6.1 Onkruiden

Versie: februari 2021

Onkruiden in suikerbieten zijn ongewenst omdat ze met bieten concurreren om ruimte, lucht, vocht en nutriënten. Dit gaat ten koste van de bietenopbrengst. Verder kan een hoge onkruiddruk leiden tot oogst- of verwerkingsproblemen en neemt de zaadvoorraad in de grond toe. Voorkomen moet worden dat onkruiden die de chemische onkruidbestrijding hebben overleefd in het zaad komen. Deze onkruiden kunnen minder gevoelig zijn voor bepaalde actieve stof(fen). Bovendien kunnen onkruiden ziekten en plagen overbrengen en/of vermeerderen. Voor een geslaagde bietenteelt is een goede onkruidbeheersing dus essentieel.

6.1.1 Voor opkomst

Onkruidbestrijding is alleen succesvol bij klein onkruid. Begin daarom met een schone lei en bestrijd grote(re) onkruiden vóór de zaaibedbereiding met glyfosaat. Voorkom structuurschade bij deze toepassing door te wachten totdat de grond berijdbaar is.

Het spuiten van een bodemherbicide direct of kort na het zaaien kan het aantal onkruiden na opkomst van de bieten beperken en de groei van onkruiden vertragen, waardoor de na-opkomstbestrijding eenvoudiger kan zijn. Geadviseerd wordt om te spuiten op vochtige grond; bij droge grond is het beter om, indien mogelijk, de bespuiting uit te stellen. Met name op zandgronden droogt de toplaag snel uit, waardoor de werking van bodemherbiciden tegen kan vallen. Ook op gronden met een hoog organisch stofgehalte (hoger dan ongeveer 5%) werken bodemherbiciden doorgaans slecht. Vandaar het advies om op deze gronden de onkruiden alleen na opkomst van de bieten te bestrijden.

Voor een effectieve bestrijding van sommige probleemonkruiden, met name bingelkruid, hondspeterselie en kamille, is het advies om direct na zaai een bodemherbicide toe te passen (zie tabel 6.1.1). Wanneer veel kamille verwacht wordt, spuit dan na het zaaien 2,0 liter per hectare Goltix SC/Bettix SC (€ 74). De kans op kamille is het grootst bij vroege zaai. Bij laat zaaien neemt de noodzaak van een bodemherbicide voor opkomst tegen kamille af. Als hondspeterselie wordt verwacht is het advies Centium 360 CS of Goltix Queen voor opkomst toe te passen. Spuit maximaal 0,10 liter per hectare Centium 360 CS (€ 21), bij natte en koude omstandigheden en een laag organisch stofgehalte (minder dan circa 2,5%) wordt 0,05 tot 0,07 liter per hectare Centium 360 CS aanbevolen. Onder deze omstandigheden kunnen hoge doseringen (bijvoorbeeld door overlappingen) leiden tot ernstige groeiremming of zelfs plantwegval. Ook onder groeizame omstandigheden is na toepassing van Centium 360 CS bijna altijd enige mate van witverkleuring van het blad zichtbaar. Witverkleuring van de bieten leidt niet tot opbrengstderving. Ten opzichte van metamitron heeft Centium een betere werking op hondspeterselie, bingelkruid, kleefkruid, varkensgras, zwaluwtong en muur. De werking tegen kamille en uitstaande melde is verwaarloosbaar. Als ook veel kamille verwacht wordt, meng dan Centium 360 CS met metamitron. Wanneer u een hoge bezetting van hondspeterselie verwacht, dan kan voor opkomst met Goltix Queen worden gespoten (maximale dosering is 3 liter per hectare) of Kezuro (maximale dosering is 3,5 liter per hectare).

Tabel 6.1.1 Meerwaarde van toepassing van bodemherbicide na zaai van het gewas in aanbevolen dosering op moeilijk te bestrijden onkruiden.

middel aanbevolen dosering goede werking tegen
Centium 360 CS 50-100 ml/ha bingelkruid, hondspeterselie, kleefkruid, varkensgras, zwaluwtong
Goltix SC, Bettix SC 2 l/ha duivenkervel, kamille
Goltix Queen, Kezuro 2-3 l/ha bingelkruid, duivenkervel, hondspeterselie, kamille, kleefkruid

6.1.2 Breedbladige onkruiden

Standaard is het lage doseringensysteem (LDS) met een dosering van 0,5 liter per hectare van elk middel, namelijk 0,5 fenmedifam (160 g/l) + 0,5 metamitron + 0,5 ethofumesaat (200 g/l) + plantaardige olie. LDS kan bestaan uit losse componenten of uit combinatieproducten. Gebruik vanuit het oogpunt van duurzaamheid geen minerale olie. Plantaardige olie is veel minder milieubelastend doordat het biologisch afbreekbaar is in de grond. Metamitron (Goltix SC/Bettix SC) is een breedwerkend en gewasveilige component van het LDS. Quinmerac toegevoegd aan metamitron (Goltix Queen) versterkt de werking op bingelkruid en hondspeterselie. Vervanging van metamitron in het LDS door Dual Gold 960 EC of Frontier Optima wordt alleen aanbevolen wanneer er geen of weinig meldensoorten voorkomen. Dual Gold 960 EC en Frontier Optima werken op bingelkruid, duivenkervel, ooievaarsbek, hanenpoot en straatgras.

