dan twee keer spuiten. Let op: een aantal grassenmiddelen mag slechts éénmalig toegepast worden!;
  • als u gerst breedwerpig zaait na het ploegen en u de sporen en eventueel de middenvoor met een cultivator wil wegwerken, zal de gerst op die plaatsen veel dikker staan;
  • uit onderzoek is gebleken dat bieten in een antistuifdek van gerst geen extra stikstof nodig hebben;
  • als u gerst te laat dood spuit, duurt het afstervingsproces langer. Hierdoor kan door concurrentie groeiremming van de bieten optreden (figuur 5.5.5);
  • als u middelen als Safari, Tanaris, Frontier Optima of Dual Gold 960 EC aan de LDS-bespuitingen toevoegt, neemt de kans op een slechtere werking van het grassenmiddel toe.

Figuur 5.5.5 Laat de gerst niet te groot worden. De bieten ondervinden concurrentie en de gerst is moeilijker dood te spuiten.

Nadelen:

  • als de gerst vlak voor het zaaien van de bieten is gezaaid, biedt ze de eerste weken na het zaaien nog geen of onvoldoende bescherming tegen stuiven. Als in deze periode de omstan­digheden ongunstig zijn (veel wind en een droge toplaag), kan het nodig zijn om een bodemstabiliserend middel (zie hiervoor hoofdstuk 5.5.2) toe te dienen. Dit betekent natuurlijk wel extra kosten;
  • als u de gerst één à twee weken voor het zaaien strooit of zaait, kan dit betekenen dat u de bieten wat later moet zaaien (de grond staat vroeger ploegen niet altijd toe), dat het zaaibed op het moment van bieten zaaien min of meer is uitgedroogd en dat er een extra onkruidbestrijding nodig is;
  • als de gerst goed ontwikkeld is, kan het moeilijk zijn om zonder schade aan de bieten aardappelopslag met glyfosaat (bijvoorbeeld Roundup) te bestrijden. Het gebruikte middel wordt dan via druppels aan de gerstplanten op de bietenplanten ernaast overgebracht, die vervolgens afsterven.

5.5.2 Toedienen van een bodemstabiliserend middel

Voor de praktijk interessante middelen die een goede preventieve werking tegen stuiven hebben (vier tot acht weken), zijn rundveedrijfmest, papiercellulose en Nodust®Agri.

5.5.2.1 Rundveedrijfmest

Het is toegestaan om tussen 1 maart en 1 juni rundveedrijfmest tegen het stuiven toe te passen op bouwland met een veenkoloniaal bouwplan in Noordoost-Nederland en op Texel. Hiervoor hoeft de mest niet emissiearm aangewend te worden. Het fosfaat in rundveedrijfmest telt voor 100% en de stikstof voor 60% voor de gebruiksnormen mee.

Toedieningstijdstip: kort na het zaaien.

Dosering: 10 tot 15 ton per hectare (bij een drogestofgehalte van 8 à 10%).

Kosten: de kosten en opbrengsten van rundveedrijfmest kunnen flink fluctu­eren, afhankelijk van o.a. vraag en aanbod rondom toedieningstijdstip.

Bijzonderheden: de rundveedrijfmest moet goed gemixt, niet te dik en niet te dun zijn. Te dikke mest kan een te dikke korst geven waar de bieten niet door­heen komen. Te dunne mest geeft na opdroging een te zwakke korst om stuiven te voorkomen.

Nadelen:

  • vooral op een losse, droge bouwvoor kunnen door het opbrengen van drijfmest diepe sporen ontstaan en/of kunnen bietenrijen uiteendrijven. Dit kan problemen opleveren met opkomst, schoffelen en rooien. Het is aan te bevelen om midden over de rijen te rijden of, bij voldoende brede percelen, dwars op de rijen;
  • om over mest te beschikken en voor het uitrijden ervan, bent u vaak afhankelijk van derden;
  • toediening vindt meestal plaats met een vacuümmestverspreider (met ketsplaat). Vooral bij veel wind is egale verspreiding niet mogelijk;
  • de in de rundveedrijfmest aanwezige stikstof en fosfaat tellen (deels) mee in de gebruiksruimte.

5.5.2.2 Papiercellulose

Papiercellulose staat in bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en mag daarom als meststof worden verhandeld. Stesam (Van der Stelt B.V. te Beverwijk) is een papiercellulose dat u als antistuifmaatregel kan gebruiken (figuur 5.5.6).

Toedieningstijdstip: kort na het zaaien. Eventueel ook na opkomst van de bieten. Niet toepassen als de bieten doorkomen (kromme halzen), dan zijn ze te kwetsbaar.

Dosering: circa 12,5 ton per hectare (bij een drogestofgehalte van 8%).

Kosten: Stesam kost ongeveer € 15,00 per ton, franco geleverd.

Bijzonderheden: de werking is vergelijkbaar met die van rundveedrijfmest. Bij een goede dosering ziet het perceel er duidelijk wit uit. Dit kunt u overigens pas constateren na opdroging. Om over de papiercellulose te beschikken en voor het uitrijden ervan, bent u vaak afhankelijk van derden.

Figuur 5.5.6 Direct na het zaaien toegediende papiercellulose (Stesam) geeft een goede bescherming tegen stuiven.

5.5.2.3 Nodust®Agri

Nodust®Agri is een bodemstabilisator op basis van Magnesium-Ligninesulfonaat. Dit product valt in de categorie 'overige organische meststoffen' en mag men zonder ontheffing verhandelen.

Uit PPO-onderzoek bleek dat Nodust®Agri een goede antistuifwerking heeft. Volgens opgave van de producent

(Lignostar Group BV) kan de werkingsduur vier tot zes weken zijn, maar dit is wel afhankelijk van de weersomstandigheden.

Toedieningstijdstip: bij voorkeur kort na het zaaien op relatief vochtige ondergrond. Het product kan ook veilig over het gewas worden gespoten.

Toedieningsmethode: met een gangbare veldspuit of met een mengmestverspreider. Grove spuitdoppen gebruiken en fijnfilters verwijderen.

Dosering: circa 800 liter per hectare, opgelost in 1600 liter water per hectare.

Kosten: circa 240 euro per hectare (geleverd in multibox; prijspeil 2010).

Bijzonderheden: - na het spuiten de veldspuit (tank, leidingen en spuitdoppen) grondig reinigen;

- Nodust®Agri bevat tevens 6,9% MgO en 7% SO3.

Meer informatie over Nodust®Agri vindt u op www.nodustagri.com.

 

5.6 Groenbemesters

Versie: juli 2019

De keuze van een groenbemester hangt af van verschillende aspecten. Zo zijn het zaaitijdstip en het doel van de teelt van belang. Een groenbemester kan worden ingezet om de aanvoer van organische stof te verhogen (zie hoofdstuk 4.13 'Organische stof'), uitspoeling van stikstof in de winter te beperken, onkruid te onderdrukken, aaltjes te reduceren of om aan de verplichting van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) te voldoen. Een verkeerde keuze van groenbemesters kan echter leiden tot een hogere druk van onkruiden en ziekten en plagen. Meer informatie over de teelt van groenbemesters met betrekking tot zaaien en bemesting kunt u vinden op Aaltjesschema.nl.

5.6.1 Teelt van bladrammenas en gele mosterd

Bladrammenas en gele mosterd zijn in het algemeen de meest geschikte groenbemesters voorafgaand aan de bieten (zie hoofdstuk 10 'Ziekten en plagen'). Het beste resultaat bereikt u door ze zo vroeg mogelijk te zaaien, zodat ze de bouwvoor goed doorwortelen. Vooral percelen met vroegruimende gewassen, zoals tulpen, plantuien, erwten, wintergerst of graszaad, zijn hiervoor zeer geschikt. De groenbemester kan zich dan goed ontwikkelen en levert hierdoor een uitstekende bijdrage aan de organischestofvoorziening. Bladrammenas kunt u zaaien tot begin september. Voor gele mosterd kan dat tot half september. Bladrammenas en gele mosterd ontwikkelen zich het beste als de grond voldoende los is. Ze zijn zeer gevoelig voor een slechte structuur. Zaai ze pas als de grond voldoende opgedroogd is. Geef voldoende stikstof (60-80 kg/ha). De stikstofgebruiksnormen kunt u vinden in hoofdstuk 4.14 'Wettelijke regels' van de teelthandleiding of op www.rvo.nl. Indien u vroeg zaait (juli en augustus), dan heeft bladrammenas de voorkeur boven gele mosterd. Bladrammenas loopt namelijk opnieuw uit als u ze maait om zaadvorming tegen te gaan. Gele mosterd doet dit niet. Nadeel van bladrammenas en gele mosterd is dat het niet mogelijk is om wortelonkruiden te bestrijden. Dit kan wel in een grasgroenbemester, mits deze niet als vergroeningsmaatregel voor GLB wordt geteeld.

5.6.2 Invloed op ziekten en plagen

In de figuren 5.6.1, 5.6.2 en 5.6.3 staat een overzicht van de beste groenbemesters indien bepaalde aaltjes, insecten of schimmels op het perceel aanwezig zijn. Daarin is bijvoorbeeld te zien dat bladrammenas of gele mosterd zeer geschikt zijn op percelen waar alleen bietencysteaaltjes aanwezig zijn, maar bij de aanwezigheid van alleen verticillium hebben grasachtigen juist weer de voorkeur. Bedenk dus welke ziekten en plagen op een perceel aanwezig zijn en maak aan de hand daarvan de juiste keuzes.

5.6.3 Inzet mengsels van groenbemesters voor vergroeningseis GLB

Als u de groenbemester in wilt zetten om te voldoen aan de vergroeningseisen van het GLB, dan dient u een mengsel van groenbemesters in te zetten. Dit dient te bestaan uit tenminste twee verschillende soorten. Ook kan gras of een vlinderbloemige ingezaaid worden als ondervrucht in het hoofdgewas, bijvoorbeeld tarwe. De groenbemester dient ten minste 8 weken op het land te staan en dient uiterlijk 15 oktober te zijn ingezaaid. Het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen in de groenbemester is niet toegestaan (zie mijn RVO.nl). Een teler dient minimaal 75% van de door CSAR aanbevolen hoeveelheid zaaizaad te gebruiken per hectare (zie Advies zaaizaadhoeveelheden). Vanggewassen na maïs op uitspoelingsgevoelige gronden tellen niet mee als vergroeningseis. Een actueel overzicht van de toegestane groenbemesters en regelgeving vindt u op mijn RVO.nl.

Het voordeel van het telen van een mengsel is dat de kans op slagen groter is, doordat het uit meerdere componenten bestaat. Het nadeel van meerdere componenten is dat het mogelijk meer ziekten en plagen kan vermeerderen, zoals beschreven in paragraaf 5.6.2. Elke component in het mengsel telt voor een ziekte of plaag als een individuele teelt.

Figuur 5.6.1 Adviezen voor het inzaaien van groenbemesters bij aanwezigheid van aaltjes.

Figuur 5.6.2 Adviezen voor het inzaaien van groenbemesters bij aanwezigheid van plagen.

Figuur 5.6.3 Adviezen voor het inzaaien van groenbemesters bij aanwezigheid van schimmels.

6. Onkruidbeheersing

6.1 Onkruiden

Versie: februari 2021

Onkruiden in suikerbieten zijn ongewenst omdat ze met bieten concurreren om ruimte, lucht, vocht en nutriënten. Dit gaat ten koste van de bietenopbrengst. Verder kan een hoge onkruiddruk leiden tot oogst- of verwerkingsproblemen en neemt de zaadvoorraad in de grond toe. Voorkomen moet worden dat onkruiden die de chemische onkruidbestrijding hebben overleefd in het zaad komen. Deze onkruiden kunnen minder gevoelig zijn voor bepaalde actieve stof(fen). Bovendien kunnen onkruiden ziekten en plagen overbrengen en/of vermeerderen. Voor een geslaagde bietenteelt is een goede onkruidbeheersing dus essentieel.

6.1.1 Voor opkomst

Onkruidbestrijding is alleen succesvol bij klein onkruid. Begin daarom met een schone lei en bestrijd grote(re) onkruiden vóór de zaaibedbereiding met glyfosaat. Voorkom structuurschade bij deze toepassing door te wachten totdat de grond berijdbaar is.

Het spuiten van een bodemherbicide direct of kort na het zaaien kan het aantal onkruiden na opkomst van de bieten beperken en de groei van onkruiden vertragen, waardoor de na-opkomstbestrijding eenvoudiger kan zijn. Geadviseerd wordt om te spuiten op vochtige grond; bij droge grond is het beter om, indien mogelijk, de bespuiting uit te stellen. Met name op zandgronden droogt de toplaag snel uit, waardoor de werking van bodemherbiciden tegen kan vallen. Ook op gronden met een hoog organisch stofgehalte (hoger dan ongeveer 5%) werken bodemherbiciden doorgaans slecht. Vandaar het advies om op deze gronden de onkruiden alleen na opkomst van de bieten te bestrijden.

Voor een effectieve bestrijding van sommige probleemonkruiden, met name bingelkruid, hondspeterselie en kamille, is het advies om direct na zaai een bodemherbicide toe te passen (zie tabel 6.1.1). Wanneer veel kamille verwacht wordt, spuit dan na het zaaien 2,0 liter per hectare Goltix SC/Bettix SC (€ 74). De kans op kamille is het grootst bij vroege zaai. Bij laat zaaien neemt de noodzaak van een bodemherbicide voor opkomst tegen kamille af. Als hondspeterselie wordt verwacht is het advies Centium 360 CS of Goltix Queen voor opkomst toe te passen. Spuit maximaal 0,10 liter per hectare Centium 360 CS (€ 21), bij natte en koude omstandigheden en een laag organisch stofgehalte (minder dan circa 2,5%) wordt 0,05 tot 0,07 liter per hectare Centium 360 CS aanbevolen. Onder deze omstandigheden kunnen hoge doseringen (bijvoorbeeld door overlappingen) leiden tot ernstige groeiremming of zelfs plantwegval. Ook onder groeizame omstandigheden is na toepassing van Centium 360 CS bijna altijd enige mate van witverkleuring van het blad zichtbaar. Witverkleuring van de bieten leidt niet tot opbrengstderving. Ten opzichte van metamitron heeft Centium een betere werking op hondspeterselie, bingelkruid, kleefkruid, varkensgras, zwaluwtong en muur. De werking tegen kamille en uitstaande melde is verwaarloosbaar. Als ook veel kamille verwacht wordt, meng dan Centium 360 CS met metamitron. Wanneer u een hoge bezetting van hondspeterselie verwacht, dan kan voor opkomst met Goltix Queen worden gespoten (maximale dosering is 3 liter per hectare) of Kezuro (maximale dosering is 3,5 liter per hectare).

Tabel 6.1.1 Meerwaarde van toepassing van bodemherbicide na zaai van het gewas in aanbevolen dosering op moeilijk te bestrijden onkruiden.

middel aanbevolen dosering goede werking tegen
Centium 360 CS 50-100 ml/ha bingelkruid, hondspeterselie, kleefkruid, varkensgras, zwaluwtong
Goltix SC, Bettix SC 2 l/ha duivenkervel, kamille
Goltix Queen, Kezuro 2-3 l/ha bingelkruid, duivenkervel, hondspeterselie, kamille, kleefkruid

6.1.2 Breedbladige onkruiden

Standaard is het lage doseringensysteem (LDS) met een dosering van 0,5 liter per hectare van elk middel, namelijk 0,5 fenmedifam (160 g/l) + 0,5 metamitron + 0,5 ethofumesaat (200 g/l) + plantaardige olie. LDS kan bestaan uit losse componenten of uit combinatieproducten. Gebruik vanuit het oogpunt van duurzaamheid geen minerale olie. Plantaardige olie is veel minder milieubelastend doordat het biologisch afbreekbaar is in de grond. Metamitron (Goltix SC/Bettix SC) is een breedwerkend en gewasveilige component van het LDS. Quinmerac toegevoegd aan metamitron (Goltix Queen) versterkt de werking op bingelkruid en hondspeterselie. Vervanging van metamitron in het LDS door Dual Gold 960 EC of Frontier Optima wordt alleen aanbevolen wanneer er geen of weinig meldensoorten voorkomen. Dual Gold 960 EC en Frontier Optima werken op bingelkruid, duivenkervel, ooievaarsbek, hanenpoot en straatgras.

Voor een effectieve bestrijding is het belangrijk om het onkruid zo vroeg en klein mogelijk (kiembladstadium) te bestrijden, ongeacht het stadium van de bieten. Onder droge omstandigheden laat voornamelijk melganzenvoet zich lastig bestrijden. Verhogen van de dosering fenmedifam en plantaardige olie is onder deze omstandigheden aan te raden. Vanaf het gestrekte kiemlobstadium van de bieten kunt u de LDS-dosering met 50% en vanaf het tweebladstadium met 100% verhogen.

Voer de bespuitingen uit op een droog gewas, bij voorkeur 's avonds of 's ochtends vroeg. Vooral als de onkruiden afgehard zijn is het van belang dat de relatieve luchtvochtigheid hoog is (meer dan 80%). Mocht het, bijvoorbeeld door weersomstandigheden, niet gelukt zijn om de onkruiden in het kiemblad te bespuiten, dan is het vaak nodig om de dosering te verhogen.

Voor moeilijk te bestrijden onkruiden kunt u een extra middel aan de LDS-combinatie toevoegen. U kunt dan kiezen voor Safari, Safari Duoactive, Dual Gold 960 EC, Frontier Optima, Centium 360 CS of Lontrel 100 (zie tabel 6.1.2).

Tabel 6.1.2 Extra middel toevoegen in gangbare dosering aan LDS-combinaties op moeilijk te bestrijden onkruiden.

toevoeging middel gangbare dosering (bladstadium biet)
Centium 360 CS 20 ml/ha (2-blad),

40 ml/ha (4-blad),

50-100 ml/ha (6-blad of meer)

Dual Gold 960 EC 0,5 l/ha (vanaf 2-blad)
Frontier Optima 0,15 l/ha (2-blad),

0,3 l/ha (4-blad),

0,3-0,45 l/ha (6-blad of meer)

Lontrel 100, Vivendi 100 0,5 l/ha (vanaf kiemblad)
Safari, Shiro 15 g/ha (vanaf kiemblad)
Safari Duoactive 100 g/ha (vanaf kiemblad. Op lichte grond met laag organische stof vanaf 2-blad)
Tanaris 0,3 l/ha (2-blad),

0,6 l/ha (vanaf 4-blad)

In tabel 6.1.3 staat een overzicht van de gevoeligheid van onkruiden voor verschillende na-opkomstcombinaties. De LDS-kolom geeft de basis gevoeligheid voor de onkruiden aan, terwijl in de overige kolommen de meerwaarde hierop van een extra middel wordt weergegeven. Ter verduidelijking een voorbeeld uit de tabel: bestrijding van koolzaadopslag; LDS een 3, LDS + Safari een 5 en LDS + Centium 360 CS een 3. Toevoegen van Safari aan LDS geeft duidelijke verbetering van het resultaat en toevoegen van Centium 360 CS aan LDS geeft geen beter resultaat.

Tabel 6.1.3 Gevoeligheid onkruiden in het kiembladstadium voor verschillende na-opkomstcombinaties.

LDS
onkruid LDS + quinmerac + ,015 Safari + 0,1 Safari Duoactive + 0,5 Dual Gold 960 EC + 0,3 Frontier Optima + 0,6 Tanaris + 0,04 Centium 360 CS + 0,5 Lontrel 100
bingelkruid 0 2 5 5 2 3 4 3 0
duivenkervel 3 3 4 5 4 4 4 3 3
ereprijs 3 4 4 4 4 4 5 3 3
herik 1 1 5 5 1 2 2 1 1
hondspeterselie 1 3 4 5 3 3 4 4 4
kamille 4 4 5 5 4 4 4 4 4
kleefkruid 2 3 5 5 2 3 4 4 2
klein kruiskruid 3 3 4 4 3 4 4 4 3
knopkruid 3 3 4 4 4 4 4 3 4
koolzaadopslag 3 3 5 5 3 3 3 3 3
melganzenvoet 3 3 3 4 3 3 3 3 3
ooievaarsbek 1 1 3 3 4 3 3 1 1
papegaaienkruid 2 2 5 5 2 4 4 3 2
perzikkruid 3 3 4 5 3 4 4 4 4
straatgras 3 3 3 4 5 5 5 3 3
uitstaande melde 2 2 2 3 2 2 2 2 2
varkensgras 1 1 3 4 2 1 1 4 1
veerdelig tandzaad 0 0 5 5 0 0 0 0 5
waterpeper 2 2 5 5 2 2 2 4 2
zwaluwtong 3 3 4 4 4 3 3 4 4
zwarte nachtschade 3 3 4 4 4 4 4 3 3

5 = gevoelig; 0 = niet gevoelig

In tabel 6.1.4 staan de in de bietenteelt gangbare, toegelaten onkruidbestrijdingsmiddelen (situatie op 01-02-2021). In deze tabel is tevens opgenomen hoe vaak u het betreffende middel in na-opkomst LDS-bespuitingen mag toepassen, welke maximale dosering is toegestaan en welke minimale interval u tussen twee bespuitingen moet aanhouden. Vaak zijn aan herbiciden aanvullende beperkingen gesteld. Lees daarom het Wettelijk Gebruiksvoorschrift op het etiket zorgvuldig.

Tabel 6.1.4 Gangbare, toegelaten herbiciden met vermelding van de maximum dosering per toepassing (kg of l/ha), maximum aantal toepassingen na opkomst, maximum per teelt (kg of l/ha) en het minimum interval tussen bespuitingen (dagen).

 * na gewasstadium 9 of meer bladeren ** niet op zandgrond

In tabel 6.1.5 staan een aantal mogelijke basiscombinaties met de daarbij behorende prijzen. In deze tabel staat tevens een overzicht van de kleurcodes voor de milieubelastingspunten die voor de diverse middelen/middelencombinaties gelden. Als het voor de effectiviteit van de onkruidbestrijding niet uitmaakt, kies dan voor middel(en) met een lage milieubelasting.

Tabel 6.1.5 Overzicht aantal mogelijke herbicidentoepassingen (kg of l product per hectare), prijzen (exclusief btw) en milieubelastingspunten bij twee organische stofgehalten van de bodem bij 1% drift.

werkzame stof (merknaam) middelen-
kosten
(€/ha)
milieubelastingspunten
waterleven 1,5-3% organische stof 3-6% organische stof
bodemleven grondwater bodemleven grondwater
voor opkomst
0,1 Centium 360 CS 21
2,0 Bettix SC, Goltix SC 74
3,0 Goltix Queen 107
3,5 Kezuro 137
na-opkomstcombinaties
LDS 1 32
LDS inclusief quinmerac2 38
LDS + 0,015 Safari/Shiro 52
LDS + 0,5 Dual Gold 960 EC 45
LDS + 0,3 Frontier Optima 39
LDS + 0,04 Centium 360 CS 43
LDS + 0,6 Tanaris 58
LDS + 0,1 Safari Duoactive 55
LDS + 0,5 Lontrel 100 59
grassenmiddelen
0,75 Agil 100 EC 30
1,0 Centurion Plus 45
1,2 Focus Plus 29
0,9 Fusilade Max 37
1,0 Gallant 2000 48
0,9 Pilot 38

1) LDS = 0,5 fenmedifam (160 g/l) + 0,5 metamitron + 0,5 ethofumesaat (200 g/l) + 0,5 olie; LDS kan bestaan uit losse componenten of uit de volgende combinatieproducten:
- fenmedifam + ethofumesaat: 0,5 Power Twin / Betanal Tandem
- metamitron + ethofumesaat: 1,0 Goltix Super / Metafol Super
2) 0,7 Goltix Queen in plaats van 0,5 Goltix SC / Bettix SC.

https://irsapplicaties.nl/userfiles/Bulletin/Waterleven.JPG

6.1.3 Grasachtige onkruiden

https://irsapplicaties.nl/userfiles/Bulletin/IPM.JPG Bij de bestrijding van de meeste grasachtige onkruiden is het mogelijk om aan de LDS-combinatie een verlaagde dosering van een grassenbestrijdingsmiddel toe te voegen (zie tabel 6.1.6). Doe dit alleen als de grassen in een jong groeistadium zijn, in elk geval voordat ze beginnen met uitstoelen en als de grassen niet geremd worden door een voorafgaande bespuiting van bijvoorbeeld Safari. Hanenpoot en straatgras zijn ook goed te bestrijden door aan de LDS-combinatie Dual Gold 960 EC of Frontier Optima toe te voegen. Spuit bij voorkeur voordat de grassen gekiemd zijn of uiterlijk direct na kieming. Voor een goede werking van deze bodemherbiciden is voldoende bodemvocht belangrijk. Een aparte bespuiting met een grassenbestrijdingsmiddel wordt geadviseerd bij de bestrijding van straatgras, kweek en resistente duist. Dit advies geldt ook in het geval dat het niet gelukt is om tijdig te spuiten en de grassen zijn uitgestoeld en voor het geval dat er Centium 360 CS aan de LDS-combinatie is toegevoegd. Vanaf uitstoeling wordt geadviseerd om de doseringen te verhogen, indien het etiket van het desbetreffende middel deze mogelijkheid biedt. Laat bij voorkeur minimaal drie dagen zitten tussen een LDS- en aparte grassenbestrijding.

Tabel 6.1.6 Dosering (l/ha) van grassenbestrijdingsmiddelen bij toepassing op niet-uitgestoelde grassen.

merknaam grassoort
duist1,
graanopslag,
hanenpoot,
windhalm
en wilde haver
kweek3 raaigras straatgras4 stuifdek gerst3
Agil 100 EC 0,75 1,5 0,75 - 1,2
Centurion Plus 1,0 2,5 1,0 1,0 1,0
Fusilade Max 0,9 3,0 - - 1,5
Focus Plus 1,0-1,2 5,0 1,2 - 2,0
Gallant 20002 1,0 - 1,0 1,0 1,0
Pilot2 0,9 3,0 0,9 - 1,5

- = onvoldoende effect voor een advies

  1. bij resistente duist Focus Plus of Centurion Plus inzetten.
  2. 0,5-1,0 l/ha olie toevoegen.
  3. aparte bespuiting van kweek en stuifdek gerst (niet toevoegen aan LDS).
  4. de genoemde dosering is alleen voldoende effectief tegen jong, niet uitgestoeld straatgras.

Voor meer informatie over de toegelaten middelen, zie ˈtabel 6.1.4 toegelaten middelen tegen onkruiden in suikerbietenˈ.

6.1.4 Wortelonkruiden

Zodra de akkerdistels, melkdistels en klein hoefblad boven staan en blad vormen kan 0,5 liter per hectare Lontrel 100 of een ander clopyralid bevattend middel aan het LDS worden toegevoegd. Doe dit onder groeizame omstandigheden (dunne waslaag of hoge RV). Bij de bestrijding van wortelonkruiden is het belangrijk dat deze goed aan de groei zijn. Pas clopyralid daarom niet toe binnen tien dagen na gebruik van Safari, vanwege de kans op slechtere opname van het herbicide. Indien nodig kan deze clopyralid-bespuiting twee keer worden herhaald. Een andere mogelijkheid is om één keer een aparte bespuiting uit te voeren met maximaal 1,2 liter per hectare Lontrel 100 + 1,0 liter per hectare plantaardige olie. Dit kunt u doen tot het acht- tot tienbladstadium van de bieten. Dit is het stadium waarbij de bladeren elkaar in de rij nog niet raken, meestal in de tweede helft van mei. Vanwege parapluwerking van de bieten neemt daarna de effectiviteit van de bespuitingen af. Bij een latere toepassing heeft pleksgewijze bestrijding met (rug)spuit de voorkeur in verband met beter raken van de onkruidplanten. Overschrijd daarbij niet de wettelijke toegestane dosering.

6.1.5 Hulpmiddelen/app's

Voor herkenning van onkruiden kunt u gebruik maken van de applicatie ˈOnkruidherkenningˈ, via www.irs.nl/onkruidherkenning. Deze is ook beschikbaar als app, zie QR-codes hieronder.

Onkruidherkenning met de IRS-app

Onkruidbestrijdingsadvies op maat

Voor perceelspecifieke, chemische onkruidbestrijdingsadviezen kunt u gebruik maken van de applicatie ˈIRS-Onkruidbeheersingˈ (www.irs-onkruidbeheersing.nl). Deze applicatie geeft adviezen op basis van de aanwezige onkruiden, de grootte van de onkruiden en de grootte van de bieten. De adviesdoseringen worden gecorrigeerd voor weersomstandigheden voor en na het bespuitingstijdstip en de toestand van de grond en het gewas.

Doel: effectieve chemische onkruidbestrijding zonder schade aan de bieten.

Meerwaarde: advies afgestemd op de specifieke spuitomstandigheden.

1. ga naar de adviesmodule IRS-LIZ-Onkruidbeheersing: www.irs-onkruidbeheersing.nl;

En vul in:

2. het ontwikkelingsstadium van de bieten;

3. de belangrijkste onkruiden en de ontwikkelingsstadia;

4. de weersomstandigheden voor en na de bespuiting;

5. de groeiomstandigheden en het spuitmoment.

Resultaat:

- advies middelencombinatie;

- advies doseringen;

- indicatie van kosten;

- bijkomende adviezen.

Een alternatieve herbicidencombinatie kunt u kiezen op basis van de actieve stoffen uit het advies.

Let op: de adviesmodule houdt geen rekening met de voorafgaande bespuitingen. Blijf daarom zelf controleren of het advies voldoet aan het Wettelijk Gebruiksvoorschrift van de middelen!

6.1.6 Conviso Smart Systeem

Conviso Smart is een alternatief systeem voor onkruidbeheersing in suikerbieten. Voor dit systeem zijn ALS-tolerante bietenrassen ontwikkeld, waarin bepaalde ALS-remmers (specifieke herbiciden) ingezet kunnen worden. De huidige Smart-rassen hebben nog een lagere opbrengst dan vergelijkbare niet-ALS-tolerante bietenrassen.

Voor de zaaibedbereiding wordt bij aanwezigheid van ontwikkeld onkruid geadviseerd om het perceel met glyfosaat te behandelen, om zodoende een schone start te hebben. Het toepassen van een bodemherbicide na zaai van de bieten is bij dit systeem niet nodig.

Momenteel is één ALS-remmend middel in suikerbieten toegelaten, namelijk Conviso One. Dit middel laat een goede bestrijding zien op veel breedbladige en grasachtige onkruiden (zie ook tabel 6.1.7). Aangezien bij het gebruik van ALS-remmers een verhoogd risico is op resistentie van onkruiden, is preventie van resistentieontwikkeling belangrijk. Effectieve maatregelen tegen resistentieontwikkeling bij onkruiden in het bouwplan zijn onder andere het afwisselen of mengen van herbiciden van verschillende chemische groepen, gewasrotatie, concurrerende gewassen en mechanisch wieden daar waar mogelijk.

Meerdere rassen van verschillende zaadfirma’s met diverse resistenties (rhizomanie, rhizoctonia, bietencysteaaltjes) worden de komende jaren op de Rassenlijst verwacht.

Conviso One wordt geadviseerd om twee keer toe te passen. Beide keren wordt de volgende combinatie ingezet: 0,5 liter per hectare Conviso One, 1 liter per hectare fenmedifam (o.a. Corzal SE), 1 liter per hectare ethofumesaat (o.a. Tramat 200) en 1 liter per hectare plantaardige olie. Deze combinatie wordt geadviseerd om de werking te optimaliseren en vanwege resistentiemanagement.

De eerste toepassing van Conviso One vindt plaats op basis van de ontwikkeling van de onkruiden. Leidend hierbij is de maximale grootte van de volgende onkruiden: melganzenvoet (maximaal 2-4 echte bladeren) of uitstaande melde (maximaal 2 echte bladeren). De tweede toepassing vindt 10 tot 30 dagen hierna plaats, het interval is afhankelijk van de effectiviteit van de eerste toepassing en de groeiomstandigheden van de onkruiden na de eerste toepassing.

Tabel 6.1.7 Gevoeligheid onkruiden voor Conviso One.

onkruid Conviso One
bingelkruid 5
duivenkervel 5
ereprijs 2
gerst (stuifdek) 5
herik 5
hondspeterselie 5
kamille 5
kleefkruid 5
knopkruid 5
koolzaadopslag 5
melganzenvoet 4
ooievaarsbek 5
papegaaienkruid 5
perzikkruid 5
straatgras 5
uitstaande melde 4
varkensgras 5
veerdelig tandzaad 5
waterpeper 5
zwaluwtong 5

5 = gevoelig; 0 = niet gevoelig

Het is belangrijk te weten dat Conviso One alleen in een ALS-tolerant bietenras kan worden ingezet. Niet-ALS-tolerante bietenrassen worden doodgespoten door Conviso One. Let dus ook op bij eventuele aangrenzende niet-ALS-tolerante rassen. Conviso One kan dus wel gebruikt worden voor het bestrijden van niet-ALS-tolerante zaadbieten/onkruidbieten. Belangrijk blijft wel om alle ALS-tolerante schieters tijdig te verwijderen, aangezien die planten resistent zijn tegen veel ALS-herbiciden in andere teelten.

Gerst als anti-stuifdek wordt door Conviso One ook bestreden. Een vroege bespuiting van Conviso One kan de functie tegen stuiven van gerst verminderen.

In het algemeen wordt aardappelopslag onvoldoende bestreden. Afhankelijk van het ras heeft Conviso One een duidelijke werking op het aardappelloof, maar knolvorming wordt niet voorkomen.

6.1.7 Aardappelopslag

6.1.7.1 Problematiek van aardappelopslag

Aardappelopslag is om twee redenen een probleem:

  1. het belemmert de groei van het geteelde gewas;
  2. het kan ziekten in stand houden of zelfs vermeerderen.

De inzet van rijenfrezen of schoffelwerktuigen is alleen effectief ter bestrijding van bovengrondse plantdelen. Chemische bestrijding met voor bieten selectieve middelen is niet afdoende. De inzet van bijvoorbeeld triflusulfuron-bevattende middelen (o.a. Safari), Frontier Optima, Dual Gold 960 EC of clopyralid-bevattende middelen (o.a. Lontrel 100), geven onvoldoende bestrijding van aardappelopslag. Vaak geven deze middelen alleen verbranding en/of tijdelijke groeiremming van het aardappelloof. De knolvorming gaat bij deze middelen door. Uit fytosanitair oogpunt (punt 2) is het echter noodzakelijk dat ook de ondergrondse delen volledig bestreden worden. Er mogen dus geen nieuwe knollen worden gevormd. In het uiterste geval kunnen aardappelcysteaaltjes (Globodera pallida of G. rostochiensis) zich blijven vermeerderen en wordt het vruchtwisselingseffect geheel te niet gedaan. In plaats van een afname van de populatie zal een toename optreden, die afhankelijk is van het aantal opslagplanten per vierkante meter. Het is noodzakelijk aardappelopslag op een geïntegreerde wijze aan te pakken. De beste aanpak is aardappelopslag zoveel mogelijk te voorkomen. Om vermeerdering van cysten tegen te gaan dient de bestrijding voor de langste dag te zijn uitgevoerd.

Aardappelopslag in bieten geeft concurrentie en vormt al snel nieuwe knollen. Verder kan aardappelopslag een besmettingsbron zijn voor Phytophthora infestans, en kunnen virussen in de knol overleven en een primaire bron zijn voor besmetting. Tenslotte vermeerderen schadelijke insecten als de coloradokever zich op aardappelopslag.

6.1.7.2 Beperk rooiverlies en de kieming van de aardappelen

De eerste slag kunt u maken bij het rooien. Beperk de hoeveelheid achtergebleven knollen door aandacht te besteden aan een goede afstelling van de rooier. Denk hierbij aan juiste rooidiepte, fijne steek spijlenmat, afstelling axiaalrollen en het voorkomen van morsen. Ook kan de rassenkeuze een rol spelen. Over het algemeen geven frietaardappelrassen bij de oogst een grovere sortering dan consumptieaardappelrassen.

Door het aardappelgewas te bespuiten met maleinehydrazide (Royal MH of Crown MH) kunt u kieming van achtergebleven aardappelen in het volgende jaar voorkomen of beperken. Het effect is afhankelijk van het spuitmoment en de vitaliteit van het aardappelgewas. Onder gunstige omstandigheden wordt met deze bespuiting 60-80% van de aardappelopslag voorkomen.

6.1.7.3 Niet-kerende grondbewerking

Ondanks een goede afstelling van de rooier, blijven bij de oogst van aardappelen vaak knollen op het land achter. Deze knollen kunnen in de grond overwinteren. Als een aardappel niet wordt blootgesteld aan 48 vorstgraaduren (bijvoorbeeld bodemtemperatuur van -2ºC gedurende 24 uur), kunt u problemen met aardappelopslag verwachten.

De mate van bevriezing is mede afhankelijk van grondsoort en de uitgevoerde grondbe­werking in het najaar. Door de knollen aan de oppervlakte te houden, kunt u het effect van de vorst op de aardappel vergroten. U kunt dit bereiken door na de teelt van aardappelen in het najaar een niet-kerende grondbewerking uit te voeren met cultivateren of spitten in plaats van ploegen. Onderzoek wees uit dat een niet-kerende grondbewerking voorafgaande aan de bietenteelt niet nadelig is voor de suikeropbrengst.

6.1.7.4 Rotatie

Aardappelopslag kan verminderd worden door geen bieten direct na aardappelen te telen. Het is dan zaak om in de tussenliggende teelten de aardappelopslag effectief te bestrijden.

Onderzoek van Wageningen Plant Research wees uit dat een aantal herbiciden in granen en maïs aardappelopslag kunnen onderdrukken, maar niet effectief bestrijden. Bij de inzet van de herbiciden Starane en Hussar in wintertarwe werd een afname van het versgewicht van de knollen geconstateerd ten opzichte van onbehandeld. Echter, het aantal gevormde knollen was door de graanherbiciden niet significant lager. Het maïsherbicide Callisto gaf een lager versgewicht van de nieuw gevormde knollen en een lagere knolproductie. Omdat er knolvorming optreedt, kunnen (aardappelcyste)aaltjes zich toch vermeerderen, waardoor om fytosanitaire redenen deze strategieën geen oplossing bieden. Behandeling met glyfosaat gaf geen knolvorming.

6.1.7.5 Glyfosaat

Aardappelopslag is effectief te bestrijden met glyfosaat (bijvoorbeeld Roundup). Voor de doseringen wordt verwezen naar de betreffende etiketten. Voor glyfosaat zijn twee systemen van toepassing te onderscheiden:

a. Aanstrijken

Bij deze toepassing moet de aardappelopslag boven de bieten uitkomen. Met een voldoende hoog boven de bieten afgestelde onkruidstrijker, kunt u een oplossing van glyfosaat aan de aardappelplanten strijken. Let erop dat de strijker niet druipt, om te voorkomen dat glyfosaat de bieten raakt. Er zijn verschillende strijkers beschikbaar die allemaal goed werk kunnen leveren, mits oordeelkundig gebruikt (zie figuren 6.1.1 en 6.1.2).

Aardappelopslag-4

onkruiden_bestrijding-aardappelopslagbestrijding-Numansdorp-02

Figuren 6.1.1 en 6.1.2 Bij voldoende hoogteverschil tussen opslag en suikerbiet kan de teler met een onkruidstrijker ook de aardappelplanten in de rij bestrijden.

b. Pleksgewijs

Bij weinig aardappelopslag kunt u glyfosaat ook per plant toepassen. Er zijn verschillende gereedschappen op basis van zowel spuiten als strijken, bijvoorbeeld een selector of een onkruidstick. Met deze gereedschappen kunt u goed werk leveren, mits zorgvuldig ge­bruikt. Om de aardappelplanten te markeren, kan men kleurstof (signaalrood) aan de oplossing toevoegen.

Y:\Algonkruid\2012 algemeen\selector.jpg

Figuur 6.1.3 Aardappelopslagbestrijding met een selector.

De werking van glyfosaat is optimaal bij groeizaam, donker weer. Bij scherp drogend weer droogt de spuitvloeistof zeer snel. De aardappelen nemen dan onvoldoende op. Een slechte opname en daardoor een tegenvallende werking kan ook als aardappelplanten door herbi­cidenbespuitingen zijn ˈaangebrandˈ. U behaalt de beste bestrijdingsresultaten bij aardap­pelplanten van 10-20 centimeter hoog. Bij grotere planten en schraal weer is het advies de dosering te verhogen en/of plantaardige olie toe te voegen (zie etiket van het product).

6.1.7.6 Apparatuur voor aardappelopslagbestrijding

Er zijn twee principes van strokentoepassing:

1. volvelds toepassen, waarbij een profiel de bietenrij afschermt;

2. tussen de rijen spuiten, waarbij een kap de behandelde oppervlakte afschermt (zie figuur 6.1.4).

onkruiden_bestrijding-aardappelopslagbestrijding-Zeewolde-09

Figuur 6.1.4 Kappenspuit; het monteren van de machine in de fronthef biedt goed zicht op het werk.

Kappenspuiten geven naast bestrijding van aardappelopslag ook een bestrijding van nog aanwezig onkruid tussen de rij. Ter afscherming van de bieten moeten de profielen of de kappen door de grond lopen, om eventueel bietenbladeren die eronder doorgaan, af te snijden. Sommige loonwerkers/telers hebben hiervoor schijven voor de profielen of kappen geplaatst.

Om drift naar de bieten te voorkomen, is spuiten alleen mogelijk met een grove druppel. Harde wind kan spelbreker zijn. Zeker bij de aanwezigheid van een antistuifdek gerst. Het gevaar bestaat dat druppels op de gerst kunnen overwaaien naar het gewas.
Er is een lijst met personen/bedrijven die een werktuig voor aardappelopslagbestrijding beschikbaar hebben (https://www.irs.nl/apparatuuraardappelopslag).

6.1.8 Onkruidbieten

Schieters met rijp zaad (zie paragraaf 1.3 Schietergevoeligheid in het hoofdstuk Rassen) kunnen een serieuze bedreiging vormen voor de bietenteelt in de toekomst.

6.1.8.1 Zaadproductie

Afhankelijk van het tijdstip van optreden, de ontwikkeling van de schieter en de weersom­standigheden kan één schieter gemakkelijk 2.000 tot 4.500 levenskrachtige zaadjes ople­veren. Een hectare met meer dan 25 schieters produceert circa 100.000 zaadjes, voldoende om normaal één hectare bieten mee te zaaien. Deze zaadjes blijven een groot aantal jaren levenskrachtig in de grond.

6.1.8.2 Afbraak populatie zaad in de grond

De afname van de voorraad vitale onkruidbietenzaden in de grond verloopt slechts langzaam.

De hoeveelheid onkruidbietenzaad in de bouwvoor kunt u afleiden uit het aantal onkruid­bieten dat in een bietengewas tot ontwikkeling komt. Een populatie van 75 onkruidbieten per vierkante meter komt regelmatig voor. Aantallen van 200 zijn ook wel gevonden. Ervan uitgaande dat opgekomen bieten uit de bovenste 4 cm van de bouwvoor afkomstig zijn en dat 50% van de daar aanwezige zaden opkomt, betekent dit dat er aanvankelijk (2 × 75 =) 150 zaden per vierkante meter in deze laag aanwezig waren. Omdat u de bouwvoor elk jaar intensief bewerkt, mag u een homogene verdeling van de zaden over deze laag aannemen. Bij een bouwvoor van 24 centimeter betekent dit dat er (6 × 150 =) 900 zaden per vierkante meter in de bouwvoor voorkomen. Nemen we vervolgens aan dat jaarlijks 25% van het aantal aanwezige zaden door bodemorganismen verdwijnt en dat dit over de gehele bouwvoor in gelijke mate plaatsvindt, dan verdwijnen er (¼ × 900 =) 225 zaden per vierkante meter. Dit betekent in het eerste jaar een totale afname van het aantal zaden van 75 (door kieming) en 225 (door organismen) = 300 zaden ofwel circa 33% van de voorraad. Het verloop van de afname van het aantal onkruidbieten, uitgaande van een constante afname van 33%, is weergegeven in figuur 6.1.5.

Wilt33-hoeveelheid onkruidbieten

Figuur 6.1.5 Het verloop van de afname van de hoeveelheid onkruidbieten in de tijd, uitgaande van 900 zaden per m2 in de bouwvoor (24 cm), 50% opkomst van de zaden uit de bovenste 4 centimeter en een constante jaarlijkse afname van 33% van de onkruidzaden.

De afname gaat aanvankelijk erg snel, maar het duurt zeker twaalf jaar voordat het aantal onkruidbieten tot redelijke proporties is teruggebracht. In Engeland is na 18 jaar nog een kiemkrachtig zaadje gevonden! Het aantal zaden dat volgens berekening in het twaalfde jaar in de bovenste 4 centimeter van de bouwvoor zit, is circa één zaad per vierkante meter. Globaal zal dit leiden tot één schieter per twee vierkante meter. Vindt er geen bestrijding van deze laatste schieters plaats, dan kunnen ze per schieter weer circa 2.000 kiemkrachtige zaden (= 1.000 zaden/m2) leveren. Het overschrijdt hiermee het beginaantal van 900 zaden per vierkante meter ruimschoots.

Bij aanpassing van de uitgangspunten (beginpopulatie, mate van kieming en mate van doding) blijft het gevaar van een voortdurende besmetting nog erg groot.

Bovenstaande berekening toont aan dat bij de bestrijding van schieters gedurende een groot aantal jaren een nultolerantie gewenst is. Dit vergt al die jaren een grote waakzaamheid en veel controlewerk.

6.1.8.3 Bestrijding van onkruidbieten

Het probleem onkruidbieten is alleen te bestrijden door alle schieters weg te halen voordat er rijp zaad is geproduceerd. Dit kan op de volgende manieren:

a. later zaaien

Is het bekend dat er erg veel onkruidbietenzaad op een perceel aanwezig is, dan is het verstandig wat later te zaaien, bijvoorbeeld de tweede helft van april. Veel van de in de toplaag aanwezige zaadjes kiemen in maart en begin april. Als u daarna het zaaibed klaarmaakt, bestrijdt u de aanwezige kiemplantjes al. Dit is ook de reden dat er in jaren met een late zaai relatief weinig onkruidbieten zijn.

b. schoffelen

Kort na opkomst van de bieten is al zichtbaar of er sprake is van onkruidbieten. Er komen dan veel bieten tussen de gezaaide rijen voor (figuur 6.1.6). Veel van deze niet-bewust gezaaide bieten kunt u met schoffelen bestrijden. Komt er nog een tweede kiemgolf, schoffel dan opnieuw. De schieters in de rij moet u met de hand uittrekken of afkappen (zie punt c).

afb 5 - deel B Onkruidbieten - Betatip hfst 5

Figuur 6.1.6 Onkruidbieten in suikerbieten.

c. uittrekken en afkappen

Komen er later toch schieters, trek ze dan op tijd uit, kap ze af of knik ze om. Op tijd wil zeggen voordat een schieter rijp zaad produceert (figuren 6.1.7, 6.1.8 en 6.1.9). Uittrekken is nodig om hergroei te voorkomen en afkappen om hergroei vanuit de reeds gevormde wortel tegen te gaan. Wacht u te lang met het uittrekken, dan moet u de schieters voorzichtig van het veld afdragen om zaadval te voorkomen. Figuur 6.1.10 toont de zaadproductie van één niet-afgekapte schieter.