Voor een effectieve bestrijding is het belangrijk om het onkruid zo vroeg en klein mogelijk (kiembladstadium) te bestrijden, ongeacht het stadium van de bieten. Onder droge omstandigheden laat voornamelijk melganzenvoet zich lastig bestrijden. Verhogen van de dosering fenmedifam en plantaardige olie is onder deze omstandigheden aan te raden. Vanaf het gestrekte kiemlobstadium van de bieten kunt u de LDS-dosering met 50% en vanaf het tweebladstadium met 100% verhogen.

Voer de bespuitingen uit op een droog gewas, bij voorkeur ‘s avonds of ‘s ochtends vroeg. Vooral als de onkruiden afgehard zijn is het van belang dat de relatieve luchtvochtigheid hoog is (meer dan 80%). Mocht het, bijvoorbeeld door weersomstandigheden, niet gelukt zijn om de onkruiden in het kiemblad te bespuiten, dan is het vaak nodig om de dosering te verhogen.

Voor moeilijk te bestrijden onkruiden kunt u een extra middel aan de LDS-combinatie toevoegen. U kunt dan kiezen voor Safari, Safari Duoactive, Dual Gold 960 EC, Frontier Optima, Centium 360 CS of Lontrel 100 (zie tabel 6.1.2).

Tabel 6.1.2 Extra middel toevoegen in gangbare dosering aan LDS-combinaties op moeilijk te bestrijden onkruiden.

toevoeging middel gangbare dosering (bladstadium biet)
Centium 360 CS 20 ml/ha (2-blad),

40 ml/ha (4-blad),

50-100 ml/ha (6-blad of meer)

Dual Gold 960 EC 0,5 l/ha (vanaf 2-blad)
Frontier Optima 0,15 l/ha (2-blad),

0,3 l/ha (4-blad),

0,3-0,45 l/ha (6-blad of meer)

Lontrel 100, Vivendi 100 0,5 l/ha (vanaf kiemblad)
Safari, Shiro 15 g/ha (vanaf kiemblad)
Safari Duoactive 100 g/ha (vanaf kiemblad. Op lichte grond met laag organische stof vanaf 2-blad)
Tanaris 0,3 l/ha (2-blad),

0,6 l/ha (vanaf 4-blad)

In tabel 6.1.3 staat een overzicht van de gevoeligheid van onkruiden voor verschillende na-opkomstcombinaties. De LDS-kolom geeft de basis gevoeligheid voor de onkruiden aan, terwijl in de overige kolommen de meerwaarde hierop van een extra middel wordt weergegeven. Ter verduidelijking een voorbeeld uit de tabel: bestrijding van koolzaadopslag; LDS een 3, LDS + Safari een 5 en LDS + Centium 360 CS een 3. Toevoegen van Safari aan LDS geeft duidelijke verbetering van het resultaat en toevoegen van Centium 360 CS aan LDS geeft geen beter resultaat.

Tabel 6.1.3 Gevoeligheid onkruiden in het kiembladstadium voor verschillende na-opkomstcombinaties.

LDS
onkruid LDS + quinmerac + ,015 Safari + 0,1 Safari Duoactive + 0,5 Dual Gold 960 EC + 0,3 Frontier Optima + 0,6 Tanaris + 0,04 Centium 360 CS + 0,5 Lontrel 100
bingelkruid 0 2 5 5 2 3 4 3 0
duivenkervel 3 3 4 5 4 4 4 3 3
ereprijs 3 4 4 4 4 4 5 3 3
herik 1 1 5 5 1 2 2 1 1
hondspeterselie 1 3 4 5 3 3 4 4 4
kamille 4 4 5 5 4 4 4 4 4
kleefkruid 2 3 5 5 2 3 4 4 2
klein kruiskruid 3 3 4 4 3 4 4 4 3
knopkruid 3 3 4 4 4 4 4 3 4
koolzaadopslag 3 3 5 5 3 3 3 3 3
melganzenvoet 3 3 3 4 3 3 3 3 3
ooievaarsbek 1 1 3 3 4 3 3 1 1
papegaaienkruid 2 2 5 5 2 4 4 3 2
perzikkruid 3 3 4 5 3 4 4 4 4
straatgras 3 3 3 4 5 5 5 3 3
uitstaande melde 2 2 2 3 2 2 2 2 2
varkensgras 1 1 3 4 2 1 1 4 1
veerdelig tandzaad 0 0 5 5 0 0 0 0 5
waterpeper 2 2 5 5 2 2 2 4 2
zwaluwtong 3 3 4 4 4 3 3 4 4
zwarte nachtschade 3 3 4 4 4 4 4 3 3

5 = gevoelig; 0 = niet gevoelig

In tabel 6.1.4 staan de in de bietenteelt gangbare, toegelaten onkruidbestrijdingsmiddelen (situatie op 01-02-2021). In deze tabel is tevens opgenomen hoe vaak u het betreffende middel in na-opkomst LDS-bespuitingen mag toepassen, welke maximale dosering is toegestaan en welke minimale interval u tussen twee bespuitingen moet aanhouden. Vaak zijn aan herbiciden aanvullende beperkingen gesteld. Lees daarom het Wettelijk Gebruiksvoorschrift op het etiket zorgvuldig.

Tabel 6.1.4 Gangbare, toegelaten herbiciden met vermelding van de maximum dosering per toepassing (kg of l/ha), maximum aantal toepassingen na opkomst, maximum per teelt (kg of l/ha) en het minimum interval tussen bespuitingen (dagen).

 * na gewasstadium 9 of meer bladeren ** niet op zandgrond

In tabel 6.1.5 staan een aantal mogelijke basiscombinaties met de daarbij behorende prijzen. In deze tabel staat tevens een overzicht van de kleurcodes voor de milieubelastingspunten die voor de diverse middelen/middelencombinaties gelden. Als het voor de effectiviteit van de onkruidbestrijding niet uitmaakt, kies dan voor middel(en) met een lage milieubelasting.

Tabel 6.1.5 Overzicht aantal mogelijke herbicidentoepassingen (kg of l product per hectare), prijzen (exclusief btw) en milieubelastingspunten bij twee organische stofgehalten van de bodem bij 1% drift.

werkzame stof (merknaam) middelen-
kosten
(€/ha)
milieubelastingspunten
waterleven 1,5-3% organische stof 3-6% organische stof
bodemleven grondwater bodemleven grondwater
voor opkomst
0,1 Centium 360 CS 21
2,0 Bettix SC, Goltix SC 74
3,0 Goltix Queen 107
3,5 Kezuro 137
na-opkomstcombinaties
LDS 1 32
LDS inclusief quinmerac2 38
LDS + 0,015 Safari/Shiro 52
LDS + 0,5 Dual Gold 960 EC 45
LDS + 0,3 Frontier Optima 39
LDS + 0,04 Centium 360 CS 43
LDS + 0,6 Tanaris 58
LDS + 0,1 Safari Duoactive 55
LDS + 0,5 Lontrel 100 59
grassenmiddelen
0,75 Agil 100 EC 30
1,0 Centurion Plus 45
1,2 Focus Plus 29
0,9 Fusilade Max 37
1,0 Gallant 2000 48
0,9 Pilot 38

1) LDS = 0,5 fenmedifam (160 g/l) + 0,5 metamitron + 0,5 ethofumesaat (200 g/l) + 0,5 olie; LDS kan bestaan uit losse componenten of uit de volgende combinatieproducten:
– fenmedifam + ethofumesaat: 0,5 Power Twin / Betanal Tandem
– metamitron + ethofumesaat: 1,0 Goltix Super / Metafol Super
2) 0,7 Goltix Queen in plaats van 0,5 Goltix SC / Bettix SC.

https://irsapplicaties.nl/userfiles/Bulletin/Waterleven.JPG

6.1.3 Grasachtige onkruiden

https://irsapplicaties.nl/userfiles/Bulletin/IPM.JPG Bij de bestrijding van de meeste grasachtige onkruiden is het mogelijk om aan de LDS-combinatie een verlaagde dosering van een grassenbestrijdingsmiddel toe te voegen (zie tabel 6.1.6). Doe dit alleen als de grassen in een jong groeistadium zijn, in elk geval voordat ze beginnen met uitstoelen en als de grassen niet geremd worden door een voorafgaande bespuiting van bijvoorbeeld Safari. Hanenpoot en straatgras zijn ook goed te bestrijden door aan de LDS-combinatie Dual Gold 960 EC of Frontier Optima toe te voegen. Spuit bij voorkeur voordat de grassen gekiemd zijn of uiterlijk direct na kieming. Voor een goede werking van deze bodemherbiciden is voldoende bodemvocht belangrijk. Een aparte bespuiting met een grassenbestrijdingsmiddel wordt geadviseerd bij de bestrijding van straatgras, kweek en resistente duist. Dit advies geldt ook in het geval dat het niet gelukt is om tijdig te spuiten en de grassen zijn uitgestoeld en voor het geval dat er Centium 360 CS aan de LDS-combinatie is toegevoegd. Vanaf uitstoeling wordt geadviseerd om de doseringen te verhogen, indien het etiket van het desbetreffende middel deze mogelijkheid biedt. Laat bij voorkeur minimaal drie dagen zitten tussen een LDS- en aparte grassenbestrijding.