Figuren 6.1.7, 6.1.8 en 6.1.9 Drie stadia van schieters: bloeiende, begin afrijping en met rijp zaad (foto: Strube).

afb 4 - deel B Onkruidbieten - Betatip hfst 5

Figuur 6.1.10 Zaadval van een niet-afgekapte schieter.

d. noodmaatregelen bij grote aantallen

Het schieterprobleem is op sommige percelen in Nederland, en nog meer in andere Europese landen, zó groot dat telers het met grof geweld moeten bestrijden. Hiervoor zetten ze (bij >500 schieters/ha) onkruidstrijkers met glyfosaat in of maaien ze de schieters (bij >10.000/ha) boven de bieten af. Het gebruik van glyfosaat heeft als groot bezwaar dat er rottende bieten in het geoogste product kunnen komen. Maaien heeft als nadeel dat het zaad dat op het onderste deel van de bloeistengels groeit, gewoon kan afrijpen.

e. Conviso Smart systeem

Conviso One wordt in de teelt van een ALS-tolerant bietenras gebruikt en heeft een goede werking op standaard onkruidbieten (niet-ALS-tolerant). Belangrijk blijft wel om van ALS-tolerante rassen alle schieters tijdig te verwijderen, de onkruidbieten die hieruit voortkomen zijn namelijk ongevoelig voor Conviso One, maar ook ongevoelig voor andere herbiciden uit dezelfde ALS-groep in andere teelten, zoals de herbiciden Atlantis Star en Capri Twin die in de graanteelt worden gebruikt.

6.1.8.4 Tot wanneer doorgaan met schieters verwijderen

In een bietengewas kunnen schieters nog tot ver in de campagne ontstaan. Afhankelijk van de weeromstandigheden kunnen ze nog rijp zaad vormen. De temperatuursom die nodig is vanaf de vorming van de bloeistengel tot rijp zaad, is ongeveer 350 graaddagen (de optelsom van de gemiddelde dagtemperaturen in een periode).

Blijf het perceel controleren en verwijder de schieters in ieder geval tot half september. Oogst u vroeg, dan kunt u iets eerder stoppen met het verwijderen van schieters. Oogst u laat (vanaf eind oktober), ga dan langer door.

6.1.8.5 Conclusie

Onkruidbieten kunnen uitgroeien tot een zeer ernstig onkruidprobleem. De aanpak van dit probleem is kostbaar. Laat het dus niet zover komen en pak het direct bij de eerste schieter aan.

Het is niet altijd duidelijk of het ˈnormaleˈ schieters zijn of schieters uit onkruidbieten, maar dit is niet belangrijk. In verband met mogelijke veronkruiding en andere fytosanitaire gevolgen, is het noodzakelijk alle schieters te verwijderen om te voorkomen dat er zich rijp zaad vormt.

6.2 Beperking middelengebruik

Versie: maart 2021

Er zijn verschillende redenen om het middelengebruik terug te dringen:

  • kosten middelen;
  • beschikbaarheid van middelen;
  • lagere milieubelasting;
  • resistentiemanagement;
  • teelt onder keur of certificaat.

Enkele mogelijkheden om het middelengebruik te beperken, zijn:

  1. rijenspuiten;
  2. mechanische onkruidbeheersing;
  3. spuitmoment optimaliseren.

Deze mogelijkheden komen hierna kort aan de orde.

6.2.1 Rijenspuiten

Met rijenspuiten brengt een teler de met herbiciden behandelde oppervlakte terug. De mate waarin dit gebeurt, is afhankelijk van de behandelde bandbreedte en die is weer afhankelijk van de nauwkeurigheid bij het schoffelen. In combinatie met schoffelen tussen de rijen kan met een kleinere hoeveelheid herbicide per hectare onder de juiste omstandigheden op een geïntegreerde wijze (zie 5.2) een goede beheersing van onkruid plaatsvinden. Doordat bij het rijenspuiten een deel van het middel verwaait naar de niet-bespoten strook, mag de teler de dosering van de middelen niet zonder meer omrekenen naar de te behandelen strookbreedte. Hij moet de dosering naar boven toe corrigeren, waarbij de correctie het grootst is bij de minst nauwkeurige wijze van werken; zie tabel 6.2.1.

Tabel 6.2.1 Het behandelde oppervlak, het percentage van de geplande volveldsdosering en de besparing op de middelenkosten bij verschillende te behandelen strookbreedten.

strookbreedte

(cm)

(rijafstand 50 cm)

behandelde oppervlakte

(%)

geplande volveldsdosering

(%)

besparing op middelenkosten

(%)

20

17

15

12,5

10

40

33

30

25

20

50

40

35

30

25

50

60

65

70

75

Type rijenspuiten

Bij een rijenspuit met één spuitkop per rij staan de spuitdoppen recht boven de gewasrij (figuur 6.2.1). Bij een rijenspuit met twee spuitdoppen per rij staan de spuitdoppen niet recht boven de gewasrij, maar onder een hoek. Het beperkt de mogelijke schaduwwerking van het gewas. Anderzijds zijn bij twee spuitdoppen per rij de doppen kleiner, wat meer kans geeft op verstoppingen. Tevens is de afstelling om de juiste strookbreedte te behandelen lastiger dan bij één spuitkop per rij. Bij rijenspuiten kunt u de spuitdophoogte ten opzichte van het gewas minimaliseren tot circa 7 cm, maar dit is wel afhankelijk van de te bewerken bandbreedte en het type spuitdop. Naast de besparing op middelen kunt u hierdoor ook een driftreductie van 90% behalen.

Figuur 6.2.1 Een rijenspuit (één spuitdop per rij).

Het instellen van dophoogte en bandbreedte is belangrijk voor een optimaal bestrijdingseffect en minimale drift.

Hernieuwde aandacht voor de rijenspuit?

Het gebruik van de rijenspuit past binnen geïntegreerde onkruidbeheersing. Door inzet van de rijenspuit wordt het middelengebruik en daarmee de milieubelasting fors verlaagd. In dit systeem worden de paden mechanisch schoongehouden.

Tegenover de lagere middelenkosten staan de machinekosten van rijenspuit- en schoffelapparatuur en arbeid.

6.2.2 Mechanische onkruidbeheersing

Binnen de geïntegreerde gewasbescherming valt mechanische onkruidbestrijding onder niet-chemische bestrijding. Er zijn diverse systemen van mechanische onkruidbestrijding:

  • schoffelen

Met schoffelen (met een grote variatie aan beschikbare werktuigen) kunt u het on­kruid tussen de bietenrijen doelmatig bestrijden, mits de weersomstandigheden gunstig zijn. Als u schoffelt, moet u in de rij een chemische bestrijding toepassen door bijvoorbeeld rijenspuiten of moet u een andere mechanische techniek inzetten (zie vingerwieden, torsiewieden en intra-rijschoffelen). Schoffelen is niet zinvol als er geen onkruid aanwezig is. Het breken van een korst om lucht in de grond te brengen, is dus zinloos. Schoffelen is vaak de enige oplossing bij moeilijk te bestrijden onkruiden, zoals onkruidbieten, of bij te groot geworden onkruid. Wees op hellende percelen en op zand- en dalgrond voorzichtig met schoffelen in verband met een verhoogd risico voor vorstschade en wind- of watererosie.

  • rijenfrezen

Bij erg groot moeilijk te schoffelen onkruid kunt u een rijenfrees gebruiken. Hiervoor gelden dezelfde opmerkingen als bij schoffelen.

  • aanaarden

Vooral op lichte gronden kan de teler onkruid in de rij bestrijden door aan te aarden. Hiervoor zijn speciale schoffels, aanaarders op de markt. Het beste tijdstip om aan te aarden is vlak voor het sluiten van het gewas. Aanaarden heeft alleen zin als er ook echt onkruid in de rij staat. Een voordeel kan zijn dat in het najaar de koppen van de bieten wat dieper in de grond staan, waardoor er minder snel vorstschade optreedt. Zwaar aanaarden geeft soms problemen bij het koppen van de bieten en kan op zandgronden juist grond met rhizoctonia in de kop terechtkomen, waardoor er sneller wortelrot optreedt.

  • tandeggen

Vanaf het vier- tot zesbladstadium van de bieten is het ook mogelijk om volvelds te eggen. Het onkruid mag hierbij niet groter zijn dan kiembladstadium. Dit betekent dat u meestal eerst ongeveer twee keer een lagedoseringenbespuiting moet uitvoeren, omdat het onkruid anders te groot wordt.

Eggen kunt u op veel manieren afstellen door meer druk op de tanden te geven. Rij bij een bepaalde afstelling eerst een klein stukje en beoordeel dan of het onkruid voldoende is bestre­den en of er niet te veel bieten zijn uitgeëgd (figuur 6.2.2).

Figuur 6.2.2 Wiedeg, druk op tanden hydraulisch geregeld vanaf de trekker.

  • neteggen

Op zandgrond kan er met een neteg worden gewerkt. Door gewicht op de neteg te plaatsen kan intensiever worden gewerkt.

  • vingerwieden

Een vingerwieder is een draaiende schijf met vingers en gebruikt u voor onkruid­bestrijding in de gewasrij (figuur 6.2.3). U moet hem zo afstellen dat u het onkruid wel en de bieten niet bestrijdt. Dus net als bij de eg: probeer een stukje en stel zo nodig bij.

Figuur 6.2.3 Vingerwieder.

  • torsiewieden

Ook met een torsiewieder (figuur 6.2.4 en 6.2.5) kunt u (klein) onkruid in de rij bestrijden. Hierbij geldt opnieuw: zoek naar de juiste afstelling door een stukje uit te proberen.

torsiewbieten

Figuur 6.2.4 en 6.2.5 Torsiewieder (foto's: P. Bleeker, PPO-agv).

  • intra-rijschoffelen

De ontwikkeling van onkruidbestrijdende schoffelapparatuur in de rij is vergevorderd. Met lichtsensoren of camera’s zijn bieten te herkennen. De in de rij werkende schoffels wijken op het goede moment voor de bietenplant uit. De eerste machines zijn in de praktijk geïntroduceerd. Voor grootschalige toepassing moeten de systemen verder worden verbeterd. Ook de hoge kostprijs is nog een beperkende factor.

6.2.3 Spuitmoment optimaliseren

Verschillende programma’s zijn op de markt, waarbij de dosering van de middelen wordt aan­gepast aan de verwachte werking. Het weer in de afgelopen periode en de weersverwachting zijn hiervoor de basis.

6.3 Invloed diverse herbiciden op bieten/vervanggewassen

Versie: januari 2021

6.3.1 Vervangende gewassen bij een mislukte teelt van bieten en andere gewassen

Bij het mislukken van een bietengewas kan het voor overzaaien te laat worden. Vooral welke (onkruid)bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt, bepaalt het antwoord op de vraag ˈwelk ander gewas kan ik nu nog zaaien?ˈ. Hierbij spelen twee zaken een rol:

  1. welke middelen zijn toegepast;
  2. welke dosering is gebruikt.

Vanuit de Universiteit van Gent is het meeste onderzoek bekend over de mogelijkheden van de teelt van vervangende gewassen. De onderzoeksgegevens van 1979 tot en met 1996 zijn samengevat in ˈRecropˈ en die van 1997 tot en met 2000 in ˈRecrop 2001ˈ. Beide zijn uitgaven van het Ministerie van Middenstand en Landbouw van België en bevatten een gegevensbank over de werkingsduur van (bodem)herbiciden voor vervanggewassen. Hierbij is uitgegaan van een niet-kerende grondbewerking voorafgaande aan de zaai van de vervanggewassen. Een samenvatting uit het onderzoek over de invloed van bietenherbiciden op mogelijke volggewassen staat in tabel 6.3.1. De daarbij gebruikte codering is overgenomen uit Recrop:

A. veilig, normale opbrengst;

B. tijdelijk lichte groeischade of mogelijke opbrengstdaling van circa 10%;

C. blijvende groeischade (10-15%) en een mogelijke opbrengstdaling (circa 10-20%);

D. uitgesproken groeischade (15-35%) en opbrengstverlies (20-40%);

E. zware groeischade (35-80%) en opbrengstverlies (40-80%);

F. zeer zware groeischade en een opbrengstvermindering van >85%.

Tabel 6.3.1 Waardering van de effecten van enkele in bieten toegepaste middelen op de groei en opbrengst van gewassen die onmiddellijk na de mislukte teelt van bieten worden verbouwd na een niet-kerende grondbewerking (bron: Recrop 2001).

gewas middel en dosering (g a.s1/ha)
clopyralid

(o.a. Lontrel 100)

(200 g/ha)

metamitron

(o.a. Goltix SC)

(2.000 g/ha)

triflusulfuron-methyl

(Safari)

(30 g/ha)

ethofumesaat

(o.a. Tramat 500)

(1.000 g/ha)

clomazone

(Centium 360 CS)

(90 g/ha)

aardappel

bruine bonen

cichorei

erwt

Ital. raaigras

maïs

kool

schorseneren

sla

spinazie

stamslabonen

suikerbieten

vlas

witlof

wortelen

zaaiuien

zomergerst

zomerhaver

zomertarwe

E

E

E

F

A

B

A

F

F

C

F

B

B

F

F

D

B

A

B

A

B

F

C

D

C

D

D

F

E

C

A

E

F

E

F

D

D

E

B

B

D

C

D

C

D

B

E

E

B

C

C

D

C

D

B

B

B

D

B

-2

D

B

C

D

C

D

C

C

B

D

D

B

B

F

F

F

A

B

B

B

B

B

A

A

C

B

C

B

B

B

A

B

B

B

B

1g a.s. = gram actieve stof.

2- = niet bekend.

Na de teelt van een ander (al dan niet mislukt) gewas, kan de teler zich afvragen of bieten het volggewas kunnen zijn. Dit hangt af van welke herbiciden zijn gespoten en in welke doseringen. Het probleem is hetzelfde wanneer per abuis in bieten een verkeerd middel is toegepast, dan speelt de vraag: kan ik nog bieten zaaien op dat perceel?

Een samenvatting van de gegevens uit de Belgische publicatie staat vermeld in tabel 6.3.2.

Bij toedieningstijdstip ˈnajaarˈ is het betreffende middel omstreeks half november toegediend en bij ˈvoorjaarˈ rond half maart. Circa vijf weken na de voorjaarstoepassingen zijn de bieten gezaaid. De in de tabel vermelde effecten kunnen minder zijn door voor het zaaien te ploegen.

Tabel 6.3.2 Waardering van het effect van niet-bietenherbiciden op de groei en opbrengst van bieten na een oppervlakkige niet-kerende grondbewerking.
Bron: Recrop 2001.

actieve stof toedieningstijdstip geteste dosering

(g a.s.1/ha)

product o.a. effect op bieten
herbiciden in aardappelen
pendimethalin voorjaar 1.250 Stomp 400 SC F
aclonifen voorjaar 3.000 Challenge D
prosulfocarb voorjaar 4.000 Boxer A
metribuzin voorjaar 250 Sencor SC E
rimsulfuron voorjaar 7,5 Titus D
herbiciden in granen
metsulfuron- voorjaar 6 Ally SX F
methyl
iodosulfuron voorjaar 2,5 in Atlantis, Hussar D
prosulfocarb najaar 4.000 Boxer B
florasulam voorjaar 5 Primus C
fluroxypyr voorjaar 200 Starane Top, Primstar D
fenoxaprop-P-ethyl voorjaar 66 Puma Extra A
pendimethalin najaar 1.250 Stomp 400 SC E
herbiciden in maïs
isoxaflutool voorjaar 120 Merlin F
iodosulfuron voorjaar 10 in Maïster F
nicosulfuron voorjaar 40 Milagro, Samson 4SC E
florasulam voorjaar 5 Primus C
fluroxypyr voorjaar 200 Starane Top, Primstar D
herbiciden in overige gewassen
propyzamide voorjaar 750 Kerb 50 W spuitpoeder C

1g a.s. = gram actieve stof.

Bij vragen over vervangende gewassen kunt u zich richten tot het IRS:

Sjef van der Heijden 0165-516098; mobiel 06-11759205

6.3.2 Schade aan bieten door middelen in voorgaande gewassen

Het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen in voorgaande gewassen kan in suikerbieten schade veroorzaken. In het kort bespreken we enkele gevallen.

6.3.2.1 Metribuzin (o.a. Sencor)

Na de teelt van aardappelen, waarin Sencor is gespoten, kan er soms schade aan bieten ont­staan. De schade treedt vooral op na opkomst van de bieten. De oudste bietenbladeren sterven af, beginnend aan de top. Wanneer de teler na de aardappelteelt niet ploegt, kan hij door een slechtere stand van de bieten soms een patroon van de aardappelruggen herkennen.

6.3.2.2 Propyzamide (o.a. Kerb)

Kerb wordt toegepast onder fruitbomen, in cichorei en witlof. Onder ongunstige (humus­arme grond en na een koude winter) omstandigheden kan schade optreden die u kunt herkennen aan stilstand van de groei en geelverkleuring van de bietenplanten.

6.3.2.3 Mesotrione (o.a. Callisto)

Callisto is een onkruidbestrijdingsmiddel in de maïsteelt. Door overdoseringen (bijvoorbeeld door overlapping) of bij het inzetten van de spuit, kan schade ontstaan in het volggewas bieten. Dit komt vooral voor als er geen kerende grondbewerking is uitgevoerd of als de pH te laag is. De bladeren van de jonge bietenplanten verkleuren van onder naar boven wit en de groei staat stil (figuur 6.3.1). Soms sterven de bieten af.

5-3-2-4 foto

Figuur 6.3.1 Witverkleuring in bieten door spuiten van Callisto in voorvrucht maïs.

6.3.3 Schade aan bieten door verontreiniging spuitapparatuur en verkeerd middelen­gebruik

Door een verkeerd gebruik van middelen, het overwaaien van middelen van naburige percelen of het onvoldoende reinigen van de spuitapparatuur kan schade aan een bietengewas ontstaan. Dit komt mogelijk door het verkeerd toepassen van de middelen genoemd onder paragraaf 6.3.2. Zo komt het nogal eens voor dat een teler in plaats van Safari door de bijna identieke verpakking Ally of Titus gebruikt. Bij foutief gebruik van de middelen is over­zaaien van bieten meestal niet mogelijk.

Door een verontreinigde tank kan soms ook schade aan bieten ontstaan. Bekende voorbeelden hiervan zijn Traton, Finy SG en Merlin. Deze middelen vragen extra aandacht bij de reiniging van de spuitapparatuur. Gebeurt dit niet goed, dan kunnen restanten van deze middelen schade veroorzaken.

In bepaalde formuleringen van bietenherbiciden zitten oplosmiddelen, onder andere in Astrix EC, die aanwezige restanten van herbiciden in de tank en leidingen kunnen oplossen. Ook hierdoor kunnen herbiciden in de spuitvloeistof terecht komen, die aanzienlijke schade veroorzaken.

Bij restanten gaat het vaak om nauwelijks meetbare hoeveelheden, dus hoeft u niet bang te zijn voor een nawerking via de bodem en kunt u zonder veel problemen overzaaien.

Ook ˈnormaalˈ middelengebruik kan onder bepaalde omstandigheden symptomen geven. Ethofumestaat bijvoorbeeld kan verkleving van de bladeren veroorzaken (figuur 6.3.2) en clomazone (Centium 360 CS) witverkleuring (figuur 6.3.3). Dit kost meestal geen opbrengst.

teelt4

Figuur 6.3.2 Verkleefde bladeren door ethofumesaat (o.a. Tramat 500).

Figuur 6.3.3 Witkleuring van bieten door bespuiting met Centium 360 CS.

Hierna volgt een korte omschrijving van enkele schadebeelden.

6.3.3.1 Fluroxypyr (Starane)

Een hoge dosering Starane verdragen de bieten niet. Een geringe concentratie Starane op de bieten vanuit een vervuilde tank of leidingen veroorzaakt gewasdrukking. De bladstelen van de oudste bladeren zijn hierbij wat langgerekt (figuur 6.3.4).

C:\Users\wilting.IRS\Downloads\IRS_proef-Kollumerwaard-spuitfout-16.jpg

Figuur 6.3.4 Langgerekte bladstelen van de oudste bladeren door tankverontreiniging met Starane.

6.3.3.2 Glyfosaat (Roundup)

Soms wordt in plaats van olie per ongeluk glyfosaat in de LDS-combinatie gedaan. Indien de bieten dit overleven, ver­oorzaakt het een zeer sterke gewasdrukking (figuur 6.3.5). De oudste bladeren sterven af. Sommige planten gaan dood. Vanuit de bladpunten van de volgroeide bladeren verkleuren de bladeren knalgeel/oranje.

Elma 30 juni 2011 077 Elma 30 juni 2011 084

Figuur 6.3.5 Sterke gewasdrukking door 0,5 liter per hectare Roundup in LDS (in plaats van olie).

6.3.3.3 Groeistoffen (diverse producten en merken)

Als u groeistoffen op een bietengewas spuit, kunnen bij een zware dosering planten afsterven.

Wind kan soms lichte concentraties groeistoffen een behoorlijke afstand verplaatsen. Komen suikerbieten in aanraking met een geringe dosering groeistoffen, dan kunnen sterk vervormde bladeren het gevolg zijn (figuur 6.3.6). Deze vervorming gaat soms zo ver dat de bladsteel het volledige groeipunt omsluit, waardoor de bladeren op rabarber gaan lijken. In een later stadium kan het groeipunt zijwaarts uit de steel breken. De schade door vervormde bladeren valt bijna altijd mee.

teelt3

Figuur 6.3.6 Groeistofschade.

6.3.3.4 Isoxaflutool (Merlin)

Er zijn enkele gevallen bekend waarbij Merlin ernstige schade in suikerbieten veroorzaakte. In alle gevallen was dit na toepassing van Merlin in maïs in combinatie met Dual Gold 960 EC en in bijna alle gevallen wanneer de spuitvloeistof één of meerdere nachten in de tank is blijven staan. Schade is te voorkomen door een klaargemaakte spuitoplossing direct te verspuiten en de apparatuur met de daarvoor geëigende middelen te reinigen.

6.3.3.5 Mesosulfuron-methyl/iodosulfuron-methyl-natrium (o.a. Atlantis OD)

Atlantis OD wordt toegepast in wintertarwe, winterrogge, triticale en spelt.

Door het niet goed reinigen van de tank en/of spuitdoppen kan schade aan bieten ontstaan. Bij lichte vervuiling uit zich dit in puntverbranding, waar de bieten uiteindelijk doorheen groeien (figuur 6.3.7).

herbicide_neveneffect-81

Figuur 6.3.7 Schade door tankverontreiniging met Atlantis OD.

6.3.3.6 Metsulfuron-methyl (o.a. Ally SX)

Als Ally SX een bietenplant raakt en dat geldt ook voor andere sulfonylureas (zoals Titus, maar met uitzondering van Safari), stopt de groei (figuur 6.3.8, 6.3.9 en 6.3.10). In ernstige gevallen sterft de biet, maar vaak kunnen de plantjes blijven leven. Hierbij blijven ze klein en gedrongen, de zogenaamde Bonsaibietjes.

Na gebruik Ally SX de apparatuur grondig reinigen volgens voorschrift (zie etiket).

tankverontStaraneAlly

Figuur 6.3.8 Effect Ally SX + Starane Top in augustus (niet gereinigde tank na bespuiting in gerst).

Figuur 6.3.9 Schade aan bieten door tankverontreiniging met Ally SX.

In dit geval herstelden de bieten zich uiteindelijk.

Elma 30 juni 2011 038

Figuur 6.3.10 Effect van 15 gram per hectare Ally SX in plaats van Safari in LDS.

6.3.3.7 Pyroxulam/florasulam (Capri Twin)

Capri Twin is een in wintertarwe, winterrogge, triticale en spelt toegelaten onkruid-bestrijdingsmiddel. Door tankverontreiniging kan schade ontstaan (figuur 6.3.11). De groei van de bieten staat dan een aantal weken stil (figuur 6.3.12). Daarna treedt herstel in. De opbrengstderving kan aanzienlijk zijn. De schade lijkt veel op die veroorzaakt door Ally SX.

C:\Users\wilting.IRS\Downloads\herbicide_neveneffect-107.jpg

Figuur 6.3.11 Blaadjes aangetast door tankverontreiniging met Capri Twin.

Het blad wordt bros en knapperig.

Figuur 6.3.12 Deze door tankverontreiniging met Capri Twin aangetaste bieten overleefden uiteindelijk wel.

6.3.3.8 Rimsulfuron (Titus)

Een geringe hoeveelheid Titus veroorzaakt een vrij sterke groeivertraging en een zwartver­kleuring van de aanwezige vaatbundels. De bietenplanten kunnen zich vrij goed herstellen door de vorming van nieuwe vaatbundels aan de buitenrand van de bieten (zie figuren 6.3.13 en 6.3.14). Er ontstaat bij veel bieten veelkoppigheid en veel opbrengstderving (figuur 6.3.15).

488

Figuur 6.3.13 Zwartverkleuring van de vaatbundels, veroorzaakt door een geringe hoeveelheid Titus.

Figuur 6.3.14 Effect Titus (20 g/ha) in een LDS.

herbicide_neveneffect-102

Figuur 6.3.15 Veelkoppigheid veroorzaakt door een geringe hoeveelheid Titus.

6.3.3.9 Mesotrione (o.a. Callisto)

Callisto is een onkruidbestrijdingsmiddel in de maïsteelt. De bladeren van de jonge bie­tenplanten verkleuren van onder naar boven wit en de groei staat stil (figuur 6.3.16). Soms sterven bieten af.

1585

Figuur 6.3.16 Bieten aangetast door mesotrione (Callisto) door overwaaien tijdens bespuiting in maïs.

6.3.3.10 Metribuzin (o.a. Sencor)

Een geringe hoeveelheid Sencor geeft flinke gewasdrukking (figuur 6.3.17), waarbij witverkleuring en afsterving vanaf de top van de oudste bladeren plaatsvindt (figuur 6.3.18). Uiteindelijk herstelt het gewas zich, maar het kost wel opbrengst.

herbicide_neveneffect-100

Figuur 6.3.17 Symptomen tankverontreiniging metribuzin

herbicide_neveneffect-101

Figuur 6.3.18 Aangetaste bieten door tankverontreiniging door metribuzin.

7. Groei en ontwikkeling van de suikerbiet

7.1 Vegetatieve en generatieve fase

Versie: februari 2020

De suikerbiet is een tweejarige plant. In het eerste jaar blijft de plant vegetatief (zonder bloei en zaadzetting) en gebruikt aanvankelijk alle energie voor de opbouw van het blad­apparaat en het wortelstelsel. Later in het seizoen vormt de plant een verdikte penwortel. Daarin wordt een groot deel van de droge stof als reservevoedsel in de vorm van suiker opgeslagen. Geleidelijk eist de penwortel een steeds groter deel van de productie op en wordt steeds rijker aan suiker.

Normaal gesproken gaat de plant pas in het tweede jaar over van de vegetatieve naar de gene­ratieve fase met de vorming van een bloeiwijze en de daaropvolgende productie van zaad. Als gevolg van ongunstige omstandigheden (lage temperatuur, lange kiemperiode) kan een deel van de planten al in het eerste jaar in bloei komen en zaad vormen (schie­ters). Dit proces heet vernalisatie. Door vere­deling is in nieuwe rassen de neiging tot schieten echter sterk verminderd.

Schieters, en vooral vroege schieters, zijn nadelig voor de opbrengst. Ze geven problemen bij de oogst en bij de ver­werking in de fabriek. De stengel is hard, vezelig en moeilijk af te snijden. Vroeg in het seizoen optredende schieters hebben een duidelijk lager suikergehalte en een klei­nere wortel dan andere bieten. Laat optredende schieters geven veel minder op­brengstderving. Schieters kunnen een ernstig probleem worden, doordat ze zaad vormen dat in een volgend ge­was opslag (onkruid­bie­ten) kan veroorza­ken.

De commerciële productie van het in Nederland te gebruiken bietenzaad vindt vooral plaats in de warmere landen van Zuid-Europa.

7.2 Kieming en opkomst

Versie: februari 2020

Als het zaad in vochtige grond ligt, neemt het water op en gaat zwellen. Met behulp van de voor­raden die in het zaad zijn opgeslagen, zal eerst het kiemworteltje gaan groeien. Daarna groeien de kiemlobben naar de oppervlakte. Als ze boven de grond uitkomen, strek­ken ze zich en gaan hori­zontaal staan.

De snelheid van opkomst varieert sterk en is in belang­rijke mate afhankelijk van de tempera­tuur. De minimumtem­peratuur voor kieming is ongeveer 3°C. Indien er geen storende invloe­den zijn, zoals korstvorming en droogte, staat de helft van de planten boven bij een tempera­tuur­som (gemiddelde et­maal­temperatuur minus 3°C × het aantal dagen) van circa 90 graad­dagen vanaf zaaien.

Onder ideale testomstandigheden zal het zaad een kiemingspercentage van meer dan 90 procent heb­ben. In de praktijk zien we echter vaak lagere opkomstpercentages (50-90), afhankelijk van het zaaibed en de weersomstandigheden in de periode na het zaaien. Ook het ras en de partij waarvan het zaad afkomstig is, kunnen aanleiding geven tot opkomstverschillen. De oor­zaak hiervoor kan liggen in de condities tijdens zaadproductie of in verschillen bij de zaadbehandeling, maar ook in de erfe­lijke eigenschappen van het ras.

Jonge plantjes zijn gevoelig voor nachtvorst (afhankelijk van de duur en van de afharding van het plantje vanaf circa -5°C) en kunnen hierdoor volledig ten gronde gaan. De teelt­gebieden met de grootste risico's liggen in het noorden en oosten van ons land, vooral op de dalgron­den. Ook verslemping, verstuiving en een onjuiste zaaidiepte kunnen het plan­tbestand sterk verlagen (zie hoofdstuk 3: ˈZaaienˈ).

7.3 Blad- en wortelgroei

Versie: februari 2020

Na opkomst begint de plant een periode van exponentiële groei. De groeisnelheid neemt toe naarmate steeds meer droge stof is gevormd. De groei wordt vooral sterk aangestuurd door de temperatuur, die in hoge mate de snelheid bepaalt waarmee nieuwe bladeren, en dus nieuwe productieorganen, worden aangemaakt. Onder normale omstandigheden komt er per week één bladpaar bij. Men spreekt dan van het twee‑, vier‑, zesbladstadium enzovoort, de kiemlobben niet meegerekend (zie figuur 7.1).

bietstadium

Figuur 7.1 Ontwikkelingsstadia van de biet (naar C. Winner, 1982):

  1. uitzaai, gemiddeld voor Nederland 3 april;
  2. opkomst na circa 90 graaddagen;
  3. twee- tot vierbladstadium na circa 175 graaddagen;
  4. zes- tot achtbladstadium, 30% grondbedekking na circa 225 graaddagen;
  5. groeipuntsdatum na circa 600 graaddagen, gemiddeld voor Nederland 18 juni;
  6. vlak voor de oogst.

De bladvorming gaat samen met een sterke wortelontwikkeling. In het tweebladstadium kan de lengte van de hoofd­wortel al 30 cm of meer zijn. Uiteindelijk kunnen de wortels een diepte be­reiken van meer dan 1,5 meter (figuur 7.2). De snelheid waarmee de wortel naar beneden groeit, is tot ver in het seizoen vrij constant, circa 1,5 cm per dag. Het wortelstelsel groeit niet alleen in de diepte maar ook in de breedte vanaf het twee- tot vierbladstadium met circa 0,4 cm per dag. Wortels sterven snel af en worden voortdurend door nieuwe vervangen.

GroeiOntwTeeltmap

Figuur 7.2 Wortelstelsel van een volgroeide bietenplant (uit: L. Kutschera, 1960).

De sterke blad- en wortelontwik­keling gaat door tot eind juni. Wanneer de bladeren het oppervlak volledig bedekken (het gewas is ‘gesloten’) en de wortels van planten in de naast­liggende rijen elkaar bijna raken, neemt de snelheid van deze ontwikke­ling af. Nu begint de dik­tegroei van het bovenste gedeelte van de penwortel en de wortel­hals (hypoco­tyl).

Het begin van de versterkte diktegroei valt samen met het moment waarop de wortel gemid­deld 4 gram suiker bevat. Dit wordt de groeipunts­datum genoemd. De groeipunts­da­tum is een belangrijk gegeven, omdat er een duidelijk verband bestaat tussen deze datum en de eindop­brengst. De datum van het bereiken van het groeipunt is sterk afhankelijk van de temperatuursom. De benodigde temperatuursom vanaf opkomst is voor elk van de twaalf IRS-gebieden verschil­lend (tabel 7.1).

Tabel 7.1 Benodigde temperatuursommen voor het bereiken van de groeipuntsdatum.

gebied temperatuursom

(graaddagen)

Flevoland, Noordoostpolder 591
Zeeuwse Eilanden, Noordelijke klei 601
Zeeuws-Vlaanderen, West-Brabant, Noord- en Zuid-Holland 611
Oost-Brabant 631
Noordelijk zand, noordelijk dal, Gelderland 641
Limburg 661

7.4 Productie

Versie: februari 2020

Het gewas is vanaf de groeipuntsdatum in volle productie. Het is dan namelijk in staat alle inval­lende straling te onderscheppen. De productiesnelheid is (bij afwezigheid van stress) nu voorname­lijk afhankelijk van de hoeveelheid straling die per tijdseenheid op het perceel valt. Van de geprodu­ceerde biomassa gaat er een steeds groter aandeel naar de wortelgroei en een kleiner deel naar de bovengrondse plant (zie figuur 7.3). De hoofdwortel wordt snel dikker en de opslag van suiker in de wortel begint.

De sterke dikteg­roei gaat door tot in de herfst. Ook de rest van het wortelstel­sel breidt zich nog uit. Op percelen met een goede bodemstructuur kunnen de wortels een diepte van meer dan 1,50 meter bereiken.

Om­streeks half augustus wordt de maximale hoeveelheid blad bereikt. Er worden daarna nog wel nieuwe blade­ren gevormd, maar vanaf de buitenkant van de kop beginnen bladeren af te sterven.

Figuur 7.3 Verloop van de groei van blad en wortel (bron: Jorritsma, 1984) en de gemid­delde hoeveelheid straling in Nederland in de periode 1961-1990 (bron: KNMI).

7.5 Afsluiting productiefase

Versie: februari 2020

De periode van productie kent geen duidelijk einde. De productie wordt geleidelijk min­der als de omstandigheden ongunstiger worden: de hoeveelheid straling neemt af, de stik­stof raakt op, het wordt kouder en het blad wordt minder efficiënt in het omzetten van stra­ling in biomassa.

In de herfst begint de wortelgroei te vertragen. In deze fase nemen het suikergehalte en win­baar­heid doorgaans nog toe en het vochtgehalte neemt verder af. De groei van de wor­tel gaat in een steeds lager tempo door tot in november. Dan komt de groei tenslotte geheel tot stil­stand en gaat de plant de winter­rust in.

7.6 Verandering van de kwaliteitseigenschappen

Versie: februari 2020

De samenstelling van de wortel verandert geleidelijk gedurende het groeiseizoen. Vanaf begin augustus neemt het suikergehalte nog steeds toe en is er een afname van het gehalte aan kalium (K) en natrium (Na) (figuur 7.4). Het gehalte aan aminostikstof neemt eerst af en op het eind van de campagne juist iets toe. Dit gaat gepaard met een stagneren van de eiwit­productie.

Gemiddeld over een groot aantal jaren ziet de toename van het suikergehalte er zeer re­gel­­matig uit, maar binnen afzonderlijke jaren fluctueert het gehalte vaak behoorlijk. Deze schommelin­gen zijn afhankelijk van groeiomstandigheden zoals weer, ziekten en plagen en de toestand van de bodem (zie hoofdstuk 8: ˈkwaliteitˈ, paragraaf 1.5). Uit IRS-onderzoek is gebleken dat bij droogte en een daarna volgende periode met voldoende neerslag schommelingen in het suiker­gehalte vooral veroorzaakt worden door een ver­dun­ningseffect van het water en niet door pro­ductie of afbraak van suiker. Andere facto­ren (ziekten, bemestingstoestand) beïnvloeden juist het suikergehalte door in te grijpen in de biosynthese van suiker.

Figuur 7.4 Verloop van de kwaliteitsparameters van bieten. Gemiddelde van het groeiverlooponderzoek van 1985-1994.

Gedurende het rooiseizoen neemt het suikergehalte doorgaans met meer dan 1% toe. Het ver­mo­gen van de bieten om nog suiker te vormen in die periode is sterk afhankelijk van de kwa­liteit van het gewas en de conditie van de bodem. Om te beoordelen welke bieten het best als eerste gerooid kunnen worden, zijn de volgende criteria van belang:

  • de gezondheid van het gewas. Een bietengewas met een onregelmatige stand, zieke bla­de­ren, weinig groeikracht door slechte bodemstructuur enzovoort moet als eerste worden ge­oogst, omdat dit gewas de minste potentie heeft om nog suiker te produceren in het nasei­zoen;
  • de hergroei van loof. Na een periode van stress kan de plant reageren door nieuw blad aan te maken, vaak gestimuleerd door mineralisatie van stikstof in de bodem, bijvoorbeeld wanneer er neerslag valt na een droge periode. dit gaat uiteraard ten koste van de suikerproductie.

7.7 Factoren die de groei beïnvloeden

Versie: februari 2020

Naast de (voedings)toestand van de bodem en het voorkomen van ziekten en plagen zijn tempe­ratuur, straling en vocht de belangrijkste factoren die de groei beïnvloeden.

7.7.1 Daglengte en lichtintensiteit

Vanaf de groeipuntsdatum is de productie van droge stof direct gerelateerd aan de hoeveelheid stra­ling. Deze is het hoogst in de twee maanden rond de langste dag (figuur 7.3), deels vanwege de lange­re ­duur van de belichting, maar ook vanwege de hogere lichtintensiteit. De maximale lichtopvang door de plant is in de maand direct na het bereiken van de groeipuntsdatum, om vanaf eind juli weer af te nemen.

De hoeveelheid suiker, die per eenheid onderschepte straling wordt geproduceerd, varieert sterk af­hankelijk van regio en tijdstip. Door de betere vocht- en voedingstoestand van de bo­dem in de kleigebieden is de conversiefactor daar hoger dan op de armere gronden (figuur 7.5). In de periode juli-half augustus is de conversiefactor relatief laag. De oorzaak hiervan is dat een groot deel van de onderschepte straling dan nog wordt gebruikt voor groei van het blad en van het wortelstelsel en niet voor suikerproductie. Gedurende het groeiseizoen neemt de conversiefactor toe met een piek rond half september. Daarna neemt deze af door het ver­ouderen van het bladapparaat.

Figuur 7.5 Conversiefactor voor de omzetting van straling in suiker; gemiddelde waarden berekend uit de resultaten van periodiek bemonsteringsonderzoek in de periode 1981-1986.

Ook bij zeer hoge stralingsintensiteit raakt de productiecapaciteit niet verzadigd. Binnen grenzen is de productie van droge stof onafhankelijk van de temperatuur. Slechts bij zeer hoge temperatuur (etmaalgemiddelden boven 20°C) neemt de efficiëntie af.

7.7.2 Temperatuur

De temperatuur speelt bij alle biologische processen een belangrijke rol. Dit komt omdat chemische reacties sneller verlopen bij hogere omgevingstemperatuur. Dat geldt echter niet alleen voor produc­tie, maar ook voor afbraak (of verademing) van biomassa.

De positieve invloed van de tempera­tuur op de groei is vooral groot bij kieming en opkomst en bij de fase van bladgroei. Een hoge temperatuur tijdens deze fasen bespoedigt een snelle opkomst en blad­ontwik­keling van het gewas. Dit zorgt ervoor dat de grond snel volledig bedekt is en het gewas al vroeg maximaal kan profiteren van de hoge instraling.

Doorgaans zijn instraling en temperatuur aan elkaar gerelateerd. Toch hangt de groei van de biet voor de groeipuntsdatum het meest af van de temperatuur en na die datum van de hoeveel­heid zonne­straling. De verklaring hiervoor is de grotere invloed van het bladoppervlak, dat na de groeipunts­datum het grondoppervlak volledig bedekt. Daardoor is het blad vanaf die datum in staat het licht bijna volledig op te vangen en om te zetten in biomassa.

Gedurende de fase van productie is een lage temperatuur nauwelijks beperkend voor de groei. Dit komt omdat de fotosynthesesnelheid bij gemiddelde temperaturen weinig verandert. Wel kan een hoge temperatuur remmend werken op de suikerproductie. De oorzaak hiervoor is het sluiten van de huidmondjes gedurende de dag en een hoge verademing van de geprodu­ceerde suiker.

In de herfst, als de wortelgroei begint af te nemen, speelt de nachttemperatuur ook een belan­grijke rol. Hoge nacht­tem­peraturen gaan vooral gepaard met een inten­sieve ademha­ling. In de herfst wordt de hoogste suikerproductie bereikt bij zonnig weer overdag en een koude heldere nacht. Onder deze omstandig­heden kan het suikerge­hal­te met 0,1% per dag stijgen. Is er spra­ke van regenachtig, warm weer, dan vertonen bieten weer her­nieuwde groei, vooral wanneer er ook nog veel stik­stof beschik­baar is. Dit gaat ten koste van de suikerop­brengst.

Samengevat is voor de suikerbieten ideaal:

  • warm weer tot circa 20C in de fase van kieming en bladvor­ming;
  • koel zonnig zomerweer met temperaturen tot circa 20°C in de productiefase;
  • koel zonnig weer met nachttemperaturen dicht bij het vriespunt in het naseizoen.

In ons land wordt aan de ideale temperatu­ren vaak niet voldaan. Vooral in het voor­jaar zijn de tempera­turen vaak te laag voor een snelle ontwikkeling.

7.7.3 Vocht

Een juiste vochtvoorziening is bij bieten al bij de kieming van het groot­ste belang. Door de bouw van het bietenzaad is het opnemen van vocht in een droog zaaibed al gauw erg moei­lijk. Onder natte omstan­dighe­den treedt snel zuurstofge­brek op, waardoor het zaad gaat rotten.

Het gewas heeft een grote vochtbe­hoefte. Voor elke kg droge­ stof moet het 150‑300 liter water op­nemen, vooral afhankelijk van de verdampingssnelheid. Dat is gemiddeld ruim 5.000 m3 per hecta­re. Water is niet alleen noodzakelijk voor de chemische reacties in de plant, maar ook voor het trans­port van voedingsstoffen en voor het handhaven van de turgor (vochtspanning), die de stevigheid van de weefsels bepaalt.

Om aan de grote vochtbehoefte te voldoen, ontwikkelen bieten onder gezonde omstandighe­den een uitgebreid en diep wortel­stelsel. Daardoor is er niet snel sprake van een vocht­tekort in de plant. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij dit toch optreedt, zoals bij:

  • langdurige droogte, vooral op droogtegevoelige gronden;
  • aantasting van het wortelstelsel, waardoor de plant slecht water kan opnemen, veroorzaakt door ziekten en plagen of door zuurstofgebrek als gevolg van wateroverlast;
  • slechte bodemstructuur of storende lagen, met als gevolg een slechte wortelontwikkeling;
  • ondiepe beworteling;
  • zeer lage pH.

Wanneer er sprake is van langdurig vochttekort, zal de groei van de bladeren afnemen. In het blad zal de biomassaproductie minder worden, doordat de huidmondjes sluiten en minder CO2 opnemen. Bij ernstige droogtestress zal door verlies van turgor het blad gaan ver­welken en soms treedt verbranding van het blad op. In een dergelijke situatie neemt de produc­tie sterk af. De schade blijft beperkt zolang het bietengewas dat overdag slap hangt, ˈs nachts weer overeind kan komen. Zodra dat niet meer het geval is, zal er onherstelbare schade aan het bladapparaat ontstaan.

Een vroege periode van droogtestress, wanneer het bladapparaat nog in volle ontwikkeling is, kan een ernstigere opbrengstreductie geven dan een droogtestress later in het seizoen.

Droogte resulteert vaak in hoge gehalten aminostikstof, kalium, natrium en suiker. Wanneer er echter weer neerslag komt, neemt, door opname van water en door hergroei van loof, het ge­halte juist weer af. Vooral het verlies van suiker kan grote financiële gevolgen hebben.

8. Kwaliteit, oogst en bewaring

8.1 Kwaliteit

versie: mei 2017

8.1.1 Inleiding

Met de kwaliteit van suikerbieten wordt het totaal aan eigenschappen wat van belang is bij rooien, opslag, transport en verwerking bedoeld. Een optimale kwaliteit maakt het mogelijk om zo veel mogelijk kristalsuiker uit bieten te winnen tegen zo laag mogelijke kosten. Een groot aantal eigen­schappen van de biet speelt hierbij een rol. Deze zijn onder te verdelen in inwendige en uitwendige eigenschappen. De inwendige eigenschappen zijn de structuur (breukvastheid, vezeligheid, elasti­citeit en dergelijke) en de samenstelling. Bij de samenstelling is het suikergehalte het belangrijkst. Daarnaast zijn stoffen die de winning van de suiker uit de biet beïnvloeden, van belang. De samen­stelling bij levering beoordeelt men op basis van het suikergehalte en de winbaarheidsindex Nederland (WIN). Hierbij is de WIN een maat voor het deel van de in de biet aanwezige suiker dat als kristalsuiker kan worden gewonnen. Suikergehalte en WIN bepalen samen de interne kwaliteit.

Naast interne kwaliteit spreken we ook van externe kwaliteit. De factoren die bij de beoordeling van de externe kwaliteit een rol spelen, zijn de hoeveelheid meegeleverde grond, stenen, blad, onkruid en dergelijke. Bij de levering komt dit tot uitdrukking in het tarrapercentage. Dit tarrapercentage wordt vooral bepaald door de oogstomstandigheden, zoals afstelling rooimachine en bodemgesteld­heid. Uitwendige eigenschappen van de biet, zoals bietgrootte, bietvorm, bietoppervlak en diepte van de wortellijsten, zijn hierbij ook van belang.

De kwaliteitsparameters die betrokken zijn bij de uitbetaling, zijn:

  1. suikergehalte;
  2. WIN;
  3. tarrapercentage.

Deze kwaliteitsparameters zijn verder uitgewerkt in de paragrafen 8.1.2 tot en met 8.1.7.

Invertsuiker, kortweg invert genoemd, is (nog) niet betrokken bij de uitbetaling, maar beïnvloedt ook de interne kwaliteit. In paragraaf 8.1.8 staat nadere informatie over invert vermeld.

8.1.2 Suikergehalte

De belangrijkste factor bij de verwerking van bieten tot suiker is het suikergehalte. Bij een hoog suikergehalte behoeven er minder bieten te worden verwerkt om dezelfde hoeveelheid suiker te produceren. Suikergehalte maal wortelopbrengst per hectare geeft de suikeropbrengst per hectare.

De uitbetaling per ton geleverde bieten is afhankelijk van het suikergehalte. Vanaf 2017 geldt een basis bietenprijs van € 32,50 per ton netto geleverde bieten, exclusief ledentoeslag. De standaard voor de suikergehalteverrekening bedraagt 17% suiker. Hogere en lagere suikergehaltes worden lineair verrekend met 9% van de bietenprijs per procent suikergehalte, zoals aangegeven in figuur 8.1.1.

Figuur 8.1.1 Verband tussen het suikergehalte en de uitbetaling per ton netto bieten (exclusief ledentoeslag).

Om een indruk te geven van de invloed van de verrekening van het suikerge­halte op de financiële opbrengst, staan in tabel 8.1.1 de financiële opbrengsten per hectare vermeld, indien een hoeveelheid van 14.000 kg polsuiker bestaat uit bieten met een verschillend suikergehalte. Tevens is de hoeveel­heid tonnen biet vermeld die hiervoor moet worden verwerkt.

De financiële berekening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

  1. 14.000 kg polsuiker per hectare;
  2. bietenprijs bij 17% suiker: € 32,50 per ton nettobiet;
  3. verrekening per procent suiker, afhankelijk van het suikergehalte, per ton nettobiet: 9% meer of minder;
  4. in de verrekening is ook het effect van het suikergehalte op de WIN meegenomen (zie paragraaf 8.1.3).