Tabel 6.1.6 Dosering (l/ha) van grassenbestrijdingsmiddelen bij toepassing op niet-uitgestoelde grassen.

merknaam grassoort
duist1,
graanopslag,
hanenpoot,
windhalm
en wilde haver
kweek3 raaigras straatgras4 stuifdek gerst3
Agil 100 EC 0,75 1,5 0,75 1,2
Centurion Plus 1,0 2,5 1,0 1,0 1,0
Fusilade Max 0,9 3,0 1,5
Focus Plus 1,0-1,2 5,0 1,2 2,0
Gallant 20002 1,0 1,0 1,0 1,0
Pilot2 0,9 3,0 0,9 1,5

– = onvoldoende effect voor een advies

  1. bij resistente duist Focus Plus of Centurion Plus inzetten.
  2. 0,5-1,0 l/ha olie toevoegen.
  3. aparte bespuiting van kweek en stuifdek gerst (niet toevoegen aan LDS).
  4. de genoemde dosering is alleen voldoende effectief tegen jong, niet uitgestoeld straatgras.

Voor meer informatie over de toegelaten middelen, zie ˈtabel 6.1.4 toegelaten middelen tegen onkruiden in suikerbietenˈ.

6.1.4 Wortelonkruiden

Zodra de akkerdistels, melkdistels en klein hoefblad boven staan en blad vormen kan 0,5 liter per hectare Lontrel 100 of een ander clopyralid bevattend middel aan het LDS worden toegevoegd. Doe dit onder groeizame omstandigheden (dunne waslaag of hoge RV). Bij de bestrijding van wortelonkruiden is het belangrijk dat deze goed aan de groei zijn. Pas clopyralid daarom niet toe binnen tien dagen na gebruik van Safari, vanwege de kans op slechtere opname van het herbicide. Indien nodig kan deze clopyralid-bespuiting twee keer worden herhaald. Een andere mogelijkheid is om één keer een aparte bespuiting uit te voeren met maximaal 1,2 liter per hectare Lontrel 100 + 1,0 liter per hectare plantaardige olie. Dit kunt u doen tot het acht- tot tienbladstadium van de bieten. Dit is het stadium waarbij de bladeren elkaar in de rij nog niet raken, meestal in de tweede helft van mei. Vanwege parapluwerking van de bieten neemt daarna de effectiviteit van de bespuitingen af. Bij een latere toepassing heeft pleksgewijze bestrijding met (rug)spuit de voorkeur in verband met beter raken van de onkruidplanten. Overschrijd daarbij niet de wettelijke toegestane dosering.

6.1.5 Hulpmiddelen/app’s

Voor herkenning van onkruiden kunt u gebruik maken van de applicatie ˈOnkruidherkenningˈ, via www.irs.nl/onkruidherkenning. Deze is ook beschikbaar als app, zie QR-codes hieronder.

Onkruidherkenning met de IRS-app

Onkruidbestrijdingsadvies op maat

Voor perceelspecifieke, chemische onkruidbestrijdingsadviezen kunt u gebruik maken van de applicatie ˈIRS-Onkruidbeheersingˈ (www.irs-onkruidbeheersing.nl). Deze applicatie geeft adviezen op basis van de aanwezige onkruiden, de grootte van de onkruiden en de grootte van de bieten. De adviesdoseringen worden gecorrigeerd voor weersomstandigheden voor en na het bespuitingstijdstip en de toestand van de grond en het gewas.

Doel: effectieve chemische onkruidbestrijding zonder schade aan de bieten.

Meerwaarde: advies afgestemd op de specifieke spuitomstandigheden.

1. ga naar de adviesmodule IRS-LIZ-Onkruidbeheersing: www.irs-onkruidbeheersing.nl;

En vul in:

2. het ontwikkelingsstadium van de bieten;

3. de belangrijkste onkruiden en de ontwikkelingsstadia;

4. de weersomstandigheden voor en na de bespuiting;

5. de groeiomstandigheden en het spuitmoment.

Resultaat:

– advies middelencombinatie;

– advies doseringen;

– indicatie van kosten;

– bijkomende adviezen.

Een alternatieve herbicidencombinatie kunt u kiezen op basis van de actieve stoffen uit het advies.