Tabel 8.1.1 Financiële opbrengst bij de productie van 14.000 kg polsuiker per hectare met bieten met een verschillend suikergehalte.

suiker

(%)

wortelopbrengst

(t/ha)

prijs

(€/t bieten)

financiële opbrengst

(€/ha)

19,0 73,7 38,75 2.856
17,0 82,4 32,50 2.678
15,0 93,3 26,25 2.449

Hieruit blijkt dat het leveren van een bepaalde hoeveelheid suiker financieel aantrekkelijker is in de vorm van bieten met een hoog suikergehalte.

8.1.3 WIN

WIN staat voor Winbaarheidsindex Nederland en is een maat voor het deel van de in de biet aanwe­zige suiker dat als kristalsuiker kan worden gewonnen. Bij de berekening van de WIN wordt gebruik gemaakt van een formule. Naast het suikergehalte (%S) bepalen de gehalten aan kalium (K), natrium (Na) en aminostikstof (aN) de WIN. De hoeveelheden K, Na en aN worden uitgedrukt in millimol per kg biet (mmol/kg biet). De WIN wordt uitgedrukt als een normgetal.

De basis van WIN is de aanname dat iedere mmol K+Na in de biet ongeveer 1 mmol suiker in de melasse vasthoudt, die dus niet als kristalsuiker kan worden gewonnen. Omdat 1 mmol suiker overeenkomt met 0,342 gram betekent dit voor de hoeveelheid melassesuiker (Sm):

Sm = 0,0342*(K+Na), waarbij Sm is uitgedrukt in percentage suiker op biet en K+Na in mmol per kg biet.

Als het aminostikstofgehalte relatief hoog is ten opzichte van het gehalte aan K+Na, treedt er bij de verwerking van de bieten ongewenste verzuring van het sap op. Om dit te compenseren voegt men natronloog toe. Dit betekent echter dat extra natrium in het sap komt, met als gevolg extra melasse­suiker. Vastgesteld is dat toevoeging van natronloog nodig is, zodra K+Na - aN <35 mmol per kg. Uit fabrieksgegevens blijkt dat de extra hoeveelheid melassesuiker gelijk is aan 0,02 maal het overschot aan aminostikstof. Dit overschot is gelijk aan aN-(K+Na)+35. Voor de melassesuiker geldt dan:

Sm = 0,0342*(K+Na) + 0,02*{aN-(K+Na)+35}.

Voor WIN wordt ervan uitgegaan dat deze 100 is als alle suiker in de biet als kristalsuiker zou kunnen worden gewonnen. Hoe meer suiker er in de melasse achterblijft hoe lager de WIN en hoe slechter dus de kwaliteit.

WIN = 100 - 100*Sm per %S.

Invulling van de formules voor Sm geeft onderstaande formules voor de winbaarheidsindex, waarbij K+Na en aN worden uitgedrukt in mmol per kg biet:

WIN = 100 - 3,42*(K+Na)/%S, als K+Na-aN 35;

WIN = 100 - 3,42*(K+Na)/%S - 2*{aN-(K+Na)+35}/%S, als K+Na-aN <35;

= 100 - {1,42*(K+Na) + 2*aN + 70}/%S, als K+Na-aN <35.

WIN is lager naarmate het suikergehalte lager is en het K+Na gehalte hoger. Bij K+Na-aN <35 is de WIN ook lager naarmate het aminostikstofgehalte hoger is.

Normen van de gemeten waarden

Los van het feit dat de gemeten waarden soms van elkaar afhankelijk zijn, gelden globaal de normen zoals vermeld in tabel 8.1.2.

Tabel 8.1.2 Globale indeling van de bieten naar interne kwaliteit.

goed redelijk slecht
suiker (%) >17,0 16,0-17,0 <16,0
K (mmol/kg) <35 35-45 >45
Na (mmol/kg) <5 5-8 >8
aN (mmol/kg) <10 10-20 >20
WIN >91 89-91 <89

Dit betekent dus wat betreft kalium, natrium en aminostikstof hoe lager hoe beter en met betrekking tot het suikergehalte en de WIN hoe hoger hoe beter. In de praktijk varieert de WIN van circa 86 voor zeer slechte bieten tot circa 93 voor de beste interne kwaliteit. De hoeveelheid K+Na en aminostikstof in de biet wijzigen in de loop van de campagne. In het algemeen stijgen het suiker- en het aminostik­stofgehalte en daalt het gehalte aan K+Na. Zie hiervoor het hoofdstuk over het groeiverloop.

WIN van de gebieden in 2016

In tabel 8.1.3 staan per Unitip-regio de gemiddelde waarden voor de interne kwaliteitscijfers in 2016. Voor de cijfers van andere jaren, zie de Unitip jaarverslagen op www.cosunleden.nl/unitip.

Tabel 8.1.3 Gemiddelde waarden voor de interne kwaliteit per gebied in 2016 (bron: Unitip jaarverslag 2016).

gebied suiker-

gehalte

K Na aminoN WIN
(%) (mmol/kg)
Flevoland 16,8 38 3 8 91,1
Holland 17,2 38 3 8 91,4
Noordelijke klei 17,0 42 4 8 90,6
Noordelijke lichte grond 17,3 39 6 11 90,8
Zuidoost klei en löss 16,7 43 6 10 89,7
Zuidoost zand 16,3 45 5 12 89,2
Zuidwesten 17,3 38 4 8 91,4
Nederland 17,0 40 4 9 90,7

Hieruit blijkt dat er verschillen zijn tussen de gebieden voor wat betreft het gehalte aan K+Na en aminostikstof. Dit resulteert in ruim twee punten verschil tussen het gebied met de hoogste en de laagste gemiddelde WIN. De oorzaken van een lage WIN worden vooral veroorzaakt door:

  1. de rijkdom van de grond, zoals een hoog kaligetal in de ondergrond of een hoge mineralisatiecapaciteit;
  2. te hoge stikstofgift;
  3. groeistoornissen (bijvoorbeeld door droogte).

Een hoge WIN wordt in het algemeen gevonden op gronden die geen te hoge bodemvruchtbaarheid hebben en waar sprake is van een regelmatige groei van het gewas.

Verrekening van de WIN

De verrekening van de WIN is afhankelijk van de hoogte, zoals aangegeven in figuur 8.1.2.

Figuur 8.1.2 Verband tussen WIN en de uitbetaling per ton netto bieten.

Om een indruk te geven van de invloed van de verrekening van de WIN op de financiële opbrengst, staan deze in tabel 8.1.4 per hectare bij 80 ton bieten met 17% suiker en verschillende waarden voor WIN vermeld.

De financiële berekening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

  1. 80 ton netto bieten per hectare;
  2. suikergehalte 17%;
  3. bietenprijs bij 17% € 32,50 per ton;
  4. verrekening WIN, per ton nettobiet: € 0,38 per punt WIN.

Tabel 8.1.4 Financiële opbrengst bij 80 ton netto bieten per hectare met 17% suiker en verschillende WIN.

WIN prijs

(€/t bieten)

financiële opbrengst

(€/ha)

93 33,26 2.661
91 32,50 2.600
89 31,74 2.539
87 30,98 2.478

Vaak zijn de financiële verschillen nog groter, omdat een lage WIN veelal gepaard gaat met een laag suikergehalte. Tabel 8.1.5 geeft de financiële gevolgen weer van het suikergehalte (zoals vermeld in tabel 8.1.1) en de WIN (zoals vermeld in tabel 8.1.4), bij een suikeropbrengst van 14,0 ton per hectare.

Tabel 8.1.5 Financiële opbrengst bij een suikeropbrengst van 14,0 ton per hectare met bieten van een verschillend suikergehalte en WIN.

wortelopbrengst (t/ha) suikergehalte

(%)

WIN prijs

(€/t bieten)

financiële opbrengst

(€/ha)

73,7 19,0 93 39,11 2.882
82,4 17,0 91 32,50 2.678
93,3 15,0 89 25,89 2.416

Uit de tabel blijkt dat het verschil in interne kwaliteit bij eenzelfde productie aan suiker per hectare kan leiden tot zeer grote verschillen in financiële opbrengst.

8.1.4 Invloed van de stikstofbemesting op de interne kwaliteit

Uiteraard heeft de stikstofbemesting een duidelijke invloed op de interne kwaliteit van de biet. Van belang is vooral de stikstofhoeveelheid, maar ook de vorm waarin u de stikstof toedient en het tijdstip van het vrijkomen van deze stikstof. Vooral als u meer geeft dan de optimale hoeveelheid. Op basis van veel stikstofproefvelden is berekend wat de invloed is van de stikstofgift op de interne kwaliteit van bieten.

Een extra hoeveelheid van 50 kg N per hectare geeft gemiddeld:

  1. daling van het suikergehalte met 0,29%;
  2. lichte stijging van het kaliumgehalte met 0,5 mmol per kg biet op kleigrond en een lichte daling op zand- en dalgronden;
  3. stijging van het natriumgehalte met 0,6 mmol per kg biet;
  4. stijging van het aminostikstofgehalte met 3,1 mmol per kg biet;
  5. daling van de WIN met 1,0.

Hieruit blijkt wel dat door verlaging van de stikstofgift een verbetering van de interne kwaliteit optreedt, maar dat een werkelijk laag suikergehalte of een erg lage winbaarheid niet te corrigeren is door een verlaging van de stikstofbemesting met 50 kg per hectare.

8.1.5 Belangrijkste oorzaken van slechte interne kwaliteit

8.1.5.1 Laag suikergehalte

Mogelijke oorzaken van een laag suikergehalte:

  1. aantasting door rhizoctonia. Dit leidt tot rotte(nde) bieten die een laag suikergehalte hebben. Partijen met meer dan 10% geheel of gedeeltelijk rotte bieten worden geweigerd. Hebt u het vermoeden dat rhizoctonia kan optreden, kies dan altijd voor een rhizoctoniaresistent ras. Door onvolledige resistentie kan echter ook in resistente rassen nog rot optreden;
  2. aantasting door rhizomanie. Hoewel alle in Nederland aangeboden rassen rhizomanieresistent zijn, is aantasting door rhizomanie niet geheel uitgesloten vanwege onvolledige resistentie en/of doorbraak van de resistentie (zie paragraaf 10.7.1). De kwaliteit van bieten die door rhizomanie zijn aangetast, is erg specifiek, namelijk een laag tot zeer laag suikergehalte, een hoog tot zeer hoog natriumgehalte en een laag tot zeer laag aminostikstofgehalte. Vooral de combinatie laag suikergehalte en laag aminostikstofgehalte is zeer specifiek, immers vooral bij een overdadige stikstofbemesting is het suikergehalte ook laag, maar is het aminostikstofgehalte hoog;
  3. aantasting door andere ziekten en plagen, zoals bladschimmels (cercospora, ramularia, meeldauw, roest en stemphylium), verticillium en vergelingsziekte;
  4. hergroei na een periode met stress (droogte, wateroverlast, boriumgebrek);
  5. invloed van het groeiseizoen. Het suikergehalte kan van jaar tot jaar sterk variëren. In 2009 bijvoorbeeld bedroeg het gemiddelde suikergehalte in Nederland 17,7%, terwijl dit in 2003 slechts 15,6% was. Daarom is bij het beoordelen van het suikergehalte van de bieten op een perceel steeds het regionale of landelijke gemiddelde van het teeltjaar van belang;
  6. te hoge stikstofvoorziening;
  7. vroeg gerooide bieten. Het suikergehalte kan in de loop van het rooiseizoen met meer dan een heel procent stijgen (zie hiervoor ook het hoofdstuk over het groeiverloop);
  8. te laat gerooide bieten. Bieten die worden gerooid na een vorstperiode verliezen veelal meer dan 1% suiker. Tijdig rooien en vorstvrij bewaren is daarom noodzakelijk;
  9. onjuiste rassenkeuze. De verschillen tussen de rassen bedragen maximaal circa 1% suiker;
  10. een te laag aantal planten per hectare. Bij een plantaantal van 40.000 per hectare is het suikergehalte ongeveer 0,4% lager dan bij een optimaal plantaantal van 70.000 tot 90.000 per hectare. Dit komt vooral doordat er bij lage plantaantallen meer stikstof per plant beschikbaar is.

8.1.5.2 Lage WIN

Naast een laag suikergehalte kan een hoog gehalte aan K, Na of aminostikstof de oorzaak zijn van een slechte WIN. Bij te hoge gehalten aan K, Na of aminostikstof kunnen, naast aanzienlijke verschillen tussen de rassen, de onderstaande factoren een rol spelen:

hoog K - hoog kaligetal van de grond (en ondergrond);

- late zaaidatum;

- vroege oogst;

- zeer hoge kaliumbemesting;

- laag aantal planten per hectare.

hoog Na - rhizomanie;

- hoog natriumgehalte van de (onder)grond (zoute kwel);

- late zaaidatum;

- vroege oogst;

- hoge natriumbemesting;

- laag aantal planten per hectare;

- kaliumfixerende gronden, zoals rivierklei (in plaats van de aan de grond gebonden kalium wordt dan natrium opgenomen).

hoog aN - hoge stikstofbemesting;

- droogteschade, gevolgd door hergroei;

- nalevering stikstof uit organische producten, zoals dierlijke mest;

- laag aantal planten per hectare.

8.1.6 Wat te doen om een goede opbrengst en een optimale interne kwaliteit te bereiken?

  1. Houd bij de stikstofbemesting rekening met het stikstofadvies.
  2. Ga beheerst om met dierlijke mest: stem de dosering af op de behoefte, afhankelijk van de samen­stelling (N-gehalte) van de mest. De mest moet van goede kwaliteit zijn (goed gemixt) en moet u egaal verspreiden. Schat de N-werking van de mest niet te laag in (N-werking voorjaar bijvoorbeeld 55% voor rundveedrijfmest en 80% voor varkensdrijfmest).
  3. Zorg voor een regelmatig plantbestand van circa 70.000 tot 90.000 planten per hectare.
  4. Zorg, voor zover mogelijk, voor een gezonde bodem met een goede bewortelingsmogelijkheid.
  5. Zorg voor een goede bestrijding van ziekten en plagen.
  6. Maak een ongestoorde groei mogelijk door met name mogelijke wateroverlast te voorkomen en droogteschade te bestrijden (beregenen).
  7. Kies voor een ras met een hoog suikergehalte en een hoge WIN.
  8. Zaai zo vroeg mogelijk. Dat wil zeggen vanaf 1 maart, zodra de grond bekwaam is en de weersvoorspelling gunstig (zie hoofdstuk over zaaien).

8.1.7 Tarra

Waaruit bestaat tarra?

Tarra bestaat uit grondtarra en overige tarra:

  • grondtarra
    Het grootste probleem vormen de kosten om deze grond te vervoeren, te verwijderen, op te slaan en af te zetten. Daarnaast zijn grote bedragen nodig om het water te zuiveren om weer opnieuw te kunnen gebruiken bij het wassen van de bieten. De variabele kosten die aan deze vorm van tarra zijn verbonden, bedragen circa15 euro per ton. Een gedeelte van de grondtarra kan niet worden verwijderd bij het wassen, met name bij plakkerige kleigrond. Naast de transportkosten vormt vooral de aan de biet vastgekleefde grond een probleem bij de sapzuivering en verlaagt het de kwaliteit van de pulp door een hoger asgehalte;
  • overige tarra, zoals stenen, blad, onkruid, hout, rotte bieten en dergelijke, zijn niet bevorderlijk voor een goede verwerking tot suiker. Vooral bij het snijden van de bieten zijn deze vormen van tarra een groot probleem, omdat ze de messen in de snijmolens kunnen beschadigen.

8.1.7.1 Tarraverrekening

De teler betaalt direct mee aan de kosten om tarra te vervoeren, te verwijderen en af te zetten. De onderstaande berekening gaat uit van € 12,70 per ton tarra, die de teler aan Suiker Unie moet betalen.

Tabel 8.1.6 geeft inzicht in de hoogte van de tarrabijdrage. Uitgangspunt is een netto-opbrengst van 80 ton per hectare.

Tabel 8.1.6 Tarrabijdrage bij de levering van suikerbieten.
Uitgangspunt: € 12,70 per ton tarra. Netto-opbrengst 80 ton per hectare.

tarra

(%)

bijdrage

(€/ha)

bijdrage

(€/ton biet)

3

5

7

9

11

13

15

17

19

21

23

25

31,39

52,32

73,25

94,18

115,11

136,04

156,97

177,90

198,83

219,76

240,69

261,62

0,39

0,65

0,92

1,18

1,44

1,70

1,96

2,22

2,49

2,75

3,01

3,27

Bij een levering van bieten met bijvoorbeeld 7% tarra bedraagt de tarrabijdrage € 73,25 per hectare of € 0,92 per ton nettobiet. Bij een verdrievoudiging van het percentage naar 21% stijgt de tarrabijdrage tot € 219,76 per hectare of € 2,75 per ton nettobiet. Als een teler in staat is de tarra van 25% terug te brengen tot 7%, bespaart hij een bedrag van € 188,37 per hectare bij een netto bietopbrengst van 80 ton per hectare.

Naast de tarrabijdrage kunnen nog andere kortingen worden toegepast bij de uitbetaling. Dit betreft een teveel aan onkruid, rotte bieten en bieten met bladstelen langer dan 2 cm. Deze kortingen moeten te allen tijde worden vermeden. Bij te veel rotte bieten, onkruid en blad(resten) worden de bieten zelfs geweigerd.

8.1.8 Invert

Invert ontstaat als bietsuiker (sacharose) in glucose en fructose wordt gesplitst. Invert is niet winbaar als suiker in het suikerwinningsproces. Bovendien veroorzaakt het ongewenste verzuring en ver­kleuring van het sap in de suikerfabriek. Dit leidt tot verhoging van de benodigde proceshulpstoffen en het energieverbruik en verlaging van het suikerrendement.

Bij de oogst is invert van nature in lage hoeveelheden in de bieten aanwezig. Onderzoek heeft aangetoond dat tijdens het langdurig bewaren van bieten het invertgehalte toeneemt. De toename is vooral hoog als zieke, rotte of sterk beschadigde bieten in de bewaarhoop zitten, als de temperatuur oploopt (>8°C) of als bieten door vorst zijn aangetast. Daarnaast verhogen loofresten het invert­gehalte. Bij netjes gerooide en goed bewaarde bieten blijft het ook na lange bewaring op een acceptabel niveau.

Om het invertgehalte zo laag mogelijk te houden is het van belang dat telers de volgende maatregelen nemen:

  • geen rotte of zieke bieten in de hoop. Kies een bietenras met de juiste resistentie om geen bieten in de hoop te krijgen die door bijvoorbeeld rhizoctonia zijn aangetast;
  • goed ontbladeren bij het oogsten;
  • voorkomen van beschadigen van bieten bij het rooien en het aanleggen van de bewaarhoop;
  • vorstvrij, koel en droog bewaren.

Meer informatie over invert is te vinden in de brochure op www.cosunleden.nl/teelt-campagne/.

8.2 Oogsttechniek

Versie: juli 2021

8.2.1 Inleiding

In Nederland worden de suikerbieten machinaal geoogst. Op 90 tot 95% van het areaal doen loon­werkers en werktuigencoöperaties dit overwegend met zesrijige oogstmachines. Het restant van het areaal oogsten de bietentelers zelf. Meest voorkomend zijn de éénfase zelfrijdende zesrijige bunker­rooiers. Er zijn ook getrokken rooiers en negen of twaalfrijige bunkerrooiers, maar veel minder in aantal. Bij een bunker­rooier vindt het ontbladeren, koppen, rooien, reinigen en verzamelen in een bunker in één werkgang plaats (figuur 8.2.1). Het transport naar de hoop gebeurt meestal met een kipwagen, een overlaadwagen of door de bunkerrooier zelf.

 1_DSC_0254 (600 x 399)
Figuur 8.2.1 Een zesrijige bunkerrooier ontbladert, kopt, licht, reinigt, verzamelt en transporteert de bieten in één werkgang.

Bij de oogst van de bieten kunnen we drie fasen onderscheiden: het ontbladeren en koppen, het rooien en het reinigen¹.

8.2.2 Ontbladeren en koppen

Om het blad en het bovenste deel van de kop te verwijderen, zijn de oogstmachines uitgerust met een ontbladeraar plus scalpeurs (nakoppers) en soms een poeterserontbladeraar.

8.2.2.1 Ontbladeraar plus scalpeur (nakopper)2

Een ontbladeraar bestaat uit een as met metalen klepels, die werken op een instelbare hoogte. Deze hoogte is bij meerrijige machines gelijk over de volledige werkbreedte. De ontbladeraar wordt zo ingesteld dat deze geen bieten kopt, maar op elke biet een bladpruik van 2-3 cm laat staan die door de kopmessen wordt verwijderd. De ontbladeraar wordt gevolgd door één scalpeur per rij. De hoogte van de scalpeurs is meestal vanuit de cabine instelbaar. Bij de oudere scalpeurs met kopdikteregeling wordt de verticale afstand tussen taster en mes kleiner als de taster stijgt. Scalpeurs, waarbij het mes in dezelfde stand blijft door het parallellogram, verdienen uit oogpunt van kopwerk de voorkeur. Stel het kopsysteem zo af dat bij meer dan 90% van de bieten al het groen net verwijderd is, maar de kop blijft zitten. Vanaf 2009 hebben fabrikanten de scalpeurs aangepast om de verliezen door te diep koppen te minimaliseren. Er zijn nu varianten met een vaste afstand tussen taster en kopmes of een omgekeerde werking (afstand tussen taster en mes wordt kleiner als de taster naar beneden gaat). Een animatie is hier te zien: https://www.irs.nl/interessegebieden/oogst-bewaring/publicaties/film-animatie-koppen/.

Het afgeslagen blad kan opzij geworpen worden door een vijzel en een bladverspreider. Een andere mogelijkheid is het blad te laten vallen tussen de nog te rooien rijen. Deze uitvoering heet een integraal ontbladeraar. Het voordeel hiervan is minder gewicht en een betere verdeling van het loof over het perceel uit het oogpunt van bemesting. Bij oudere uitvoeringen kwamen enkele nadelen voor. Bij veel loof of natte omstandigheden gaat het rooien minder gemakkelijk en heeft het loof de neiging om te gaan schuiven, vooral op zand- en dalgronden. Ook moet het blad wat fijner worden gehakseld. Dit vraagt iets meer vermogen. Bij de nieuwste integraalontbladeraars zijn deze nadelen verholpen. Bij de meeste fabrikanten is tegenwoordig integraal ontbladeren de standaard. Vaak is ook een gecombineerde ontbladeraar te leveren. Deze kan het blad zowel naar de zijkant afvoeren als tussen de rijen laten vallen.

1 De technische beschrijvingen zijn beperkt tot in Nederland gangbare rooiers, gebouwd vanaf 2000.

2 De term nakopper stamt nog uit de tijd dat de ontbladeraar al een deel van de bieten kopte en de nakopper de rest van de bieten nakopte.

8.2.2.2 Poetserontbladeraar

Vanaf 2007 is een systeem op de Europese markt dat alle blad verwijderd zonder kopmessen te gebruiken. De voorste klepelas verwijdert het blad in en tussen de rijen, met een combinatie van korte stalen klepels boven de rij en langere rubberen klepels tussen de rijen. De hoogte van de klepels boven de rij moet zo afgesteld worden dat op de meeste bieten nog een kleine loofpruik blijft staan. De tweede klepelas (de zogenaamde poetseras) met rubberen klepels zorgt ervoor dat het laaste loof van de biet verwijderd wordt, waarbij de kop van de biet minimaal wordt beschadigd (zie figuur 8.2.2). Tasters en kopmessen ontbreken in een dergelijk systeem.

Afbeelding met buiten, gras, transport Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 8.2.2a Ontbladersysteem met poetserontbladeraar. Links de eerste klepelas met stalen en rubberen klepels. Het loof wordt hiermee verwijderd tot enkele korte loofpuiken. Rechts de poetseras met ruberen klepels die het laatste loof van de biet afpoetst, waarbij de kop van de biet intact blijft.

Afbeelding met gras, buiten, natuur Automatisch gegenereerde beschrijving
Figuur 8.2.2b Resultaat van een correct afgestelde poetserontbladeraar. Links het loof van bieten na de eerste klepelas, met bladpruiken van circa 5 à 7 cm lengte. Rechts de bieten na de poetseras, waarmee het resterende loof volledig wordt verwijderd, zonder dat de kop van de biet wordt beschadigd.


Belangrijkste voordeel van een poetserontbladeraar is dat verlies aan nettobiet door te diep ontbladeren/koppen minimaal is. Bovendien blijven met dit systeem geen bietenkoppen achter op het perceel. Hergroei van deze bietenkoppen na de oogst is hierdoor niet aan de orde. Bij een conventioneel ontbladersysteem met kopmessen, gevolgd door een niet-kerende grondbewerking en een zachte winter, krijgen bietenkoppen de kans zich te ontwikkelen en kunnen zo in het voorjaar een infectiebron van het vergelingsvirus vormen.

8.2.3 Rooien

De meeste rooiers in Nederland zijn uitgerust met onafhankelijk aangedreven rooischaren. Om zo min mogelijk last van onkruid te hebben, zijn de rooischaren de laatste jaren wat langer geworden, zodat de punt boven de grond uitsteekt. Aangedreven rooischaren bewegen roterend, horizontaal (vooruit en achteruit) of verticaal. Meestal is het een combinatie van deze bewegingen.

Onafhankelijk aangedreven betekent dat de beweging van de linker rooischaar tegengesteld is aan de rechter rooischaar. Bij een afhankelijke aandrijving bewegen beide rooischaren gelijktijdig in dezelfde richting.

3R_FT2008_0209 lichten met punt eraan (399 x 600)
Figuur 8.2.3 Zowel rooischaren (links) als aangedreven rooiwielen (rechts) lichten de bieten over het algemeen met de punten er nog aan.

Naast rooischaren worden ook wel rooiwielen gebruikt. Zowel bodemaangedreven rooiwielen (Oppel­wielen) als hydraulisch aangedreven exemplaren smeren iets minder grond aan de bieten dan aange­dreven rooischaren. De klassieke Oppelwielen (door de grond aangedreven rooiwielen) waren niet zelfzoekend. Hierdoor trad er wat meer wangbeschadiging op bij grote of iets uit de rij staande bieten in vergelijking met zelfzoekende, aangedreven rooischaren. Ook bij aangedreven rooischaren kan wangbeschadiging optreden wanneer de opening tussen de scharen te klein is. Onder slechte oogst­omstandigheden hadden Oppelwielen de neiging om vol te lopen. De nieuwe generatie aangedreven rooiwielen heeft de nadelen van de Oppelwielen niet meer. Ze zijn zelfzoekend en hebben een grotere voorloop (de rooiwielen draaien sneller dan de machine rijdt). Hierdoor kunnen ze ook goed werken op zwaardere grondsoorten en stijgt de capaciteit. Met aangedreven rooiwielen is er meer ruimte onder de rooizonnen. Op lichtere grondsoorten is met aangedreven rooiwielen eenvoudig om te schakelen naar een ander gewas, zoals cichorei.

Ideaal zou zijn de biet eerst te draaien voorafgaande aan het lichten van de biet. Qua werkingsprincipe vergelijkbaar met de bietentang bij de handoogst van vroeger. Dat voorkomt op klevende grond dat grond aan de bieten wordt gedrukt (figuur 8.2.4).

Diagram Description automatically generated
Figuur 8.2.4a

Diagram Description automatically generated
Figuur 8.2.4b

A picture containing chart Description automatically generated
Figuur 8.2.4c


Figuur 8.2.4d


Figuur 8.2.4e

Figuur 8.2.4a-8.2.4e
8.2.4a:
Bij verticaal uit de grond trekken van de biet breken de zijwortels in het onderste deel van de biet op relatief grote afstand van de biet (rode lijn geeft aan waar zijwortels en grond breken). Met als gevolg veel aanhangende grond.

8.2.4b: Rooischaren drukken de biet uit de grond waarbij de zijwortels dicht bij de biet afbreken; hierbij wordt de grond tussen de schaar en de biet samengedrukt. Onder ongunstige omstandigheden wordt zo grond tegen de biet gesmeerd die moeilijk te verwijderen is.

8.2.4c: bovenaanzicht op 8 cm diepte. Bij roteren van de biet wordt het contact tussen biet en zijwortels verbroken dicht aan het bietoppervlak. Door vervolgens verticaal te lichten blijven de bieten relatief schoon.

8.2.4d: Bieten met ‘aangesmeerde grond’, veroorzaakt door samendrukken van grond tussen rooischaar en biet tijdens het lichten van de biet op relatief natte kleigrond.

8.2.4e: Door eerst de biet te roteren en vervolgens verticaal te lichten wordt er geen grond tegen de biet aan gedrukt, met minder grondtarra als gevolg.

(figuren naar Vermeulen3; foto’s Bert Vermeulen).

3 G.D. Vermeulen (2001), Reduction of soil tare by improved uprooting of sugar beet; a soil dynamic approach. Proefschrift, Wageningen Universiteit, 147pp.

8.2.4 Reinigen

Direct na het rooigedeelte volgt de eerste reiniging door (meestal) zeefraderen of (soms) een rollenbed. Voor beide systemen geldt dat ze vrij moeten lopen van de grond. Bij het veranderen van de rooidiepte is het mogelijk dat ze niet meer vrij lopen. Dit beperkt het reinigend vermogen en/of er wordt grond opgeschept. Op zware kleipercelen zorgen open rooizonnen (zonder ring aan de omtrek) voor beter en eerder lossen van losse grond en bladpruiken (figuur 8.2.5).


Figuur 8.2.5 Open rooizonnen (zonder ring aan de omtrek) voor beter lossen van losse grond en bladpruiken. Dit voorkomt op zware kleipercelen dat de reiniging te agressief moet werken om deze grond alsnog te verwijderen.

Na deze eerste reiniging volgt bijna altijd een reiniging door één of meerdere zeefraderen (figuur 8.2.6). Meerdere rooimachines hebben als extra een axiaalrollenset. Deze axiaalrollen staan altijd na de zeefraderen en dienen als laatste reiniging in de oogstmachine om de laatste resten losse grond, blad en kopjes te verwijderen.

4_DSC_0171 (600 x 399)
Figuur 8.2.6 Bij zeefraderen geeft de uitvoering met open zeefraderen en verticale veertanden de meest effectieve reiniging.

8.3 Oogst wat gegroeid is

Versie: mei 2019

Perfect rooiwerk komt pas echt tot stand bij een goed samenspel tussen teler, loonwerker en de machinist op de rooier. De kunst is alle gegroeide suiker te oogsten en na een goede bewaring af te leveren voor uitbetaling.

Uit het SUSY-project van het IRS blijkt dat de verschillen in rooiwerk enorm zijn. Gemiddeld ging 2,9 ton biet per hectare verloren bij de oogst. De totale bietverliezen (te diep koppen, puntbreuk, verlies hele bieten) varieerde enorm, van 0,5 tot 9,1 ton biet per hectare. Een verschil dat overeenkomt met 1,3 ton suiker per hectare. Zonde dat zoveel gegroeide suiker en dus geld verloren gaat in het veld. Het maximale verschil betekent 344 euro per hectare. Het viel op dat er nauwelijks verschil was tussen de jaren en tussen grondsoorten. In tabel 8.3.1 zijn de resultaten verder uitgesplitst.

Tabel 8.3.1 Oogstverliezen, gemeten op 150 percelen (SUSY-project, 2006/2008). De waarden zijn de gemiddelden met tussen haakjes de uitersten. Financieel verlies berekend met een bietenprijs van 40 euro per ton.

gebied bietverlies door te diep koppen
(t/ha)
puntbreuk
(t/ha)
verlies aan hele bieten
(t/ha)
totaal bietverlies
(t/ha)
totaal financieel

verlies
(€/ha)

zand en dal 0,7 (0,0-2,1) 1,4 (0,1-3,6) 0,4 (0,0-2,0) 2,6 (0,5-6,0) 104 (20-240)
klei en löss 0,7 (0,0-2,4) 1,9 (0,1-5,0) 0,6 (0,0-4,6) 3,2 (0,8-9,1) 128 (32-364)
Nederland 0,7 (0,0-2,4) 1,7 (0,1-5,0) 0,6 (0,0-4,6) 2,9 (0,5-9,1) 116 (20-364)

8.3.1 Aandachtspunten tijdens het rooien

8.3.1.1 Verliezen door te diep koppen beperken

Kop niet te diep, maar verwijder wel al het blad. Het IRS adviseert de suikerbieten zo te ontblade­ren en te koppen dat ze maximaal 5% bladsteelresten langer dan 2 cm hebben en maximaal 5% te diep is gekopt (figuur 8.3.1).

Bij 1 cm te diep koppen gaat 6% van de netto biet verloren, bij 2 cm is dat al 15%! Kopdemoˈs van de laatste 10 jaar en ook de internationale oogstdemonstrateis Beet Europe (2010, 2012) toonden overduidelijk dat bietverlies door te diep koppen snel kan oplopen tot tientallen euroˈs per hectare en met gerichte aandacht te beperken is tot enkele euroˈs per hectare. De sleutel ligt in controleren en aanpassen van het kopwerk tijdens het rooien.

Verlies door te diep koppen is in te schatten met tabel 8.3.2.

Tabel 8.3.2 Bietverlies door te diep koppen.

extreem diep gekopte bieten
(vaatbundels zichtbaar, rechtse foto in figuur 8.3.1)
(%)
bietverlies
(t/ha)
3 0,5
5 1
10 2
15 3
20 4

Figuur 8.3.1 Bij goed koppen of ontbladeren zijn de bladresten verwijderd en de nettobiet nog volledig in tact. Streef naar meer dan 90% goed gekopte bieten en houd het aandeel bieten met bladstelen en te diep gekopte bieten beneden 5%.

8.3.1.2 Goede scheiding biet en grond

Scheid bieten en grond zoveel mogelijk bij het lichten. Aandachtspunten zijn de afstelling van de rooischaren en de rooidiepte. Elke rooier kan de bieten met de punt er nog aan lichten (figuur 8.2.3 in paragraaf 8.2).

De rooidiepte is een compromis tussen grondtarra en puntbreuk:

- grondtarra: rooi zo ondiep mogelijk;

- puntbreuk: rooi zo diep als nodig.

De optimale rooidiepte is afhankelijk van de grondsoort en het vochtgehalte van de grond. Stel de rooidiepte in op ongeveer 6 cm bij minder gunstige omstandigheden. In lichtere gronden of op zwaar­dere gronden onder gemiddelde tot gunstige omstandigheden wordt een rooidiepte van ongeveer 8 cm aangeraden.

8.3.1.3 Puntbreuk beperken

Beperk directe verliezen van puntbreuk en extra bewaarverliezen door beschadiging. Puntbreuk is deels onvermijdbaar vanwege de beperking van grondtarra. De gevonden puntbreuk is vaak hoger dan nodig (zie tabel 8.3.1). De belangrijkste oorzaken zijn te intensief reinigen en te hoge toerentallen van de zonnen onder relatief gunstige omstandigheden (figuur 8.3.2). Met gerichte aandacht is puntbreuk en bietbeschadiging fors te beperken, zie ook figuur 8.3.3.

Verlies door puntbreuk is te schatten met tabel 8.3.3. Gebruik voor een exacte bepaling de applicatie ˈoogstverliezenˈ op de IRS-website of de mobiele toepassing, te benaderen via onderstaande QR-code of via https://www.irs.nl/oogstverliezen:

Tabel 8.3.3 Bietverlies door puntbreuk.

bieten met puntbreuk <2 cm diameter
(%)
bietverlies
(t/ha)
>80-100 0,5
>60-80 1
>40-60 2
>20-40 3
0-20 >4

6L_DSC_0419 (600 x 399) 6R_DSC_0434 (600 x 399)

Figuur 8.3.2 Boven: te veel puntbreuk en ˈsneeuwˈ door een te hoog toerental van de zonnen.
Onder: de verliezen door puntbreuk zijn hierbij hoog. De grote wondvlakken en beschadigingen geven extra verliezen in de bewaring. Bij een breukvlak tot 2 cm diameter is het bietverlies te verwaarlozen. Bij een groter breukvlak lopen de bietverliezen snel op: bij een diameter van 4 cm is er al 5% bietverlies en bij 8 cm zelfs 23%! Daarbovenop komen dan nog de extra bewaarverliezen.

Figuur 8.3.3 Invloed van intensiteit van reinigen in de rooier op grondtarra, puntbreuk en bewaarverliezen (naar IRS, 2008; KBIVB, 2012/2013). Advies: vindt tijdens het rooien het optimum, zowel voor directe levering als voor te bewaren bieten. Te intensief reinigen om nog 1% extra grondtarra te verminderen levert per saldo een groter financieel verlies op door extra verlies aan puntbreuk en extra verliezen in de bewaring.

8.3.1.4 Verlies aan hele bieten

Bij het insteken van een perceel, bij geren en in spuitsporen gaan meestal enkele bieten verloren. Deze zijn niet meegenomen in onze metingen (tabel 8.3.1). Toch ging hierbij midden op het perceel gemiddeld 0,56 ton hele bieten per hectare verloren. Dat is landelijk meer dan 1.000 vrachtwagens per campagne! Er zijn twee groepen oorzaken. Allereerst het niet goed aansluiten met het rooien op de zaaislag; ook het verkeerd doorsteken van het perceel en het morsen bij het rijdend lossen. Daarnaast zijn er technische oorzaken, zoals wegspringen bij de scharen, de aansluiting tussen scharen en zonnen, overlopen van de opvoerband en lekken in de machine door slijtage en breuk van spijlen. Gelukkig zijn de grootste lekken snel te vinden en te verhelpen. Een goede chauffeur vindt ook de laatste lekken tijdens het rooien.

8.3.1.5 Samenwerking teler en rooierchauffeur

Alleen door goed samenspel van teler, loonwerker en chauffeur is een topprestatie te leveren. De teler kan veel doen: een vlak zaaibed, een gelijkmatig plantbestand, voldoende ruime zaaiafstand (figuur 8.3.3) en een goed oogstmoment. De loonwerker zorgt voor een goede machine en een deskundige chauffeur. De chauffeur haalt het beste uit de rooier en oogst wat gegroeid is. Goed samenspel tussen teler en chauffeur levert meer rendement op dan een discussie over het laatste tientje van het rooitarief. Neem met de chauffeur de oogstkwaliteit door tijdens het rooien. Zeg er iets van als het goed is en natuurlijk ook als het beter kan. Door de geoogste biet te bekijken, kunt u snel achterhalen waar het in de rooier mis ging (figuur 8.3.5). De chauffeur kan daarmee direct de rooier aanpassen voor perfect rooiwerk (figuur 8.3.6). Met gerichte aandacht zijn de oogstverliezen te beperken.

IMG_4538

Figuur 8.3.4 Bij een te kleine afstand tussen de bieten is er onvoldoende ruimte en tijd voor het kopmes om goed kopwerk te leveren. De oorzaak ligt vaak in krapper zaaien dan 17 cm in de rij of zoals op de foto: een onregelmatig bestand door versleten zaaischijven.

P:\Dam\Kwaliteit rooiwerk-geen bladresten, geen kopverlies.jpg

Figuur 8.3.5 Beoordelen en verbeteren kwaliteit rooiwerk.

Figuur 8.3.6 Perfect geoogste biet. Schoon gerooid, bladresten verwijderd, geen bietverlies door te diep koppen en geen puntbreuk, nauwelijks beschadigd en daardoor goed bewaarbaar.

8.3.1.6 Rijsnelheid

De rijsnelheid bepaalt, gegeven de breedte van de machine, voor een groot gedeelte de capaciteit van de machine en daarmee de oogstkosten per hectare. Andere zaken die mede de capaciteit bepalen zijn de afmetingen van de percelen, de doorvoercapaciteit van de rooier (kan beperkend zijn bij zeer hoge opbrengsten) en de beschikbaarheid van voldoende transportmateriaal voor de afvoer van de bieten naar de hoop.

De rijsnelheid heeft een behoorlijke invloed op de kwaliteit van het geleverde werk. Elke bijkomende kilometer per uur veroorzaakt gemiddeld een stijging van 2-4 procentpunten grondtarra. Onder slechte omstandigheden is een rijsnelheid van maximaal 3 km per uur het advies en onder gemiddelde tot zeer goede omstandigheden een snelheid van 4 tot maximaal 6 km per uur. Sneller dan 6 km per uur kan soms nog goed werk leveren op het gebied van rooien en reinigen, mits de grond goed verkruimelt. Echter, vaak verslechtert het koppen boven de 6 km per uur, vooral bij gewassen met een grote variatie in kophoogte tussen de individuele bieten en op dalgronden, waar de bieten vaak vrij los in de grond staan.

8.3.1.7 Rooien onder gunstige omstandigheden

Het juiste moment is de absolute nummer één als het gaat om het maximale resultaat bij de oogst. Rooien onder gunstige omstandigheden heeft een duidelijk tarraverlagend effect; op zwaardere gronden zelfs tot 10%! Benutten van gunstige rooiomstandigheden kan betekenen dat men enige groeidagen moet opofferen.

Advies: kijk weken door de leveringsdata naar de weersverwachting en de situatie van de grond. En trek vervolgens een plan voor de meest gunstigste omstandigheden.

De financiële effecten van voorgaande zijn uit te rekenen. Als voorbeeld gaan we uit van een ge­was dat op 8 november netto 90 ton per hectare opbrengt (tabel 8.3.4). Om onder gunstige omstandigheden te rooien, worden zeven groeidagen opgeofferd. Het grondtarrapercentage is 10% lager.

Tabel 8.3.4    Netto-opbrengst, extra groei, extra verliezen, grondtarrapercentage, tarrabijdrage en financiële opbrengst op diverse oogsttijdstippen en -omstandigheden.

oogst-
tijdstip
omstandig-
heden
netto
wortel-
opbrengst
(t/ha)
suiker-gehalte
(%)
extra groei
door later
rooien*
(€/ha)
extra
bietverlies
bij later rooien*
(€/ha)
extra bewaar­verlies door eerder rooien*
(€/ha)
grond-
tarra
(%)
tarra-
bijdrage*
(€/ha)
financiële­opbrengst*
(€/ha)
1 okt. gunstig 84,3 16,4 - - 52 5 56 3.083
8 okt. ongustig 85,6 16,7 148 66 - 15 192 3.082
1 nov. gunstig 89,3 17,0 - - 23 5 60 3.504
8 nov. ongunstig 90,0 17,1 63 69 - 15 202 3.379

* Berekend bij 40,- per ton bieten, tarrabijdrage 12,70 per ton. De groei is berekend met SUMO en de campagnegegevens van 2013/2017. Extra bietverlies door intensiever reinigen onder ongunstige omstandigheden is geschat op 1,7 ton per hectare.

Uit dit voorbeeld blijkt dat de financiële opbrengst bij rooien op 1 oktober onder gunstige omstandigheden en een week bewaren gelijk is aan die van rooien op 8 oktober onder ongunstige omstandigheden. Dit is exclusief schade aan de grond. In dit voorbeeld stijgt het tarrapercentage in een week van 5 naar 15.

Rooien op 1 november onder gunstige omstandigheden en een week bewaren levert een bedrag van 125 euro per hectare meer op ten opzichte van rooien op 8 november onder ongunstige omstandig­heden. Voor hogere machine en arbeidskosten en schade voor volgteelt(en) is in dit voorbeeld nog geen bedrag verrekend.

Begin campagne

Aan het begin van de campagne groeien de bieten nog aanzienlijk. Houd dan de periode tussen rooien en levering kort. Bij slecht weer is het wachten tot de grond weer droog genoeg is vaak beter, op lichte grond kan een halve dag een wereld van verschil maken. Op zware grond is hiervoor al snel drie dagen nodig.

Laatlevering

Na half november is de extra groei van de bieten minimaal. U heeft dan twee afwegingen bij laatlevering:

vroeg rooien onder gunstige omstandigheden én langer bewaren. Dit vereist bietvriendelijk reinigen tijdens het rooien; gezonde bieten met weinig puntbreuk zijn langer te bewaren;

later rooien vereist altijd rooien voordat het te nat is of een vorstperiode aanbreekt.

In beide gevallen loont extra aandacht bij de planning en het bietvriendelijk rooien en reinigen van de bieten.

8.3.2 Spaar de (onder)grond

Aandacht en op het juiste moment handelen zijn de beste garanties voor een teelt met rendement. Dat geldt zeer zeker ook bij het omgaan met de grond. Het doet elk boerenhart zeer als grond zicht­baar wordt versmeerd en verdicht. Met gevolgen die lang kunnen duren. Hoe beperk je struc­tuurschade tot een minimum bij de bietenoogst met bunkerrooiers? Het antwoord is op het juiste moment met de juiste techniek. Enkele hoofdzaken worden hieronder toegelicht voor kleihoudende gronden aan de hand van figuur 8.3.7.

Voorkom onnodig rijden met de kipper op het bietenperceel. Beter voor de grond is de kipper op de kopakker te houden. Dit kost wel enige capaciteit, volgens Zwitserse berekeningen4 ongeveer vijftien minuten per vijf hectare. Op grote percelen is een optie: het systematisch benutten gebruiken van de met RTK GPS aangelegde spuitsporen.

Draagkracht grond-fig

Figuur 8.3.7 De draagkracht van grond vermindert als de grond natter is. Vooral als de grond natter is dan de veldcapaciteit neemt de draagkracht snel af. De fotoˈs4 illustreren de toestand van de grond in drie situaties (te nat, gunstig en te droog). De stoplichten geven het advies voor rooien met bunkerrooiers (pi = bandspanning; W = wiellast). (Fotoˈs Buwal/Docuphot. Deze staan ook op bladzijde 19 van Suikerbietsignalen)

4 Zuckerrüben: Erntemanagement und -kosten. Schwere Erntemaschinen gut auslasten, ohne die Böden zu verdichten. FAT-Berichte Nr, 568 (2001), FAT, Tänikon (CH), 8pp.

Grond te droog: pas op voor puntbreuk

Als de grond droog en hard is gaat het rijden prima. Bij het rooien is er meer puntbreuk door afbre­ken van bieten in de grond. Ook is er meer slijtage aan de rooischaren. Advies: dieper rooien.

Gunstig: lage bodemdruk

Bij een normaal vochtgehalte (rond veldcapaciteit) gaat het rooien prima. Om schade aan de bodem­structuur te beperken, mag de bodemdruk niet te hoog zijn. Voorkom altijd verdichting van de ondergrond. Veilig voor de ondergrond is een bandspanning van 1,5 bar of lager; 0,8 bar is beter voor de bouwvoor. Daarmee ligt de maximale wiellast bij de grootste band onder 10 ton. Boven 12 ton wiellast treedt er bijna altijd ondergrondverdichting op tot 40 cm diepte, ook met de grootste en beste banden. Met de nieuwste bandentechnologie (IF, VF enz.) kan de bandspanning lager; een goede ontwikkeling als betere technologie benut wordt om bij gelijkblijvende wiellasten de bandenspanning te verlagen en daarmee de bodem te ontzien.

Moderne rupssystemen geven onder gunstige omstandigheden geen ondergrondverdichting, ondanks de veel hogere last op het rupssysteem.

Grond te nat: niet rijden

Bij te natte grond is het beste: wachten tot de grond weer droog genoeg is om zonder schade te rijden. Dat kan enkele uren zijn op zandgrond en drie tot vijf dagen drogend weer op kleigronden.

Wat te doen als het nat is en blijft, zoals in 1998 en 2010? Wachten is dan geen optie. Het advies is dan onveranderd:

  • alleen de bunkerrooier in het veld. Kipwagens zakken tot op de ploegzool en verdichten de ondergrond bij herhaald door hetzelfde spoor rijden;
  • de bunker halfvol en het uiterste uit de banden halen (bandspanning omlaag).

De consequentie is wel dat de bouwvoor grotendeels wordt verdicht en ook versmeerd. Voor herstel is de hulp van de natuur nodig met vele cycli drogen en herbevochtigen. Vorst gevolgd door droge dooi heeft hetzelfde positieve effect op herstel van versmering. De grond is na de winter wel zeer kwetsbaar. Vandaar dat we in het voorjaar zeer voorzichtig moeten zijn met de grond. De verleiding is vaak groot om na een goede winter het land op te gaan, terwijl alleen het bovenste laagje goed is en de laag eronder te nat om te berijden. De kans op structuurschade in de laag 15-25 cm is dan zeer groot, met later in het jaar de gevolgen in het gewas. Voorkom dit door vooraf met de spade de hele bouwvoor te beoordelen.

8.4 Bewaring

versie: september 2018

8.4.1 Inleiding

Tijdens de bewaring van suikerbieten treden suikerverliezen op, omdat de bieten ademen. Hierbij worden suiker en zuurstof omgezet in koolzuur, water en warmte. Beperking van de suikerverliezen kan door extra aandacht aan oogst en opslag te besteden.

Hierna gaan we kort in op een aantal aspecten rond de bewaring van bieten:

  1. teelt- en oogstfactoren;
  2. veranderingen in de bieten tijdens bewaring;
  3. invloed van beschadiging en temperatuur op de ademhalingsverliezen;
  4. aanleggen van de bewaarhoop;
  5. afdekstrategie.

8.4.2 Teelt- en oogstfactoren

8.4.2.1 Bietenras

Tussen rassen zijn verschillen in bewaarverliezen aangetoond. De verschillen in bewaarbaarheid tussen de rassen op de Rassenlijst zijn echter niet bekend, zodat hiermee bij de rassenkeuze (nog) geen rekening kan worden gehouden.

8.4.2.2 Bemesting

Optimale bemesting geeft de laagste bewaarverliezen. Wanneer in het gewas duidelijke gebreksverschijnselen zichtbaar zijn, kunnen hoge bewaarverliezen optreden.

8.4.2.3 Ziekten, aantasting

Aantasting door rhizoctonia geeft hoge verliezen. De aangetaste bieten zoveel mogelijk verwijderen bij de aanleg van de hoop.

Bevroren bieten kunnen niet worden bewaard.

8.4.2.4 Aantal planten per hectare

Zware, grote bieten geven de laagste bewaarverliezen. Om opbrengstderving te voorkomen, moet echter worden gestreefd naar een optimaal plantbestand tussen 70.000 en 90.000 planten per hectare.

8.4.2.5 Rooidatum

Kijk weken voor de leveringsdatum naar de weersverwachting en de situatie van de grond. En trek een plan voor de meest gunstige omstandigheden. Na half november is de extra groei van de bieten minimaal. Voor laatlevering zijn dan de volgende (persoonlijke) afwegingen te maken:

  • vroeg rooien onder gunstige omstandigheden én de bieten langer bewaren;
  • later rooien, maar wel voordat het te nat wordt of een vorstperiode aanbreekt.

In beide gevallen loont extra aandacht bij de planning en het bietvriendelijk rooien en reinigen van de bieten. Gezonde bieten met weinig puntbreuk zijn langer te bewaren.

Wordt een vorstperiode verwacht, rooi dan onmiddellijk. Houd daarvoor de doorlopende 14-daagse weersverwachting goed in de gaten. Als bieten in het veld toch bevroren zijn, wacht dan met rooien tot de vorst uit de bieten is getrokken. Gebeurt dit niet, verwijder dan de bevroren koppen door extra diep te koppen.

8.4.2.6 Tarra

Grondtarra tussen de bieten belemmert de ontluchting van de bieten en geeft daardoor extra bewaar­verliezen. Hetzelfde geldt voor resten bietenblad en onkruid. Goed ontbladerde, licht gekopte bieten geven de laagste suikerverliezen. Dieper koppen dan algemeen wordt geadviseerd (direct onder de bladstelen; snijvlak van circa 3 cm in diameter), geeft opbrengstderving en verhoogt de adem­halingsverliezen tijdens bewaring.

8.4.2.7 Rooibeschadiging

Beschadigingen aan de bieten, opgedaan tijdens het rooien, het transport of bij het maken van de bewaarhoop, geven hogere bewaarverliezen. Enerzijds omdat de ademhaling is verhoogd, anderzijds omdat suiker uit de wondvlakken lekt en de groei van bacteriën en schimmels bevordert. Hierdoor kunnen de bieten gaan rotten. Dit treedt vooral op bij puntbreuk en te diep koppen (zie fotoˈs bij figuur 8.4.1), maar ook bij beschadiging van het oppervlak van de bieten als gevolg van te intensief reinigen.

januari2012bewaring 030

januari2012bewaring 028

Figuur 8.4.1 Aantasting door schimmel bij bewaarde bieten (foto boven) met tot gevolg rotting (foto onder), vooral bij puntbreuk en te diep koppen. Fotoˈs: Agrarische Dienst Suiker Unie, januari 2012.

De effecten van beschadigingen in relatie tot de temperatuur staan weergegeven onder punt 8.4.4: Invloed van beschadiging en temperatuur op de ademhalingsverliezen.

8.4.3 Veranderingen in de bieten tijdens bewaring

8.4.3.1 Het suikergehalte en het gewicht

De ademhaling van de bieten veroorzaakt suikerverliezen tijdens bewaren. Bij de ademhaling wordt namelijk suiker en zuurstof omgezet in koolzuur, water en warmte. De verliezen worden uitgedrukt in de daling van het suikergehalte en ook in het verlies aan suiker per ton bieten per dag.

Gemiddeld is het suikerverlies ongeveer 150 gram suiker per ton bieten per dag. Dit komt overeen met een daling van het suikergehalte van 0,1% per week. De eerste dagen na de oogst zijn de sui­kerverliezen duidelijk hoger en ook na 3 à 4 weken nemen de verliezen weer toe (figuur 8.4.2). Overigens is het verschil in suikergehalte bij directe levering en na opslag geen goede maat voor het suikerverlies. Als door de afgifte van vocht het gewicht afneemt (indrogen), zal het suikergehalte minder dalen, terwijl het suikerverlies toch relatief hoog kan zijn.

Figuur 8.4.2 Suikerverlies tijdens de bewaring van suikerbieten.

8.4.3.2 De winbaarheidsindex (WIN)

De gehalten aan kalium en natrium, uitgedrukt in mmol per kg biet, veranderen tijdens bewaring niet of nauwelijks. Het aminostikstofgehalte kan wel iets veranderen. Deze verandering is vooraf echter niet voorspelbaar en kan zowel een toe- als afname zijn. Het effect hiervan op de WIN is over het algemeen klein. Aangezien het suikergehalte daalt, zal de WIN tijdens bewaring in principe afnemen. Gemiddeld zal dit meestal beperkt blijven tot één punt.

8.4.3.3 Het tarrapercentage

De aanhangende grond kan tijdens bewaring droger of natter worden. Indien de grond opdroogt, kan deze tijdens het verladen gemakkelijker van de bieten vallen en op het bedrijf achterblijven. Het tarrapercentage kan daardoor 1 tot 2% lager zijn. Spruitvorming tijdens bewaring leidt doorgaans niet tot een aantoonbare verhoging van het percentage tarra.

8.4.4 Invloed van beschadiging en temperatuur op de ademhalingsverliezen

De belangrijkste oorzaken van hoge ademhalingsverliezen zijn beschadigde bieten en onvoldoende ventilatie in de hoop, waardoor de temperatuur oploopt. Hoe lager de temperatuur hoe lager de ademhalingsverliezen. De bieten mogen echter niet bevriezen. De beste bewaartemperatuur ligt dan ook tussen de 0 en 5°C. Iedere tien graden temperatuurstijging betekent een verdubbeling van de suiker­verliezen door ademhaling. Vooral bij bieten met veel beschadigingen, dus ook bij te diep koppen, kunnen hierdoor de suikerverliezen hoog oplopen (figuur 8.4.3). Probeer daarom de beschadigingen zoveel mogelijk te voorkomen. Om extra suikerverliezen door temperatuurverhoging te voorkomen, moet de warmte die door de ademhaling van de bieten ontstaat, via de natuurlijke ventilatie kunnen worden afgevoerd. Hiervoor is het van belang dat in de hoop zo weinig mogelijk grondtarra, blad­resten en onkruiden aanwezig zijn.

Figuur 8.4.3 Verband tussen suikerverliezen en temperatuur in de hoop bij weinig en veel beschadigde bieten.

8.4.5 Aanleggen van de bewaarhoop

8.4.5.1 Plaats van de hoop

Elke bietenhoop moet zodanig liggen dat onder alle omstandigheden de bieten met gangbare oplaad­machines (kraan, shovel of bietenmuis) kunnen worden afgevoerd. De ondergrond dient vlak te zijn en water af te kunnen voeren en de ligplaats moet voldoende ruim zijn. Er past ongeveer 0,65 ton netto bieten in een kubieke meter. Bij een storthoogte van 2,5 meter betekent dit dat per vierkante meter maximaal 1,2 ton netto bieten kan worden gestort. Daarnaast worden er afhankelijk van het type oplaadmachine nog aanvullende voorwaarden gesteld aan de ligging van de bietenhoop. De voor­waarden zijn te vinden in de informatiebrochure bieten laden op: https://www.cosunleden.nl/campagne/ligplaats-en-verladen.

Indien de bieten bij het verladen niet worden gereinigd, heeft ligging van de bietenhoop op een ver­harde ondergrond de voorkeur, omdat hierdoor het tarrapercentage enkele procenten lager kan uit­vallen. Dit komt doordat bij het laden van de bieten geen ondergrond mee wordt genomen en er wél losse grond achterblijft. Op lichte grond kan men bieten op een vlakke vastgereden wend- of kopakker bewaren, mits daar onder natte omstandigheden geen wateroverlast ontstaat.

Zorg voor een opgeruimde ligplaats, zodat met de bieten geen vreemd materiaal (steen, puin, hout, gereedschap, oud ijzer en dergelijke) wordt afgevoerd.

8.4.5.2 Afmetingen en vorm van de hoop

Bietenhopen kunnen op verschillende manieren worden aangelegd. De ervaring leert dat langgerekte dakvormige hopen het meest geschikt zijn voor bewaring. Dit komt doordat deze vorm gemakkelijk is af te dekken, het water van de afgedekte hoop af kan lopen en goed is te ventileren. Wel vraagt dit type hoop iets meer aandacht om vorstvrij te houden. Een vierkante hoop is wat minder gevoelig voor vorstschade, maar geeft eerder kans op broei door een mindere ventilatie en is minder eenvoudig bol te leggen, waardoor water niet goed van het afdekmateriaal af kan lopen. Onderzoek in 2017 wees uit dat de bewaartemperatuur in een vierkante hoop duidelijk hoger lag dan bij een langgerekte hoop en dat het bewaarverlies ruim tweemaal zo veel was. Bij een hoop van 500 ton kostte dit hogere verlies circa € 1.400 opbrengst. Aanleggen van meerdere langgerekte, dakvormige hopen naast elkaar is dan ook beter dan het maken van een grote vierkante hoop. Als telers wegens ruimtegebrek toch genoodzaakt zijn om een vierkante hoop aan te leggen dan kan het inschakelen van mechanische ventilatie uitkomst bieden om sterke opwarming in het midden van de hoop te voorkomen, al is dit wel kostenverhogend en is het succes hiervan mede afhankelijk van de buitenluchttemperatuur en de luchtverdeling in de hoop tijdens het ventileren. In een sleufsilo van beton of strobalen kunnen meer bieten gestort worden en is afdekken eenvoudiger, maar dient de voor- en achterzijde voor voldoende ventilatie open te blijven. Zorg dat de storthoogte niet meer dan 2,5 meter bedraagt. Deze hoogte is in de meeste gevallen zonder extra hulpmiddelen goed te maken. Kunst­matige verhoging van de storthoogte geeft extra bietbeschadiging, druk op de bieten en minder ventilatie, waardoor de kans bestaat dat de temperatuur gaat oplopen en de suikerverliezen dus toenemen. Vlak de hoop bovenop af om kuilen te voorkomen. Houd bij het aanleggen van de hoop rekening met de afmetingen van het afdekmateriaal.

8.4.5.3 Ventilatie of ontluchting

Bij onafgedekte langgerekte dakvormige hopen met een storthoogte tot 2,5 meter en weinig bieten­grond, onkruid en bietenblad is de natuurlijke ventilatie over het algemeen voldoende. Een bieten­hoop die met vliesdoek is afgedekt, kan ook nog ventileren. Echter, bij oplopende buitentempera­turen kan het noodzakelijk zijn om de hoop (deels) open te leggen om extra ventilatie mogelijk te maken en om temperaturen in de hoop van boven 8°C te voorkomen. Mechanische ventilatie kan ook worden toegepast, al zal dit meerkosten met zich meebrengen.

8.4.6 Afdekstrategie om bieten vorstvrij, koel en droog te bewaren

Er zijn verschillende manieren om bieten goed te kunnen bewaren. Onderzoek heeft aangetoond dat de beste bewaarresultaten worden behaald als de bieten vorstvrij, koel en droog worden bewaard.

Droog bewaren van bieten helpt bij het tegengaan van de vorming van bewaarschimmels en vermin­dert de kans op het ontstaan van broei. Daarnaast kan het een gunstig effect hebben op het tarra­gehalte, omdat de aanhangende grond tijdens de bewaring in kan drogen en er bij het verladen van de bieten af kan vallen. Droog bewaren is mogelijk door de bietenhoop met vliesdoek (bijvoorbeeld Toptex of Tissubel) af te dekken. Belangrijk hierbij is dat de hoop dakvormig is, zodat het regenwater gemakkelijk van het vliesdoek af kan lopen. Vliesdoek houdt de regen uit de hoop, terwijl het luchtdoorlatend is. Hierdoor blijft ventilatie mogelijk. Vliesdoek beschermt echter niet tegen vorst, waardoor bij vorst aanvullend winddichtmateriaal over het vliesdoek aangebracht moet worden.

Mits de bieten niet kort voor of aan het begin van een vorstperiode zijn gerooid, kan een hoop bieten één nacht met -3°C aan de grond over het algemeen zonder noemenswaardige schade doorstaan. Bij langere of strengere vorst zijn vorstbeschermende maatregelen nodig, te weten aanvullend afdekken van de hoop met winddichtmateriaal, zoals landbouwplastic, noppenfolie, bietendoek of zeil met klittenband (Jupettes). Wanneer er afgedekt dient te worden en welk materiaal gebruikt dient te worden, hangt van het weer af. Tabel 8.4.1 geeft een overzicht van beschikbare materialen en richtlijnen voor het afdekken afhankelijk van de weersomstandig­heden.

Tabel 8.4.1 Overzicht van mogelijke afdekmaterialen en aanbrengadviezen op basis van weersomstandigheden.

buitentemperatuur bescherming opmerking
10 tot -1°C
  • geen regen voorspeld: geen bescherming/onafgedekt
  • veel (>10 mm) regen voorspeld: afdekken met vliesdoek
tijdens de eerste dagen na het rooien ontstaat veel warmte in de hoop. Deze warmte kan in onafgedekte hopen het beste worden afgevoerd. Indien veel regen wordt voorspeld kan de hoop vooraf het beste meteen worden afgedekt met vliesdoek.
-1 tot -6°C laag winddicht/isolerend materiaal aanbrengen bijvoorbeeld landbouwplastic (dikte minimaal 0,2 mm) of strodek aan de voet aanbrengen, noppenfolie (2,5-4 m) aan de voet onder vliesdoek aanbrengen, bietendoek over vliesdoek leggen, Jupettes aanbrengen (hechten niet op CSV COVAS-vliesdoek of op bevroren vliesdoek).
-6 tot -10°C extra laag plastic/zeil aanbrengen extra laag landbouwplastic over de hoop heen leggen, nok van bietendoek of Jupettes dichtleggen met landbouwplastic/zeil.
onder -10°C extra isolatie tussen de lagen stro of noppenfolie als extra isolatie tussen de lagen aanbrengen.

Op tijd het plastic (of ander winddicht materiaal) aanbrengen aan het begin van een vorstperiode voorkomt bevriezing en zorgt ervoor dat enige warmte in de hoop aanwezig blijft. Er treedt dan minder snel vorstschade op bij kortdurende extremere kou. Als het gevaar van bevriezing van de bieten weer geweken is, moet men het luchtdichte afdekmateriaal van de hoop verwijderen, omdat anders de temperatuur snel kan oplopen.

Het bewaaradvies suikerbieten, wat tijdens de campagne in samenwerking tussen Infoplaza/Weerplaza en het IRS tot stand komt, geeft waarschuwingsberichten over vorstgevaar en het nemen van maatregelen om hopen af te dekken of open te leggen, zie www.irs.nl/bewaaradvies. In tabel 8.4.2 staan de codes van deze waarschuwingsdienst met de bijbehorende weersituatie en het afdekadvies weergegeven.

Tabel 8.4.2 Gehanteerde codes met de bijbehorende weersituatie en het afdekadvies van het bewaaradvies suikerbieten.

code weersituatie
advies
A Geen vorst van betekenis en ook geen verwachting van een vorstperiode. Geen vorstbeschermende maatregelen.

Bietenhopen moeten kunnen ventileren. Dus ook van volledig afgedekte hopen het winddichte afdekmateriaal geheel of gedeeltelijk verwijderen na een vorstperiode.

b Verwachting van een vorstperiode binnen 5 dagen waarbij de gemiddelde etmaaltemperatuur ten minste twee opeenvolgende dagen onder 0°C op 1,5 meter hoogte ligt. Bietenhopen winddicht afdekken!

Binnen enkele dagen wordt een vorstperiode verwacht. Om de warmte in de hoop te houden moeten de bieten nu al met winddicht materiaal worden afgedekt.

B Gedurende minimaal 3 uur -1°C of lager op 1,5 meter hoogte en/of gedurende minimaal 3 uur aan de grond -3°C of lager. Bietenhopen winddicht afdekken!

Bij de huidige weersituatie waarin vorst zal voorkomen moeten de hopen zo spoedig mogelijk met winddicht materiaal afgedekt worden.

C Bij 2 of meer dagen gedurende minimaal 3 uur -6°C of lager op 1,5 meter hoogte. Extra winddicht afdekmateriaal aanbrengen!

Bij de heersende vorstsituatie moet op de winddicht afgedekte hoop extra isolatiemateriaal worden aangebracht (bijvoorbeeld stro of pallets of iets dergelijks en daarover een tweede laag plastic).

Als voorbeeld is in figuur 8.4.4 een screenshot weergegeven van het bewaaradvies suikerbieten op internet (www.irs.nl/bewaaradvies) op 30 november 2017.

Figuur 8.4.4 Screenshot van het bewaaradvies suikerbieten op 30 november 2017.

Figuur 8.4.5 Vliesdoek met aan de zijkanten zeil voorzien van klittenband (Jupettes).
(Foto: leverancier.)

Welke afdekmethode de beste resultaten geeft, is weliswaar afhankelijk van de weersomstandighe­den. Echter, in het algemeen voldoen afdeksystemen die bestaan uit winddichtmateriaal aan de zij­kanten in combinatie met een enkele meters brede luchtdoorlatende strook over de top van de hoop. Afdekken met zwart landbouwplastic, waarbij de nok van de hoop voorzien is van een ontluch­tingskanaal, is ook mogelijk. Bij vorst moet dit kanaal dan wel worden afgesloten. Indien stro als isolatiemateriaal wordt gebruikt, dient dit wel droog te blijven, omdat nat stro niet meer isoleert. De combinatie vliesdoek met aanvullend Jupettes bij vorst (zie figuur 8.4.5) heeft afgelopen jaren goede bewaarresultaten laten zien en is gebruiksvriendelijk gebleken met betrekking tot het aanbrengen en afhalen. In figuur 8.4.6 zijn een aantal (combinaties van) afdekmaterialen weergegeven.

Figuur 8.4.6 Diverse afdekmaterialen. Van links naar rechts: bietendoek, stro op vliesdoek, landbouwplastic en vliesdoek.

Tabel 8.4.3 geeft globaal een overzicht van de verschillende afdekmogelijkheden.

Tabel 8.4.3 Diverse (combinaties) van afdekmaterialen en de bijbehorende eigenschappen.

afdek-

materiaal

vorst-bescherming ventilatie neerslag-werend opmerkingen
onafgedekt -- ++ -- alleen bij temperaturen boven 0°C
landbouwplastic 0 -- ++ alleen bij vorst;

dikte minimaal 0,20 mm

vliesdoek - + 0/+1 bijvoorbeeld Toptex 110 g/m2; opbrengen als veel regen wordt voorspeld
bietendoek 0 + + top 3 m breed gaas
voor ventilatie;
opbrengen voor de vorst
vliesdoek +
bietendoek
+ 0 + bij vorst bietendoek aanbrengen
vliesdoek + noppenfolie + 0 0/+1 bij vorst noppenfolie aan de zijkanten onder het vliesdoek aanbrengen
vliesdoek + Jupettes + + 0/+1 Jupettes op vliesdoek; aanbrengen voor de vorst

++ = zeer goed; + = goed; 0 = matig; - = slecht; -- = zeer slecht

1goed bij dakvormige hoop

Het is belangrijk om de temperatuur van de hoop goed in de gaten te houden. Let bij het meten van de temperatuur in de bietenhoop met een steekthermometer op onderstaande punten:

  • meet op verschillende plaatsen om een indruk te krijgen van de temperaturen in de hoop;
  • steek de thermometer op ooghoogte (1,5 meter) ongeveer horizontaal minimaal 50 cm in de hoop (zie figuur 8.4.7);
  • wacht ongeveer vijf minuten tot de temperatuur is ingesteld;
  • meet bij een volledig winddicht afgedekte hoop bovenin, want daar is de temperatuur het hoogst;
  • twijfelt u aan de juiste temperatuurweergave, dan kunt u dit controleren door bijvoorbeeld te kijken of de meter 0°C aangeeft na minimaal vijf minuten lang goed te roeren in water met veel ijs(klontjes).

Als de temperatuur in de hoop oploopt tot boven 8°C is ventilatie nodig en moet u het afdekmate­riaal (gedeeltelijk) verwijderen. De laagste suikerverliezen treden op bij een bewaartemperatuur van enkele graden boven nul.

Beschrijving: IMG_0003.jpg

Figuur 8.4.7 Gebruik van een steekthermometer om de temperatuur in de hoop te controleren.

In figuur 8.4.8 is schematisch een afdekschema weergegeven voor verschillende weersomstandigheden.

Figuur 8.4.8 Afdekschema voor bewaarhopen.

Meer informatie is te vinden in de bewaarbrochure: http://www.cosunleden.nl/teelt-campagne/bieten-bewaren. Hierna staan de belangrijkste aandachtspunten voor bewaring opgesomd.

Aandachtspunten bij bietenopslag:

  1. Op tijd rooien onder zo goed mogelijke omstandigheden.
  2. Geen zieke of bevroren bieten in de hoop.
  3. Zorg voor zo weinig mogelijk grondtarra, onkruid en bietenblad.
  4. Beperk breuk en beschadiging van de bieten.
  5. Goed kopwerk: bladresten moeten zoveel mogelijk verwijderd zijn.
  6. Zorg dat de stortplaats onder alle omstandigheden goed bereikbaar is voor vrachtautoˈs en laadapparatuur.
  7. Leg de hoop aan op een vlakke, bij voorkeur verharde, ondergrond.
  8. Zorg voor een goede waterafvoer op de stortplaats.
  9. Vorm de hoop zodanig dat het afdekmateriaal snel en effectief kan worden aangebracht en vastgelegd.
  10. Beperk de hoogte van de hoop tot ongeveer twee meter voor voldoende ventilatie en om extra bietbeschadiging te voorkomen.
  11. Bescherm de bieten tijdig tegen vorst.
  12. Voorkom oplopen van de temperatuur in de hoop door te zorgen voor voldoende ventilatie bij buitentemperaturen boven het vriespunt.
  13. Houd te allen tijde de temperatuur van de hoop in de gaten en pas zonodig de afdekking aan, zodat de bieten vorstvrij, koel en droog blijven.

9. IRS Diagnostiek

9.1 Diagnostiek

Versie: april 2021

Het IRS verricht diagnostisch onderzoek naar ziekten, plagen en gebreksverschijnselen in suikerbieten. Voor telers en adviseurs zijn er, naast de teelthandleiding, diverse hulpmiddelen op de website van het IRS om een juiste diagnose te kunnen stellen:

Indien er na het raadplegen van deze informatie nog steeds onduidelijkheid is over de oorzaak, dan kunnen medewerkers van de suikerindustrie en andere kennisintermediairs, zoals gewasbeschermingshandel, coöperaties of Delphy, een monster opsturen. Vooral voor bladvlekkenziekten is het noodzakelijk om na een juiste diagnose snel te handelen. Sommige ziekten en plagen, zoals rhizomanie, rhizoctonia en aaltjes, zijn echter niet binnen het lopende teeltseizoen te bestrijden, maar de juiste diagnose kan schade in de volgende bietenteelt voorkomen.

Aan deze diagnostische service zijn behalve de verzendkosten, geen onderzoekskosten verbonden. Wel vragen wij u om bij het monster een volledig ingevuld formulier (zie voorbeeld) mee te sturen. Het is de verantwoordelijkheid van de inzender om het monster van de juiste gegevens te voorzien. Deze gegevens hebben wij nodig om:

  1. zo snel mogelijk de juiste diagnose te stellen. Vooral informatie over het ziektebeeld, grondsoort, pH, relevante bespuitingen en de voorvruchten zijn daarbij van belang;
  2. te weten aan wie we de uitslag moeten doorgeven;
  3. een beter inzicht te krijgen in de verspreiding en de mate van optreden van ziekten en plagen om nog slagvaardiger in te kunnen spelen op toekomstige bedreigingen voor de bietenteelt.

Een formulier dat onvolledig of onjuist is ingevuld, kan leiden tot het stellen van een verkeerde diagnose!

Het opsturen van monsters

Teeltadviseurs kunnen monsters opsturen, vergezeld van een volledig ingevuld formulier.

Altijd: de monsters zo snel mogelijk opsturen (NIET op vrijdag). Als de monsters een aantal dagen bij te hoge temperaturen bewaard worden, gaat het materiaal snel achteruit en wordt de diagnose moeilijk of zelfs onmogelijk. Als de monsters op vrijdag worden verzameld, bewaar ze dan in de koelkast en stuur ze pas na het weekend op naar het IRS.

Een goed monster bestaat uit meerdere planten met een verschillende mate van aantasting. Ook het meesturen van een gezonde plant draagt bij aan het stellen van de juiste diagnose.

Alleen teeltadviseurs kunnen monsters insturen. Monsters kunnen worden opgestuurd naar:

IRS

p.a. Cosun innovation center

Diagnostiek

Postbus 20

4670 AA Dinteloord

Telefoon 0165 - 516 070

E-mail: diagnostiek@irs.nl

Regelmatig ontvangen wij enveloppen die onvoldoende gefrankeerd zijn. Vaak komen deze enveloppen met grote vertraging aan en is diagnose aan het monster niet meer mogelijk. Wij vragen u met nadruk om de post voldoende te frankeren. Op de website van PostNL kunt u vinden hoeveel postzegels geplakt dienen te worden.

Uiteraard is het ook mogelijk om monsters bij het IRS af te geven (08.00-16.00 uur; p.a. Cosun innovation center, Kreekweg 1, Stampersgat). IRS Diagnostiek bevindt zich in het BeetLab, gelegen tegenover het Cosun innovation center. Kies de leveranciersingang, bel aan bij het hek en meld dat u een monster af komt geven bij IRS Diagnostiek. Rijd vervolgens door naar de roldeur van het BeetLab. Hier kunt u de monsters wegleggen in de speciale diagnostiekkoelkast. Deze vindt u achter de grote roldeur. Het monster zal de volgende werkdag in behandeling worden genomen. Heeft u ter plaatse nog vragen over het diagnostiekmonster, bel dan 06 - 34161043 of bel bij geen gehoor de receptie van het Cosun innovation center, 0165 - 516 015 en vraag naar IRS Diagnostiek.

Hoe u het beste de monsters kunt opsturen:

a. Jonge bietenplanten

  1. Graaf jonge bietenplanten met aantasting of gebrekkige groei voorzichtig uit.
  2. Stuur ze op met aanhangende grond tussen gras en/of papier en in plastic verpakt.
  3. Zorg ervoor dat u 200 gram grond tezamen met het monster meestuurt, zodat direct bij binnenkomst aanvullende onderzoeken kunnen plaatsvinden. Soms zien wij aan de planten niets, maar meten we bijvoorbeeld een lage pH of vinden we insecten of grote aantallen aaltjes. Meteen grond meesturen, geeft een snellere uitslag!
  4. Stuur zo snel mogelijk uw monsters op, vergezeld van een volledig ingevuld formulier.
  5. Bij mogelijke herbicidenschade kunnen aangetaste bietenplanten worden opgestuurd voor een visuele beoordeling. Bij het IRS zijn geen residubepalingen van middelen van grond en gewas mogelijk. Daarvoor wordt verwezen naar gespecialiseerde bedrijven.

b. Wortelaantasting of wortelrot

  1. Graaf wortels voorzichtig uit. Trek ze niet uit de grond.
  2. Stuur in geval van rotte bieten (in het land of aan de hoop) alleen planten op met grote delen gezond weefsel. Volledig rotte wortels zijn niet te gebruiken om de oorzaak vast te stellen.
  3. Laat een beetje grond rond de wortels zitten.
  4. Stuur in geval van wortelaantasting ook 200 gram grond mee. Bij vermoeden van aaltjes, kunnen we dit dan direct nagaan.
  5. Laat bladeren aan de plant zitten.
  6. Stuur zo snel mogelijk uw monsters op, vergezeld van een volledig ingevuld formulier.

c. Bladaantasting

Bladschimmels kunnen bladaantasting veroorzaken. Bladeren kunnen ook geel verkleurd zijn als de wortels zijn aangetast, door vergelingsziekte en/of wanneer er een gebrek of overmaat aan nutriënten is.

  1. Verpak, in geval van vermoeden van bladschimmels, een aantal droge bladeren in plastic (niet vochtig maken en als de bladeren nat zijn, dan eerst droogdeppen).
  2. Stuur, in geval van vermoeden van vergelingsziekte, een paar aangetaste bladeren op. Doe dit zo spoedig mogelijk na het signaleren van de vergeling. In bladeren met vergelingsziekte is het vanaf begin september vaak niet meer mogelijk om het virus aan te tonen.
  3. Graaf, in geval van andere soorten geelverkleuring van de bladeren, bieten met zijwortels voorzichtig uit. Stuur 200 gram grond mee en laat bladeren aan de plant zitten. Wij ontvangen daar graag wortels bij, omdat veel soorten geelverkleuring worden veroorzaakt door een verstoorde wortelgroei.
  4. Stuur, in geval van vermoeden van gebreksverschijnselen, ook gezonde bladeren van vergelijkbare grootte mee.
  5. Stuur zo snel mogelijk uw monsters op, vergezeld van een volledig ingevuld formulier.

d. Vraat

Insecten, slakken:

  1. Stuur, als er sprake is van vraat, de aangetaste plantdelen met de mogelijke veroorzaker op.
  2. Haal in het jonge plantstadium de planten met een klein schepje uit de grond en stuur de planten met minimaal 200 gram grond op. Vaak zijn de insecten nog terug te vinden in de grond rondom de aangetaste plant.
  3. Stuur zo snel mogelijk uw monsters op, vergezeld van een volledig ingevuld formulier.

Uitslagen van monsters

1. Bladvlekkenziekten

Hiervan is de uitslag meestal op de dag van binnenkomst bekend. De inzender stellen wij hiervan telefonisch en/of per e-mail op de hoogte.

2. Virussen en schimmels

Bij virusziekten duren de definitieve uitslagen wat langer. Op de dag van binnenkomst wordt meestal een uitslag van vermoeden van een virusziekte gegeven. Om de kosten te beperken, worden voor de rhizomanie- en vergelingsziektebepalingen de monsters per serie ingezet. Het kan soms even duren voordat er voldoende materiaal binnen is om een bepaling uit te voeren. Dit kan betekenen dat de uitslag enkele weken tot maanden op zich laat wachten. Zodra de uitslag bekend is, wordt de inzender hiervan op de hoogte gesteld. Voor rhizoctonia of andere bodemschimmels kan de uitslag binnen drie tot vijf werkdagen bekend zijn. Aanvullende identificatie wordt ook seriematig uitgevoerd. Dit gebeurt meestal eenmaal per jaar in de winter. Zodra de onderzoeksuitslagen van deze monsters bekend zijn, stellen we de inzender hiervan op de hoogte.

3. Overige monsters

Hiervoor geldt dat de uitslag meestal binnen een tot vijf werkdagen bekend is. Soms is aanvullend onderzoek nodig en laat de uitslag op zich wachten. Uiteraard informeren wij de inzender hierover. Zodra de uitslagen van deze monsters bekend zijn, wordt de inzender hiervan op de hoogte gesteld.

Resultaten van diagnostiek

De uitslagen van de monsters worden niet aan derden verstrekt. Ze worden wel gebruikt om ziekten en plagen te monitoren. Elk jaar wordt in het jaarverslag van het IRS onder project ˈ07-03 Diagnostiekˈ een samenvatting van de meest voorkomende oorzaken en de bijzondere schadeverwekkers vermeld.

Afbeelding met tekst Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 9.1 Het stellen van een diagnose op een perceel (deel 1).

Afbeelding met tekst Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 9.2 Het stellen van een diagnose op een perceel (deel 2).

 

10. Ziekten & plagen

10.1 Algemeen

Versie: mei 2017

Uit het bedrijfsparenonderzoek SUSY bleek dat ziekten en plagen een grote invloed hebben op het opbrengstniveau van de suikerbieten. De variatie in suikeropbrengst tussen telers kon gemiddeld voor 50% worden verklaard door de aanwezigheid van ziekten en plagen. Ondanks het nemen van gewasbeschermingsmaatregelen veroorzaakten ziekten en plagen alsnog 24% suikeropbrengstderving. Het is dus heel belangrijk om de juiste gewasbeschermingsmaat­regelen op het juiste moment te nemen. Dit is onderdeel van een duurzame gewasbescherming. In dit hoofdstuk staat achtergrondinformatie beschreven voor de meest belangrijke ziekten en plagen. De overige ziekten en plagen staan vermeld in de applicatie ˈZiekten en plagenˈ.

Algemene informatie over gewasbescherming, zoals het gewasbeschermingsbulletin, de milieumeetlat en de toelatingssituatie van gewasbeschermingsmiddelen kunt u vinden in hoofdstuk 5.1. De principes van een duurzame gewasbescherming, waarnaar meerdere malen wordt verwezen in dit hoofdstuk, staan in hoofdstuk 5.2. De belangrijke details voor uitvoeren van een bespuiting zijn beschreven in hoofdstuk 5.4.

10.2 Aaltjes

Versie: april 2021

10.2.1 Inleiding

In Nederland zijn er diverse soorten aaltjes, die schade veroorzaken in suikerbieten. De belangrijkste zijn bietencysteaaltjes, wortelknobbelaaltjes, vrijlevende wortelaaltjes en stengelaaltjes. Soorten die schade doen in deze groepen, zijn:

  • bietencysteaaltjes
    • wit bietencysteaaltje (Heterodera schachtii)
    • geel bietencysteaaltje (Heterodera betae)
  • wortelknobbelaaltjes
    • noordelijk wortelknobbelaaltje (Meloidogyne hapla)
    • graswortelknobbelaaltje (Meloidogyne naasi)
    • maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi)
    • bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne fallax)
  • vrijlevende wortelaaltjes
    • Trichodorus similis
    • Trichodorus primitivus
    • Paratrichodorus teres
    • Paratrichodorus pachydermus
  • stengelaaltje
    • Ditylenchus dipsaci

Het is belangrijk om te weten welke aaltjes op een perceel aanwezig zijn om de juiste maat­regelen te treffen om schade te beperken. Hoe en wanneer het beste een grondmonster kan worden gestoken staat beschreven in paragraaf 10.2.2 ˈBemonsterenˈ. Informatie over de aaltjes, schadedrempels en bestrijdingsmethoden zijn te vinden in de paragrafen 10.2.3 tot en met 10.2.6.

10.2.2 Bemonsteren

Om een goede indruk te krijgen welke aaltjes u hebt op uw perceel, hoeveel dit er zijn en wat voor schade u kunt verwachten, is het belangrijk een grondmonster te laten onderzoeken. Dit kan gebeuren bij onder andere De Groene Vlieg Bio Control & Diagnostics, Eurofins Agro, HLB, NAK, Nemacontrol en RobaLab.

Voor bietencysteaaltjes, trichodoriden en wortelknobbelaaltjes is de benodigde hoeveelheid grond 1200 ml per hectare. Neem daarvoor 60 steken verspreid per hectare van 25 cm diep. Wilt u het grondmonster tegelijkertijd laten onderzoeken op al deze soorten aaltjes, dan is december tot en met maart de beste periode. Voor trichodoriden dient de grond koel en vochtig te zijn. Voor wortelknobbelaaltjes raden wij u aan om de monsters te laten analyseren met de incubatietechniek. Dan worden ook de aaltjes meegenomen die in het organisch materiaal (wortel- en gewasresten) aanwezig zijn. Indien deze techniek niet wordt toegepast, dan is de uitslag een onderschatting van het werkelijke aantal. Voor stengelaaltjes gelden speciale eisen. Zo moet bijvoorbeeld meer grond worden geanalyseerd, omdat bij enkele aaltjes per liter grond al schade kan ontstaan. Neem daarom vooraf contact op met het laboratorium. Het beste tijdstip voor alleen onderzoek naar bietencysteaaltjes vindt u hieronder.

Tijdstip voor bietencysteaaltjesonderzoek

Bemonstering op bietencysteaaltjes kan tussen de oogst van het hoofdgewas (niet-waardgewas) en het bietenzaaien. Doe dit niet na de oogst van een hoofdgewas dat een waardgewas is voor bietencysteaaltjes, zoals rode biet, spinazie, broccoli en koolsoorten. In paragraaf 10.2.3 staat een compleet overzicht van de waardplanten. De uitslag kan invloed hebben op de rassenkeuze en daarom is het zaak om op tijd te bemonsteren. Houd er rekening mee dat het bietencysteaaltjesonderzoek zes weken kan duren. Na de teelt van een kruisbloemige groenbemester of waardgewas mag men binnen een half jaar geen monster nemen. Eventueel nieuw gevormde cysten worden niet goed aangetoond in het laboratorium. De uitslag is dan een onderschatting van de werkelijkheid. Kortom, het is het beste om in het jaar voorafgaand aan de suikerbieten een grondmonster te laten analyseren.

Kies bij een zware tot zeer zware besmetting (tabel 10.2.1) eventueel een ander perceel, ook bij de uitzaai van aaltjesrassen met partiële resistentie. Bij hoge dichtheden bietencystenaaltjes blijven ook deze rassen in opbrengst achter.

Bij het aaltjesonderzoek ontvangt u een verslag met de mate van besmetting van het perceel. Naast het totaal aantal gevonden cysten, het aantal levenskrachtige cysten en het aantal eieren en larven vermeldt het ook de hieruit voortvloeiende besmettingsklasse. De indeling in klas­sen kan per laboratorium verschillend zijn. Tabel 10.2.1 geeft de indeling voor witte bieten­cysteaaltjes weer, zoals het IRS ze gebruikt.

Tabel 10.2.1 Aantal eieren en larven per besmettingsklasse van het witte bietencysteaaltje voor gronden met minder dan 13% lutum en gronden met meer dan 13% lutum.

lutum* aantal eieren+larven per besmettingsklasse
niet besmet zeer licht licht matig vrij zwaar zwaar zeer zwaar
<13% 0 1-100 101-300 301-600 601-1.500 1.501-3.000 >3.000
>13% 0 1-150 151-400 401-700 701-2.000 2.001-4.000 >4.000

*13% lutum komt ongeveer overeen met 20% slib.

Meer informatie

Meer informatie over de manier waarop en wanneer u het beste kunt bemonsteren en andere informatie over aaltjes is te vinden in het handboek ˈAaltjesmanagement in de akkerbouwˈ dat uitgebracht is in het kader van het Actieplan Aaltjesbeheersing.

10.2.3 Bietencysteaaltjes

Er zijn in Nederland twee soorten bietencysteaaltjes, die schade doen aan suikerbieten:

In deze paragraaf worden de beide bietencysteaaltjes gezamenlijk besproken, tenzij anders vermeld.

Schadebeeld

Kiemplanten die zijn aangetast door bietencysteaaltjes, blijven pleksgewijs achter in groei. Bij het geel bietencysteaaltje is er kans op plantwegval bij vroege aantasting. Vanaf het zesbladstadium kan er bij beide aaltjes verwelking optreden. Bij oudere planten kenmerkt het schadebeeld zich door pleksgewijze ˈslapende bietenˈ (figuur 10.2.1), bieten met gele bladeren (figuur 10.2.2) en sterk in groei achterblijvende planten. De buitenste bladeren vergelen, verdrogen en sterven af. Vaak treedt magnesiumgebrek op als gevolg van bietencysteaaltjes en bovendien kan de aantasting door verticillium worden versterkt (zie paragraaf 10.5.2). De hoofdwortel is slecht ontwikkeld en vormen er zich veel zijwortels. Op deze wortels zijn citroenvormige, speldenknopgrote cysten waarneembaar (figuur 10.2.3). Bij het wit bietencysteaaltje zijn deze cysten eerst wit en kleuren later bruin (figuur 10.2.4). Cysten van het geel bietencysteaaltje verkleuren tijdens de ontwikkeling van wit via geel naar bruin (figuur 10.2.5).

In jaren met een droge zomer heeft een lage besmetting al grote invloed op de opbrengst. Een hoge besmetting kan zelfs leiden tot een 50% lagere opbrengst. De schade uit zich hoofdzakelijk in vermindering van het wortelgewicht. Bietencysteaaltjes beïnvloeden slechts zelden het suikergehalte en de winbaarheid. Wel kan door de versterkte zijwortelvorming, afhankelijk van de weersomstandigheden tijdens groei en oogst, de hoeveelheid grondtarra toenemen.

Voor meer informatie over de schadebeelden en fotoˈs zie de applicatie ˈZiekten & Plagenˈ op www.irs.nl.

Figuur 10.2.1 Een plek slapende bieten door aantasting met witte bietencysteaaltjes.

Figuur 10.2.2 Magnesiumgebrek en verticillium kunnen ontstaan doordat bietencysteaaltjes de wortels hebben aangeprikt.

Figuur 10.2.3 Cysten van het wit bietencysteaaltje vergroot onder een binoculair. Deze cysten zitten gevuld met eieren en larven.

Figuur 10.2.4 Bietencysten van het wit bietencysteaaltje op de wortels van een jonge plant. De cysten zijn ongeveer 1 mm groot.

Figuur 10.2.5 Gele bietencysten op de wortels van een aangetaste biet.

Verspreiding van bietencysteaaltjes

Het wit bietencysteaaltje veroorzaakt al meer dan 150 jaar aantastingen in suikerbieten. Uit onderzoek in 2005 en 2006 blijkt dat dit aaltje door heel Nederland voor komt (figuur 10.2.6).

Het geel bietencysteaaltje daarentegen, is pas in het midden van de jaren zeventig voor het eerst waargenomen. De verspreiding ervan is beperkt tot de zand- en dalgronden (figuur 10.2.7).

Gedetailleerde informatie is te vinden in het rapport ˈVerspreiding van witte bietencysteaaltjes (Heterodera schachtii) en gele bietencysteaaltjes (H. betae) in Nederland - Inventarisatie 2005 en 2006ˈ.

Figuur 10.2.6 Uit onderzoek in samenwerking met Eurofins in 2005 en 2006 bleek dat 41% van de bietenpercelen besmet is met het wit bietencysteaaltje. Dit varieerde van zeer licht tot zwaar. Omdat witte en gele bietencysteaaltjes tot wel 15 jaar kunnen overleven is de verwachting dat de huidige besmettingen nog steeds in lijn liggen met de cijfers uit het onderzoek in 2005 en 2006.

Figuur 10.2.7 Plaatsen waar het geel bietencysteaaltje is gevonden in grondmonsters en diagnostiek­monsters van het IRS van 2005 tot en met 2016.

Levenscyclus en vermeerdering

In het voorjaar komen de larven uit de cysten en trekken naar de jonge wortels die ze vervolgens binnendringen (figuur 10.2.8). Bij het wit bietencysteaaltje gebeurt dit bij bodemtemperaturen boven 8°C en bij het geel bietencysteaaltje boven 15°C. In de jonge wortels ontwikkelen de witte bietencysteaaltjes zich tot mannetjes en vrouwtjes. Bij gele bietencysteaaltjes worden vrijwel uitsluitend vrouwtjes gevormd (parthogenese). Bij beide aaltjes zwellen de vrouwtjes op, breken door het worteloppervlak en zijn van buitenaf te zien als witte cysten ter grootte van een citroenvormige speldenknop. Bij het gele bietencysteaaltje verkleuren ze vervolgens geel. Afhankelijk van de weersomstandigheden en de lengte van het teeltseizoen kunnen drie tot vier generaties per jaar tot ontwikkeling komen. Daarbij speelt niet alleen de totale temperatuursom van het teeltseizoen een rol, maar zijn ook temperatuur en vochtigheid gedurende de periode dat de jonge larven naar het wortelstelsel trekken belangrijk. Voor het wit bietencysteaaltje is het mogelijk de aantallen generaties te berekenen op basis van de totale temperatuursom. Dit is de som van de dagelijkse gemiddelde bodemtemperaturen minus de basistemperatuur van 8°C. Voor het voltooien van één levenscyclus is een temperatuursom van ongeveer 465°C nodig. Bij een gemiddelde bodemtemperatuur, van bijvoorbeeld 14°C, heeft het wit bietencysteaaltje 465/(14-8) = 78 dagen nodig om zijn cyclus te volbrengen.

Daarnaast spelen bij de vermeerdering (Pf/Pi: eindpopulatie/beginpopulatie) van bietencysteaaltjes de beginbesmetting en het bietenras een rol. Dit kunt u doorrekenen met de applicatie ˈWitte bietencysteaaltjesmanagementˈ op de IRS-website (figuur 10.2.9). Is de vermeerderingsfactor (Pf/Pi) lager dan 1, dan is er sprake van uitzieking. Is de Pf/Pi hoger dan 1, dan is er sprake van een toename van het aantal eieren en larven. In het veld kan de vermeerdering tussen percelen enorm verschillen. Dit heeft te maken met het lutumgehalte van de grond, het aantal antagonisten (van nature voorkomende natuurlijke vijanden) van bietencysteaaltjes in de grond, de vochtigheid en de beginbesmetting.

Figuur 10.2.8 Levenscyclus van het wit bietencysteaaltje.

Figuur 10.2.9 Voorbeeld uit de applicatie ˈBietencysteaaltjesmanagementˈ op www.irs.nl. Hier is het effect van verschillende categoriën bietenrassen en van bouwplannen op de hoeveelheid witte bietencysteaaltjes te zien.

Beheersmaatregelen

Om risicoˈs te spreiden en om niet door aantastingen verrast te worden, is het noodzakelijk besmettingen met bietencysteaaltjes op meerdere manieren te beheersen:

  • centraal staat daarbij het grondmonsteronderzoek, omdat bij alle maatregelen de hoogte van de besmetting een belangrijke rol speelt (zie 10.2.2 Bemonsteren);
  • een ruimere vruchtwisseling met niet-waardplanten;
  • de teelt van een resistente kruisbloemige groenbemesters;
  • het zaaien van een partieel resistent bietencysteaaltjesras.