Let op: de adviesmodule houdt geen rekening met de voorafgaande bespuitingen. Blijf daarom zelf controleren of het advies voldoet aan het Wettelijk Gebruiksvoorschrift van de middelen!

6.1.6 Conviso Smart Systeem

Conviso Smart is een alternatief systeem voor onkruidbeheersing in suikerbieten. Voor dit systeem zijn ALS-tolerante bietenrassen ontwikkeld, waarin bepaalde ALS-remmers (specifieke herbiciden) ingezet kunnen worden. De huidige Smart-rassen hebben nog een lagere opbrengst dan vergelijkbare niet-ALS-tolerante bietenrassen.

Voor de zaaibedbereiding wordt bij aanwezigheid van ontwikkeld onkruid geadviseerd om het perceel met glyfosaat te behandelen, om zodoende een schone start te hebben. Het toepassen van een bodemherbicide na zaai van de bieten is bij dit systeem niet nodig.

Momenteel is één ALS-remmend middel in suikerbieten toegelaten, namelijk Conviso One. Dit middel laat een goede bestrijding zien op veel breedbladige en grasachtige onkruiden (zie ook tabel 6.1.7). Aangezien bij het gebruik van ALS-remmers een verhoogd risico is op resistentie van onkruiden, is preventie van resistentieontwikkeling belangrijk. Effectieve maatregelen tegen resistentieontwikkeling bij onkruiden in het bouwplan zijn onder andere het afwisselen of mengen van herbiciden van verschillende chemische groepen, gewasrotatie, concurrerende gewassen en mechanisch wieden daar waar mogelijk.

Meerdere rassen van verschillende zaadfirma’s met diverse resistenties (rhizomanie, rhizoctonia, bietencysteaaltjes) worden de komende jaren op de Rassenlijst verwacht.

Conviso One wordt geadviseerd om twee keer toe te passen. Beide keren wordt de volgende combinatie ingezet: 0,5 liter per hectare Conviso One, 1 liter per hectare fenmedifam (o.a. Corzal SE), 1 liter per hectare ethofumesaat (o.a. Tramat 200) en 1 liter per hectare plantaardige olie. Deze combinatie wordt geadviseerd om de werking te optimaliseren en vanwege resistentiemanagement.

De eerste toepassing van Conviso One vindt plaats op basis van de ontwikkeling van de onkruiden. Leidend hierbij is de maximale grootte van de volgende onkruiden: melganzenvoet (maximaal 2-4 echte bladeren) of uitstaande melde (maximaal 2 echte bladeren). De tweede toepassing vindt 10 tot 30 dagen hierna plaats, het interval is afhankelijk van de effectiviteit van de eerste toepassing en de groeiomstandigheden van de onkruiden na de eerste toepassing.

Tabel 6.1.7 Gevoeligheid onkruiden voor Conviso One.

onkruid Conviso One
bingelkruid 5
duivenkervel 5
ereprijs 2
gerst (stuifdek) 5
herik 5
hondspeterselie 5
kamille 5
kleefkruid 5
knopkruid 5
koolzaadopslag 5
melganzenvoet 4
ooievaarsbek 5
papegaaienkruid 5
perzikkruid 5
straatgras 5
uitstaande melde 4
varkensgras 5
veerdelig tandzaad 5
waterpeper 5
zwaluwtong 5

5 = gevoelig; 0 = niet gevoelig

Het is belangrijk te weten dat Conviso One alleen in een ALS-tolerant bietenras kan worden ingezet. Niet-ALS-tolerante bietenrassen worden doodgespoten door Conviso One. Let dus ook op bij eventuele aangrenzende niet-ALS-tolerante rassen. Conviso One kan dus wel gebruikt worden voor het bestrijden van niet-ALS-tolerante zaadbieten/onkruidbieten. Belangrijk blijft wel om alle ALS-tolerante schieters tijdig te verwijderen, aangezien die planten resistent zijn tegen veel ALS-herbiciden in andere teelten.

Gerst als anti-stuifdek wordt door Conviso One ook bestreden. Een vroege bespuiting van Conviso One kan de functie tegen stuiven van gerst verminderen.

In het algemeen wordt aardappelopslag onvoldoende bestreden. Afhankelijk van het ras heeft Conviso One een duidelijke werking op het aardappelloof, maar knolvorming wordt niet voorkomen.

6.1.7 Aardappelopslag

6.1.7.1 Problematiek van aardappelopslag

Aardappelopslag is om twee redenen een probleem:

  1. het belemmert de groei van het geteelde gewas;
  2. het kan ziekten in stand houden of zelfs vermeerderen.