De laatste drie maatregelen zijn onderdeel van het voorkomen en/of vernietigen van schadelijke organismen (principe 1) door een geïntegreerde gewasbescherming (zie hoofdstuk 5.2). Het gebruik van granulaten is financieel niet rendabel en wij raden dit af. Partieel resistente rassen, ook wel tolerante rassen genoemd, minimaliseren schade door bietencysteaaltjes en vermeerdering ervan wel.

Als een perceel besmet is met bietencysteaaltjes, is het nodig rekening te houden met het bouwplan. Daarmee kunnen grote opbrengstverliezen worden voorkomen.

Populaties van zowel het wit als geel bietencysteaaltje kunnen onder niet-waardgewassen (zoals aardappelen, granen en uien) uitzieken. Door de juiste gewassen in de rotatie op te nemen, verkleint de kans op vermeerdering en overleving van de aaltjes. Dit is bovendien een onderdeel van een geïntegreerde aanpak van de bietencysteaaltjes (zie ook hoofdstuk 5.2).

De gemiddelde uitzieking van het wit bietencysteaaltje onder een niet-waardgewas bedraagt circa 35%, maar ook dit cijfer is sterk afhankelijk van de besmettingsgraad. Bij een hoge besmetting kan de uitzieking oplopen tot 70%, afhankelijk van de aanwezigheid van antagonisten (natuurlijke vijanden van bietencysteaaltjes). Met een zesjarige rotatie van suikerbieten, zonder andere waardplanten in het bouwplan, is het wit bietencysteaaltje redelijk te beheersen. Bij het geel bietencysteaaltje is de uitzieking nog hoger, omdat bij het uitlopen van de larven lokstoffen een geringere rol spelen dan bij het witte bietencysteaaltje en de gevoeligheid voor antagonisten groot is. Hierdoor kan binnen enkele maanden 80% van de populatie verdwijnen en kan men met een vierjarige rotatie het geel bietencysteaaltje redelijk beheersen. Voor beide aaltjes is de variatie in uitzieking echter zeer groot en afhankelijk van weersomstandigheden. Dit maakt het noodzakelijk regelmatig grondmonsteronderzoek te laten uitvoeren. Beide aaltjes kunnen echter tot wel 15 jaar overleven. Dit betekent dat als er eenmaal een besmetting met bietencysteaaltjes op het perceel aanwezig is, dit zelden meer verdwijnt. Indien bietencysteaaltjes aanwezig zijn, beperk dan de teelt van overige waardgewassen.

Waardplanten van het bietencysteaaltje zijn:

  • suikerbieten, voederbieten, kroten en spinazie;
  • alle koolsoorten, koolzaad, stoppelknollen en rabarber;
  • niet-resistente bladrammenas en gele mosterd;
  • een groot aantal onkruiden, zoals alle soorten ganzevoeten en veel kruisbloemigen (onder andere knopherik). Vooral geringe besmettingen bietencysteaaltjes houden stand of vermeerderen zelfs door de aanwezigheid van waardonkruiden.

De waardplantenreeks van het geel bietencysteaaltje omvat daarnaast nog de vlinderbloemige gewassen stamslaboon (Phaseolus vulgaris), tuinboon (Vicia faba), wikke (Vicia sativa) en in mindere mate enkele klavers. Ook een aantal onkruiden (zoals zuring en vogelmuur), lipbloemigen en anjer zijn waardplanten voor het geel bietencysteaaltje. Erwt wordt wel aangetast, maar het is geen waardgewas voor het geel bietencysteaaltje en deze vermeerdert zich er dus niet op.

Bij het opstellen van een bouwplan en inschatting van de schadekansen dient men zich te realiseren dat het bietencysteaaltje zich op waardplanten evengoed vermeerdert als op bieten, met uitzondering van vroege of late spinazie voor de conserventeelt. Door de relatief korte teelt van de conserven kunnen minder generaties bietencysteaaltjes tot ontwikkeling komen dan bij bieten. Dit geldt niet als spinazie voor het zaad wordt geteeld en ook niet als er gedurende het hele seizoen onkruiden op een perceel staan die waardplanten zijn van het wit bietencysteaaltje.

Bij een rotatie van 1 op 4 bij het geel bietencysteaaltje en 1 op 6 bij het witte bietencysteaaltje of ruimer wordt meestal geen schade van betekenis ondervonden. Daarbij is het wel belangrijk om andere waardgewassen en onkruiden die waardplanten zijn in andere gewassen te voorkomen, omdat deze ook het cysteaaltje kunnen vermeerderen.

Mogelijke gevolgen van veranderingen in een bouwplan op de hoeveelheid witte bietencysteaaltjes kunt u doorrekenen met de applicatie ˈWitte bietencysteaaltjesmanagementˈ op de IRS-website (figuur 10.2.9).

Het zaaien van resistente kruisbloemige groenbemesters met resistentie tegen bietencysteaaltjes kan onder gunstige omstandigheden de besmettingsgraad van witte en gele bietencysteaaltjes sterk terugdringen, nog sterker dan niet-waardgewassen. In het bedrijfsparenonderzoek SUSY gebruikten de telers met de hoogste opbrengsten in een regio vaker een groenbemester. Zij kozen veel vaker voor BCA resistente bladrammenas of gele mosterd als groenbemester dan telers met een gemiddelde opbrengst in diezelfde regio. Dit draagt bij aan een veel lagere besmettingsgraad voor bietencysteaaltjes op de percelen van de telers met de hoogste opbrengsten.

De larven die onder invloed van lokstoffen, afgescheiden door de wortels van de resistente kruisbloemige groenbemesters, uit de cysten komen en in de wortel doordringen, kunnen in resistente rassen niet volledig tot ontwikkeling komen. Hierdoor ontstaan weinig nieuwe cysten. Na een vroegruimend gewas en in ieder geval voor begin augustus gezaaid, kunnen resistente bladrammenas en gele mosterd (zie rassenlijst) een extra uitzieking van bietencysteaaltjes geven. De uitzieking van witte bietencysteaaltjes is onder het niet-waardgewas 30% en bij de nateelt komt daar 0-35% extra uitzieking bij. De effecten van de nateelt zijn sterk afhankelijk van de kwaliteit van het zaaibed, de structuur in de bouwvoor, het temperatuurverloop en het vochtgehalte van de bodem. Naarmate de temperatuur gedurende de herfst terugloopt, neemt de lokkende werking af. Daarom is het vaak niet mogelijk een uiterlijke zaaidatum aan te geven. Het kan zelfs voorkomen dat bij een relatief late zaai door een uitzonderlijke warme herfst, de temperatuursom van circa 500°C (en daarmee een goed resultaat) wordt bereikt. Daarentegen kan het onder droge omstandigheden in de nazomer voorkomen dat de cysten onvoldoende worden gelokt. De kansen op een goede reductie van de besmetting worden vergroot door een paar kilo zaad meer te gebruiken dan het advies luidt. De wortels zullen zich in de onderlinge competitie sneller ontwikkelen. Voor de nateelt die later wordt gezaaid dan half augustus, komt gele mosterd meer in aanmerking dan bladrammenas, omdat het zich sneller ontwikkelt dan bladrammenas. Voor een goede en snelle ontwikkeling is het belangrijk 40 tot 80 kg stikstof per hectare te geven.

Bij alle resistente kruisbloemige groenbemesters geldt dat het effect het grootst is bij een zeer goede doorworteling. Maak dan ook een zaaibed klaar dat zich in kwaliteit niet onderscheid van dat voor bieten of andere gewassen of gebruik meer zaad dan het advies.

Meer informatie over deze groenbemesters en mengsels is te vinden in hoofdstuk 5.6 Groenbemesters en specifiek over het geel bietencysteaaltje is meer te lezen in het rapport ˈWaardplantrelaties geel bietencysteaaltje voor groenbemestersˈ.

Partiële resistente bietenrassen

Bietencysteaaltjesresistente rassen zijn partieel resistent tegen witte en gele bietencysteaaltjes. Dit betekent dat er nog altijd vermeerdering van deze aaltjes kan plaatsvinden, maar wel minder dan bij vatbare rassen (figuur 10.2.10). Bovendien zijn deze rassen ook tolerant voor bietencysteaaltjes, waardoor ze relatief weinig schade ondervinden van de bietencysteaaltjes. Vanaf het moment dat bietencysteaaltjes aanwezig zijn op een perceel, is het rendabel om partieel resistente bietenrassen te zaaien (zie hoofdstuk 1.4 Rassenkeuze). In het Rassenbulletin staan de eigenschappen van deze rassen, bepaald op proefvelden met bietencysteaaltjes. Daarin staan tevens rassen met een extra resistentie voor rhizoctonia en/of een aanvullende resistentie voor rhizomanie (zie ook hoofdstuk 1.6 Brochure suikerbietenzaad). Bij een zware tot zeer zware besmetting (>1.500 eieren en larven/100 ml grond) van beide aaltjes is het verstandig om de bieten, indien mogelijk, op een ander perceel te telen. Ook bij de teelt van partieel resistente rassen ontstaat er bij hoge aaltjesdichtheden toch schade.

Naast een bietencysteaaltjesresistent ras zijn aanvullende maatregelen nodig om de besmet­ting verder te verminderen.

Figuur 10.2.10 Het effect van vatbare en partieel resistente rassen op de eindbesmetting met witte bietencysteaaltjes op de rassenproefvelden in Creil, Goudswaard, De Heen en Westmaas in 2014. Verschillende letters (a, b, enzovoort) in de figuur duiden op significante verschillen (lsd 5% = 2745).

10.2.4 Wortelknobbelaaltjes

Er zijn vier soorten wortelknobbelaaltjes die schade veroorzaken aan suikerbieten in Nederland:

  • noordelijk wortelknobbelaaltje (Meloidogyne hapla);
  • graswortelknobbelaaltje (Meloidogyne naasi);
  • maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi);
  • bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne fallax).

In 2004 is er een nieuw soort wortelknobbelaaltje (Meloidogyne minor) beschreven1. Het ziet er naar uit dat dit aaltje zich niet vermeerdert op en geen schade doet in suikerbieten.

Schade in de bieten door wortelknobbelaaltjes ontstaat, doordat planten achterblijven in groei. In het veld komt dit vaak pleksgewijs voor (figuur 10.2.11). De hoofdwortel wordt geremd in de groei en er ontstaan grote aantallen knobbels op de zijwortels (figuur 10.2.12). Ook kan zijwortelvorming ontstaan (figuur 10.2.13). Hierdoor is de wortelopbrengst lager en het tarrapercentage hoger.

Figuur 10.2.11 Valplek door aantasting met wortelknobbelaaltjes.

Figuur 10.2.12 Knobbels op de zijwortels veroorzaakt door wortelknobbelaaltjes.

Figuur 10.2.13 Vertakkingen en knobbels veroorzaakt door wortelknobbelaaltjes.

Wortelknobbelaaltjes zijn vooral te vinden op zand-, dal-, zavel- en lichtere kleigronden1. Ze kunnen bij de meest algemene akkerbouwgewassen voor problemen zorgen. Ze hebben een zeer brede waardplantenreeks en vermeerderen zich snel.

Op de plaatsen waar het aaltje zich in de wortel binnendringt, ontstaan knobbels van wortel­weefsel. De levenscyclus van deze aaltjes is vergelijkbaar met die van de cysteaaltjes. Het vrouwtje zet de eieren (300-500) echter buiten het lichaam af in een gelatinepakket in en op de knobbeltjes. De eieren zijn minder goed beschermd dan in een cyste, zoals bij bietencysteaaltjes. De larven komen in het voorjaar spontaan uit de eieren, zodra bodemvocht en temperatuur voldoende hoog (5-10°C) zijn. Omdat dit ook gebeurt als er geen waardplant staat, is de natuurlijke sterfte groot. De meeste soorten hebben meerdere generaties per groeiseizoen, zodat ze zich op een waardplant ook weer snel kunnen vermeerderen.

Knobbels veroorzaakt door het graswortelknobbelaaltje zitten vooral aan het einde van de wortels, zijn langgerekt en zeer dik. Het aaltje heeft maar één generatie per jaar en komt daardoor niet snel op een schadelijk niveau. Door een slechte waardplant als voorvrucht te telen, zijn er weinig problemen te verwachten met dit aaltje.

Het noordelijk wortelknobbelaaltje is te herkennen aan de grote ronde knobbels, waarbij de wortels splitsen op de knobbels. De twee maïswortelknobbelaaltjes zijn te herkennen aan de langgerekte knobbels, maar deze zitten in tegenstelling tot bij het graswortelknobbelaaltje meestal niet aan de uiteinden.

Door voor het telen van de bieten geen waardplant te telen, kan schade bijna altijd worden voorkomen, omdat wortelknobbelaaltjes snel uitzieken. Voor de keuze van de juiste voorvruchten kunt u gebruik maken van het Aaltjesschema. Mocht er toch nog schade door wortelknobbelaaltjes worden verwacht, dan kan granulaat (15 kg/ha Vydate 10G) in de zaaivoor worden toegediend bij het zaaien. Bij het Noordelijk wortelknobbelaaltje is dit rendabel vanaf 100 larven per 100 ml grond. Bij het maïswortelknobbelaaltje (M. chitwoodi) is dit rendabel vanaf 500 larven, bij het bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje (M. fallax) pas vanaf 2.500 larven per 100 ml grond en bij het graswortelknobbelaaltje vanaf 800 larven per 100 ml grond. Vaak komt het wortelknobbelaaltje pleksgewijs voor. Het is dan mogelijk om alleen op deze plekken granulaat toe te dienen. Mogelijk komen er in de toekomst bietenrassen beschikbaar met resistentie tegen wortelknobbelaaltjes.

Meer informatie

In het kader van het Actieplan Aaltjesbeheersing is veel informatie beschikbaar over aaltjes. Hieronder staan de belangrijkste documenten over wortelknobbelaaltjes voor u op een rij:

Daarnaast zijn er door de BO Akkerbouw acht filmpjes uitgebracht over wortelknobbelaaltjes. Twee daarvan zijn ook zeer interessant om te bekijken om schade in bieten te beperken:

1 Karssen, G., Bolk, R.J., Van Aelst, A.C., Van den Beld, I., Kox, L.F.F., Korthals, G., Molendijk, L., Zijlstra, C., Van Hoof, R. en Cook, R. (2004). Description of Meloidogyne minor n.sp. (Nematoda: Meloidogynidae), a root-knot nematode associated with yellow patch disease in golf courses. Nematology 6 (1): 59-72.

10.2.5 Vrijlevende wortelaaltjes

De belangrijkste vier vrijlevende wortelaaltjes die schade veroorzaken aan suikerbieten in Nederland, zijn de trichodoriden:

  • Trichodorus similis;
  • Trichodorus primitivus;
  • Paratrichodorus teres;
  • Paratrichodorus pachydermus.

Trichodoriden veroorzaken schade aan suikerbieten, omdat ze de hoofdwortels aanprikken. Hierdoor sterft de hoofdwortel en ontstaan er vertakkingen van het wortelstelsel (figuur 10.2.14). De bieten blijven vaak pleksgewijs sterk achter in groei, waarbij grote en kleine planten afwisselend voorkomen (figuur 10.2.15).

Figuur 10.2.14 Vertakkingen van de wortels, omdat trichodoriden de wortels hebben aangeprikt.

Figuur 10.2.15 Pleksgewijs achterblijvende groei in de bieten, omdat trichodoriden de wortels hebben aangeprikt. Grote en kleine planten wisselen zich vaak af in de rij.

Vrijlevende aaltjes komen voor op zandgrond en lichte zavel en zijn relatief mobiel2. Economisch gezien zijn trichodoriden het belangrijkste van de groep van vrijlevende aaltjes voor de bietenteelt. Ze worden vrijlevende wortelaaltjes genoemd, omdat ze de wortels oppervlakkig aanprikken, maar niet binnendringen zoals cysteaaltjes en wortelknobbelaaltjes. De kans op schade door trichodoriden is groter in een koud en nat voorjaar. Daarnaast wordt schade vaak geconstateerd op plekken met een te lage pH en laag organisch stofgehalte. De vrijlevende wortelaaltjes hebben zeer veel waardplanten en zijn daardoor moeilijk aan te pakken in bouwplanverband. In het Aaltjesschema staat de waardplantstatus weergegeven.

Het verhogen van de pH en/of het aanbrengen van extra compost op plekken met schade kan de schade beperken. Schade door trichodoriden kan daarnaast worden beperkt door granulaat (10 kg/ha Vydate 10G) toe te passen bij het zaaien in de zaaivoor. Uit eerder onderzoek is gebleken dat dit niet rendabel is bij aantallen lager dan 150 larven per 100 ml grond. Vaak komen trichodoriden pleksgewijs voor en dan is het ook mogelijk om op alleen deze plekken granulaat toe te dienen.

Meer informatie

In het kader van het Actieplan Aaltjesbeheersing is veel informatie beschikbaar gekomen over aaltjes. Hieronder staan de belangrijkste documenten over trichodoriden voor u op een rij:

2 Aasman, B., Van Beers, T., Wolfs, A. (2013). Aaltjesmanagement in de akkerbouw. Actieplan Aaltjesbeheersing, Den Haag. p.45.

10.2.6 Stengelaaltjes

Symptomen veroorzaakt door stengelaaltjes (Ditylenchus dipsaci) zijn soms al vroeg in het voorjaar waar te nemen. Als ze vroeg in het seizoen de plant binnendringen, veroorzaken ze gedraaide bladstelen, meerkoppigheid en gezwollen en misvormde bladeren (figuur 10.2.16)3. Deze schade is eenvoudig te verwarren met verkleving en misvorming door herbicidenschade, bijvoorbeeld door ethofumesaat.

Veel vaker zijn de symptomen pas in het najaar waar te nemen. In de meeste gevallen worden ze pas opgemerkt als de bieten rot aan de hoop liggen. Het stengelaaltje veroorzaakt namelijk koprot. In het begin is dit te herkennen aan de verticale groeischeurtjes in de kop (figuur 10.2.17). Er zijn dan vaak bruinachtige vlekken zichtbaar, die zich vrij snel kunnen ontwikkelen tot grote kurkachtige vlekken (figuur 10.2.18) en later rotte bieten (figuur 10.2.19). Bij het schillen van bieten met groeischeurtjes en kurkachtige vlekken zijn typische plekjes zichtbaar (figuur 10.2.20). Zodra de bieten echt rot zijn, is dit niet of nauwelijks meer te zien. Meer symptomen van stengelaaltjes zijn te zien in de interactieve video ˈwortelrot in beeld – stengelaaltjesˈ op www.irs.nl/interactievevideos.

Schade door stengelaaltjes is te beperken door het gebruik van granulaat (15 kg/ha Vydate 10G) bij het zaaien in de zaaivoor toe te dienen. Dit voorkomt de aantasting niet volledig, maar uit ˈOnderzoek naar effect van bietenrassen en gebruik van granulaat op aantasting van suiker­bieten door het stengelaaltje Ditylenchus dipsaci in 2006ˈ bleek dat met het toedienen van Vydate 10G het percentage rotte bieten lager was dan zonder Vydate.

ziekten&plagen_stengelaaltje-07

Figuur 10.2.16 Verdikte bladstelen en gezwollen en misvormde bladeren veroorzaakt door stengelaaltjes (foto: Cosun Beet Company).

Figuur 10.2.17 Verticale groeischeurtjes in de kop veroorzaakt door het stengelaaltje.

IRS_proef-stengelaaltje-01

Figuur 10.2.18 Grote kurkachtige plekken in de kop veroorzaakt door stengelaaltjes.

IRS_proef-stengelaaltje-33

Figuur 10.2.19 Rotte bieten veroorzaakt door stengelaaltjes.

diagnostiek-630a

Figuur 10.2.20 Net onder de schil zijn kleine verkurkte vlekjes zichtbaar veroorzaakt door stengelaaltjes.

De volgende achtergrondinformatie is tot stand gekomen door de informatie uit de brochure ˈAaltjesmanagement in de akkerbouwˈ2.

Stengelaaltjes verkeren het grootste deel van hun leven bovengronds in de plant. Niet alleen stengels, maar ook bloemknoppen en bladscheden zijn favoriete verblijfsplaatsen van dit aaltje.

De levenscyclus is bij 15°C in drie weken rond. Het vrouwtje legt per generatie tot wel 500 eieren. De minimumtemperatuur voor het leggen van eieren ligt tussen de 1°C en 5°C. Deze eigenschappen zorgen ervoor dat zeer lage besmettingsniveaus gedurende het groeiseizoen oplopen tot zware besmettingen en deze leiden tot problemen met de groei. Vooral bij koud en vochtig weer worden de plekken steeds groter. Tijdens de bewaring gaat de aantasting door.

Stengelaaltjes kunnen in principe op alle grondsoorten voorkomen. Ze overleven langer op zware grond, dan op de zandgronden. Daardoor vormen ze vaker een probleem op zware grond. In klei met meer dan 30% afslibbaar kunnen de stengelaaltjes het namelijk meer dan tien jaar zonder waardplant uithouden. De overleving vindt plaats in zowel de grond als op plantmateriaal en in zaad. De aaltjes vormen samen kluwen om zo uitdroging tegen te gaan.

Er zijn meer dan twintig verschillende rassen van het stengelaaltje bekend met kleine verschil­len in waardplantenreeks. Eén van deze rassen is het uien/roggeras. Het wordt voor de Nederlandse akkerbouw als belangrijkste gezien. In de tuinbouw zijn andere rassen stengelaaltjes belangrijk. Uiterlijk zijn verschillende rassen stengelaaltjes niet van elkaar te onderscheiden. De lange overleving en de moeilijkheden bij de identificatie maken een concrete advisering op het gebied van vruchtwisseling praktisch onmogelijk.

Meer informatie

In onderstaande publicaties vindt u meer informatie over stengelaaltjes:

2 Aasman, B., Van Beers, T., Wolfs, A. (2013). Aaltjesmanagement in de akkerbouw. Actieplan Aaltjesbeheersing, Den Haag. p.45.

3 Lejealle, F. (1982). Nederlandse bewerking: W. Heijbroek. Ziekten en plagen van de suikerbiet. Deleplanque & Cie, F-78600 Maisons Laffitte. 167 pp.

10.3 Insecten

Versie: april 2021

10.3.1 Inleiding

Er zijn zeer veel verschillende insecten, die suikerbieten aantasten. Om schade door insecten te beperken, is het belangrijk om de insecten en de schade die ze veroorzaken, te herkennen. De applicatie ˈZiekten en Plagenˈ is hierbij een handig hulpmiddel en bovendien gemakkelijk te gebruiken in het veld. In dit hoofdstuk zullen eerst de bodeminsecten (paragraaf 10.3.2) en vervolgens de bladinsecten (paragraaf 10.3.3) worden besproken. In paragraaf 10.3.4 treft u een overzicht van de toegelaten insecticiden aan en in paragraaf 10.3.5 gaan we in op de belangrijkste natuurlijke vijanden van insecten.

10.3.2 Bodeminsecten

Bodeminsecten (bietenkevers, ritnaalden, wortelduizendpoten, miljoenpoten, ondergrondse springstaarten en emelten) veroorzaken de meeste aantasting op percelen waar de grond los is en waar relatief diep is gezaaid. In losse grond verplaatsen bodeminsecten zich makkelijker. Bij diepe zaai zijn bieten relatief langer onderweg en daardoor langer kwetsbaar voor de bodeminsecten. Bieten dienen niet dieper dan circa 2 cm gezaaid te worden. Uiteraard is het wel altijd belangrijk te zaaien in vochtige grond voor een goede kieming en opkomst (zie hoofdstuk 3.3 ˈZaaidiepteˈ). Voor de beheersing van bodeminsecten is het belangrijk de verschillende bodeminsecten te herkennen. Deze worden verderop in dit hoofdstuk besproken en komen ook aan bod in het artikel in Akkerwijzer ˈHerkenning bodeminsecten verdient extra aandachtˈ. Bij de beheersing van de bodeminsecten is het advies om te kiezen voor Force (10g tefluthrin) en in enkele gevallen voor Vydate 10G (oxamyl). Force heeft een contactwerking, waardoor bodeminsecten in de buurt van het pillenzaad dood gaan. Bij een te hoge druk van insecten en bij te diep zaaien (>2,5-3 cm) werkt dit echter onvoldoende. De werking van Force en Vydate 10G staat weergegeven in tabel 10.3.1. Gezien de hoge kosten van Vydate 10G en de mindere werking vergeleken met Force is het advies om Vydate 10G niet in te zetten tegen bodeminsecten. Echter, op zandgronden waar de schadedrempel van aaltjes is overschreden en Vydate 10G wordt toegepast, wordt niet geadviseerd ook nog aanvullend Force toe te passen, behalve als er ritnaalden of emelten worden verwacht (zie figuur 10.3.1). De schadedrempels van aaltjes zijn te vinden in paragraaf 10.2 Aaltjes.

Het kaartje in figuur 10.3.2 geeft weer voor welke gebieden een bestrijding van bodeminsecten met Force wordt aangeraden mits er geen gebruik wordt gemaakt van Vydate 10G (rode kleur). In Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, West-Brabant klei, Flevoland, de rivierkleigebieden, de Betuwe en Zuid-Limburg is het vrijwel altijd noodzakelijk om te kiezen voor Force. In deze gebieden komen insecten voor die na opkomst niet meer te bestrijden zijn, zoals bietenkevertjes, ondergrondse springstaarten en miljoenpoten. In de overige gebieden is Force alleen aan te raden indien schade door ritnaalden of emelten wordt verwacht.

Tabel 10.3.1 Werking Force en Vydate 10G bij aanwezigheid van diverse insecten.

werking1
werking tegen Force2 Vydate 10G2
bladluizen, bietenvliegen, tripsen, aardvlooien, wantsen, schildpadtorretjes ○○○ ●○○
bietenkevers bovengronds ○○○ ●○○
bietenkevers ondergronds ●●○ ●○○
ritnaalden ●●○ ●○○
wortelduizendpoten ●●○ ●●○
miljoenpoten ●●○ ●○○
springstaarten ●○○ ●●○
emelten ●○○ ●○○

1 ○○○ = geen werking; ●○○ = matige werking; ●●○ = redelijke werking; ●●● = goede werking.

2 Ook bij zaaien van behandeld zaaizaad en het toedienen van granulaat in de zaaivoor is het belangrijk persoonlijke beschermingsmaatregelen te nemen. Syngenta heeft hiervoor bij Force een folder ontwikkeld: ˈVeilig hanteren en gebruiken van behandeld zaaizaadˈ.

Figuur 10.3.1 Bij gebruik van Vydate 10G voor de beheersing van aaltjes, is in sommige gevallen het bestellen van Force in het bietenzaad niet nodig, omdat Vydate 10G een nevenwerking op enkele insecten heeft.

Figuur 10.3.2 In gebieden met de rode kleur is het advies om Force (pillen­zaad met insecticiden) te kiezen. In gebieden met een witte kleur is Force alleen te adviseren indien er schade door ritnaalden en/of emelten verwacht worden.

10.3.2.1 Bietenkevers

Bietenkevertjes (Atomaria linearis) (1-1,5 mm lang) veroorzaken kleine ronde gaatjes of vlekjes op de wortel, onderaan de stengel en bladeren van suikerbieten, waardoor planten in het kiemblad- tot twee­bladstadium kunnen wegvallen (figuur 10.3.3). Daarnaast kunnen ze in grote aantallen in het hart van de (jonge) bietenplanten vreten, met misvormde planten tot gevolg. Ze veroorzaken vrijwel uitsluitend schade op klei- en lössgronden. Bietenkevertjes overwinteren in de bodem, onder andere in achtergebleven bietenresten na de oogst. Voorkom daarom biet-op-biet in het bouwplan. Bij gemiddelde dagtemperaturen lager dan 15°C verplaatsen ze zich lopend over de grond over een afstand tot 30 meter. Voorkom daarom ook biet-naast-biet. Een bufferstrook met een ander gewas van 30 meter ten opzichte van het perceel van vorig jaar of een sloot waar water in staat is daarbij voldoende. Zodra de gemiddelde dagtemperatuur boven de 15°C uitkomt, kunnen de kevertjes gaan vliegen en vreten ze ook bovengronds aan de bietenplanten (figuren 10.3.4, 10.3.5 en 10.3.6). Meer informatie staat in het ˈBodemplagenschemaˈ. Een bietenkever lijkt sterk op een aardvlo. De bietenkever is echter kleiner en langwerpiger dan de aardvlo en glanst minder. Ze kunnen beide de bladeren aantasten, waarbij de bietenkever met name aan de bladranden vreet en de aardvlo vooral gaatjes in het midden van de bladeren maakt.

Monitoring

Het vaststellen van bietenkevertjes is in de winter mogelijk door achtergebleven bietenkoppen of grond van het perceel te verzamelen en op te spoelen in een emmer met water. De kevertjes komen dan vanzelf bovendrijven. Zie voor uitleg over het opspoelen van bietenkevers het filmpje ˈBietenkever in suikerbieten in beeldˈ. Gedurende het voorjaar zijn vluchten van bietenkevertjes waar te nemen met plakvallen.

Beheersing

Ondergrondse vraat aan de wortels met plantwegval tot gevolg veroorzaakt opbrengstderving. Omdat bietenkevers overwinteren in achtergebleven bietenresten dient biet-op-biet en biet-naast-biet (eerste 30m) te worden voorkomen voor een goede beheersing. Force heeft een redelijke werking op de beheersing van schade aan de wortels door bietenkevers. Het werkt echter onvoldoende op percelen met een zeer zware druk als gevolg van biet-op-biet of biet-naast-biet. Ook werkt het niet op bietenkevers die bovengronds vreten. Bietenkevers beginnen bovengronds te vreten zodra de gemiddelde dagtemperaturen boven de 15°C uitkomen een bespuiting is echter in veel gevalen niet rendabel, omdat de schade aan de bladeren zelden leidt to opbrengstderving. Zie hiervoor ook paragraaf 10.3.3 Bladinsecten.

Meer informatie

Meer informatie over bietenkevers is te vinden in de presentatie ˈBeheersing van bietenkevers en springstaartenˈ en de publicatie ‘Testing alternative insecticides and monitoring systems for the control of pygmy mangold beetles (Atomaria linearis) in sugar beet in 2019’. Meer informatie over het opspoelen van bietenkevers is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ.

Figuur 10.3.3 Bietenkevertjes veroorzaken kleine ronde gaatjes of vlekken aan de wortel en het hypocotyl, waardoor planten kunnen wegvallen.

Figuur 10.3.4 Plantwegval op een proefveld als gevolg van ondergrondse vraat door bietenkevers. Een veldje (links) met zaad zonder insecticiden naast een veldje met zaad behandeld met Force (rechts).

Figuur 10.3.5 Bietenkevertjes kunnen ook kleine ronde gaatjes veroorzaken aan de bladeren als de temperatuur boven de 15°C uitkomt.

10.3.2.2 Emelten

Emelten (1-4 cm lang) zijn de larven van de langpootmug (Tipula spp./Nephrotoma spp.). De soort Tipula paludosa is de belangrijkste veroorzaker van schade in suikerbieten. ˈs Nachts komen de emelten boven de grond en vreten dan aan bladeren en stengels van jonge bietenplanten (figuur 10.3.6). Naast Tipula paludosa doen ook andere soorten schade in bieten. Aantasting door emelten is gemakkelijk te verwarren met aantasting door slakken. Bij verse vreterij door emelten zijn kartelvormige happen aan de bladeren zichtbaar. Bij slakken is de vreterij aan de bladeren duidelijk meer afgerond. Emelten vreten daarnaast bovendien soms hele bladeren van de plant, die ze vervolgens enkele centimeters meenemen en soms in hun holletje in de grond proberen te trekken. Dit beeld is bij slakken nooit waar te nemen.

Figuur 10.3.6 De emelt vreet aan de bladeren en stengels van jonge bietenplanten. In de ochtend of vlak na een regenbui zijn ze soms boven de grond te vinden.

Monitoring

De aanwezigheid van emelten is te controleren door verspreid over het perceel in de maanden januari tot en met april grondmonsters te nemen van 10 bij 10 cm van de bovenste 10 cm met een schepje of spade. Spoel de grond met water over een zeef (circa 1 mm maaswijdte) dan blijven de emelten achter op de zeef. Het is ook mogelijk om emelten op te spoelen door de grond in een zoutoplossing te leggen (1 kg zout op 5 liter water). De emelten komen dan vanzelf bovendrijven. Het is dan wel belangrijk om de grond voldoende te verkruimelen, zodat de grond goed oplost in de zoutoplossing. Tel van tien monsters het totaal aantal larven. Dit vermenigvuldigt met tien geeft het aantal emelten per vierkante meter. Bij meer dan 100 emelten per vierkante meter is het verstandig om geen bieten te zaaien, omdat de kans op schade dan te groot is. Op proefvelden is in het verleden echter al schade geconstateerd bij 20 emelten per vierkante meter.

Levenscyclus Tipula paludosa

Langpootmuggen van deze soort leggen hun eieren bij voorkeur op vochtige grasachtige planten in de periode van half augustus tot begin oktober (figuur 10.3.7). Zodra de langpootmug haar eieren heeft gelegd, kruipen de jonge larven (emelten) na enkele dagen uit de eieren. Afhankelijk van de temperatuur in de herfst, overwinteren de emelten in het tweede of derde larvale stadium. Bij temperaturen lager dan 5°C zijn ze niet actief. Ze zijn niet gevoelig voor vorst, maar wel voor droogte. Wanneer de bodemtemperatuur in het voorjaar boven 5°C komt, zet de levenscyclus zich voort. De larven uit het derde en vierde larvale stadium zorgen voor schade in bieten. Vanaf ongeveer begin mei begint het prepupale stadium. In dit stadium doet de emelt geen schade meer aan bieten. Vervolgens verpopt de emelt. In de zomer kruipen de langpootmuggen uit de poppen, die dan van half augustus tot begin oktober weer eieren gaan leggen. Meer informatie is te vinden in het ˈBodemplagenschemaˈ en het artikel ˈEmelten, de larven van de langpootmugˈ.

Figuur 10.3.7 Levenscyclus van Tipula paludosa.

Beheersing

Force heeft een zeer matige werking op emelten (tabel 10.3.1). Ditzelfde geldt voor Vydate 10G. Het advies is om bij meer dan 20 emelten per vierkante meter beide producten te gebruiken. Bij meer dan 100 emelten per vierkante meter is het advies om geen bieten te zaaien op het perceel, want dan zullen Force en Vydate 10G onvoldoende bescherming geven. Indien het mogelijk is binnen het bouwplan te schuiven, kan het helpen om grasland, graszaad, granen en groenbemesters als voorvrucht te vermijden. De langpootmug zet haar eieren al in het najaar af. De eieren en jonge larven zijn zeer gevoelig voor droogte. Bevorderen van uitdroging van de eieren en larven kan door het kort houden van gewassen in het najaar en het uitvoeren van een lichte grondbewerking in het najaar met bijvoorbeeld een cultivator. Schade door emelten in het voorjaar beperken is erg lastig, aangezien de larven dan al groot zijn en moeilijk te bestrijden. Als de emelten van het soort N. appendiculata zijn kan het zinvol zijn om later te zaaien. Zie ook ˈLater zaaien voorkomt emeltschadeˈ.

Meer informatie

Meer informatie over emelten is te vinden in de video ˈEmelten een probleem in suikerbietenˈ. Meer informatie over het opspoelen van emelten is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ.

10.3.2.3 Miljoenpoten1

Miljoenpoten zijn geen insecten, maar behoren tot de duizendpotigen (Myriapoda). Het lichaam bestaat uit segmenten. Ieder segment heeft twee paar poten. Er zijn verschillende soorten miljoenpoten. De gespikkelde miljoenpoot (Blaniulus guttulatus) is de miljoenpoot die de meeste schade veroorzaakt in bieten (figuur 10.3.8). Deze miljoenpoot is acht tot twintig mm lang en slechts één mm breed. De miljoenpoten Polydesmus en Brachydesmus veroorzaken slechts zelden schade. Miljoenpoten zijn het meest actief op klei- en lössgronden met een losse structuur en na de teelt van een groenbemester met niet-kerende grondbewerking (NKG).

Levenscyclus

Volwassen miljoenpoten zetten hun eieren af in holtes in de bodem. Ze leggen tot wel enkele honderden eitjes per vrouwtje. Uit de eieren komen larven met zes poten. Elke keer als de larve vervelt, komen er segmenten met poten bij. In het tweede en derde jaar gaan de vervellingen door, totdat de miljoenpoot in het volwassen stadium is gekomen. Ze kunnen tot wel 60 segmenten lang worden en leven tot wel zes jaar.

Waardplanten en vermeerdering

Miljoenpoten hebben geen waardplanten waar ze zich goed op vermeerderen, het zijn alleseters. Ze zijn zeer polyfaag wat betreft plantenkeuze, maar voeden zich voornamelijk met dood organisch materiaal of organische stof. Hierdoor heeft gewasrotatie weinig effect om schade te voorkomen. De aantallen zijn het grootst op zware klei- en lössgronden, vooral die met een hoog organische stof gehalte.

Schade

Het voedsel van miljoenpoten bestaat hoofdzakelijk uit dood organisch materiaal. Schade treedt vooral op op percelen waar veel organische stof, zoals stro, in de bodem aanwezig is of wordt ingewerkt. Toch vreten miljoenpoten ook aan gewassen. Ze veroorzaken vooral schade als ze in grote aantallen aanwezig zijn. Schade ontstaat vooral aan kiemende zaden, jonge planten en vruchten, zoals aardbeien. Miljoenpoten veroorzaken schade in maïs, wortelen, granen, aardappelen, bieten, haver, tarwe, hop, erwten, bonen, sla, uien, bloemkool, aardbeien, lelie, tulpen en hyacinten. Bij suikerbieten is de schade doorgaans beperkt, met uitzondering van Zuid-Limburg. Hier kan de schade op percelen met kleefaarde ernstig zijn. Miljoenpoten kunnen vooral onder vochtige en koude omstandigheden schade veroorzaken tot aan het twee- tot vierbladstadium van suikerbieten (figuur 10.3.9).

Beheersing

Force heeft een redelijke werking op de beheersing van schade door miljoenpoten. Het werkt echter onvoldoende op percelen met een zeer zware druk. Gebruik van Vydate 10G in de zaaivoor is zeer beperkt effectief in de bestrijding van miljoenpoten en daarom wordt dit niet geadviseerd.

Figuur 10.3.8 Gespikkelde miljoenpoot (Blaniulus guttulatus) is de meest voorkomende miljoenpoot in de bietenteelt.

Figuur 10.3.9 Miljoenpoten vreten aan de wortels van bietenplanten tot aan het twee- tot vierbladstadium. Daarbij ontstaan langgerekte vraatplekken. Het fosfaatgebrek aan de bladeren is een gevolg van de slechte opname van fosfaat door de beschadigde wortels.

1 Deze tekst is gedeeltelijk overgenomen uit hetˈBodemplagenschemaˈ.

10.3.2.4 Ritnaalden

Ritnaalden zijn de larven van de kniptor (Agriotes spp.) (figuur 10.3.10). Ze komen op alle grondsoorten voor. Er zijn verschillende soorten ritnaalden. In Nederland zijn Agriotes linearis en A. obscurus het belangrijkst. Ritnaalden (tot circa 25 mm lang) zijn de larven van de kniptorren. De kniptorren zelf veroorzaken geen schade aan suikerbieten. De kniptorren zetten hun eitjes het liefst af op grassen en/of granen. Daarom veroorzaken ritnaalden op percelen met meerjarig grasland als voorvrucht, de meeste schade in suikerbieten. Dit kan tot wel 4 jaar na het scheuren van grasland, omdat ze een vier- tot vijfjarige levenscyclus hebben (figuur 10.3.11). Ritnaalden hebben een voorkeur voor gronden met veel humus en een lage pH en komen voor op alle grondsoorten. Ze zijn erg gevoelig voor droogte en komen daardoor vaak het meest voor op vochtige plekken in een perceel.

Aantasting

Ze bijten de wortels van jonge bietenplanten (tot het vierbladstadium) door, waardoor de plant verwelkt en dood kan gaan. Ritnaalden vreten de wortels en ondergrondse stengels vaak in één keer door, waardoor het relatief grotere vraatplekken zijn dan bij bietenkevers, springstaarten, miljoenpoten en/of wortelduizendpoten. Aantasting vindt meestal pleksgewijs plaats. Ze kunnen al schade veroorzaken voordat planten boven komen, waardoor de indruk kan bestaan dat zaad niet is gekiemd.

Monitoring

Het is mogelijk inzicht te krijgen in de aanwezigheid van ritnaalden door een halve aardappel 20 cm in de grond te graven en twee weken later weer op te graven. Als er boorgraten van ritnaalden aanwezig zijn, is schade te verwachten. Inzicht krijgen is ook mogelijk met behulp van kniptormonitoring. Meer informatie over het opspoelen van ritnaalden is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ.

Beheersing

Force beschermt de planten, maar alleen als de druk van ritnaalden niet te hoog is (tabel 10.3.1). Als er te veel ritnaalden zitten, zullen er toch veel planten wegvallen, omdat de ritnaald pas doodgaat nadat hij in contact is gekomen met het middel. Door met behulp van kniptormonitoring de kniptorren te bestrijden in voorvruchten, kan schade in bieten worden beperkt. Lees meer informatie over de kniptormonitoring op de website van de Groene Vlieg Bio Control & Diagnostics: ˈSignalering van kniptorrenˈ. Gebruik van Vydate 10G in de zaaivoor is zeer beperkt effectief in de bestrijding van ritnaalden en daarom wordt dit niet geadviseerd.

Meer informatie

Meer informatie over ritnaalden is te vinden in het ˈBodemplagenschemaˈ.

Figuur 10.3.10 Ritnaalden (larven van de kniptor) kunnen de wortels van jonge bietenplanten doorbijten, waardoor ze sterven.

Figuur 10.3.11 Levenscyclus van de kniptor, die vier tot vijf jaar duurt.

10.3.2.5 Ondergrondse springstaarten

Er zijn twee soorten springstaarten die schade veroorzaken in bieten: bovengrondse springstaarten (Sminthurus viridis) en ondergrondse springstaarten (Onychiurus armatus). Dit zijn twee verschillende soorten. Bovengrondse springstaarten komen voor op alle grondsoorten, terwijl ondergrondse springstaarten vooral te vinden zijn op de zware kleipercelen en dan met name de percelen met een hoog organisch stofgehalte. Zie voor meer informatie over bovengrondse springstaarten paragraaf 10.3.3. Bladinsecten.

Kenmerken ondergrondse springstaarten

De ondergronds levende springstaart (1,5 mm lang) is wit van kleur (figuur 10.3.12). Hij komt vooral voor op vochtige zware kleigronden en op kleigronden met een hoog gehalte aan organische stof.

Op een aangetaste plant zijn meerdere zeer kleine vraatplekjes zichtbaar. Hierbij ontstaan planten met zware misvormingen of komen ze helemaal niet tot ontwikkeling (figuur 10.3.13). In een later stadium ontstaan er langgerekte vraatplekken op de wortels en op het hypocotyl. Vooral onder koude omstandigheden en diepe zaai kan er schade ontstaan.

Monitoring ondergrondse springstaarten

Het vaststellen van ondergrondse springstaarten in de grond is mogelijk door grond van het perceel te verzamelen en op te spoelen in een emmer met water. Door de grond op te lossen in een emmer water, komen de ondergrondse springstaarten vanzelf bovendrijven. Meer informatie over het opspoelen van ondergrondse springstaarten is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ.

Beheersing

Ondergrondse springstaarten kunnen al schade veroorzaken, zodra het kiempje uit het zaadje komt en doen dit vooral op percelen met een losse structuur. Het licht aandrukken van een perceel kan dus schade beperken. Daarnaast leidt vroeg zaaien tot meer aantasting, doordat het dan vaak kouder is, de bieten langer onderweg zijn voor de opkomst en daardoor langer vatbaar zijn voor springstaartenschade. Datzelfde geldt voor diep zaaien. Force heeft een matige werking op springstaarten (tabel 10.3.1). Bij een hoge druk van springstaarten is de werking van Force onvoldoende en daarom zijn aanvullende maatregelen nodig. Schade is te beperken door voorafgaand aan de bietenteelt een groenbemester te telen, zodat er vers organisch materiaal aanwezig is als alternatief voer. Op percelen met verse organische stof (groenbemester in het najaar) veroorzaken ze minder schade dan op percelen zonder groenbemester. Bladrammenas is daarbij veiliger dan Italiaans raaigras, omdat het de springstaarten minder vermeerdert.

Meer informatie

Meer informatie over de ondergrondse springstaart is te vinden in het ˈBodemplagenschemaˈ en de presentatie ˈBeheersing van bietenkevers en springstaartenˈ.

Figuur 10.3.12 Ondergronds levende springstaarten.

Figuur 10.3.13 Zwaar misvormde plant door vreterij van ondergrondse springstaarten.

10.3.2.6 Wortelduizendpoten1

Wortelduizendpoten zijn geen insecten, maar behoren wel tot de geleedpotigen (Arthropoda). De volwassen wortelduizendpoot is langgerekt (vijf tot zeven mm lang)

en is helder crèmewit van kleur (figuur 10.3.14).

Levenscyclus

Wortelduizendpoten overwinteren hoofdzakelijk in het volwassen stadium. Ze kunnen tot wel 1,20 m diepte in de bodem zitten. In het voorjaar (vanaf 4,5°C) beginnen ze met de eiafzet. Elk vrouwtje legt vier tot 25 eieren per keer. De larven komen na acht tot 28 dagen uit de eieren. Dit is afhankelijk van de temperatuur en de vochtigheid. De jonge larven hebben zes paar poten en iedere keer als ze vervellen neemt het aantal poten en segmenten toe, tot maximaal twaalf paar. Na ongeveer de negende vervelling (40-60 dagen later) zijn de dieren volwassen en begint de eiafzet opnieuw. De eiafzet duurt tot de herfst. Wortelduizendpoten kunnen 2,5 tot vier jaar overleven.

Waardplanten en vermeerdering

De wortelduizendpoot Scutigerella immaculata heeft een zeer brede waardplantenreeks. Hieronder vallen aardappelen, bieten en maïs, maar ook chrysanten, asperges, selderij, sla, komkommer, tomaten, radijs, peterselie, spinazie, aubergine, wortels, luzerne, asters, gerst, bonen, rode bieten, bloemkool, fresiaˈs, geraniums, gladiolen, grassen, sla, voederbieten, champignons, erwten, aardbeien en tarwe. In zware klei- en lössgronden, vooral de gronden met een hoog organische stof gehalte, zijn de aantallen wortelduizendpoten het grootst. Na gele mosterd als groenbemester zitten er meer wortelduizendpoten in de bodem dan na gerst, rogge en haver. Doordat wortelduizendpoten zich voeden met afgestorven plantenresten, gisten, schimmels, mest en grond, lijkt de vermeerdering niet afhankelijk van de voorvrucht, maar van de bodemstructuur en de hoeveelheid vocht in de bodem.

Schade

Wortelduizendpoten voeden zich met afgestorven plantenresten, gisten, schimmels, mest, grond en planten. Ze vreten pas aan levende planten als ze voedselgebrek hebben. Wortelduizendpoten zijn het meest actief op klei- en lössgronden met een losse structuur en worden niet aangetroffen op zandgronden. In gematigde gebieden kunnen ze schade doen in aardappelen, bieten en maïs. In bieten kan schade optreden tot aan het zes- tot achtbladstadium (figuren 10.3.15 en 10.3.16). Aantasting kenmerkt zich door langgerekte vraatplekken op de wortels, net zoals bij miljoenpoten. Vaak is ook wortelrot zichtbaar aan de wortels.

Monitoring

Het vaststellen van wortelduizendpoten in de bovenste laag is mogelijk door grond van het perceel te verzamelen en op te spoelen in een emmer met water. Soms komen wortelduizendpoten dan al vanzelf bovendrijven. Is dit niet het geval, dan kan het water met de grond over een zeef (circa 1 mm maaswijdte) worden gegoten en blijven de wortelduizendpoten achter op de zeef. Als er geen wortelduizendpoten worden aangetroffen op deze manier, betekent dat overigens niet dat er geen zitten, want ze kunnen tot wel 1,20 m diep in de grond aanwezig zijn. Meer informatie over het opspoelen van wortelduizendpoten is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ.

Beheersing

Force heeft een redelijke werking op de beheersing van schade door wortelduizendpoten. Het werkt echter onvoldoende op percelen met een zeer zware druk. Ze kunnen zelf niet graven en kunnen zich in een vaste structuur dus slecht bewegen. Licht aandrukken van de grond kan de schade beperken. Ze hebben bij voorkeur een losse, rijkelijk bemeste grond. Gebruik van Vydate 10G in de zaaivoor is zeer beperkt effectief in de bestrijding van wortelduizendpoten en daarom wordt dit niet geadviseerd.

Figuur 10.3.14 Wortelduizendpoot (foto: Proefstation voor de Bloemisterij).

Figuur 10.3.15 Schade aan kiemplanten veroorzaakt door wortelduizendpoten kenmerkt zich door langgerekte vraatplekken op de wortels.

Figuur 10.3.16 Planten kunnen wegvallen door aantasting door wortelduizendpoten tot aan het zes- tot achtbladstadium.

1 Deze tekst is gedeeltelijk overgenomen uit het ˈBodemplagenschemaˈ.

10.3.3 Bladinsecten

Er zijn verschillende bladinsecten die schade kunnen veroorzaken aan de bieten, zoals: aardvlooien, bietenvliegen, bietenkevers, bladluizen, rupsen, bovengrondse springstaarten en tripsen. Het middel Force werkt alleen tegen bodeminsecten, niet tegen bladinsecten (tabel 10.3.1). Het middel Vydate 10G werkt zeer beperkt tegen bladinsecten. Daardoor dienen bladluizen, bietenvliegen en tripsen met volveldsbespuitingen te worden aangepakt. De toegelaten insecticiden staan vermeld in paragraaf 10.3.4 Overzicht toegelaten insecticiden. De beheersing van bladinsecten zal vooral gericht moeten zijn op de beheersing van bladluizen. Dit betekent dat pyrethroïden (Decis, Karate Zeon, Ninja, Sumicidin Super) zo min mogelijk moeten worden ingezet. Veel insecten, zoals bovengrondse springstaarten, bietenkevers (bovengronds) en aardvlooien veroorzaken zelden schade, omdat de biet een gigantisch compenserend vermogen heeft. In het kiemblad- tot tweebladstadium leidt een aantasting waarbij 30 tot 60% van het blad beschadigd is tot een 3 tot 4% lagere suikeropbrengst. Bladinsecten veroorzaken echter zelden een dergelijke grote aantasting. Door een beetje aantasting te accepteren van deze insecten en terughoudend te zijn met de inzet van pyrethroïden, worden natuurlijke vijanden gespaard, die later de bladluisbeheersing makkelijker maken (zie paragraaf 10.3.5 Natuurlijke vijanden van insecten). Belangrijk is om bij aantasting te kijken of er nog schadelijke insecten aanwezig zijn. Vaak wordt de aantasting later waargenomen dan dat het insect de aantasting doet. In zoˈn geval is bestrijden niet meer zinvol.

10.3.3.1 Aardvlooien

Een aardvlo (Chaetocnema spp.) vreet kleine gaatjes in de kiembladeren en in de eerste echte bladeren van de bietenplant (figuur 10.3.17). De aantasting door dit insect wordt gemakkelijk verward met de schade veroorzaakt door de bovengrondse springstaart (paragraaf 10.3.3.6). Aardvlooien komen voornamelijk voor op zand- en dalgronden en kunnen bij droog en schraal weer plotseling kiemplanten en jonge planten aantasten. De aantasting is vaak het ergst aan de randen van een perceel. Herbicidenbespuitingen kunnen dan leiden tot meer gewasreacties. Meestal leidt dit niet tot schade. Aardvlooien bestrijden is dan ook zelden rendabel. Dit komt omdat de biet een gigantisch compenserend vermogen heeft en in een jong stadium (2-4 bladstadium) tot wel tweederde van het bladoppervlak kan missen voor financiële opbrengstderving ontstaat. Een aardvlo lijkt sterk op een bietenkever. De aardvlo is echter groter en boller dan de bietenkever en glanst meer. Bovendien zitten de gaatjes bij een aardvlo vaak midden in het blad, terwijl de bietenkever met name aan de bladranden vreet. De aardvlo maakt dezelfde ronde gaatjes als de bovengrondse springstaarten en daarom is op basis van de aantasting (ronde gaatjes in het blad) niet mogelijk vast te stellen door welke van deze twee plagen de aantasting is veroorzaakt.

Beheersing

Bestrijden van aardvlooien is zelden rendabel, omdat bieten zich snel kunnen herstellen van aantasting en een biet veel aantasting kan verdragen voordat er financiële schade optreedt. Een bespuiting met pyrethroïden heeft dan alleen negatieve gevolgen op de natuurlijke vijanden en kan daarmee later in het seizoen leiden tot meer problemen met bladluizen.

Meer informatie

Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.4. Meer informatie neveneffecten van middelen staat in paragraaf 5.1.2.2 Neveneffecten op natuurlijke vijanden.

Figuur 10.3.17 De aardvlo (gezien vanaf de zijkant; ongeveer 2,5 mm lang) veroorzaakt vraatschade aan bieten­planten.

Figuur 10.3.18 De aardvlo (gezien vanaf de bovenkant; ongeveer 2,5 mm lang) veroorzaakt vraatschade aan bieten­planten.

10.3.3.2 Bietenvliegen

Bietenvliegen (Pegomya betae) zetten hun eieren in groepjes af op bietenplanten (figuur 10.3.19). Uit deze eieren kruipen larven, die mineergangen maken in de bietenbladeren (figuur 10.3.20). Na ongeveer negen tot 22 dagen verpoppen de larven zich in de grond. Dit is afhankelijk van de temperatuur. De bietenvlieg heeft drie generaties per jaar.

Schadedrempel

De eerste generatie kan geringe aantasting in bieten veroorzaken. Dit wordt vooral waargenomen op percelen met een zavel- of lichte kleigrond in de Wieringermeer, Noordoostpolder, Noordelijke klei en Schouwen-Duiveland, die in het voorjaar geploegd worden. De schadedrempel van de eerste generatie bietenvliegen is te vinden in tabel 10.3.2. Sinds 2021 wordt een nieuwe schadedrempel gehanteerd, die hoger is dan de oude schadedrempel. Het optimale bestrijdingstijdstip is bij het uitkomen van de eieren en het zien van de eerste mineergangen. Over het algemeen is dit halverwege mei. Het is zinvol een bespuiting uit te voeren als de eieren uitkomen, de eerste mineergangen zichtbaar zijn én de schadedrempel wordt overschreden. Als de mineergangen al groter zijn, dan heeft spuiten geen zin en leidt alleen maar tot meer aantasting door de volgende generaties (figuur 10.3.21), doordat de larven van de bietenvliegen dan al te groot zijn en niet worden gedood, maar de natuurlijke vijanden van de bietenvliegen wel. Aantasting is alleen zichtbaar op bladeren waarop eieren zijn afgezet. Indien een larve een blad verlaat, gaat zij nooit naar een ander blad, maar verpopt in de grond. Daardoor stopt de aantasting vanzelf. Tussen de generaties in is daardoor geen aantasting zichtbaar.

Tabel 10.3.2 Schadedrempel voor insecticide bespuitingen tegen bietenvlieglarven in de eerste generatie.

bietenstadium aantal volle eitjes per plant
2-4 echte bladeren 10 of meer
4-6 echte bladeren 12 of meer
6 of meer echte bladeren 20 of meer

Bestrijding van de tweede en derde generatie is zelden rendabel. Een gezonde biet kan namelijk tot 30% van zijn bladoppervlak missen nadat het gewas gesloten is, voordat er financiële schade optreedt. Bij slechtgroeiende bieten ligt dit percentage lager. Het optimale bestrijdingstijdstip voor de tweede en derde generatie is bij het zien van de eerste (kleine) mineergangen. Een bespuiting later uitvoeren heeft geen zin. De schadedrempel voor de tweede en derde generatie is overschreden als er meer eieren per plant zijn dan het aantal bladeren van die plant in het kwadraat1. Omdat ei-afzet niet uniform verdeeld is over het perceel is het aan te raden meer dan 20 planten verdeeld over het perceel te bekijken en daarvan het gemiddelde te nemen. Indien de ei-afzet voornamelijk aan de rand van het perceel voorkomt kan er ook voor een randbespuiting worden gekozen. Bijvoorbeeld bij een gemiddeld aantal bladeren van 25 bladeren per plant wordt de schadedrempel overschreden als er meer dan 25 * 25 (aantal bladeren in het kwadraat) = 625 eieren gemiddeld per plant aanwezig zijn. In figuur 10.3.23 staat de levenscyclus van de bietenvliegen.

Monitoring

In samenwerking met De Groene Vlieg Bio Control & Diagnostics is een vangsysteem ontwikkeld waarmee de pieken van vluchten van de drie generaties waar te nemen zijn. Circa 10 dagen na de piek van de vlucht zijn de meeste eitjes zichtbaar in het bietenperceel en kan een telling uitgevoerd worden of de schadedrempel wordt overschreden. Met name voor de tweede en derde generatie kan dit systeem hulp bieden. Voor de eerste generatie is dit systeem niet nodig, omdat het optimale tijdstip halverwege mei ligt.

Beheersing

De larven van de bietenvliegen kunnen bestreden worden met deltamethrin (o.a. Decis; 0,3 l/ha; maximaal één toepassing per seizoen). Bestrijding dient te worden uitgevoerd op het moment van uitkomen van de larven uit de eieren. Meestal ligt dit tijdstip halverwege mei. Dit is het moment waarop de eerste mineergangen zichtbaar worden. Voer alleen een bespuiting uit indien de schadedrempel wordt overschreden (zie tabel 3.3.2). Later bespuiten heeft geen zin, aangezien de larve dan spoedig gaat verpoppen. Daarbij kan een pyrethroïdenresistente bladluispopulatie bij de bestrijding van de bietenvlieg bovendien snel toenemen. Daardoor is het in gebieden met een hoge bladluisdruk te overwegen om de aantasting van bietenvliegen te accepteren en niet in te grijpen met pyrethroïden, ook niet als de schadedrempel van de bietenvlieg wordt overschreden. Zie ook paragraaf 5.1.2.2 Neveneffecten op natuurlijke vijanden.

Meer informatie

Meer informatie over bietenvliegen is te vinden in het ˈBodemplagenschemaˈ. De toegelaten insecticiden staan vermeld in paragraaf 10.3.4 Overzicht toegelaten insecticiden. Meer informatie over de natuurlijke vijanden is te vinden in paragraaf 10.3.5 Natuurlijke vijanden van insecten.

Figuur 10.3.19 Eieren van de bietenvlieg op de onderkant van een bietenblad.

Figuur 10.3.20 De larven van de bietenvlieg maken mineergangen in de bladeren.

Figuur 10.3.21 Aantasting door larven van de bietenvlieg.

De mineergangen drogen na verloop van tijd uit, waardoor delen van het blad dor worden, ze kunnen dan gemakkelijk verward worden met aantasting door bladschimmels. Zodra een bietengewas gesloten is kan een gezonde biet tot 30% van zijn bladoppervlak missen, voordat er financiële schade door de bietenvlieg optreedt.

Figuur 10.3.22 Lege (platte eieren van de bietenvlieg). De larve is met een insecticide bestreden op het moment dat het uit het ei is gekropen en aan het blad is gaan vreten (zie gaatjes).

Figuur 10.3.23 Schematische weergave van de levenscyclus van de bietenvlieg (naar Brendler et al., 20082).

1 BBRO (2018). Advisory Bulletin. https://bbro.co.uk/media/1135/bbro-advisory-bulletin-no-8.pdf

2 Brendler, F., Holtschulte, B. en Rieckmann, W. (2008). Zuckerrübe Krankheiten – Schädlinge – Unkräuter. AgroConceptVerlagsgesellschaft, Bonn. p272.

 

10.3.3.3 Bietenkevers

Bietenkevertjes (Atomaria linearis) (1-1,5 mm lang) veroorzaken kleine ronde gaatjes of vlekjes op de wortel, onderaan de stengel en bladeren van suikerbieten. Ze veroorzaken vrijwel uitsluitend schade op klei- en lössgronden. Voor meer informatie over ondergrondse vraat en beheersing hiervan zie paragraaf 10.3.2.1 Bietenkevers. Zodra de gemiddelde dagtemperatuur boven de 15°C uitkomt, kunnen de kevertjes gaan vliegen en vreten ze ook bovengronds aan de bietenplanten. Hierbij vreten ze kleine ronde gaatjes in de bladeren, een schadebeeld dat erg lijkt op de vraat van bovengrondse springstaarten en aardvlooien. Bietenkevers vreten vooral aan de bladranden, terwijl bovengrondse springstaarten en aardvlooien vooral midden uit de bladschijf vreten. Bij hoge druk kan de vraat leiden tot planten met misvormde groei.

Monitoring

Het vaststellen van bietenkevertjes is in de winter mogelijk door achtergebleven bietenkoppen of grond van het perceel te verzamelen en op te spoelen in een emmer met water. De kevertjes komen dan vanzelf bovendrijven. Zie voor uitleg over het opspoelen van bietenkevers het filmpje ˈBietenkever in suikerbieten in beeldˈ. Gedurende het voorjaar zijn vluchten van bietenkevertjes waar te nemen met plakvallen.

Beheersing

Ondergronds kunnen bietenkevers bestreden worden met Force, dit heeft echter geen effect op bovengrondse vraat van de bietenkevers. Opbrengstderving wordt voornamelijk veroorzaakt door plantwegval als gevolg van vraat aan de wortels. Net als aantasting door aardvlooien en bovengrondse springstaarten, veroorzaken de gaatjes in de bladeren door bietenkevers zelden voor opbrengstderving. Dit komt omdat de biet een gigantisch compenserend vermogen heeft en in een jong stadium (2-4 bladstadium) tot wel tweederde van het bladoppervlak kan missen voor financiële opbrengstderving ontstaat. Bovengrondse vraat door bietenkevers leidt zelden tot schade, waardoor een bespuiting niet rendabel is. Bietenkevertjes overwinteren in de bodem, onder andere in achtergebleven bietenresten na de oogst. Voorkom daarom biet-op-biet in het bouwplan. Bij gemiddelde dagtemperaturen lager dan 15°C verplaatsen ze zich lopend over de grond over een afstand tot 30 meter. Voorkom daarom ook biet-naast-biet. Een bufferstrook met een ander gewas van 30 meter ten opzichte van het perceel van vorig jaar of een sloot met water is daarbij voldoende. Als meer dan tweederde van het bladoppervlak dreigt te worden weggevreten, dan kan een bestrijding worden uitgevoerd met een pyrethroïde. Een bespuiting met pyrethroïden heeft echter vaak negatieve gevolgen voor de natuurlijke vijanden en daarmee kan dit later leiden tot meer problemen met bladluizen. Zie ook paragraaf 5.1.2.2 Neveneffecten op natuurlijke vijanden.

Meer informatie

Meer informatie over bietenkevers is te vinden in de presentatie ˈBeheersing van bietenkevers en springstaartenˈ en de publicatie ˈTesting alternative insecticides and monitoring systems for the control of pygmy mangold beetles (Atomaria linearis) in sugar beet in 2019ˈ. Meer informatie over het opspoelen van bietenkevers is te vinden in de presentatie ˈOpspoelen bodeminsectenˈ. Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.4.

Figuur 10.3.24 Bietenkevertjes kunnen ook kleine ronde gaatjes veroorzaken aan de bladeren als de temperatuur boven de 15°C uitkomt.

Figuur 10.3.25 Bij een zeer hoge druk (bijvoorbeeld biet-op-biet of biet-naast-biet percelen), kunnen de bietenkevertjes massaal voorkomen en vraatschade veroorzaken in het hart van de bietenplant.

Figuur 10.3.26 Bovengrondse schade kenmerkt zich door vreterij aan de bladranden. Bij zeer zware aantasting kan ook misvorming van hartbladeren optreden. Echter, ook in dit geval leidde de aantasting niet tot financiële opbrengstderving.

10.3.3.4 Bladluizen

De zwarte bonenluis veroorzaakt zuigschade aan bieten. Dit resulteert in het kroezen en omkrullen van de bladeren (figuur 10.3.27). De zwarte bonenluis kan ook het sterk vergelingsvirus (BYV) overbrengen, maar dit is van weinig betekenis, omdat de overdrachtsefficientie van dit virus door zwarte bonenluizen zeer laag is en bovendien deze bladluizen zich weinig verplaatsen. Dit in tegenstelling tot de groene perzikluizen, die hoppen van plant naar plant. Daarom is de schadedrempel (tabel 10.3.3) van de zwarte bonenluis ook veel hoger dan die van de groene bladluizen.

Figuur 10.3.27 Omdat zwarte bonenluizen aan de bladeren zuigen, kroezen ze en krullen ze om.

Tabel 10.3.3 Schadedrempel van de zwarte bonenluis. Zodra deze wordt overschreden, is een bespuiting rendabel.

maand aantal zwarte bonenluizen
mei/juni meer dan 50% van de planten bezet met kolonies van 30 tot 50 luizen
juli meer dan 75% van de planten bezet met grote kolonies van meer dan 200 luizen

De groene perzikluis (Myzus persicae) (figuur 10.3.28), de aardappeltopluis (Macrosiphum euphorbiae) en de sjalottenluis (Myzus ascalonicus) kunnen alle drie de vergelingsvirussen overbrengen (BYV, BMYV en BChV). Zie voor meer informatie over vergelingsziekte paragraaf 10.7.2. De groene perzikluis is het meest aanwezig in bietenpercelen ten opzichte van de twee andere soorten. De groene perzikluis overleeft onder andere op koolsoorten, onkruidbieten en onkruiden, waarvan vogelmuur en herderstasje de belangrijkste zijn, omdat dit ook waardplanten zijn van de vergelingsvirussen.

Levenscyclus groene perzikluis

In figuur 10.3.30 staat de levenscyclus van de groene perzikluis weergegeven. Normaal gesproken overwinteren de groene perzikluizen in eivorm op hun winterwaarden (o.a. perzikbomen). In het voorjaar komen de eieren uit en na enkele generaties vliegen de gevleugelden van de winterwaarden naar de zomerwaarden (o.a. suikerbieten). Dit vindt plaats vanaf eind mei tot en met eind juni. Ze kunnen ook als volwassenen overleven in kassen, bietenhopen of op onkruiden. De populatieopbouw vanuit deze manier van overleven verloopt sneller dan van de eivorm, waardoor reeds eind april bladluizen te vinden zijn in suikerbieten. In koude winters (meerdere dagen < -7°C) sterven met name de volwassen bladluizen en moeten de populaties dus weer helemaal worden opgebouwd vanuit de eieren. Dit duurt over het algemeen langer, waardoor populaties van de bladluizen kleiner zijn, maar dus ook later opgebouwd worden. Bladluizen geven de virussen niet door aan hun nakomelingen, waardoor gevleugelde bladluizen eerst ergens de virussen moeten oppikken, voordat ze suikerbieten in het voorjaar kunnen infecteren. Als de volwassen bladluizen overleven op onkruiden of bietenkoppen, die virus kunnen bevatten, kunnen zij al vroeg in het voorjaar virus overbrengen. Eén volwassen vrouwtje kan 50 tot 60 nakomelingen afzetten. Bij 20°C duurt het ongeveer 10 tot 12 dagen voordat een nieuwe generatie is voltooid. Bij koudere temperaturen duurt dit langer.

Gedurende de maanden mei, juni en juli kunnen populaties bladluizen zich opbouwen in de bietenpercelen. Als de aantallen op één plant te groot worden, vormen ze gevleugelden en gaan op zoek naar nieuwe planten. Op het einde van de zomer en het begin van de herfst vormen de groene perzikluizen gevleugelden en verlaten ze de bietenpercelen op zoek naar hun winterwaarden.

Voer wekelijks bladluistellingen uit

Het is belangrijk om bladluispopulaties goed in de gaten te houden. Dit valt onder het tweede principe van een geïntegreerde bestrijding (monitoring, zie paragraaf 5.2.2). Zo kan een teler vaststellen wanneer de schadedrempel wordt overschreden (tabellen 10.3.3 en 10.3.4). Op dat moment is het ook pas zinvol om een bespuiting uit te voeren. Tellingen dienen wekelijks uitgevoerd te worden op minimaal 20 bietenplanten per perceel. Kies de planten redelijk verspreid over het perceel, maar vergeet daarbij zeker niet de luwtes (onder bomen, achter dijken, etc.) en plekken waar de bieten gaterig staan. Dit zijn de plaatsen waar bladluizen het eerst gevonden kunnen worden. Bladluizen houden zich vaak schuil aan de onderzijde van de bladeren, op de hartbladeren en in de gekrulde bladranden. Bekijk dus blad voor blad aan boven- en onderzijde.

Medewerkers van Cosun Beet Company en Delphy tellen wekelijks groene bladluizen op meer dan 100 percelen om de situatie verspreid over Nederland in kaart te brengen. De resultaten worden direct op de bladluiswaarschuwingskaart van de bladluiswaarschuwingsdienst gepresenteerd. Het blijft echter belangrijk dat telers en/of adviseurs eigen percelen controleren, omdat de populatieopbouw per perceel verschillend kan zijn. Dit komt door verschillen in grondbewerking, voorvruchten en aanwezigheid van luwtes (dijken en/of bomen). Op percelen met niet-kerende grondbewerking overleven natuurlijke vijanden makkelijker gedurende de winter, waardoor schadedrempels van bladluizen minder snel overschreden zullen worden ten opzichte van geploegde percelen. Vanaf half juni of begin juli worden luizen gedood door parasitaire schimmels of andere natuurlijke vijanden (figuur 10.3.32). Dit was onder andere te zien op proefvelden in 2009 (zie project 03-01 in Jaarverslag 2009) en in 2014 (zie rapport ˈMonitoring van bladluizen en hun natuurlijke vijanden in suikerbieten in 2014ˈ). Kijk daarom altijd eerst goed in het gewas alvorens een bespuiting uit te voeren. In veel gevallen is het dan niet meer nodig en kunt u kosten besparen.

Beheersing

Bestrijding van groene bladluizen kan met de selectieve middelen flonicamid (Teppeki (0,14 kg/ha)), isoclast (sulfoxaflor; Closer (0,2 l/ha; vrijstelling van 1 april tot en met 15 juli 2021) of spirotetramat (Batavia (0,45 l/ha; vrijstelling van 1 april tot en met 15 juli 2021) die de meeste natuurlijke vijanden sparen (zie ook artikel over natuurlijke vijanden). Voor de bestrijding van zwarte bonenluizen kan ook Pirimor (0,4 kg/ha) worden gebruikt. Het wordt niet meer geadviseerd voor de beheersing van groene perzikluizen vanwege het grote percentage populaties van deze bladluis, die resistent is voor Pirimor. De groene perzikluis is ook resistent voor pyrethroïden en ook daarom dienen deze middelen niet gebruikt te worden voor de beheersing van de groene perzikluis. Zie hiervoor de presentatie ˈInsecticideresistenties bij groene perzikluizenˈ. Teppeki is in te zetten vanaf het vier- tot tienbladstadium (uiterlijk tot 1 juni) vanwege kans op overschrijding van de MRL bij latere toepassing. Dit geldt ook voor bieten die laat geleverd worden. Closer en Teppeki mogen beide één keer per seizoen worden ingezet; Batavia twee keer met een interval van minimaal 14 dagen. Beide middelen werken iets sneller dan Batavia, omdat de werkzame stof van Batavia eerst omgezet moet worden in de plant in een metaboliet, die een insecticidewerking heeft. Daardoor hebben Closer en Teppeki de voorkeur bij een bespuiting tot het vier- tot zesbladstadium. Echter, als ook tripsen aanwezig zijn, dan heeft juist Batavia de voorkeur, omdat dit van de drie genoemde middelen het enige middel is dat ook werkt op tripsen. Na het tienbladstadium kunnen alleen Batavia en Closer worden ingezet. Insecticiden breken sneller af bij warm en zonnig weer en daarom is het aan te bevelen in de avonduren een bestrijding uit te voeren. Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.4.

Meer informatie

Meer informatie over het herkennen en het beheersen van bladluizen, het herkennen van natuurlijke vijanden en de bladluiswaarschuwingsdienst is te vinden in:

Figuur 10.3.28 Groene perzikluizen.

Figuur 10.3.29 Van links naar rechts: een gevleugelde aardappeltopluis, gevleugelde zwarte bonenluis en een gevleugelde groene perzikluis.

Figuur 10.3.30 Levenscyclus groene perzikluis.

Figuur 10.3.31 Pleksgewijs zijn planten aangetast door het zwak vergelingsvirus (BMYV) dat de groene perzikluizen kunnen overbrengen. Om aantasting door vergelingsziekte te beperken is wekelijks tellen van groene bladluizen noodzakelijk.

Figuur 10.3.32 Vanaf half juni of begin juli worden zwarte bonenluizen gedood door parasitaire schimmels of andere natuurlijke vijanden en is bestrijden van deze bladluizen niet meer nodig.

Tabel 10.3.4 Schadedrempel van de groene bladluizen. Zodra deze wordt overschreden, is een bespuiting rendabel. Omdat de groene perzikluis de meest dominante soort is, is het niet nodig om in het veld onderscheid te kunnen maken tussen de verschillende soorten groene bladluizen.

periode aantal groene bladluizen per tien planten
april, mei en eerste helft juni meer dan 2
tweede helft juni meer dan 5
eerste helft juli meer dan 50

10.3.3.5 Rupsen

In de zomer kunnen verschillende soorten rupsen aan de bietenbladeren vreten. De rups van de gamma-uil veroorzaakt de meeste schade in bieten. Schade kenmerkt zich door onregelmatige gaten in de bladeren (figuur 10.3.33).

De levenscyclus van de rupsen (gamma-uil) duurt gemiddeld 56 dagen (figuur 10.3.34). Een vlinder zet ongeveer 260 eieren af. Na ongeveer tien dagen kruipen de rupsen uit de eieren. Vervolgens vreten ze gedurende ongeveer 27 dagen aan de bieten, waarna ze zich verpoppen. Na negentien dagen kruipen de vlinders uit de pop en begint de levenscyclus opnieuw. Per jaar zijn er twee tot drie levenscycli.

Bestrijding is pas nodig als 30% van het bladoppervlak dreigt te worden weggevreten. Na het sluiten van het gewas kan een gezonde biet namelijk 30% van zijn blad missen, voordat er schade optreedt. Bestrijden is daardoor zelden rendabel.

Figuur 10.3.33 Rups van de gamma-uil maakt onregelmatige gaten in de bladeren.

Figuur 10.3.34 Levenscyclus van de gamma-uil. Tijdens het groeiseizoen kan de levenscyclus twee- tot driemaal worden doorlopen.

Beheersing

Bestrijding van rupsen is mogelijk met deltamethrin (diverse merken; 0,3 l/ha; maximaal één toepassing per seizoen), maar is pas nodig als 30% van het bladoppervlak dreigt te worden weggevreten. Na het sluiten van het gewas kan een gezonde biet namelijk ongeveer 30% van zijn blad missen, voordat er schade optreedt. Deltamethrin werkt alleen op rupsen, maar niet op vlinders, eieren en poppen. Indien te laat wordt gespoten en de rupsen al verpopt zijn, dan kan een bespuiting met pyrethroïden alleen maar negatieve gevolgen hebben op de natuurlijke vijanden en daarmee later alleen maar leiden tot meer problemen met bladluizen.

Meer informatie

Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.4.

10.3.3.6 Bovengrondse springstaarten

Er zijn twee soorten springstaarten die schade veroorzaken in bieten: bovengrondse springstaarten (Sminthurus viridis) en ondergrondse springstaarten (Onychiurus armatus). Dit zijn twee verschillende soorten. Bovengrondse springstaarten komen voor op alle grondsoorten, terwijl ondergrondse springstaarten vooral te vinden zijn op de zware kleipercelen en dan met name de percelen met een hoog organisch stofgehalte. Voor meer informatie over ondergrondse springstaarten zie 10.3.2.5 ‘Ondergrondse springstaarten’.

Kenmerken bovengrondse springstaarten

De bovengrondse springstaart is donkergrijs en bolvormig (figuur 10.3.35). Hij komt voor op alle grondsoorten en veroorzaakt schraapvraat en kleine gaatjes aan kiembladeren en eerste echte bladeren. Hierdoor kunnen er kleine gaatjes in de bladeren en bladmisvormingen ontstaan. Aantasting is niet te onderscheiden van aantasting door aardvlooien en lijkt ook veel op aantasting aan het blad door bietenkevers, maar bietenkevers vreten daarbij vooral aan de bladranden, terwijl deze springstaarten vooral gaatjes in het blad maken.

Figuur 10.3.35 Bovengrondse springstaarten veroorzaken kleine gaatjes in de bladeren.

Beheersing

Bestrijden van bovengrondse springstaarten is zelden rendabel, omdat bieten zich snel kunnen herstellen van aantasting. Bovendien heeft de biet een gigantisch compenserend vermogen heeft en kan in een jong stadium (2-4 bladstadium) tot wel tweederde van het bladoppervlak missen voor financiële opbrengstderving ontstaat. Een bespuiting met pyrethroïden heeft bovendien negatieve gevolgen op de natuurlijke vijanden en daarmee kan dit later leiden tot meer problemen met andere insecten, zoals bladluizen.

Meer informatie

Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.4.

10.3.3.7 Tripsen

Tripsen (Thrips tabaci/T. angusticeps) (figuur 10.3.36) veroorzaken schade aan kiemplanten en planten in het tweebladstadium (figuur 10.3.37). Ze prikken aan de bladeren en zuigen de cellen leeg. Daardoor ontstaan kleine zilverachtige vlekjes op de bladeren. Bij vroege aantastingen sterven de uiteinden van de kiem- en eerste echte bladeren, waardoor ze naar buiten krullen. In een koud en droog voorjaar kunnen ze schade veroorzaken. Met erwten, uien of vlas als voorvrucht of als buurperceel van vorig jaar kan meer schade worden verwacht. Probeer deze voorvruchten dus te vermijden. Door bieten of distels op de hand uit te kloppen is te zien of ze aanwezig zijn. Bestrijding is pas zinvol wanneer er veel tripsen aanwezig zijn. Omdat tripsen zich in het hart van de plant kunnen verschuilen, is het soms moeilijk ze te raken.

Beheersing

Bestrijding van tripsen is mogelijk met spirotetramat (Batavia (0,45 l/ha; vrijstelling van 1 april tot en met 15 juli 2021), deltamethrin (diverse merken; 0,3 l/ha; maximaal één toepassing per seizoen), Karate Zeon (0,05 l/ha; maximaal één toepassing per seizoen) of Sumicidin Super (0,2 l/ha; maximaal twee toepassingen per seizoen met een interval van 7 dagen). Batavia is veilig voor natuurlijke vijanden en heeft daardoor een sterke voorkeur boven de andere middelen. De andere middelen zijn allemaal pyrethroïden en zijn ook erg schadelijk voor natuurlijke vijanden van andere plagen.

Meer informatie

Meer informatie over de toegelaten insecticiden staat in paragraaf 10.3.4.

Figuur 10.3.36 Een volwassen trips is zwart bruin van kleur en ongeveer 1-2 mm lang (boven). Een larve van de trips is 0,5-1 mm lang en geel van kleur (onder).

Figuur 10.3.37 Schade door tripsen.

10.3.4 Overzicht toegelaten insecticiden

In tabel 10.3.5 staat een overzicht van de werking en nevenwerking van de op dit moment toegelaten insecticiden die ingezet kunnen worden tegen de insectenplagen genoemd in bovenstaande paragrafen.

Als de schadedrempel voor insecten wordt overschreden, kan tot een bestrijding worden overgegaan (zie ook hoofdstuk 5.2) en tabel 10.3.6. Hierbij is het belangrijk dat een teler rekening houdt met de effecten van middelen op milieu en natuurlijke vijanden, wat betekent dat het gebruik van pyrethroïden vermeden dient te worden (zie ook hoofdstuk 5.1.2 en 5.2).

Toepassingstijdstip

Systemische middelen, zoals Batavia, Closer en Teppeki kunnen het beste worden gespoten bij groeizaam weer in de ochtend en/of avond, omdat ze dan beter door de plant worden opgenomen. Pirimor werkt het beste als de temperaturen hoger zijn dan 20°C. Pyrethroïden kunnen het beste in de avonduren te worden toegepast. Het is daarbij belangrijk om te kijken of de doelinsecten actief zijn, aangezien ze geraakt dienen te worden.

Mengen van insecticiden met herbiciden of meststoffen

Het mengen van insecticiden met herbiciden is theoretisch mogelijk maar niet aan te raden. Het advies is om insecticiden met meer water (bij voorkeur 400-500 l/ha) te spuiten in vergelijking met herbiciden. Bij gebruik van minder water kan de effectiviteit van insecticiden afnemen. Het middel Batavia wordt geadviseerd om te spuiten in combinatie met Robbester (1 l/ha). Bij het mengen van Batavia in het LDS-systeem dient er dus rekening mee te worden gehouden dat er reeds olie in het LDS-systeem wordt gebruikt, waardoor toevoegen van extra Robbester tot een gewasreactie kan leiden. Mengen met meststoffen wordt afgeraden. Meer informatie over het mengen van gewasbeschermingsmiddelen is te vinden in paragraaf 5.4.4.

Tabel 10.3.5 Werking en nevenwerking van insecticiden tegen de diverse insecten.

insect insecticide werkzame stof dosering aantal toepassingen interval toepassingsvoorwaarden opmerkingen
aardappelstengel-boorder Sumicidin Super esfenvaleraat 0,45 L/ha max. 2 min 7 dagen Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
bladluizen Teppeki flonicamid 0,14 kg/ha max. 1 In verband met MRL alleen toepassen tussen 4 tot 10 bladstadium (uiterlijk tot 1 juni). Teppeki is veilig voor natuurlijke vijanden. Het werkt alleen op bladluizen.
Batavia spirotetramat 0,45 L/ha max. 2 min. 14 dagen Voor een betere werking Robbester (1 l/ha) toevoegen. Gebruik dit product niet in de buurt van in bloei staand onkruid. Verwijder onkruid voordat het bloeit. Na een gewasbehandeling percelen nog minimaal twee weken vrijhouden van bloeiende onkruiden. Dit betreft een tijdelijke vrijstelling van 1 april tot en met 15 juli 2021. Batavia is veilig voor natuurlijke vijanden.
Closer isoclast (sulfoxaflor) 0,2 L/ha max. 1 Gebruik dit product niet in de buurt van in bloei staand onkruid. Verwijder onkruid voordat het bloeit. Dit betreft een tijdelijke vrijstelling van 1 april tot en met 15 juli 2021. Isoclast (sulfoxaflor) is veilig voor de meeste belangrijke natuurlijke vijanden in de bietenteelt.
Pirimor (niet voor groene perzikluizen) pirimicarb 0,4 kg/ha max. 2 min. 14 dagen Op percelen grenzend aan watergangen dient gebruik gemaakt te worden van een teeltvrije zone van 0,5 meter in combinatie met minimaal 95% driftreducerende doppen of een van de andere maatregelen zoals vermeld op het etiket. Een groot gedeelte van de groene perzikluizen is resistent voor pirimicarb. Dit product heeft daardoor niet de voorkeur bij deze beheersing van vergelingsziekte. Werking van Pirimor op zwarte bonenluizen is goed.
bietenvliegen, rupsen Decis deltamethrin 0,3 L/ha max. 1 Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
bovengrondse bietenkevers Karate Zeon, Ninja lambda-cyhalothrin 0,05 L/ha max. 1 Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
Decis deltamethrin 0,3 L/ha max. 1 Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
Sumicidin Super esfenvaleraat 0,2 L/ha max. 2 min 7 dagen Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
ondergrondse bietenkevers, miljoenpoten,

wortelduizendpoten, springstaarten

Force tefluthrin 50 ml/100.000 zaden Uitzaai van behandeld zaad alleen is toegelaten met behulp van precisiezaai van gepilleerd zaad, waarbij het behandelde zaad direct met grond bedekt wordt. Om de vogels en zoogdieren te beschermen het product volledig in de bodem moet worden ondergewerkt; zorg ervoor dat het product ook aan de kopakker is ondergewerkt en gemorst product verwijderd wordt. Resten van behandeld zaad nooit verspreiden of vervoederen aan dieren. Ook bij zaaien van behandeld zaaizaad is het belangrijk persoonlijke beschermingsmaatregelen te nemen. Zie hiervoor de folder ˈVeilig hanteren en gebruiken van behandeld zaaizaadˈ van Syngenta.
Vydate 10G oxamyl 10-15 kg/ha Granulaat dient te worden toegepast in de zaaivoor tijdens het zaaien. Om de vogels en zoogdieren te beschermen moet u gemorst product verwijderen. Om de vogels en de zoogdieren te beschermen moet het product volledig in de bodem worden ondergewerkt; zorg ervoor dat het product ook op de kopakker is ondergewerkt. Draag geschikte persoonlijke beschermings-maatregelen tijdens het mengen en laden.
ritnaalden Force tefluthrin 50 ml/100.000 zaden Uitzaai van behandeld zaad alleen is toegelaten met behulp van precisiezaai van gepilleerd zaad, waarbij het behandelde zaad direct met grond bedekt wordt. Om de vogels en zoogdieren te beschermen het product volledig in de bodem moet worden ondergewerkt; zorg ervoor dat het product ook aan de kopakker is ondergewerkt en gemorst product verwijderd wordt. Resten van behandeld zaad nooit verspreiden of vervoederen aan dieren. Ook bij zaaien van behandeld zaaizaad is het belangrijk persoonlijke beschermingsmaatregelen te nemen. Zie hiervoor de folder ‘Veilig hanteren en gebruiken van behandeld zaaizaad’ van Syngenta.
tripsen Batavia spirotetramat 0,45 L/ha max. 2 min. 14 dagen Voor een betere werking Robbester (1 l/ha) toevoegen. Gebruik dit product niet in de buurt van in bloei staand onkruid. Verwijder onkruid voordat het bloeit. Na een gewasbehandeling percelen nog minimaal twee weken vrijhouden van bloeiende onkruiden. Het middel heeft een nevenwerking op tripsen. Dit betreft een tijdelijke vrijstelling van 1 april tot en met 15 juli 2021. Batavia is veilig voor natuurlijke vijanden.
Karate Zeon, Ninja lambda-cyhalothrin 0,05 L/ha max. 1 Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
Decis deltamethrin 0,3 L/ha max. 1 Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
Sumicidin Super esfenvaleraat 0,2 L/ha max. 2 min 7 dagen Dit is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.

Tabel 10.3.6 Kenmerken van insecticiden.

insecticide werkzame stof werking duurwerking resistentie opmerkingen
Batavia spirotetramat Op- en neerwaarts systemisch. Hierdoor zijn ook nieuw gevormde bladeren beschermd. ca. 2 weken Dit betreft een tijdelijke vrijstelling van 1 april tot en met 15 juli 2021.
Closer isoclast (sulfoxaflor) Systemisch, wordt opgenomen in de geraakte bladeren. ca. 2 weken Dit betreft een tijdelijke vrijstelling van 1 april tot en met 15 juli 2021.
Decis deltamethrin Contactwerking. Het doodt alleen de insecten die geraakt worden. geen duurwerking Groene perzikluizen zijn resistent voor pyrethroïden
Force tefluthrin Contactwerking. Bodeminsecten die in de buurt komen van de pil worden gedood. Het heeft geen effect op bladinsecten. tot aan het vierbladstadium Werkt onvoldoende als er te diep (> 2,5-3 cm) gezaaid wordt.
Karate Zeon, Ninja lambda-cyhalothrin Contactwerking. Het doodt alleen de insecten die geraakt worden. geen duurwerking Groene perzikluizen zijn resistent voor pyrethroïden
Pirimor pirimicarb Dampwerking. ca. 2 weken Groene perzikluizen zijn resistent voor pirimicarb Temperatuur dient hoger te zijn dan 20°C voor een goede werking.
Sumicidin Super esfenvaleraat Contactwerking. Het doodt alleen de insecten die geraakt worden. geen duurwerking Groene perzikluizen zijn resistent voor pyrethroïden
Teppeki flonicamid Systemisch, wordt opgenomen in de geraakte bladeren. Bladluizen stoppen direct met eten en daarmee het overbrengen van virussen. Ze gaan pas na circa 5 dagen dood. ca. 2-3 weken In verband met kans op overschrijding van de MRL alleen toepassen tussen 4- tot 10-bladstadium (uiterlijk tot 1 juni). Dit geldt ook bij late levering.
Vydate 10G oxamyl Systemisch. Het wordt door de wortels opgenomen en naar de bladeren getransporteerd en doodt daarmee ook de bijtende en zuigende insecten. tot ca. 6 weken na zaai Werkt alleen op insecten als de grond voldoende vochtig is.

10.3.5 Natuurlijke vijanden van insecten

In de bietenteelt komen diverse soorten natuurlijke vijanden voor, zoals lieveheersbeestjes, sluipwespen, kortschildkevers, weekschildkevers (soldaatkevers), loopkevers, gaasvliegen en zweefvliegen. Omdat het belangrijk wordt om natuurlijke vijanden van bietenvliegen en bladluizen te sparen om de populatieopbouw te beperken, is het advies om zo min mogelijk pyrethroïden (Decis, Karate Zeon, Ninja, Sumicidin Super) in te zetten. Zeker omdat er reeds is aangetoond dat groene perzikluizen (de overbrengers van vergelingsvirussen) verminderd gevoelig zijn voor pyrethroïden. Bovendien is het niet mogelijk om groene perzikluizen te raken met pyrethroïden, omdat deze bladluizen zich aan de onderzijde van de bladeren bevinden. Door pyrethroïden te gebruiken worden de natuurlijke vijanden van deze bladluizen wel gedood, maar de bladluizen zelf niet, waardoor de populatie bladluizen alleen maar sneller zal toenemen. Vliegende natuurlijke vijanden zijn afhankelijk van verschillende leefgebieden. In de lente en zomer wisselen de volwassen wespen en vliegen hun bezoek af tussen bloemenranden om nectar te eten en de gewassen om hun eieren af te zetten. Of een soort een bloem bezoekt, is afhankelijk van de lengte van hun tong waarmee ze de nectar opnemen. Hun larven eten dan van de bladluizen in het gewas. Aan het einde van het seizoen worden vaak houtachtige planten bezocht, dus struiken en bosjes vormen een overwinteringsplek. Lopende natuurlijke vijanden, die voornamelijk op en in de bodem leven, zijn al volop in de bieten aanwezig op het moment dat de eerste bieten bovenkomen. Ze wisselen minder tussen verschillende leefgebieden, maar zijn voor de overwintering vaak wel afhankelijk van meerjarige akkerranden, grassen en struikgewas. Ook wintertarwe of een groenbemester biedt schuilplaatsen voor lopende natuurlijke vijanden. Ploegen heeft op veel lopende natuurlijke vijanden een nadelig effect. Spaar deze vanaf het eerste moment. In deze paragraaf vindt u meer informatie over de belangrijkste natuurlijke vijanden in de bietenteelt.

Meer informatie

In artikel ˈBeheersing begint bij insectenherkenning en gebruik natuurlijke vijandenˈ staan effecten van insecticiden op de natuurlijke vijanden. Houdt hier rekening mee met de keuze van de insecticide. Meer informatie over het effect van insecticiden op de natuurlijke vijanden is te vinden in het, de applicatie Ziekten en plagen (kopje ˈBiologische bestrijdersˈ) en de instrumentenkaart ˈNatuurlijke vijanden – waarnemenˈ. Meer informatie over natuurlijke vijanden naast akkerranden is ook te vinden in het rapport ˈMonitoring van bladluizen en hun natuurlijke vijanden in suikerbieten in 2014ˈ.

10.3.5.1 Loopkevers

De loopkever (figuur 10.3.38) is al voor het zaaien aanwezig. Tijdens de winter ontwikkelen de larven in de bodem en vinden volwassen kevers daar hun schuilplaats. Ze overwinteren ook in zodevormende grassoorten zoals kropaar, bosgierstgras, echte witbol en ruwe smele. Deze kever en hun larven eten bladluizen, maar ook eitjes van bietenvliegen, bietenkevers, aardvlooien, emelten en wantsen. Ze zijn vooral ’s nachts actief.

Figuur 10.3.38 Een loopkever.

10.3.5.2 Kortschildkevers

Ook de kortschildkever (figuur 10.3.39) is vooral ’s nachts actief. Deze kever is ook al vroeg in het seizoen aanwezig. Tijdens de winter ontwikkelen de larven in de bodem en vinden volwassen kevers daar hun schuilplaats. Ze overwinteren ook in zodevormende grassoorten zoals kropaar, bosgierstgras, echte witbol en ruwe smele. De kortschildkever en hun larven eten bladluizen, bietenvliegen, bietenkevers, emelten en wantsen.

Figuur 10.3.38 De kortschildkever.

10.3.5.3 Soldaatkever (weekschildkever)

De soldaatkever (weekschildkever; figuur 10.3.39) laat zich makkelijker zien. Tijdens de winter ontwikkelen de larven in de bodem en vinden volwassen kevers daar hun schuilplaats. Al vroeg in het voorjaar levert deze een grote bijdrage aan de bladluisbeheersing. Maar soldaatkevers eten niet alleen bladluizen, ze dragen ook bij in de beheersing van bietenvliegen.

Figuur 10.3.39 De soldaatkever.

Figuur 10.3.40 Deze soldaatkever eet een zwarte bonenluis.

10.3.5.4 Lieveheersbeestjes

Lieveheersbeestjes zijn zeer makkelijk zichtbaar door de opvallende rode kleur. De volwassenen eten ongeveer 50 bladluizen per dag en dragen daarmee substantieel bij aan de natuurlijke plaagbestrijding. De eieren van een lieveheersbeestje zijn vaak aan de onderzijde van de bladeren te zien. De geel-oranje eieren staan in groepjes rechtop op het blad. Uit de eieren kruipen de larven van het lieveheersbeestje. Deze larve eet een zwarte bonenluis, maar hij lust ook andere bladluizen en eieren van de bietenvlieg. De larve eet tot wel 100 bladluizen per dag.

Figuur 10.3.41 Een volwassen lieveheersbeestje.

Figuur 10.3.42 Eitjes van het lieveheersbeestje.

Figuur 10.3.43 Larve van het lieveheersbeestje, die een zwarte bonenluis eet.

10.3.5.5 Sluipwespen

Sluipwespen (figuur 10.3.44) dragen bij aan de beheersing van verschillende soorten bladluizen. Omdat ze vaak wegvliegen als een blad wordt aangeraakt, zijn ze niet makkelijk te vinden. De aanwezigheid van sluipwespen is te herkennen aan geparasiteerde bladluizen (mummies; figuur 10.3.45). Zodra de sluipwesp zijn eieren afzet in een bladluis, wordt hij goudgeel van kleur, zwelt hij op en gaat dood.

Sluipwespen kunnen ook andere insecten parasiteren, zoals de eieren van de bietenvlieg en rupsen. Bij rupsen worden de eitjes door een andere sluipwespensoort afgezet (figuur 10.3.46). De eitjes ontwikkelen zich tot larven. De larven voeden zich met de inhoud van de rups, die hieraan doodgaat op den duur. In dit filmpje is te zien hoe inventief natuurlijke vijanden kunnen zijn.