De inzet van rijenfrezen of schoffelwerktuigen is alleen effectief ter bestrijding van bovengrondse plantdelen. Chemische bestrijding met voor bieten selectieve middelen is niet afdoende. De inzet van bijvoorbeeld triflusulfuron-bevattende middelen (o.a. Safari), Frontier Optima, Dual Gold 960 EC of clopyralid-bevattende middelen (o.a. Lontrel 100), geven onvoldoende bestrijding van aardappelopslag. Vaak geven deze middelen alleen verbranding en/of tijdelijke groeiremming van het aardappelloof. De knolvorming gaat bij deze middelen door. Uit fytosanitair oogpunt (punt 2) is het echter noodzakelijk dat ook de ondergrondse delen volledig bestreden worden. Er mogen dus geen nieuwe knollen worden gevormd. In het uiterste geval kunnen aardappelcysteaaltjes (Globodera pallida of G. rostochiensis) zich blijven vermeerderen en wordt het vruchtwisselingseffect geheel te niet gedaan. In plaats van een afname van de populatie zal een toename optreden, die afhankelijk is van het aantal opslagplanten per vierkante meter. Het is noodzakelijk aardappelopslag op een geïntegreerde wijze aan te pakken. De beste aanpak is aardappelopslag zoveel mogelijk te voorkomen. Om vermeerdering van cysten tegen te gaan dient de bestrijding voor de langste dag te zijn uitgevoerd.

Aardappelopslag in bieten geeft concurrentie en vormt al snel nieuwe knollen. Verder kan aardappelopslag een besmettingsbron zijn voor Phytophthora infestans, en kunnen virussen in de knol overleven en een primaire bron zijn voor besmetting. Tenslotte vermeerderen schadelijke insecten als de coloradokever zich op aardappelopslag.

6.1.7.2 Beperk rooiverlies en de kieming van de aardappelen

De eerste slag kunt u maken bij het rooien. Beperk de hoeveelheid achtergebleven knollen door aandacht te besteden aan een goede afstelling van de rooier. Denk hierbij aan juiste rooidiepte, fijne steek spijlenmat, afstelling axiaalrollen en het voorkomen van morsen. Ook kan de rassenkeuze een rol spelen. Over het algemeen geven frietaardappelrassen bij de oogst een grovere sortering dan consumptieaardappelrassen.

Door het aardappelgewas te bespuiten met maleinehydrazide (Royal MH of Crown MH) kunt u kieming van achtergebleven aardappelen in het volgende jaar voorkomen of beperken. Het effect is afhankelijk van het spuitmoment en de vitaliteit van het aardappelgewas. Onder gunstige omstandigheden wordt met deze bespuiting 60-80% van de aardappelopslag voorkomen.

6.1.7.3 Niet-kerende grondbewerking

Ondanks een goede afstelling van de rooier, blijven bij de oogst van aardappelen vaak knollen op het land achter. Deze knollen kunnen in de grond overwinteren. Als een aardappel niet wordt blootgesteld aan 48 vorstgraaduren (bijvoorbeeld bodemtemperatuur van -2ºC gedurende 24 uur), kunt u problemen met aardappelopslag verwachten.

De mate van bevriezing is mede afhankelijk van grondsoort en de uitgevoerde grondbe­werking in het najaar. Door de knollen aan de oppervlakte te houden, kunt u het effect van de vorst op de aardappel vergroten. U kunt dit bereiken door na de teelt van aardappelen in het najaar een niet-kerende grondbewerking uit te voeren met cultivateren of spitten in plaats van ploegen. Onderzoek wees uit dat een niet-kerende grondbewerking voorafgaande aan de bietenteelt niet nadelig is voor de suikeropbrengst.

6.1.7.4 Rotatie

Aardappelopslag kan verminderd worden door geen bieten direct na aardappelen te telen. Het is dan zaak om in de tussenliggende teelten de aardappelopslag effectief te bestrijden.

Onderzoek van Wageningen Plant Research wees uit dat een aantal herbiciden in granen en maïs aardappelopslag kunnen onderdrukken, maar niet effectief bestrijden. Bij de inzet van de herbiciden Starane en Hussar in wintertarwe werd een afname van het versgewicht van de knollen geconstateerd ten opzichte van onbehandeld. Echter, het aantal gevormde knollen was door de graanherbiciden niet significant lager. Het maïsherbicide Callisto gaf een lager versgewicht van de nieuw gevormde knollen en een lagere knolproductie. Omdat er knolvorming optreedt, kunnen (aardappelcyste)aaltjes zich toch vermeerderen, waardoor om fytosanitaire redenen deze strategieën geen oplossing bieden. Behandeling met glyfosaat gaf geen knolvorming.