Figuur 10.3.44 Een sluipwesp.

Figuur 10.3.45 Deze bladluis is geparasiteerd door een sluipwesp.

http://cos0mb1547.cosun.org/irs/pcache/10004/dc/ziektenampplagen_rups-03_cadb5.jpg
Figuur 10.3.46 Een geparasiteerde rups.

10.3.5.6 Gaasvliegen

De groene gaasvlieg (figuur 10.3.47) komt vanaf half mei ook voor in de bieten. Zij zet dan haar eitjes af. Een eitje is heel makkelijk te herkennen, doordat dit eitje op een stokje staat (figuur 10.3.48). De larve die hieruit komt eet bladluizen (figuur 10.3.49), eieren van de bietenvlieg en bovengrondse springstaarten.

Figuur 10.3.47 De groene gaasvlieg.

Figuur 10.3.48 Een eitje van een gaasvlieg.

Figuur 10.3.49 De larve van een gaasvlieg, die een zwarte bonenluis opeet.

10.3.5.7 Zweefvliegen

Er zijn verschillende soorten zweefvliegen (figuur 10.3.50). Ze verschijnen vanaf half mei en voeden zich met stuifmeel van de bloemen. Ze leggen al naar gelang de soort 500 tot 3000 eieren. Elk ei wordt afzonderlijk te midden van een bladluiskolonie afgezet. De larve van de zweefvlieg (figuur 10.3.51) lust heel graag bladluizen en eet er zo’n dertig per dag op. Hij lust ook bietenvliegen. Er kunnen één tot zes generaties per jaar tot ontwikkeling komen.

Figuur 10.3.50 Een zweefvlieg.

Figuur 10.3.51 De larve van een zweefvlieg, die zwarte bonenluizen eet.

10.3.5.8 Insectparasitaire schimmels

Vanaf de gewassluiting, als het bietengewas wat langer vochtig blijft, krijgen insectparasitaire schimmels de kans om zich te ontwikkelen. De sporen van deze schimmels dringen de bladluizen binnen, waardoor hele kolonies gedood kunnen worden (figuur 10.3.52).

http://cos0mb1547.cosun.org/irs/pcache/10004/9f/lagen_zwarte_bonenluis-46_f07d9.jpg

Figuur 10.3.52 Insectparasitaire schimmels op een kolonie zwarte bonenluizen.

 

10.4 Bladschimmels

10.4 Bladschimmels

Versie: maart 2021

In de loop van het groeiseizoen kunnen bladeren van suikerbieten door verschillende blad­schimmels worden aangetast. Hoe zwaarder de aantasting, hoe meer loof voor de productie van suiker verloren gaat en hoe groter de schade. Dit hoofdstuk gaat in op de diverse bladschimmels (10.4.1 t/m 10.4.5), de herkenning ervan (10.4.6), hun bestrijding met aandacht voor het voorkomen van resistentievorming bij de schimmel en in geval resistentievorming is opgetreden (10.4.7) en de bladschimmelwaarschuwingsdienst (10.4.8).

10.4.1 Cercospora

Afhankelijk van de weersomstandigheden, verschijnen vanaf begin/midden juli de eerste vlekjes cercospora (Cercospora beticola) op de volgroeide bladeren. Ze zijn 1 tot 3 mm in doorsnee en hebben een donkere, bruinrode tot paarsachtige, rand (figuur 10.4.1). Bij warm vochtig weer ontstaan middenin die vlekjes, vooral aan de onderkant van het blad, zwarte puntjes omgeven door een grijze viltlaag. Dit zijn de sporendragers met daarop de witte sporen van de schimmel. De aantasting kan zich snel uitbreiden over het blad en over het perceel. De optimale temperatuur voor cercospora is 23-27°C en een luchtvochtigheid van >96% in het gewas. De sporen van cercospora worden door regen en wind verspreid en kunnen enkele jaren op resten van het gewas in de grond overleven. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 10% van de cercosporasporen langer dan 22 maanden na de oogst van het bietengewas vitaal is. Daardoor is de schimmeldruk vaak hoger op:

  • percelen waar biet-op-biet is gezaaid;
  • percelen met veel onkruidbieten;
  • percelen met een nauwe gewasrotatie met suikerbieten (1 op 4 of nauwer);
  • een perceelsgedeelte waarop in het voorgaande jaar een bietenhoop lag;
  • perceelsranden waar bieten naast een zwaar besmet bietenperceel van vorig jaar staan. Op deze percelen (perceelsdelen) vindt men vaak de eerste aantasting. Deze eerste aantasting kan zich onder gunstig weer voor de schimmel snel uitbreiden over het perceel.

Figuur 10.4.1 Een vergrote opname van een cercosporavlekje. In het midden zijn duidelijk de witte sporen zichtbaar. Ze staan op donkere sporen­dragers. Met de loep zijn ze als zwarte stipjes te zien.

Als er zoveel vlekjes komen dat ze in elkaar overlopen, verdort het blad. Vorming van nieuw blad en daardoor verlies van suiker is het gevolg. Opbrengstderving, veroorzaakt door cercospora, kan oplopen tot 40%.

Om schade te voorkomen is een fungicidenbespuiting bij de eerste vlekjes het meest effectief en efficiënt; zie hiervoor paragraaf 10.4.7 en 10.4.8. De vlekjes lijken sterk op bladvlekken veroorzaakt door pseudomonas (zie paragraaf 10.7.1).

Cercospora kan resistent of verminderd gevoelig worden voor de actieve stoffen in de fungiciden. Zo zijn er in Nederland cercospora-isolaten gevonden die resistent zijn tegen strobilurinen, ook zijn er isolaten gevonden die verminderd gevoelig bleken te zijn voor triazolen (zie project 12-12 in het jaarverslag van 2012 en de publicatie van het onderzoek in 2018). Ondanks eventuele resistentievorming tegen de fungiciden is beheersing van cercospora nog steeds mogelijk door: het spuiten zodra de allereerste vlekjes in het gewas verschijnen en dit te herhalen wanneer er nieuwe vlekjes bijkomen, het vermijden van middelen met een strobilurine bij de eerste bespuiting, het goed afwisselen van de beschikbare fungiciden (afwisselen van middelen en afwisselen binnen de groepen van actieve stoffen) bij opeenvolgende bespuitingen en het eventueel toevoegen van Promotor als hulpstof of het mixen van de volle dosering van twee verschillende fungiciden (triazolen) bij de eerste of tweede bespuiting. Ook de infectiekansen kunnen worden gebruikt om de effectiviteit van de bladschimmelbeheersing te verbeteren. Zie voor meer informatie over de bladschimmel-beheersing paragraaf 10.4.7 en de publicaties van het onderzoek in 2018 en 2019.

10.4.2 Ramularia

Deze bladschimmel infecteert de bladeren van de suikerbiet bij koele omstandigheden (16-18°C). Voorwaarde voor deze schimmel is een luchtvochtigheid van >95% in het gewas. Door deze koele en vochtige omstandigheden treedt de aantasting vaak pas later in het seizoen op, soms eerder bij een koele zomer. De opbrengstderving bij zware aantasting kan 10 tot 15% bedragen.

De sporen van ramularia (Ramularia beticola) verspreiden zich met wind en regen. Na infectie vormen zich op de oudere bladeren onregelmatige lichtbruine vlekken met een doorsnede van 1 tot 3 cm (figuur 10.4.2). Bij zware aantasting lopen de vlekken in elkaar over en verdort het blad. De sporen kunnen op gewasresten beperkte tijd in leven blijven en in de grond tot twee jaar overleven.

Om schade te voorkomen is een fungicidenbespuiting bij de eerste vlekjes het meest effectief en efficiënt; zie hiervoor paragraaf 10.4.7 en 10.4.8.

Figuur 10.4.2 Een vergrote opname van een ramulariavlekje. In het midden zijn duidelijk de witte sporenhoopjes zichtbaar. Ze zijn met een loep ook zichtbaar als witte puntjes.

 

10.4.3.Roest

Roest (Uromyces betae) komt vaak voor in jaren, waarin het bietenblad lang nat blijft door lange dauwperioden en veel regen. De optimale temperatuur is 15-22°C. Roest is gemakkelijk te herkennen aan de kleine, roestbruine puistjes op het blad, van circa 0,5 tot 1,5 mm groot (figuur 10.4.3). Hierin zitten de sporen. Soms kleurt het blad rondom het puistje geel. De schimmel overwintert op gewasresten en onkruidbieten. Ruim deze zoveel mogelijk op om het inoculum te beperken. Bij zware aantasting door roest kan de schade 5 tot 10% bedragen. Om schade te voorkomen, is een fungicidenbespuiting bij de eerste vlekjes het meest effectief en efficiënt; zie hiervoor paragraaf 10.4.7 en 10.4.8.

Figuur 10.4.3 Zware aantasting door roest.

 

10.4.4 Meeldauw

Echte meeldauw (Erysiphe betae) treedt in de zomer op bij droog (luchtvochtigheid 30-40%) weer en hoge temperaturen (25-30°C). Bij een vroege en zware aantasting kan de schade 5-10% bedragen. Bestrijden van meeldauw is dan ook zeker zinvol. Meeldauw is te herkennen aan een witte stofachtige poederlaag op de bladeren (figuur 10.4.4). Het blad van de bieten­planten ziet er dan dofgroen uit. De schimmel overwintert op achterblijvende wortels (oogstverliezen), koppen en onkruidbieten. Ruim wortels, koppen (ook wat achter­blijft na verlading van de bietenhoop) en onkruidbieten zoveel mogelijk op om het inoculum te beperken.

Om schade te voorkomen is een fungicidenbespuiting bij de eerste aantasting het meest effectief en efficiënt; zie hiervoor paragraaf 10.4.7 en 10.4.8.

Figuur 10.4.4 Aantasting door echte meeldauw.

10.4.5 Stemphylium (ˈgele vlekjesˈ)

In het seizoen 2007 werd voor het eerst het fenomeen ˈgele vlekjesˈ waargenomen. Inmiddels komt aantasting door deze gele vlekjes in alle teeltgebieden van Nederland voor.

IRS-onderzoek toonde aan dat deze ˈgele vlekjesˈ worden veroorzaakt door stemphylium1,2. Het betreft een soort die nog niet eerder was beschreven, daarom heeft stemphylium in suikerbieten de naam Stemphylium beticola gekregen3.

De eerste aantasting van stemphylium (als kleine gele vlekjes) verschijnt tussen eind juni en begin augustus op het suikerbietenblad bij lage tot milde zomertemperaturen (10-25°C) bij een zeer hoge luchtvochtigheid (>97%) of nat blad. De eerste aantasting kenmerkt zich door kleine, onregelmatige gele vlekjes in het blad (figuur 10.4.5). Bij het waarnemen kan verwarring optreden met vlekjes veroorzaakt door mangaangebrek en kleine beschadigingen aan de achterzijde van het blad. Na enige tijd sterft het binnenste van de eerste vlekjes af (necrotiseert) tot een bruin weefsel (figuur 10.4.6). De vlekjes zitten verspreid over het blad en tasten de gehele plant aan (figuur 10.4.7). Zwaar aangetaste bladeren sterven af en op nieuw gevormd blad verschijnen nieuwe vlekjes. Door het afsterven van de bladeren kan de grond in augustus/september weer zichtbaar worden. In fungicidenproeven is tot 42% reductie in suikeropbrengst vastgesteld. Dit betekent een derving van 50% voor de financiële opbrengst. De aantasting begint vaak in haarden en kan zich over het hele perceel verspreiden (figuur 10.4.8). Uit IRS-onderzoek bleek dat de vlekjes niet worden veroorzaakt door nutriëntengebrek. Er bleek verder dat stemphylium de gele vlekjes kan ver­oorzaken als de bietenplant volledig gezond is (zonder stress). Dit maakt stemphylium een primaire ziekte van de suikerbiet.

Uit de IRS-proefvelden blijkt dat Retengo Plust en Spyrale een goede nevenwerking hebben tegen stemphylium. Sphere toonde een beperkte nevenwerking bij inzet vanaf de allereerste vlekjes. Houd tijdens het seizoen de website van de bladschimmelwaarschuwingsdienst (www.irs.nl/bladschimmel) in de gaten voor de actuele meldingen over bladschimmels. Stemphylium wordt meegenomen in de bladschimmel­waarschuwingsdienst (zie paragraaf 10.4.8).

Figuur 10.4.5 De schadedrempel bij stemphylium-aantasting ligt bij het eerste vlekje veroorzaakt door stemphylium. Bij het waarnemen kan verwarring optreden met vlekjes veroorzaakt door mangaangebrek en kleine beschadigingen aan de achterzijde van het blad.

1 Hanse, B. (2013). Research on Stemphylium spp. the causal agent of the yellow leaf spot disease in sugar beet in 2012. 13P01, IRS, Bergen op Zoom. 32p. Link naar publicatie.

2 Hanse, B., Raaijmakers, E. E. M., Schoone, A. H. L., & van Oorschot, P. M. S. (2015). Stemphylium sp., the cause of yellow leaf spot disease in sugar beet (Beta vulgaris L.) in the Netherlands. European Journal of Plant Pathology, 141(4), 1-12, DOI: 10.1007/s10658-015-0617-8.

3 Woudenberg, J. and Hanse, B. (2016). Stemphylium beticola Woudenb. & Hanse, sp. nov., Fungal Planet 442 – 4 July 2016. Persoonia, 36: 402-403. DOI:10.3767/003158516X692185.

Figuur 10.4.6 Detail van een geel vlekje veroorzaakt door stemphylium. Het bladweefsel sterft in de vlekjes van binnenuit af en wordt bruin (necrotiseren).

diagnostiek-154

Figuur 10.4.7 Zware aantasting door stemphylium. De vlekjes zijn onregelmatig van vorm en necrotiseren van binnenuit. In een later stadium vloeien de vlekjes samen en beginnen delen van het blad te necrotiseren.

diagnostiek-218

Figuur 10.4.8 Bij zware aantasting sterven bladeren af. Op nieuw gevormd blad verschijnen ook weer vlekjes (links). Wanneer blad afsterft, wordt de grond weer zichtbaar (21 september 2007).

10.4.6 Herkenning van bladschimmels

Om de herkenning van de bladschimmels cercospora, ramularia, roest en meeldauw te vereenvoudigen is in 2006 een praktijkgids ˈHerkenning bladaantastingen in suikerbietenˈ gemaakt. Stemphylium staat er niet in, omdat die toen nog geen schade veroorzaakte in suikerbieten. Deze is wel te vinden met fotoˈs en beschrijvingen in de applicatie ˈZiekten & plagenˈ en de handleiding ‘Herkenning bladschimmels in suikerbieten’. In 2020 is een video gemaakt voor het herkennen van bladschimmels.

Voor meer informatie over alle bladschimmels: zie www.irs.nl/bladschimmel.

 

10.4.7 Beheersing bladschimmels

De eerste behandeling tegen bladschimmels moet plaatsvinden bij het verschijnen van de eerste aantasting (de eerste vlekjes die verschijnen op het perceel) door cercospora, stemphylium, ramularia, roest of meeldauw. Controleer (monitor) de bieten daarom regelmatig vanaf half juni of na een waarschuwing van de bladschimmelwaarschuwingsdienst (principe 2 (moni­toring) en 3 (beslissing) van een geïntegreerde gewasbescherming, zie 5.2.2 en 5.2.3). In 2020 is een video gemaakt over het waarnemen van bladschimmels. Preventief spuiten heeft geen zin, brengt onnodige kosten met zich mee en is zelfs gevaarlijk in verband met resistentievorming. Later spuiten dan de eerste aantasting leidt al snel tot onvoldoende beheersing en daardoor tot schade. In verband met resistentievorming is ook te laat spuiten gevaarlijk.

Infectiewaarden cercospora en stemphylium

Voor een goede beheersing van bladschimmels is de timing van de bespuiting essentieel. Om de timing van de bespuitingen te verbeteren worden in het Bieten Advies Systeem (BAS) van Suiker Unie de infectiewaarden voor cercospora en stemphylium weergegeven (figuur 10.4.9). Deze infectiewaarden worden bepaald door sensoren die het microklimaat in het suikerbietengewas op 15 cm hoogte meten en deze elke tien minuten doorsturen via het LoRa telefonienetwerk. Het gebruik van de infectiewaarden werkt het beste voor het perceel waar de sensor staat opgesteld. Infectiewaarden tussen naburige percelen kunnen behoorlijk verschillen door de verschillen tussen de percelen in bijvoorbeeld de hoeveelheid loof, wel of geen beregening en de vochttoestand van de bodem. Hoe hoger de infectiewaarde op een dag, hoe groter de kans op succesvolle infectie door de schimmel. Hiervoor moeten wel schimmelsporen op het perceel aanwezig zijn. Op basis van de door de sensor gemeten omstandigheden in het bietengewas worden de infectiewaarden berekend op een schaal van 0-7 waarbij 0 staat voor geen kans en 7 voor zeer grote kans op infectie. De omstandigheden die optimaal zijn voor infectie, verschillen per schimmel. Vandaar dat de waarden voor zowel cercospora als stemphylium worden weergegeven. Bij een som van groter of gelijk aan 6 in twee opeenvolgende dagen wordt geadviseerd om het perceel binnen een aantal dagen waar te nemen op bladschimmels. Wanneer de infectiewaarden 5 of hoger zijn, wordt een rode balk weergegeven. Dan zijn de omstandigheden gunstig geweest voor infectie. Als er sporen op het perceel aanwezig zijn hadden deze goede omstandigheden om te kiemen en het blad binnen te dringen. Echter zullen de eerste dagen na deze waarden nog geen vlekjes te zien zijn. Dit noemen we de latente periode. Voor stemphylium bedraagt deze 3 tot 7 dagen en voor cercospora 7 tot 14 dagen. Door op de infectiewaarden te spuiten wordt de schimmel dus al in de latente fase bestreden voordat er vlekjes zichtbaar zijn. Het risico van het spuiten op basis van de infectiewaarden zonder waarnemen is, dat wanneer de druk laag is, of de cercospora gevoelig is voor de middelen, er eerder en vaker gespoten wordt met kortere intervallen dan strikt noodzakelijk zou zijn. Wanneer de cercospora minder gevoelig is voor de middelen en dus moeilijker te beheersen leidt het spuiten op infectiewaarden tot een betere beheersing.

Bij het spuiten op basis van de infectiewaarden moet er rekening gehouden worden met het feit dat de sensor geen rekening houdt met bespuitingen. Zodra de omstandigheden weer gunstig zijn zullen er weer hoge infectiewaarden getoond worden. Ook als er kort daarvoor gespoten is. Hou bij het spuiten op basis van de infectiewaarden rekening met een werkingsduur van de fungiciden van circa 2 weken (Retengo Plust vanwege lagere epoxiconazool gehalte) tot 3-4 (overige middelen). Komen er aan het begin van week 3 weer hoge infectiewaarden, dan kan dat dus het signaal zijn om een volgende bespuiting uit te voeren in combinatie met de eventueel verwachte neerslag rondom de bespuiting. De infectiewaarden kunnen zoals hierboven beschreven ook heel goed gebruikt worden om na het vaststellen van de eerste aantasting de vervolgbespuitingen beter te timen omdat de aantasting dan al aanwezig is. Daardoor hebben de infectiekansen een veel betere voorspellende waarde. De schimmel en dus de sporen zijn immers op het perceel aanwezig.

Figuur 10.4.9 Schermafbeeldingen van de BAS-app die de individuele weerpalen in de Nederlandse bietenteeltgebieden weergeeft (links). De hoogste infectie waarde van de afgelopen week bepaalt de kleur van het sensorpictogram. Voor elke sensor kunnen de infectiekansen voor cercospora en voor stemphylium worden getoond (rechts). Hoe hoger de waarde, hoe groter de infectiekansen.

Wanneer er met een fungicide gespoten is, werkt deze niet langer dan drie tot vier weken op geraakt blad. Bladeren of gedeeltes van bladeren die niet geraakt zijn of gevormd worden na een bespuiting zijn onbeschermd (zie figuur 10.4.10). Dit betekent dat bij een bespuiting voor de maximale hoeveelheid loof van de bieten is gevormd (loof maximum begin-half augustus, zie hoofdstuk 7.4), er in de meeste gevallen elke week opnieuw moet worden gecontroleerd op uitbreiding of nieuwe aantasting door bladschimmels. Ook na een periode van droogte kan er snel extra nieuw blad gevormd worden.

Spuit de fungiciden op een droog gewas en houd rekening met een droogtijd van 1-2 uur. Streef naar een zo goed mogelijke indringing en bedekking van het gewas. Vaak is spuiten met 300 liter water per hectare voldoende om een goede verdeling van het fungicide te krijgen. Meer informatie over bladschimmels, middelen en de actuele waarschuwingen van de bladschimmel­waar­schuwings­dienst vindt u op www.irs.nl/bladschimmel.

Een bespuiting in de eerste helft van oktober heeft alleen zin als er vrij laat wordt gerooid (minimaal vier weken tussen bespuiting en oogst) en wanneer de weersomstandigheden gunstig zijn voor verdere uitbreiding.

Voor de bestrijding van bladschimmels zijn diverse fungiciden toegelaten. De veiligheids­termijn en opmerkingen bij deze middelen staan in tabel 10.4.1. Bij een aantasting door voor­namelijk meeldauw hebben Retengo Plust, Bicanta, Sphere of Spyrale de voorkeur boven Difure SOLO, Borgi, Score 250 EC en Mavita 250 EC. Houd wel rekening met de veiligheidstermijn van de middelen (tabel 10.4.1). Gebruik bij aantasting door stemphylium middelen met nevenwerking hiertegen: Retengo Plust, Spyrale en eventueel Sphere.

Figuur 10.4.10 In de periode juli-augustus wordt relatief veel nieuw blad gevormd. Blad dat niet geraakt wordt en nieuw gevormd blad is onbeschermd. Bij een bespuiting vroeg in het seizoen (eind juni-begin juli), met een goede verdeling van de spuitvloeistof, worden alle uitgevouwen bladeren geraakt (A). Twee weken na de bespuiting van de bieten (A) zijn in de periode juli-augustus de rode bladeren (B) nieuw gevormd en dus onbeschermd!

Tabel 10.4.1 Veiligheidstermijn en opmerkingen bij de bladschimmelbestrijdingsmiddelen in suikerbieten*.

Voorkom resistentievorming

Belangrijk voor het voorkomen van resistentievorming bij de bladschimmels tegen de gebruikte actieve stoffen is het afwisselen van middelen (principe 7 van een geïntegreerde gewasbescherming; zie 5.2.7). Wissel middelen af gedurende het seizoen en gebruik bij voorkeur niet twee keer achter elkaar hetzelfde middel. Ook wanneer een alternatief middel actieve stoffen bevat die tot dezelfde groep behoren als een eerder gebruikt middel, is het beter af te wisselen. Dat noemen we afwisselen binnen de groepen van actieve stoffen. Naast het afwisselen van middelen is het uitvoeren van een bespuiting bij de eerste aantasting heel belangrijk. Eerder dan de eerste aantasting zonder gebruik van de infectiekansen (preventief) en te laat (meer aantasting) zijn beiden gevaarlijk voor de resistentievorming. Ook in Nederland moet met het voorkomen van resistente en verminderd gevoelige isolaten van cercospora rekening worden gehouden (zie paragraaf 10.4.1).

Bij het afwisselen van middelen zijn er een aantal eisen waar rekening mee moet worden gehouden. Sinds 2014 mogen middelen die strobilurinen bevatten (Bicanta, Mirador Xtra, Sphere en Retengo Plust) maximaal 50% van het aantal bespuitingen tegen cercospora uitmaken. De andere bespuitingen tegen cercospora dient u uit te voeren met middelen die geen strobilurinen bevatten ( Spyrale, Difure Solo, Borgi, Mavita 250 EC, of Score 250 EC). Wanneer slechts één toepassing tegen cercospora in het hele seizoen wordt uitgevoerd, kunt u wel kiezen voor een middel met een strobilurine. Als er geen cercospora aanwezig is op het perceel, mogen strobilurinebevattende middelen maximaal 2x per teeltseizoen worden toegepast. Uitzondering is Retengo Plust, dit middel mag u maximaal één keer in het seizoen toepassen. Retengo Plust en Spyrale hebben een goede nevenwerking tegen stemphylium. Sphere heeft een beperkte nevenwerking (Spyrale is bij de bestrijding van stemphylium eventueel te vervangen door een ander middel dat difenoconazool bevat). Deze bindende richtlijnen zijn gegeven door het FRAC (Fungicide Resistance Action Committee; www.frac.info) en zijn bedoeld om resistentievorming tegen te gaan.

Wanneer het effect van de bespuiting met fungiciden onder gunstige omstandigheden toch teleurstellende resultaten oplevert, kan er sprake zijn van resistentie tegen deze middelen óf er is te laat gespoten. Stuur in dat geval een bladmonster naar IRS Diagnostiek voor nader onderzoek. Een herhaling van de bespuiting met dezelfde middelen heeft dan geen zin.

Cercospora beheersen in geval van resistentievorming of verminderde gevoeligheid

Cercospora kan resistent of verminderd gevoelig worden voor de actieve stoffen in de fungiciden. Zo zijn er in Nederland cercospora-isolaten gevonden die resistent zijn tegen strobilurinen. Uit de analyse van meer dan 300 cercospora-isolaten in 2018 blijkt dat meer dan 75% hiervan resistent is tegen strobilurinen. De kans is dus groot dat de cercospora die in het veld aangetroffen wordt resistent is tegen de strobilurinen in de fungiciden. Daarom is het advies om bij een beginnende cercospora-aantasting geen fungicide met een strobilurine te gebruiken voor de eerste bespuiting. Later in het seizoen kan het wel nodig zijn om een middel met een strobilurine te kiezen om de beschikbare triazolen maximaal te kunnen afwisselen. Houd er rekening mee dat de kans groot is dat een bespuiting met een middel dat ook een strobilurine bevat minder lang werkt dan de genoemde drie tot vier weken, omdat de hoeveelheid triazool in deze middelen minder hoog is. Uitzondering hierop is het middel Bicanta.

Ook voor de triazolen kan cercospora verminderd gevoelig zijn (zie Project 12-12 in het jaarverslag van 2012 en de publicatie van het onderzoek in 2018). Dit is een ander mechanisme dan de absolute resistentie bij de strobilurinen. Dit betekent dat de middelen nog wel werken, maar dat een bespuiting vaker herhaald zal moeten worden voor hetzelfde resultaat. Ook betekent dat de beschikbare triazolen maximaal moeten worden afgewisseld om een goede beheersing te krijgen. Daarnaast is het enorm belangrijk om bij de eerste vlekjes die verschijnen in een perceel (niet eerder, maar zeker niet later) de eerste bespuiting uit te voeren. Uit het IRS-onderzoek in 2018 en 2019 (samengevat in figuur 10.4.11) bleek dat de effectiviteit van de triazolen kan worden verhoogd door bij elke bespuiting 0,4 L/ha Promotor toe te voegen. Een andere optie is om bij de eerste òf de tweede bespuiting de volle dosering van twee verschillende middelen (triazolen) te mengen; de combinaties zijn dan epoxiconazool + difenoconazool, epoxiconazool + cyproconazool of difenoconazool + cyproconazool (zie tabel 10.4.1, figuur 10.4.11 en 10.4.12). Het idee hierachter is dat in het geval de cercospora op het betreffende perceel minder gevoelig is voor de ene triazool, de andere in de mix de effectiviteit op peil houdt. Dit kan vanuit kostenoverwegingen ook met individuele bespuitingen, omdat er altijd de kans bestaat dat voor de eerste bespuiting direct het middel met de hoogste effectiviteit tegen de cercospora op dat perceel is gekozen. In alle strategieën is het belangrijk om de mate van cercospora-aantasting te blijven monitoren en wanneer de aantasting uitbreidt (er meer vlekjes bijkomen) opnieuw een bespuiting uit te voeren.

Figuur 10.4.11 Resultaten van 4 proefvelden in 2018 en 2019 op percelen met hoge cercosporadruk. Met daarin het effect van het toevoegen van 0,4 L/ha Promotor aan de cercosporastrategie (4 bespuitingen; volgens IRS advies) en het effect van het gebruiken van de volle dosering van twee verschillende middelen bij de eerste bespuiting.

Figuur 10.4.12 Het effect van het gebruiken van de volle dosering van twee verschillende middelen bij de eerste bespuiting naast een veldje zonder bespuitingen (rechts). Foto proefveld Valthermond, genomen op 12 november 2019.

10.4.8 Werking bladschimmelwaarschuwingsdienst

De bladschimmelwaarschuwingsdienst werkt als volgt:

  • buitendienstmedewerkers en adviseurs van Suiker Unie, gewasbeschermingshandel en adviesorganisaties die cercospora, ramularia, roest, stemphylium of meeldauw waarnemen, melden dit aan de bladschimmelwaarschuwingsdienst (een samenwerking tussen IRS (Bram Hanse: +31 6 1032 8316 , e-mail: bladschimmel@irs.nl), suikerindustrie, en andere belanghebbenden). Om uitsluitsel te krijgen over gevonden bladschimmels kan men enkele bladeren naar het IRS opsturen of afgeven (IRS Diagnostiek, Postbus 20, 4670 AA Dinteloord ). Laat elk ingezonden monster vergezellen door een volledig ingevuld diagnostiekinzendformulier (zie hoofdstuk 9 ˈDiagnostiekˈ);
  • komen er uit een bepaald gebied meerdere signalen, zoals spuitadviezen van het advies­model en worden er vlekjes in het veld gevonden, dan volgt overleg met iedereen die uit dat gebied tot op dat moment een melding heeft gedaan per telefoon of e-mail of het nodig is de telers te waarschuwen dat er in het gebied sprake is van een beginnende aantasting door cercospora, ramularia, roest, stemphylium of meeldauw;
  • de waarschuwing van de bladschimmelwaarschuwingsdienst is een oproep aan telers om de percelen te controleren op aantasting. Bij daadwerkelijke aantasting is het advies een bestrijding uit te voeren.

Er gaan geen bestrijdingswaarschuwingen uit. De bladschimmelwaar­schuwingsdienst geeft een monitoringswaarschuwing voor een perceel uit. Treft men een aantasting aan, dan is het advies een bestrijding op dat perceel uit te voeren.

 

 

10.5 Bodemschimmels

Versie: maart 2020

In de suikerbietenteelt spelen zeer veel bodemschimmels een rol. De belangrijkste bodemschimmels zijn rhizoctonia, verticillium, violetwortelrot en aphanomyces. Zij zullen hier worden toegelicht. Voor informatie over de overige bodemschimmels, zoals pythium, verwijzen wij u naar het Gewasbeschermingsbulletin Suikerbieten en Applicatie ˈZiekten en Plagenˈ. Voor de herkenning van wortelrot is een interactieve video gemaakt.

10.5.1 Rhizoctonia

De bodemschimmel Rhizoctonia solani veroorzaakt wortelbrand (kiemplantwegval) en wor­telrot (figuur 10.5.1) in suikerbieten. Rhizoctonia veroorzaakt grote problemen op de lichte gronden in het zuidoosten, oosten en noordoosten van Nederland, maar kan ook voorkomen op kleigronden. In elke regio in Nederland komen enkele tot veel percelen met rhizoctonia voor.

Bij zware aantasting gaan hele percelen verloren. Rotte bieten hebben een laag suikergehalte (figuur 10.5.2) en zorgen voor problemen bij de bewaring en verwerking. Daarom mag er voor de verwerking maximaal 10% bieten met rot in een partij zitten. De ziekte zorgt dus voor een forse inkomstenderving voor de teler.

Doordat het loof het langste gezond blijft wordt de volle omvang van de schade wordt vaak pas bij het rooien van de bieten duidelijk (figuur 10.5.3). De teler kan niets anders doen dan de rotte bieten in het zwad uitzoeken. Een chemische bestrijding is niet mogelijk. Bij een te verwachten rhizoctoniaschade kan de keuze voor een resistent ras de schade beperken. Deze rassen zijn resistent tegen wortelrot, maar niet tegen kiemplantwegval door rhizoctonia.

Figuur 10.5.1 Rhizoctonia solani veroorzaakt wortelbrand (plantwegval) bij oplopende temperaturen in het voorjaar (boven) en wortelrot in de zomer/najaar (onder).

Figuur 10.5.2 Effect van het aandeel door rhizoctonia aangetaste (rotte) bieten in het monster op suikergehalte (blauwe lijn) en invertsuiker (rode lijn) gemeten bij een partij bieten in oktober 2016. Het suikergehalte daalde van 17,0% naar 10,9% en de invert steeg van 5,0 naar 26,9 mmol per kg biet.

10.5.1.1 Biologie en symptomen

Rhizoctonia solani is een echte bodemschimmel en goed aangepast aan het leven in de grond. De schimmel heeft geen waardplant nodig en kan meerdere jaren in de bodem overleven:

  1. door de vorming van ruststructuren, zogenaamde sclerotiën;
  2. op of in organisch materiaal;
  3. op de wortels van waardplanten.

Een perceel blijft dan ook gedurende een groot aantal jaren besmet.

De suikerbiet en andere waardgewassen, zoals waspeen en onkruiden, activeren de schimmel. Warm en vochtig weer bevorderen de mate van aantasting. De schimmel kan de wortel op elk willekeurig punt binnendringen. Stress kan de biet gevoeliger maken voor rhizoctonia. Bijvoorbeeld als een plant bij een lage pH of een slechte structuur van de grond groeit, is de biet gevoeliger voor rhizoctonia. Ook insecten en aaltjes kunnen wondjes op de wortel veroorzaken en deze kunnen een invalspoort zijn voor rhizoctonia.

Lichte tot donkerbruine ingezonken plekken kunnen verspreid op de wortel voorkomen (figuur 10.5.4). In het veld is de aantasting meestal het eerst zichtbaar vlak onder het grond­op­pervlak (figuur 10.5.3). Ook kan de wortel scheuren vertonen ter hoogte van het grond­opper­vlak. Deze scheuren kunnen gevuld zijn met bruin mycelium (schimmelweefsel), wat volop is ontwikkeld tussen juli en eind augustus (figuur 10.5.5). Na begin september is het moeilijker om de schimmel op de wortels te zien. Het onderste gedeelte van de bladstengels kan ook aangetast zijn door rhizoctonia. Dikwijls zijn dan zwarte plekken zichtbaar (figuur 10.5.6). Dit treedt vaak op nadat grond tegen de bladstelen is gekomen door bijvoorbeeld aanaarden.

Meer beelden/symptomen van wortelrot door rhizoctonia zijn te zien in de interactieve video 'wortelrot in beeld' - rhizoctonia op www.irs.nl/interactievevideos.

Figuur 10.5.3 De rhizoctonia-aantasting is vaak al bij de grens grond/lucht te zien zonder dat de bladeren ver­welken. Rotte plekken op de biet betekent al snel suikerverlies.

Figuur 10.5.4 Bietenwortels kunnen bedekt zijn met licht ingezonken, lichtbruine tot donkere plekken.

Figuur 10.5.5 Scheuren in de biet, vaak gevuld met het bruine mycelium van de rhizoctoniaschimmel. Deze scheuren in de figuur zijn niet veroorzaakt door schoffelen.

Figuur 10.5.6 Aantasting op de bladstelen door rhizoctonia. Dit kan optreden na aanaarden van de bieten.

Grillig ziekteverloop

De ziekte heeft een grillig karakter. Aangetaste bieten komen vaak in plekken op een perceel voor. Meestal op de kopakkers, maar ook her en der verspreid over het veld. Op 12-15% van de percelen met rhizoctonia veroorzaakt de schimmel zware schade. Deze kan variëren van 25 tot 100% verlies van het gewas. Het komt vaak voor dat de ziekte begint met enkele wegval­lende bietenplantjes in het voorjaar, waarna deze plekken uitgroeien gedurende het seizoen. Soms zijn deze plekken rond met duidelijke grenzen. Bij zware besmettingen groeien de verschillende plekken uit, soms tot het totale perceel (figuur 10.5.7).

Hoge temperaturen (>18°C) en een hoge vochtigheid bevorderen de ziekte. De zandgronden warmen in het voorjaar snel op, wat de infectie van kiemplanten bevordert. Bij warme omstandigheden en zware bodembesmettingen kan het kiemplantje al gedood zijn voordat het bovenkomt. Vroeg zaaien van bieten kan het verlies van kiemplanten verminderen. Pas met zeer vroege zaai (eerste helft maart) van rhizoctoniaresistente rassen wel op. Zij zijn namelijk iets gevoeliger voor schieters dan de rhizomanieresistente rassen.

Tijdens koele en vochtige zomers is de schade pas zichtbaar tijdens het rooien van het gewas. Rotte bieten kunnen toch een goed ontwikkeld bladapparaat hebben, wat de ziekte verbergt (figuur 10.5.4). Telers en loonwerkers dienen alert te zijn dat er geen rotte bieten aan de hoop komen. Rotte bieten hebben een zeer laag suikergehalte, zijn tarrabieten en zorgen voor problemen tijdens de bewaring en verwerking (figuur 10.5.2).

Figuur 10.5.7 Een perceel met zware rhizoctoniaschade; slechts een derde kon worden geleverd.

Verschillende typen

De schimmelsoort Rhizoctonia solani wordt onderverdeeld in verschillende typen of groepen. Het is belangrijk om de verschillende groepen te herkennen en te onderscheiden. Elke groep heeft zijn eigen waardplanten. De verschillende R. solani-groepen zijn te onderscheiden door het al dan niet versmelten van schimmeldraden (= anastomoseren). Dit is zichtbaar onder een microscoop. Het samensmelten van schimmeldraden is een herkenningsreactie van de schimmel. Wanneer schimmeldraden van een onbekend isolaat samensmelten met schimmel­draden van een bekend isolaat, dan is er sprake van dezelfde anastomosegroep (AG). Wanneer schimmeldraden niet samensmelten, zijn het verschillende anastomosegroepen. De ver­schillende AGˈs hebben een nummer. Tot op dit moment zijn er veertien verschillende AGˈs bekend. Binnen anastomosegroepen onderscheiden we subgroepen met behulp van bio­chemische en DNA-technieken.

De veroorzaker van stolonaantasting en lakschurft in aardappelen duiden we aan met AG 3.

Deze rhizoctonia veroorzaakt geen wortelrot in bieten. Verschillende AGˈs infecteren suiker­bieten (tabel 10.5.1), maar de belangrijkste ziekteverwekker is R. solani AG 2-2IIIB. Deze ˈbietenrhizoctoniaˈ veroorzaakt geen schade in aardappelen.

Tabel 10.5.1 Anastomosegroepen van Rhizoctonia solani die voorkomen in suikerbieten en hun waardplanten. Ze zijn verzameld in de periode 1997 tot 2000.

AG en subgroepen land opmerkingen over de ziekte in suikerbieten andere waardplanten
1-IB Japan kiemplantziekte kool, sla, maïs, rijst, bonen, sojabonen
1-IC NL, USA kiemplantziekte, verschijnt zelden in Nederland wortelen, vlas, sojabonen
2-1 NL, USA kiemplantziekte, zeldzaam in Nederland kruisbloemigen, tulpen, sla, aardappelen, kousenband, koolzaad, radijs, tarwe
2-2IIIB NL, S, B, Au, It, Gr, F, USA, Japan, Chili, Hu kiemplantziekte, kop- en wortelrot maïs, gladiolen, raaigras, wortelen, schorseneren, bonen, gras, rijst
2-2IV Japan, USA wortelrot, bladvlekken in Japan gras
3 NL, USA, Japan zeldzaam op kiemplanten, groeit op volwassen planten aardappelen, andere nachtschaden
4 USA, Iran, Chili, Es, Japan kiemplantziekte, zeldzaam en weinig agressief op bladstengels en volwassen bieten kiemplantziekte in bijna ieder gewas onder hoge temperaturen, infecteert in kassen verbouwde irissen, tulpen en sla in NL
5 NL, USA zeldzaam op kiemplanten, weinig agressief op volwassen bieten, groeit op bladstengels kiemplantziekte in Ierland, maar normaal een zwakke ziekteverwekker op een brede waardplantenreeks

10.5.1.2 Rassenkeuze

Het zwaartepunt van de beheersing van rhizoctonia zit in het kiezen voor een rhizoctoniaresistent ras (principe 1 (voorkomen en/of vernietigen) van een geïntegreerde gewasbescherming, 5.2.1). Geadviseerd wordt om voor een rhizoctoniaresistent bietenras te kiezen als er rhizoctonia op het bedrijf voorkomt of wanneer het bouwplan veel maïs, (was)peen, schorseneren, lelies, gladiolen en/of gras bevat. Kies voor opbrengstzekerheid en vermijd het risico op rotte bieten of nog erger: het uitzoeken in het zwad.

In het gebied waar rhizoctonia een probleem is, presteren de huidige rhizoctoniaresistente rassen net zo goed als de niet-resistente rassen. Zelfs als er nauwelijks rotte bieten worden gevonden in een niet-resistent ras. In het segment van de rhizoctoniaresistente rassen kan men nu ook kiezen voor rassen met en zonder extra bietencysteaaltjesresistentie. Komt op het perceel waar de bieten komen een aantoonbare besmetting met bietencysteaaltjes voor, kies dan voor een drievoudig resistent ras. Verwacht men een sterke aantasting door rhizoctonia, kies dan voor de rassen met de hoogste klasseindeling voor rhizoctoniaresistentie. Heeft u geen bietencysteaaltjes en verwacht u geen sterke aantasting, kies dan voor het ras met de hoogste financiële opbrengst.

Onvolledige resistentie

Helaas is de resistentie tegen rhizoctonia niet volledig. Ook in resistente rassen kunnen rotte bieten voorkomen, maar de schade is vele malen minder dan in niet-resistente rassen. Om de schade door rhizoctonia zoveel mogelijk te beperken, zijn er aanvullende maatregelen nodig die de resistentie moeten helpen.

10.5.1.3 Aanvullende maatregelen

Bodemstructuur en gewasrotatie zijn maatregelen conform principe 1 (voorkomen en/of vernietigen) van een geïntegreerde gewasbescherming (zie 5.2.1). Ze spelen een belangrijke rol naast het inzetten van een rhizoctonia-resistent ras. Onder andere maïs, gras, (was)peen, lelies, schor­seneren en gladiolen zijn goede waardplanten van rhizoctonia. Bij teelt van deze gewassen voor de suikerbieten uit, neemt de kans op schade in de bieten toe. Beter zijn granen en aardappelen als voorvrucht. Liefst in combinatie met een nateelt van kruisbloemige groen­bemesters, zoals bladrammenas en gele mosterd (figuur 10.5.8). Bladrammenas vermindert de rhizoctonia­besmetting van de grond en is hierdoor een goede groenbemester om zoveel mogelijk in te zetten in een rotatie met suikerbieten.

Een slechte bodemstructuur, bijvoorbeeld door slechte oogstomstandigheden in het voor­gaande jaar, verhoogt net als vochtige en warme omstandigheden tijdens de groei de mate van aantasting. Beperking van het aantal rotte bieten houdt dus ook in dat bij de oogst van het voorgewas onder zo gunstig mogelijke omstandigheden wordt gewerkt. Oogst van goede waardplanten, zoals lelie en maïs, onder ongunstige weersomstandigheden veroorzaakt vaak ernstig structuurbederf. Daarnaast hoort bij een goede bodemstructuur ook het op peil houden van de pH. Een voldoende hoge pH (>6-6,5) verkleint de kans op aantasting door rhizoctonia. Zorg bovendien voor een optimale bemesting van het suikerbietengewas. Zowel een over­schot als een tekort aan nutriënten maken de bieten gevoeliger voor rhizoctoniawortelrot.

Figuur 10.5.8 Bij een vatbaar ras (rechts) is de opbrengst veel lager (3 ton suiker/ha) als er rhizoctonia aanwezig is dan bij een resistent ras met kruisbloemige groenbemester (links; 11 ton suiker/ha).

10.5.1.4.Onkruidbestrijding en rhizoctonia

Sommige onkruiden zijn waardplanten voor R. solani. Een goede beheersing van onkruiden, zoals aardappelopslag en melganzevoet, in de hele rotatie is dus belangrijk.

Door mechanische onkruidbestrijding en aanaarden van suikerbieten kan besmette grond in de kop van de biet komen. Hierdoor krijgt rhizoctonia meer kans om de biet aan te tasten en versterkt de ziekte. Vermijd daarom, waar mogelijk, deze teeltmaatregelen in suikerbieten op percelen met rhizoctonia.

10.5.1.5 IRS-advies rhizoctonia

  • Zorg voor een optimale pH en bodemstructuur.
  • Na de teelt van maïs, (was)peen, schorseneren, lelies of (langjarig) gras is er een verhoogde kans op rhizoctonia in suikerbieten.
  • Teel bij voorkeur graan of aardappelen in combinatie met bladrammenas of gele mosterd als groenbemester voor de suikerbieten.
  • Kies voor een rhizoctoniaresistent ras als rhizoctonia op uw bedrijf voorkomt, òf u een goede waard als voorvrucht heeft en rhizoctonia in uw regio voorkomt.
  • Onkruiden kunnen een waardplant zijn. Bestrijd daarom alle onkruiden in alle gewassen in rotatie met suikerbieten.
  • Geen mechanische onkruidbestrijding (aanaarden of schoffelen) op percelen waar de besmetting zichtbaar aanwezig is. Dit versterkt de aantasting!

10.5.2 Verticillium

Aantastingsbeeld

Typisch voor de aantasting door verticillium is vergeling tussen de nerven in het blad, vaak halfzijdig, met vervolgens het afsterven van het blad (figuren 10.5.9 en 10.5.10). De aantasting begint meestal bij de buitenste bladeren. De vaatbundels in de bladstelen kunnen een lichtbruine verkleuring vertonen.

De symptomen worden vaak in juli/augustus zichtbaar in het veld (figuur 10.5.11). Ernstige aantasting met hergroei wordt vervolgens in september waargenomen (figuur 10.5.12). Aantasting kan in het veld variëren van licht tot zeer zwaar. Als de bladeren al in een vroeg stadium afsterven, kan dit opbrengst kosten.

Figuur 10.5.9 Typische symptomen van verticillium (ˈgele necroseˈ): vergeling tussen de nerven, vaak aan één zijde en daaropvolgend het afsterven van het blad.

foto 2

Figuur 10.5.10 Typische symptomen van verticillium in een perceel.

foto 3

Figuur 10.5.11 Duidelijk zichtbare aantasting van verticillium (15 augustus 2007).

foto 4

Figuur 10.5.12 Ernstige aantasting van verticillium op hetzelfde perceel als figuur 10.5.11 (11 september 2007).

Veroorzaker

In 2009 is in klimaatkamertoetsen op het IRS vastgesteld dat Verticillium dahliae de veroorzaker is van de ˈgele necroseˈ-symptomen. De besmetting van planten vindt plaats via de bodem. De schimmel ontwikkelt zich in de vaat­bundels, waardoor deze verstopt raken. Dit veroorzaakt verwelking. De verkleu­ring en het afsterven van de bladeren worden mede veroorzaakt, omdat verticillium een gifstof (toxine) produceert. Verticillium blijft tot vijftien jaar levenskrachtig in de grond.

Naast suikerbieten wordt een groot aantal gewassen aangetast, onder andere aardappel, vlinderbloemigen (boon, erwt en lupine), vlas en spruiten en ook onkruiden, zoals zwarte nachtschade, ganzevoetachtigen en brandnetels. Granen en grassen vermeerderen Verticillium dahliae veel minder.

Bevorderende factoren

Bietencysteaaltjes (figuur 10.5.13), maar ook andere aaltjessoorten, zoals wortellesieaaltjes (Pratylenchus spp.) en wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne spp.), kunnen in suikerbieten voor versterking van de verticillium-aantasting zorgen. Dit is ook bij andere gewassen vaak het geval. Het is belangrijk voor alle soorten plantparasitaire aaltjes de dichtheden zo laag mogelijk te houden.

Naast aaltjes kunnen ook een slechte bodemstructuur of zuurstofgebrek het optreden van verticillium sterk bevorderen.

Figuur 10.5.13 Resultaat van een klimaatkamertoets naar het effect van het wit bietencysteaaltje op de mate van aantasting door verticillium. Waardering van bladsymptomen op een schaal van 0 (bladeren gezond) tot 4 (alle bladeren volledig afgestorven). Gemiddelde voor vier verticilliumisolaten en twee rassen. De verschillende letters boven de kolommen geven statistisch betrouwbare verschillen weer (P<0,001; kleinst significante verschil (5%) = 0,49).

Beheersing

Directe maatregelen zijn op dit moment niet beschikbaar voor de suikerbieten­teelt. Er zijn geen fungiciden beschikbaar tegen verticillium. Vooralsnog is de beheersing van verticillium gericht op het zoveel mogelijk beperken van de schade (onderdeel van principe 1 (voorkomen en/of vernietigen) van een geïntegreerde gewasbescherming, zie 5.2.1). Zorg voor:

  • optimale groeiomstandigheden met betrekking tot ontwatering, storende lagen en bodemstructuur;
  • een bouwplan met voldoende granen en grassen;
  • beheersing (op een zo laag mogelijk niveau houden) van plantparasitaire aaltjes.

Meer informatie

10.5.3 Violetwortelrot

De bodemschimmel Helicobasidium purpureum veroorzaakt violetwortelrot. Na aantasting ontstaan rotte bieten, waarbij het aangetaste weefsel een paarse gloed heeft.

De aantasting ontstaat vaak pleksgewijs en treedt laat in het seizoen op. Het komt vooral voor op kalkrijke percelen, met name op de klei, vooral op plaatsen met een verdichte bodem of een slechte structuur van de bouwvoor waar het snel (te) nat is. Op de wortel ontstaan paarse, oppervlakkige plekken, die met een viltachtige laag zijn omgeven. In het veld valt dit niet snel op (figuur 10.5.14). Aan de hoop is het veel duidelijker te zien (figuur 10.5.15). Meer beelden/symptomen van wortelrot door rhizoctonia zijn te zien in de interactieve video 'wortelrot in beeld' - rhizoctonia op www.irs.nl/interactievevideos.

Er zijn geen directe maatregelen te nemen tegen violetwortelrot. Ook rassen die resistent zijn tegen rhizoctonia kunnen er last van hebben. Wel kunt u violetwortelrot voorkomen, door de structuur van het bietenperceel te verbeteren. Verder kent deze bodemschimmel een aantal waardplanten, waaronder distels, peen, luzerne, klaver en aardappelen en overleeft het lang in de bodem. Het verbeteren van de bodemstructuur in alle gewassen en een goede bestrijding van distels helpen om de schade te beperken. De schimmel kan circa vier jaar zonder waardplant overleven in de bodem.

Figuur 10.5.14 Violetwortelrot is in het veld moeilijk te zien. Typisch is het paarse schimmelpluis op het grensvlak tussen grond en lucht.

Figuur 10.5.15 Rotte biet door violetwortelrot. Vaak wordt de aantasting pas opgemerkt als de bieten zijn gerooid.

10.5.4 Aphanomyces1

De bodemschimmel Aphanomyces cochlioides veroorzaakt kiemplantwegval, wortelschurft en wortelrot in suikerbieten. De plantwegval kan tot het 12-bladstadium door gaan in de vorm van de zogenaamde afdraaiers (figuur 10.5.16). Door de sterke insnoering van het hypocotyl, waardoor een erg dunne verbinding tussen bietenkop en bietenlichaam ontstaat, breken de bieten makkelijk af (figuur 10.5.17). Latere aantastingen kenmerken zich door een oppervlakkige schurft op de wortel van de biet tot vervormingen en rot van de wortel. Meer beelden/symptomen van wortelrot door aphanomyces zijn te zien in de interactieve video ˈwortelrot in beeld – aphanomycesˈ op www.irs.nl/interactievevideos.

10.5.4.1 Levenscyclus

De waterminnende bodemschimmel Aphanomyces cochlioides behoort tot de klasse van de oömyceten. De oösporen van A. cochlioides kunnen lang in de bodem en in gewasresten overleven. Bij hoge bodemvochtigheid en hoge bodemtemperaturen (10-30oC) kiemen de oösporen en infecteren direct de plant of vormen een sporangium van waaruit zwemsporen (zoösporen) naar de plant zwemmen. Alle stadia van de suikerbiet kunnen worden aangetast, maar de kiemplanten zijn vatbaarder dan oudere planten. Ook een lage pH, nauwe gewasrotatie en een slechte bodemstructuur bevorderen de ziekte.

Het aantastingsbeeld op de wortel van de oudere plant is vrij divers. De aantasting kan oppervlakkig schurftig zijn, maar er worden ook vervormingen waargenomen vanwege het verschil in groeisnelheid tussen oppervlakkig aangetast en gezond weefsel. De oppervlakkige aantasting kan overgaan in sponsachtige bruin-zwarte verrotting van het weefsel (figuur 10.5.18). Het wortelrot trekt de wortel van buiten naar binnen in. Soms kan ook de wortel van de oudere plant sterk zijn ingesnoerd.

Figuur 10.5.16 Een afdraaier veroorzaakt door Aphanomyces cochlioides, een sterke insnoering onder het hypocotyl zorgt voor het wegvallen van de plant.

10.5.4.2 Waardplanten en vermeerdering

Aphanomyces cochlioides komt heel algemeen voor met name op zand-, dal- en zavelgronden. Suikerbiet, voederbiet, rode biet, spinazie, chenopodium- en amaranthussoorten zijn de belangrijkste waardplanten voor A. cochlioides. De vermeerdering vindt plaats door middel van oösporen en zoösporen. De oösporen kunnen lange tijd in de bodem en in aangetaste plantenresten overleven.

Figuur 10.5.17 Aantasting van suikerbiet door aphanomyces, een sterke insnoering onder het hypocotyl en rot van de wortel.

Figuur 10.5.18 Wortelrot, vervormingen en schurftige plekken in suikerbieten veroorzaakt door aphanomyces.

10.5.4.3 Schade en beheersing

Schade door kiemplantwegval in suikerbieten kan zeer hevig zijn, afhankelijk van omstandigheden en besmettingsgraad van de bodem. Echter, in de meeste gevallen voldoet de zaadontsmetting met fungiciden (met name hymexazool) om schade van betekenis te voorkomen. Een slechte waterhuishouding en bodemstructuur en een lage pH bevorderen de aantasting. Ook de aantasting van de oudere plant worden hierdoor bevorderd. De schade kan variëren tussen de 0 en 100% afhankelijk van de weersomstandigheden en de besmettingsgraad. Hierbij speelt ook dat een partij bieten met meer dan 10% bieten met rot niet wordt afgenomen door de suikerfabriek. Aangetaste bieten hebben een lager wortelgewicht en een lager suikergehalte (figuur 10.5.19). Het rot veroorzaakt door aphanomyces gaat verder in de bewaring van de suikerbieten na de oogst en zorgt voor hogere ademhalingsverliezen en hogere invertsuikerwaarden.

Aphanomyces kan het beste worden beheerst door een combinatie van factoren te optimaliseren. Dit komt neer op: vroeg zaaien, hymexazool behandeld zaad (is standaard voor suikerbieten), goede afwatering, beheersing van chenopodium onkruiden (zoals melganzevoet), ruime gewasrotatie met niet-waardplanten en zorgen voor een voldoende hoge pH door middel van bekalken.

Figuur 10.5.19 Effect van het aandeel door aphanomyces aangetaste bieten in het monster op suikergehalte (blauwe lijn) en invertsuiker (rode lijn) gemeten bij een partij bieten direct na de oogst in oktober 2016. Het suikergehalte daalde van 17,7% naar 16,3% bij 100% aangetaste (misvormde en rotte) bieten.

1 De oorspronkelijke tekst en adviezen in paragraaf 10.5.4 over aphanomyces zijn ook aangeleverd bij PPO-AGV voor opname in het bodemschimmelschema.

10.6 Overige schimmels

Versie: maart 2020

CONTACTPERSOON: BRAM HANSE

10.6.1 Valse meeldauw

Valse meeldauw wordt veroorzaakt door Peronospora farinosa en kan na de gewassluiting optreden. Doorgaans betreft het één of enkele planten op een perceel, soms worden grote plekken of perceelsgedeelten aangetast. Bij aantasting door valse meeldauw kleuren de buitenste bladeren geel en hun bladsteel wordt heel bros, waardoor deze makkelijk afbreken (figuur 10.6.1). De hartbladeren krullen naar beneden om, zijn gekroesd, dikker en grijsgroen verkleurd (figuur 10.6.2). Later worden ze zwart en sterven af. Het aantastingsbeeld lijkt sterk op de symptomen van boriumgebrek. Bij boriumgebrek zijn geen schimmelpluis en sporen te zien, maar wel de typische verkurking (zebrapatroon) in de nerven, die bij aantasting door valse meeldauw niet te zien zijn (figuur 10.6.2 en 10.6.3).

Figuur 10.6.1 Bij aantasting door valse meeldauw kleuren de buitenste bladeren geel en hun bladsteel wordt heel bros, waardoor deze makkelijk afbreken.

Figuur 10.6.2 De hartbladeren krullen naar beneden en een vuilgrijze donslaag van schimmelpluis en sporen van valse meeldauw zijn zichtbaar. Vaak het duidelijkst aan de onderzijde van de hartbladeren.

Figuur 10.6.3 De symptomen van boriumgebrek. Ze lijken sterk op die van valse meeldauw. Echter, bij boriumgebrek is geen schimmelpluis met sporen te zien en hebben de nerven van de bladsteel vaak de typische verkurking in zebrapatroon.

Vooral op de onderkant van de hartbladeren is een dikke grijze donslaag van sporen te zien. De schimmel gedijt goed bij hoge luchtvochtigheid (tot 90%) en lage temperaturen (tot 15°C). De sporen van de schimmel kiemen op dauwnatte bladeren. Hij kan bieten-, spinazie- en chenopodiumsoorten aantasten. Wanneer de weersomstandigheden ongunstig voor de schimmel worden, stopt de aantasting en de verspreiding over het perceel. Het grijze schimmelpluis verdwijnt dan. Wanneer de kop van de biet nog voldoende gezond is kunnen weer nieuwe, gezonde hartbladeren gevormd worden. Bij zware aantasting sterft de kop af en kan eventueel gaan rotten doordat er regenwater in de kop blijft staan. Het schimmelpluis kan later in het seizoen weer terugkomen als de omstandigheden weer gunstig worden voor de schimmel.

Valse meeldauw is niet te bestrijden omdat er geen effectieve middelen zijn toegelaten. Wanneer de aantasting zich beperkt tot enkele planten op het perceel is de schade niet noemenswaardig.

De schimmel overleeft op gewasresten in de grond en overwinterende waardplanten. De aantasting in suikerbieten is het grootst na een milde winter met weinig of geen vorst.

10.6.2 Phoma1

Pleospora betae (vroeger Phoma betae) veroorzaakt kiemplantwegval, bladvlekken en wortelrot in suikerbieten. Bij kiemplantwegval verwelken de kiemplanten en vallen om door aantasting van het worteltje en/of het hypocotyl, die bruin tot zwart verkleurd zijn. De bladvlekken zijn bruin en tot 2 cm groot (pauwenogen) die zich duidelijk aftekenen tegen het gezonde weefsel (figuur 10.6.4). Het rot van de kop- en wortels heeft (kleine) zwarte vruchtlichamen op het donkere (aangetaste) weefsel. Aangetast weefsel wordt donker bruin-zwart met scheurtjes (figuur 10.6.5). Tot vlak voor de oogst is de aantasting alleen in de buitenste laag van de biet te vinden. Daarna groeit de schimmel dieper de biet in. Het weefsel buiten het rotte gedeelte blijft meestal gezond en helderwit van kleur (figuur 10.6.6).

10.6.2.1 Levenscyclus

Op de bladeren ontstaan bruine vlekken met onregelmatige ringen (pauwenogen), waarin zich vrij grote vruchtlichamen (zwarte stippen, willekeurig gerangschikt) vormen. Deze vruchtlichamen komen voor in het aangetast plantenweefsel, echter de belangrijkste bron voor overleving zijn aangetaste blad- en wortelresten. Vanuit aangetast blad en gewasresten in de grond kunnen kop en wortel aangetast worden. Wanneer aangetaste plantendelen met vruchtlichamen op het perceel achter blijven vormen deze een nieuwe infectiebron. Op de gewasresten kan de schimmel tot ruim 2 jaar overleven.

10.6.2.2 Waardplant en vermeerdering

Suikerbiet, rode biet en de onkruiden melganzevoet en amaranthussoorten (bijvoorbeeld papegaaienkruid) zijn de belangrijkste waardplanten voor Phoma betae. De vermeerdering vindt plaats door middel van sporen in de vruchtlichamen.

Figuur 10.6.4 Bladvlek op suikerbietenblad veroorzaakt door Phoma betae met de kenmerkende donkerbruine ringen (pauwenogen) en grote zwarte vruchtlichamen.

Figuur 10.6.5 Kop- en wortelrot in suikerbieten veroorzaakt door Phoma beta.

Figuur 10.6.6 Kenmerkend is de scherpe overgang tussen aangetast (rot) weefsel door Phoma betae en het gezonde helderwitte weefsel van de suikerbiet.

10.6.2.3 Schade

Schade door kiemplantwegval komt zelden voor. In de meeste gevallen voldoet de zaadontsmetting met fungiciden om schade van betekenis te voorkomen. Ook de schade door bladvlekken veroorzaakt door phoma is gering. De bladvlekken ontstaan onder vochtige condities, maar de aantasting neemt zelden epidemische vormen aan. Wel dienen de bladvlekken als infectiebron voor het latere kop- en wortelrot. Ook deze aantasting ontstaat onder vochtige omstandigheden. Een slechte waterhuishouding en bodemstructuur en een hoge pH bevorderen de aantasting, maar kan ook in redelijk goed ontwaterde gronden optreden. De grootste schade door phoma wordt veroorzaakt door het rot aan kop en wortel. Dit gaat verder in de bewaring van de suikerbieten in de hoop. Wanneer een partij bieten meer dan 10% bieten met rot bevat wordt deze niet afgenomen door de suikerfabriek.

1 De in paragraaf 10.6.2 weergegeven tekst en adviezen over phoma zijn ook aangeleverd bij PPO-AGV voor opname in het bodemschimmelschema.

10.7 Virussen

Versie: maart 2021

10.7.1 Rhizomanie

10.7.1.1 Bietenrhizomanievirus

Rhizomanie is de aanduiding voor de symptomen van een virusziekte. De symptomen zijn: geelverkleurd blad met een stijle verlengde bladsteel, de zogenoemde ˈblinkerˈ en insnoering van de wortel met de vorming van een wortelbaard. Deze symptomen worden veroorzaakt door het bietenrhizomanievirus (Beet Necrotic Yellow Vein Virus (BNYVV)). Het wordt overgebracht door de bodemschimmel Polymyxa betae. Binnen het rhizomanievirus zijn drie typen bekend: A, B en P. De typen A en B worden gekarakteriseerd door vier strengen RNA (erfelijk materiaal van virussen) en virustype P met vijf strengen RNA. Dit P-type is genoemd naar het gebied Pithiviers in Frankrijk, waar het voor het eerst is waargenomen. In Nederland komen het A- en B-type voor (figuur 10.7.1). Het P-type is tot nu toe niet in Nederland aangetroffen.

De schimmel P. betae is sinds 1964 bekend en komt op alle grondsoorten voor. Zonder aanwezigheid van het virus veroorzaakt deze bodemschimmel weinig aantoonbare schade in de bieten. Bij hoge dichtheden is wel een vertraging in de ontwikkeling van jonge planten, wortelverbruining en wortelbaardvorming waargenomen.

Kaart Rhizomanie 2010-per type A+B

Figuur 10.7.1 De verspreiding van het rhizomanievirus in Nederland. De blauwe punaises geven het A-type en de rode cirkels het B-type weer. De gegevens zijn afkomstig uit grond- en bietenmonsters van proefvelden en praktijkpercelen in de periode 2002-2009.

10.7.1.2 Levenscyclus

Het rhizomanievirus is afhankelijk van zijn vector, de bodemschimmel P. betae. Zonder aanwezigheid hiervan kan het virus de plant niet infecteren. De zwemsporen (zoösporen) van de schimmel dringen de haarwortels binnen en brengen het rhizomanievirus over (figuur 10.7.2). Het virus vermeerdert zich daar en verspreidt zich naar andere wortels die daardoor afsterven. Dit gebeurt voornamelijk in bieten en spi­nazie. Het vermoeden bestaat dat het virus zich ook in een aantal onkruidsoorten kan vermeer­deren.

De schimmel dringt in de vorm van zoösporen de haarwortels binnen en vormen daar schim­melbolletjes, die samenvloeien tot een plasmodium. Na enkele keren deze cyclus te hebben volbracht, worden de rustsporen gevormd. Deze kunnen als zodanig meer dan vijftien jaar vitaal in de grond aanwezig blijven. P. betae kon worden aangetoond in wortels van planten uit de ganzenvoetachtigen en posteleinachtigen. Alleen binnen de ganzevoetachtigen (waaronder biet en spinazie) komen goede waardgewassen voor. Binnen de andere plantengeslachten die als akkeronkruiden kunnen voorkomen, vermeerdert P. betae zich in geringe mate. Virusvrije isolaten van P. betae nemen het virus op als zij zich vermeerderen in planten die met het virus geïnfecteerd zijn.

Figuur 10.7.2 Levenscyclus van het rhizomanievirus. Het virus is voor de verspreiding en vermeerdering afhankelijk van zijn vector, de bodemschimmel Polymyxa betae (naar Pferdmenges, 2007).

10.7.1.3 Symptomen

Door het rhizomanievirus blijven de bieten achter in groei. Als een biet voorzichtig uit de grond wordt gehaald, vertoont de wortel insnoeringen en soms vertakkingen. Door de ver­meerdering en verspreiding van het virus door de haarwortels, sterven ze af (figuur 10.7.3). Hierdoor vormen zich steeds weer nieuwe wortels. Uiteindelijk ontstaat de kenmerkende baardvorming aan de biet (rhizo = wortel, manie = dolheid). Het virus verplaatst zich ook naar het onderste gedeelte van de penwortel. Hierdoor raken de vaat­bundels verstopt. Dit is soms duidelijk te zien aan de bruinverkleuring van de vaatbundels bij het doorsnijden (figuur 10.7.4). De aantasting door het rhizomanievirus kan ook bovengrondse symptomen veroor­zaken. Hierbij verkleurt het blad geel en staat steil rechtop, de zogenoemde ˈblinkerˈ (figuur 10.7.5). Er kunnen ook allerlei gebreksverschijnselen ontstaan, omdat voedingselementen onvoldoende door de verstopte vaten kunnen worden getransporteerd. Meer fotoˈs en informatie zijn te vinden in de applicatie ˈZiekten en Plagenˈ.

ziekten&plagen_rhizomanie-blinker-11

Figuur 10.7.3 Zware baardvorming met veel afgestorven haarwortels.

Afbeelding 009

Figuur 10.7.4 Vanuit de wortelpunt kan bruinverkleuring van de vaatbundels ontstaan.

Figuur 10.7.5 Een blinker in een bietenperceel. Kenmerkend is het egaal licht gekleurde blad dat steil rechtop staat. De wortel vertoont meestal insnoeringen en baardvorming.

Alle in Nederland verkochte suikerbietenrassen zijn sinds 2007 partieel resistent tegen rhizomanie. Deze resistentie berust op het gebruik van één resistentiegen (Rz1). Ook bij toepassing van deze rassen kunnen later in het seizoen een beperkt aantal planten met een bleek geel verkleurd loof voorkomen. Dit zijn de zogenaamde ˈblinkersˈ, waarvan er niet meer dan circa 2-5% in een perceel aanwezig mogen zijn. Echter, wanneer grote aantallen blinkers in plekken bij elkaar staan, kan dit duiden op problemen met rhizomanie (figuur 10.7.6). Dit kan ook in partieel resistente rassen voorkomen bij een hoge virusdruk of een agressieve variant van het rhizomanievirus.

Eind 2010 is vastgesteld dat op percelen met extreem veel blinkers of plekken en stro­ken met blinkers, die sinds 2004 gemeld werden bij de afdeling diagnostiek, een resisten­tiedoorbre­kende variant (bijvoorbeeld AYPR of TYPR) van het A-type voorkomt. Deze varianten doorbreken de resistentie van het resistentiegen (Rz1-gen). Om dergelijke varianten te beheersen is aanvullende resistentie nodig. Een ras met aanvullende resistentie tegen rhizomanie bevat twee resistentiegenen (Rz1 en Rz2). Deze rassen zijn sinds de zaadbestelling van december 2011 beschikbaar. Dit wordt expliciet bij deze rassen vermeld. In figuur 10.7.7 staan de locaties waar resistentiedoorbrekende varianten zijn aangetroffen weergegeven.

Figuur 10.7.6 Bleekgele verkleuring van het blad in plekken op het perceel, de eerste aanwijzing van een mogelijke aantasting door rhizomanie. De wortels van deze bieten vertonen vaak insnoeringen en wortelbaarden.

Figuur 10.7.7 Locaties waar resistentiedoorbrekende varianten van het rhizomanievirus (A-type; AYPR, TYPR en VYPR) in suikerbiet- of bodemmonsters zijn aangetroffen (2004-2019).

10.7.1.4 Schade

De directe schade door rhizomanie kan bestaan uit:

  • een laag suikergehalte. Bij zware aantasting kan het suikergehalte zakken tot 10%;
  • een gewichtsverlies van de wortel dat kan oplopen tot 70% van de normaal haalbare opbrengst;
  • een afname van de winbaarheid door een toename van het natriumgehalte en een daling van het suikergehalte bij een gelijk of lager gehalte aan aminoN;
  • een stijging van het tarrapercentage door de onregelmatige vorm van de wortel en de zware wortelbaarden;
  • problemen bij verwerking in de fabriek, omdat bij zeer zware aantasting wortelrot kan optreden.

Leveringsgegevens

Uit de analysegegevens van de individuele vrachten geleverde bieten kan men afleiden of er sprake is van rhizomanie. Dit geldt alleen als er sprake is geweest van grote plekken in het perceel. Kleine haardjes zullen op deze manier niet worden opgemerkt. Als het natrium­gehalte hoger is dan normaal en het suikergehalte lager bij een gelijk of laag aminoN, kan dit duiden op rhizomanie. Wanneer dit op de fabriek in het tarreerlokaal wordt geconstateerd, is er echter al een flink opbrengstverlies geleden.

10.7.1.5 Verspreiding

Het rhizomanievirus kan via vocht en grond worden verspreid, waarbij vocht voor het infectieproces van de bodemschimmel P. betae een vereiste is. Rhizomanie verspreidt zich meestal op verschillende manieren, zoals weergegeven in figuur 10.7.8.

rhizomanie-1

Figuur 10.7.8 Verspreiding van rhizomanie via water. Rood geeft rhizomanie aan.

Zaad- en plantmateriaal

De kans op verspreiding van rhizomanie via het bietenzaad is klein door de diverse (scho­nings)behandelingen die het ondergaat. Plantmateriaal, zoals pootaardappelen, plantuien en bollen, kunnen echter wel gemakkelijk besmettingen verslepen. Daarbij is het risico van verspreiding afhankelijk van de hoeveelheid aanhangende grond die wordt verplaatst en de verdeling in het veld. Onderzoek heeft aangetoond dat de gemiddelde hoeveelheid aan­han­gende grond bij pootaardappelen voldoende rhizomanievirus bevat om na twee bietenteelten virusvermeerdering het virus terug te vinden in de grond van het perceel.

Grond

Omdat de ruststructuren van de schimmel P. betae samen met het rhizomanievirus zeer lang in de grond levenskrachtig blijven, is het verplaatsen van grond een zeer belangrijke versprei­dingswijze voor deze ziekte. Hierbij moet men denken aan de tarragrond van de verwerkende industrie, zoals frietfabrieken, peen- en witlofwasserijen, die wordt gebruikt om bijvoorbeeld sloten te dempen of laag gelegen perceelgedeelten op te vullen. Ook grond aan machines kan de ziekte van perceel naar perceel verspreiden. Bij het rooien van bieten en aardappelen kan vrij veel grond via de machines worden versleept van het ene bedrijf naar het andere. Dit is ook een potentiële bron voor verspreiding. De kans op het over een geheel perceel aanbrengen van infectieus materiaal, zoals bij besmet plantgoed, is echter veel geringer.

Betacal is geen bron van besmetting, omdat bij de productie zulke hoge temperaturen wor­den bereikt dat geen overleving meer mogelijk is.

Water en slootslib

Vooral de rustorganen (cystosoren) van de schimmel kunnen lange tijd samen met het rhizo­manievirus onder water levenskrachtig blijven. Vanuit een besmet perceel komen ze via de drainagebuizen in de sloten terecht en zinken naar de bodem. Uit een besmette watergang kan de ziekte zich verspreiden naar een nog onbesmet perceel, door infiltratie, beregening, gewas­bespuitingen en uitbaggeren (figuur 10.7.8). In samenwerking met verschillende waterschappen is in het verleden onderzoek verricht, waaruit bleek dat vooral het schonen van watergangen en vervolgens uitspreiden van bagger over het perceel verspreiding van rhizomanie sterk bevor­dert. Maatregelen om dit te voorkomen, zoals het afvoeren van besmette bagger of het bere­genen met uitsluitend grondwater, zijn erg kostbaar en bieden nog geen garantie op verbetering. Beregening met oppervlaktewater kan de ziekte verspreiden over het volledige perceel wanneer het rhizomanievirus zich in het water bevindt.

Overtollig bietenmateriaal en mest

Blad en koppen worden na de oogst op het perceel achtergelaten en ingewerkt. Daardoor is de kans op verspreiding naar andere percelen langs deze weg gering geworden. Grond en bietenresten van de bietenbewaarhoop kunnen wel zorgen voor besmetting wanneer ze naar het perceel worden teruggebracht. Breng dit soort resten altijd terug op het perceel waar het vandaan komt. Of blad-, biet- en kopresten die worden vergist, ook een risico van versprei­ding vormen via het digestaat is nog onbekend.

Wel is aangetoond dat besmettingen het maag- en darmkanaal van herkauwers kunnen over­leven. De kans dat via deze weg de ziekte wordt verspreid, is echter vrij gering vergeleken met de andere mogelijke verspreidingswegen.

10.7.1.6 Beheersing van rhizomanie

Rhizomanie is in de meeste gevallen goed te beheersen door de inzet van partieel resistente rassen. Daarnaast kan men een vroege aantasting beperken door te streven naar een goede bodemstructuur. Een slechte structuur van de bodem heeft vaak tot gevolg dat er lang water op het land staat. Hierdoor kan een vroege en zware aantasting ontstaan. Een goede grond­be­werking en drainage, waardoor water snel wordt afgevoerd, verminderen de kans op een vroege aantasting. Een goede afwatering en een losse structuur maken dat de bodem in het voorjaar snel droogt. Hierdoor komen sporen van de schimmel Polymyxa betae, de over­brenger van het virus, minder gemakkelijk en daardoor later in het seizoen in wortels terecht. Ook bij rhizoma­nie betekent een late aantasting beperking van de schade. Door zo vroeg mogelijk te zaaien, is er dus een voorsprong te behalen.

Het is niet mogelijk om de vector P. betae te bestrijden met fungiciden of grondontsmetting.

10.7.1.7 IRS-advies rhizomanie

  • Teel een partieel resistent ras.
  • Teel op percelen met een resistentie doorbrekende variant altijd een ras met aanvullende resistentie tegen rhizomanie.
  • Zorg voor een goede structuur van de bodem en afwatering van het perceel, om een vroege aantasting zoveel mogelijk te beperken.
  • Probeer zo vroeg mogelijk te zaaien. Dit geeft een voorsprong van het bietenplantje op het virus.

10.7.2 Vergelingsziekte

Er zijn drie soorten vergelingsziekte. Dit zijn Beet Yellows Virus (BYV) (sterk vergelingsvirus), Beet Mild Yellowing Virus (BMYV) (zwak vergelingsvirus) en Beet Chlorosis Virus (BChV) (bietenchlorosevirus) (figuur 10.7.9 t/m 10.7.11). Omdat alle virussen die vergelingsziekte veroorzaken worden overgebracht door bladluizen is meer informatie over bladluizen te vinden in paragraaf ˈBladluizenˈ (10.3.3.4). De eerste infecties van suikerbieten vinden meestal plaats vanaf begin mei. De vergelingsvirussen zorgen allen voor geelverkleuring van de bladeren, waarbij de bladeren dik en leerachtig aanvoelen. Later kan verbruining optreden, omdat secundaire schimmels (Alternaria) deze aangetaste bladeren binnendringen. De symptomen verschijnen in kenmerkende ronde haardjes (figuur 10.7.12). In figuur 10.7.13 is een kaart van Nederland te zien waar de verschillende virussen zijn aangetroffen.

Figuur 10.7.9 Vergelingsziekte veroorzaakt door BYV.

Figuur 10.7.10 Vergelingsziekte veroorzaakt door BMYV.

Figuur 10.7.11 Vergelingsziekte veroorzaakt door BChV.

Figuur 10.7.12 Kleine, typisch ronde plekken vergelingsziekte.

Afbeelding met kaart Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 10.7.13 Percelen besmet met BMYV (rood), BChV (geel) en BYV (blauw) op basis van de ingezonden diagnostiekmonsters in 2020.

Schade

Vanaf het moment van infectie duurt het ongeveer vier tot negen weken voordat de symptomen verschijnen. De symptomen van vergelingsziekte verschijnen als eerste op de geïnfecteerde bladeren. Van daaruit wordt het virus naar het hart van de blad getransporteerd, waardoor ook nieuw gevormde bladeren geel verkleuren. Bladeren die ouder zijn dan het geïnfecteerde blad, blijven groen en op die manier is terug te rekenen wanneer de infectie heeft plaatsgevonden. De schade veroorzaakt door BYV, BMYV en BChV kan oplopen tot respectievelijk 50, 35 en 30%. De uiteindelijke schade is afhankelijk van het tijdstip van eerste infectie. Bij proeven hebben we gezien dat vroege infecties leiden tot meer schade dan late infecties (figuur 10.7.14). Dit komt vooral omdat bij vroege infecties de biet al snel gele bladeren krijgt, waardoor de fotosynthesecapaciteit al snel laag is waardoor de wortelgroei en de opbouw van het suikergehalte stagneert. De aantasting veroorzaakt door vergelingsvirussen verschilt van jaar tot jaar (figuur 10.7.15), waarbij de temperatuur in de winter een grote rol speelt in de mate van aantasting. Veel groene perzikluizen gaan dood als de temperatuur in de winter meerdere dagen onder de -7°C is. Bovendien bevriezen dan ook bietenkoppen en onkruiden, die een bron van virus kunnen zijn. Dit zorgt voor een lagere druk van bladluizen en virus in het voorjaar. Ingrijpen zodra de schadedrempel van de groene bladluizen wordt overschreden, beperkt de mate van aantasting op een perceel. Zie hiervoor paragraaf ˈBladluizenˈ (10.3.3.4).

Figuur 10.7.14 De invloed van verschillende infectietijdstippen met BYV en BMYV op het suikergewicht (1982). Hoewel geen recent onderzoek, illustreert deze figuur heel goed dat latere infecties leiden tot minder schade (bron: Heijbroek 1984).

Figuur 10.7.15 De mate van vergelingsziekte in Nederland en Zeeuws-Vlaanderen van 1948 t/m 1990.

Virusoverdracht

In tabel 10.7.1 is informatie te vinden over de overdrachtsefficiëntie van virussen door de groene perzikluis en de zwarte bonenluis. De groene perzikluis is de belangrijkste overbrenger van deze virussen. De zwarte bonenluis kan alleen BYV overbrengen, maar doordat deze bladluis zich vestigt op een bietenplant en niet hopt van biet naar biet en de overdrachtsefficiëntie door deze bladluis bovendien lager is dan van de groene perzikluis, zorgt deze luizensoort voor maar weinig verspreiding van dit virus. Daarnaast spelen de sjalottenluis, de aardappeltopluis en de kuilluis nog een kleine rol. BYV wordt semi-persistent overgedragen door bladluizen, terwijl BMYV en BChV persistent worden overgedragen. Persistent betekent dat het virus het hele leven lang in de bladluis aanwezig is en de bladluis zijn hele leven voor infecties kan zorgen. Semi-persistent betekent dat de bladluis het virus een gedeelte van zijn leven kan overbrengen. Een nakomeling van een virus besmette bladluis draagt het virus niet bij zich. Deze dient het eerst op te nemen van een zieke plant.

Tabel 10.7.1 Overdrachtsefficiëntie van de drie vergelingsvirussen (BYV, BMYV en BChV) door de groene perzikluis en de zwarte bonenluis.

virus overdrachtsefficientie (%)
groene perzikluis zwarte bonenluis
BMYV & BChV 28-100 0-1
BYV 51-73 28-40

Bron: Limburg et al. (1997) ; Schliephake et al. (2000); Kozlowska-Makulska et al. (2009).

Vermijd virusbronnen

Virusbronnen zijn onder andere spinazie, ganzenvoetachtigen, vogelmuur, kruiskruid, kuilen met voederbieten en ook bietenopslag. Zie tabel 10.7.2 voor een volledig overzicht. Om bladluizen in het volgend voorjaar zo min mogelijk kans te geven virus te verspreiden, is het belangrijk onkruiden zowel tijdens als na teelten goed te beheersen, oogstverliezen te beperken en niet-geleverde bieten op tijd op te ruimen (zie paragraaf 5.2.1). Om verspreiding van vergelingsziekte tegen te gaan, heeft de NVWA een teeltvoorschrift op haar website staan, waarin staat dat suiker- en voederbieten met bladvorming niet voorhanden of in voorraad mogen zijn en dus vernietigd moeten worden in een bepaalde periode. Dit is ook aan te bevelen voor rode bieten. Meer informatie hierover is te vinden op de website van de NVWA. Daarnaast is het advies om opslag vanuit overgebleven bietenkoppen in bijvoorbeeld granen te bestrijden om overdracht van virussen naar nieuw ingezaaide bietenpercelen te voorkomen.

Meer informatie

Meer informatie over vergelingsziekte is te vinden in:

Tabel 10.7.2 Waardplantstatussen van diverse plantensoorten voor de drie vergelingsvirussen (BYV, BMYV en BChV) en de belangrijkste overdrager van deze virussen, de groene perzikluis (Myzus persicae).

vergelingsvirus groene perzikluis
Latijnse naam Nederlandse naam BYV BMYV BChV
Crambe abyssinica Afrikaanse bolletjeskool ? ja nee ?
Misopates orontium akkerleeuwenbek ? ? nee
Myosotis arvensis akkervergeet-mij-nietje nee nee ? ?
Viola arvensis akkerviooltje nee ja ? ?
Convolvulus arvensis akkerwinde ? ? ? ja
Artemisia vulgaris bijvoet nee nee nee nee
Raphanus sativus subsp. Oleiferus bladrammenas nee nee ja (?) ja
Lupinus angustifolius blauwe lupine nee nee
Fagopyrum esculentum boekweit ? ? nee ja
Agrostemma githago bolderik nee nee
Montia perfoliata bronkruid soort ja ja nee ?
Anethum graveolens dille nee ja
Matricaria chamomilla echte kamille nee ja nee ja
Chrysanthemum segetum gele ganzenbloem nee ja ? ?
Sinapis alba gele mosterd nee ja nee ?
Fumaria officinalis gewone duivenkervel ? ja ? ?
Sonchus oleraceus gewone melkdistel nee ja ? ja
Spergula arvensis gewone spurrie ja ja ja ?
Gypsophila muralis gipskruid nee nee
Veronica persica grote ereprijs nee ? ? ?
Papaver rhoeas grote klaproos nee ja nee ja
Plantago major grote weegbree ja ja ? ?
Anagallis arvensis guichelheil nee ja ? ?
Capsella bursa-pastoris herderstasje nee ja nee ja
Sinapis arvensis herik ja ja ? ?
Lamium amplexicaule hoenderbeet ? ja ? ?
Aethusa cynapium hondspeterselie ? ? ? ?
Matricaria perforata reukloze kamille nee nee ? ?
Senecio vulgaris klein kruiskruid nee ja nee ?
Crepis capillaris klein streepzaad nee ja ? ?
Malva parviflora kleinbloemig kaasjeskruid nee ? ? ja
Urtica urens kleine brandnetel nee nee ? ?
Veronica hederifolia klimopereprijs nee ja ? ja
Raphanus raphanistrum knopherik nee nee ? ?
Brassica napus koolzaad ? nee nee ja
Centaurea cyanus korenbloem ? nee ? ja
Physalis wrightii lampionplant ? ? nee ja
Leucanthemum vulgare margriet nee ja
Chenopodium album melganzenvoet ja nee ? ?
Silene alba avondskoekoeksbloem nee nee ? ?
Tetragonia expansa Nieuw-Zeelandse spinazie ja ja ja ?
Taraxacum spp paardenbloem nee ? ? ?
Lamium purpureum paarse dovenetel ja ja ? ?
Amaranthus retroflexus papegaaienkruid ? ja ? ja
Capsicum annuum rode peper/Spaanse paprika ? nee nee ?
Zinnia peruviana Peruaanse zinnia ? ja ? ?
Persicaria maculosa perzikkruid ? ? ? ?
Trifolium resupinatum Perzische klaver nee ja
Phacelia tanacetifolia facelia ? ja ? ja
Portulaca oleracea postelein ja nee nee ?
Rumex obtusifolius ridderzuring ? ? ? ?
Rumex acetosella schapenzuring nee nee ? ?
Lactuca sativa sla nee nee nee ja
Plantago lanceolata smalle weegbree nee ja ? ?
Spinacia oleracea spinazie ja ja ja ja
Chenopodium vulvaria stinkende ganzevoet nee ja ? ?
Poa annua straatgras nee nee ? ?
Beta vulgaris suikerbiet ja ja ja ja
Mercurialis annua tuinbingelkruid nee ja ? ?
Atriplex patula uitstaande melde ja nee ? ?
Rumex acetosa veldzuring nee nee ? ?
Linum vlas ? ja ? ?
Vicia sativa voederwikke nee nee
Stellaria media vogelmuur ja ja nee ja
Consolida regalis wilde ridderspoor nee nee
Claytonia perfoliata (syn. Montia perfoliata) winterpostelein ja ja nee ?
Melilotus albus witte honingklaver nee nee
Thlaspi arvense witte krodde nee ? nee ?
Potentilla anserina zilverschoon nee ja ? ?
Fallopia convolvulus zwaluwtong ? ja ? ?
Solanum nigrum zwarte nachtschade nee nee ? ja

Bronnen: IRS onderzoek, Stevens (1994), Harveson (2009), Fernandez-Quitanilla (2001), Hauser (2001), Graichen Rabenstein (1996), Jadot (1974), Winner (1988), Stevens (2003), Wallis (1967), Moreno et al (2004), Stephan en Maiss (2005), Beuve et al. (2008), Yoshida en Tamada (2019) en Brunt et al. (1996).

10.8 Secundaire aantastingen

10.8 Secundaire aantastingen

Versie: maart 2021

CONTACTPERSOON: BRAM HANSE

Secundaire aantastingen worden veroorzaakt door organismen die zelf niet in staat zijn een gezonde bietenplant te infecteren. Ze moeten daarbij worden geholpen. Secundaire aantas­tingen, zoals pseudomonas en alternaria, gebruiken daarvoor vaak beschadigingen, gebreks­verschijnselen en aantastingen door een primair pathogeen. Secundaire aantasting wil dus altijd zeggen dat het pas na een andere, eerdere, aantasting optreedt.

10.8.1 Pseudomonas

De bacterie pseudomonas gebruikt beschadigingen en gescheurd weefsel, als gevolg van zware regenval, hagel, stuifschade, wind, insectenvraat en gebreksverschijnselen, om de plant te infecteren. Soms zijn de ontstane wondjes nauwelijks zichtbaar, maar vormen toch een invalspoort voor pseudomonas.

De bacterie komt via regendruppels vanaf de grond op het blad terecht. Pseudomonas voelt zich goed thuis bij een hoge luchtvochtigheid en donker weer. Wanneer dit enkele dagen aanhoudt, kan zij de plant infecteren via de invalspoorten.

Na infectie verschijnen pseudomonasvlekjes. Zij kunnen erg lijken op die van cercospora. De vlekjes van pseudomonas kunnen rond of onregelmatig van vorm zijn en een zwartbruine of roodachtige kleur hebben (figuur 10.8.1). De vlekjes van cercospora daarentegen zijn rond en grijs met een donkere roodpaarse rand. In het grijze gedeelte zijn met de loep zwarte puntjes te zien. Zie voor meer informatie: www.irs.nl/bladschimmel of paragraaf 10.4.1.

Pseudomonas veroorzaakt over het algemeen geen schade. Bestrijding van deze bacterie is niet mogelijk. Bij droog en zonnig weer verdwijnt de aantasting vaak weer.

Figuur 10.8.1 Vlekken op bietenblad veroorzaakt door pseudomonas.

10.8.2 Alternaria

Ook alternaria is een secundaire aantasting. Vaak gaat het dan om Alternaria alternata. Deze schimmel is niet in staat bietenblad te infecteren dat niet is beschadigd of aangetast. Typische aantasting met alternaria volgen op aantasting door vergelingsziekte, verwelkingsziekte en gebreksziekten, zoals kalium- en magnesiumgebrek (figuur 10.8.2). Wanneer de primaire oorzaak die voorafgaat aan de aantasting door alternaria, afdoende wordt bestreden, zal zij geen schade van betekenis doen. Bestrijding van alternaria is dan ook niet nodig.

Alternaria veroorzaakt symptomen aan de randen van het blad en soms ook bladvlekken. Deze zijn donkerbruin tot zwart gekleurd. Op de afgestorven delen van het blad verschijnt een bruin donsachtig poeder.

Figuur 10.8.2 Magnesiumgebrek met een secundaire infectie door alternaria.

 

10.9 Overige ziekten en plagen

Versie: maart 2021

10.9.1 Slakken

Slakken vreten aan bietenplanten. Planten in het kiem- en tweebladstadium kunnen hierdoor wegvallen (figuur 10.9.1). Slakken zijn te herkennen aan de slijmsporen (figuur 10.9.2) of ze zijn op te sporen door het plaatsen van een plastic zak of natte jute zak met daaronder wat lokaas (bijvoorbeeld graan). Verwarring met schade door emelten is mogelijk. Net als emelten vreten ze aan de bladranden. Bij slakken is de vreterij vrij afgerond, terwijl bij emelten de vreterij vaak gekarteld is.

Figuur 10.9.1 Vreterij door slakken.

Figuur 10.9.2 Slijmsporen duiden op de aanwezigheid van slakken.

Omstandigheden die slakken bevorderen

Vooral op percelen met een groenbemester, koolzaad, spruiten, graszaad, karwij of luzerne als voorvrucht zijn slakken te verwachten. Overige factoren die de aanwezigheid van slakken bevorderen, zijn een milde winter, een vochtig voorjaar, een hoog gehalte aan organische stof, slootkanten en aangrenzend grasland. Slakken zitten vaak ook onder kluiten, die dienen als schuilplaats. Wanneer slakken in de herfst en winter geen goede schuilplaatsen hebben, zullen ze de winter moeilijker kunnen overleven. Daarnaast zijn er door een vlak zaaibed aan te leggen ook in het voorjaar minder schuilplaatsen en is minder schade te verwachten. Meer informatie is te vinden in het ˈBodemplagenschemaˈ.

Bestrijding

Slakkenkorrels met ijzer(III)fosfaat (Derrex, Iroxx of Sluxx HP) zijn toegelaten om slakken te bestrijden. Ze zorgen ervoor dat de slakken zich terugtrekken in hun schuilplaatsen en daar doodgaan. Deze middelen dienen te worden toegepast met een granulaat- of kunstmeststrooier (7 kg/ha).

In veel gevallen komen de slakken uit slootkanten of aangrenzend grasland. Als slakken alleen aan de randen van het perceel worden waargenomen, dan is het te overwegen om alleen de perceelranden te behandelen. Dit is een voorbeeld van het zesde principe van een geïntegreerde gewasbescherming, zie 5.2.6.

Meer informatie over slakken en de bestrijding ervan is te vinden op de Infokaart Slakken.

10.9.2 Muizen

Ieder jaar zijn er weer bietenpercelen die vanwege muizenschade moeten worden overge­zaaid, doordat muizen de ongekiemde bietenzaden hebben opgevreten. Muizen zoeken de zaadjes op, breken ze open en eten er vervolgens het embryo uit. De zaadresten blijven daarbij vaak achter in kleine kuiltjes in de grond (figuur 10.9.3). Zodra ze een zaadje hebben gevonden, volgen ze vaak de rij en zo worden al snel tientallen meters achter elkaar uitgegraven. Een muis kan in een nacht wel 600 bietenzaadjes opeten.

De kans op schade is het grootst op percelen waar ondiep of in een grof zaaibed is gezaaid, waar vroege zaai plaatsvindt, waar het zaad droog ligt of als de kieming traag is. Zodra het zaadje gekiemd is, treedt er geen schade meer op.

Schade is te beperken door een week voor het zaaien alternatief voer, zoals verhitte gerst, tarwe of zonnebloempitten aan te bieden. Op deze manier leren de muizen de voerplaatsen te vinden. Plaats het voer langs de randen van het perceel, onder bijvoorbeeld een dakpan of onder c.q. in een pvc-pijp. Leg deze wel vast, zodat vogels het voer niet opvreten. Het is van belang om deze plaatsen regelmatig te controleren op voldoende voer. Zie ook de video ‘Muizenvraat in suikerbieten voorkomen’. Eventueel kan het voer ook breedwerpig over het perceel worden gestrooid. Maak voor alternatief voer nooit gebruik van zaaizaad, aangezien dit fungiciden en/of insecticiden kan bevatten en daardoor niet vervoederd mag worden.

Toevoegen van stoffen of middelen aan of op het bietenzaad heeft geen enkele zin. Bovendien helpt dit ook niet, aangezien muizen de geur zullen gaan herkennen en dan de bietenzaden gewoon zullen opvreten.

Meer informatie over muizen en het voorkomen van schade door muizen is te vinden op de Infokaart Muizen.

Figuur 10.9.3 Nadat de muis het embryo uit het zaadje heeft gegeten, blijven de zaadresten achter.

10.9.3 Zilverziekte

De symptomen van zilverziekte worden veroorzaakt door de bacterie Curtobacterium flaccumfaciens pv. betae. Deze bacterie is zaadoverdraagbaar. Tegen deze bacterie bestaat in het veld geen enkele beheersingsmaatregel. De belangrijkste symptomen van curtobacterium zijn brosse, verdikte bladeren. Ook zijn er barstjes zichtbaar op het blad en scheurt het makkelijk. De bladeren hebben een matgrijze/zilverachtige reflectie en de aangetaste bieten blijven achter in groei. De vaatbundels in de wortels zijn bruin verkleurd. Tot nu toe worden bieten met dit ziektebeeld slechts sporadisch aangetroffen.

Afbeelding met grond, sla, plant, groente Automatisch gegenereerde beschrijving

Figuur 10.9.4 Een gezonde plant en een door zilverziekte aangetaste plant naast elkaar.