6.1.7.5 Glyfosaat

Aardappelopslag is effectief te bestrijden met glyfosaat (bijvoorbeeld Roundup). Voor de doseringen wordt verwezen naar de betreffende etiketten. Voor glyfosaat zijn twee systemen van toepassing te onderscheiden:

a. Aanstrijken

Bij deze toepassing moet de aardappelopslag boven de bieten uitkomen. Met een voldoende hoog boven de bieten afgestelde onkruidstrijker, kunt u een oplossing van glyfosaat aan de aardappelplanten strijken. Let erop dat de strijker niet druipt, om te voorkomen dat glyfosaat de bieten raakt. Er zijn verschillende strijkers beschikbaar die allemaal goed werk kunnen leveren, mits oordeelkundig gebruikt (zie figuren 6.1.1 en 6.1.2).

Aardappelopslag-4

onkruiden_bestrijding-aardappelopslagbestrijding-Numansdorp-02

Figuren 6.1.1 en 6.1.2 Bij voldoende hoogteverschil tussen opslag en suikerbiet kan de teler met een onkruidstrijker ook de aardappelplanten in de rij bestrijden.

b. Pleksgewijs

Bij weinig aardappelopslag kunt u glyfosaat ook per plant toepassen. Er zijn verschillende gereedschappen op basis van zowel spuiten als strijken, bijvoorbeeld een selector of een onkruidstick. Met deze gereedschappen kunt u goed werk leveren, mits zorgvuldig ge­bruikt. Om de aardappelplanten te markeren, kan men kleurstof (signaalrood) aan de oplossing toevoegen.

Y:\Algonkruid\2012 algemeen\selector.jpg

Figuur 6.1.3 Aardappelopslagbestrijding met een selector.

De werking van glyfosaat is optimaal bij groeizaam, donker weer. Bij scherp drogend weer droogt de spuitvloeistof zeer snel. De aardappelen nemen dan onvoldoende op. Een slechte opname en daardoor een tegenvallende werking kan ook als aardappelplanten door herbi­cidenbespuitingen zijn ˈaangebrandˈ. U behaalt de beste bestrijdingsresultaten bij aardap­pelplanten van 10-20 centimeter hoog. Bij grotere planten en schraal weer is het advies de dosering te verhogen en/of plantaardige olie toe te voegen (zie etiket van het product).

6.1.7.6 Apparatuur voor aardappelopslagbestrijding

Er zijn twee principes van strokentoepassing:

1. volvelds toepassen, waarbij een profiel de bietenrij afschermt;

2. tussen de rijen spuiten, waarbij een kap de behandelde oppervlakte afschermt (zie figuur 6.1.4).

onkruiden_bestrijding-aardappelopslagbestrijding-Zeewolde-09

Figuur 6.1.4 Kappenspuit; het monteren van de machine in de fronthef biedt goed zicht op het werk.

Kappenspuiten geven naast bestrijding van aardappelopslag ook een bestrijding van nog aanwezig onkruid tussen de rij. Ter afscherming van de bieten moeten de profielen of de kappen door de grond lopen, om eventueel bietenbladeren die eronder doorgaan, af te snijden. Sommige loonwerkers/telers hebben hiervoor schijven voor de profielen of kappen geplaatst.

Om drift naar de bieten te voorkomen, is spuiten alleen mogelijk met een grove druppel. Harde wind kan spelbreker zijn. Zeker bij de aanwezigheid van een antistuifdek gerst. Het gevaar bestaat dat druppels op de gerst kunnen overwaaien naar het gewas.
Er is een lijst met personen/bedrijven die een werktuig voor aardappelopslagbestrijding beschikbaar hebben (https://www.irs.nl/apparatuuraardappelopslag).

6.1.8 Onkruidbieten

Schieters met rijp zaad (zie paragraaf 1.3 Schietergevoeligheid in het hoofdstuk Rassen) kunnen een serieuze bedreiging vormen voor de bietenteelt in de toekomst.

6.1.8.1 Zaadproductie

Afhankelijk van het tijdstip van optreden, de ontwikkeling van de schieter en de weersom­standigheden kan één schieter gemakkelijk 2.000 tot 4.500 levenskrachtige zaadjes ople­veren. Een hectare met meer dan 25 schieters produceert circa 100.000 zaadjes, voldoende om normaal één hectare bieten mee te zaaien. Deze zaadjes blijven een groot aantal jaren levenskrachtig in de grond.

6.1.8.2 Afbraak populatie zaad in de grond

De afname van de voorraad vitale onkruidbietenzaden in de grond verloopt slechts langzaam.

De hoeveelheid onkruidbietenzaad in de bouwvoor kunt u afleiden uit het aantal onkruid­bieten dat in een bietengewas tot ontwikkeling komt. Een populatie van 75 onkruidbieten per vierkante meter komt regelmatig voor. Aantallen van 200 zijn ook wel gevonden. Ervan uitgaande dat opgekomen bieten uit de bovenste 4 cm van de bouwvoor afkomstig zijn en dat 50% van de daar aanwezige zaden opkomt, betekent dit dat er aanvankelijk (2 × 75 =) 150 zaden per vierkante meter in deze laag aanwezig waren. Omdat u de bouwvoor elk jaar intensief bewerkt, mag u een homogene verdeling van de zaden over deze laag aannemen. Bij een bouwvoor van 24 centimeter betekent dit dat er (6 × 150 =) 900 zaden per vierkante meter in de bouwvoor voorkomen. Nemen we vervolgens aan dat jaarlijks 25% van het aantal aanwezige zaden door bodemorganismen verdwijnt en dat dit over de gehele bouwvoor in gelijke mate plaatsvindt, dan verdwijnen er (¼ × 900 =) 225 zaden per vierkante meter. Dit betekent in het eerste jaar een totale afname van het aantal zaden van 75 (door kieming) en 225 (door organismen) = 300 zaden ofwel circa 33% van de voorraad. Het verloop van de afname van het aantal onkruidbieten, uitgaande van een constante afname van 33%, is weergegeven in figuur 6.1.5.

Wilt33-hoeveelheid onkruidbieten

Figuur 6.1.5 Het verloop van de afname van de hoeveelheid onkruidbieten in de tijd, uitgaande van 900 zaden per m2 in de bouwvoor (24 cm), 50% opkomst van de zaden uit de bovenste 4 centimeter en een constante jaarlijkse afname van 33% van de onkruidzaden.

De afname gaat aanvankelijk erg snel, maar het duurt zeker twaalf jaar voordat het aantal onkruidbieten tot redelijke proporties is teruggebracht. In Engeland is na 18 jaar nog een kiemkrachtig zaadje gevonden! Het aantal zaden dat volgens berekening in het twaalfde jaar in de bovenste 4 centimeter van de bouwvoor zit, is circa één zaad per vierkante meter. Globaal zal dit leiden tot één schieter per twee vierkante meter. Vindt er geen bestrijding van deze laatste schieters plaats, dan kunnen ze per schieter weer circa 2.000 kiemkrachtige zaden (= 1.000 zaden/m2) leveren. Het overschrijdt hiermee het beginaantal van 900 zaden per vierkante meter ruimschoots.

Bij aanpassing van de uitgangspunten (beginpopulatie, mate van kieming en mate van doding) blijft het gevaar van een voortdurende besmetting nog erg groot.

Bovenstaande berekening toont aan dat bij de bestrijding van schieters gedurende een groot aantal jaren een nultolerantie gewenst is. Dit vergt al die jaren een grote waakzaamheid en veel controlewerk.

6.1.8.3 Bestrijding van onkruidbieten

Het probleem onkruidbieten is alleen te bestrijden door alle schieters weg te halen voordat er rijp zaad is geproduceerd. Dit kan op de volgende manieren:

a. later zaaien

Is het bekend dat er erg veel onkruidbietenzaad op een perceel aanwezig is, dan is het verstandig wat later te zaaien, bijvoorbeeld de tweede helft van april. Veel van de in de toplaag aanwezige zaadjes kiemen in maart en begin april. Als u daarna het zaaibed klaarmaakt, bestrijdt u de aanwezige kiemplantjes al. Dit is ook de reden dat er in jaren met een late zaai relatief weinig onkruidbieten zijn.

b. schoffelen

Kort na opkomst van de bieten is al zichtbaar of er sprake is van onkruidbieten. Er komen dan veel bieten tussen de gezaaide rijen voor (figuur 6.1.6). Veel van deze niet-bewust gezaaide bieten kunt u met schoffelen bestrijden. Komt er nog een tweede kiemgolf, schoffel dan opnieuw. De schieters in de rij moet u met de hand uittrekken of afkappen (zie punt c).

afb 5 - deel B Onkruidbieten - Betatip hfst 5

Figuur 6.1.6 Onkruidbieten in suikerbieten.

c. uittrekken en afkappen

Komen er later toch schieters, trek ze dan op tijd uit, kap ze af of knik ze om. Op tijd wil zeggen voordat een schieter rijp zaad produceert (figuren 6.1.7, 6.1.8 en 6.1.9). Uittrekken is nodig om hergroei te voorkomen en afkappen om hergroei vanuit de reeds gevormde wortel tegen te gaan. Wacht u te lang met het uittrekken, dan moet u de schieters voorzichtig van het veld afdragen om zaadval te voorkomen. Figuur 6.1.10 toont de zaadproductie van één niet-afgekapte schieter.

Figuren 6.1.7, 6.1.8 en 6.1.9 Drie stadia van schieters: bloeiende, begin afrijping en met rijp zaad (foto: Strube).

afb 4 - deel B Onkruidbieten - Betatip hfst 5

Figuur 6.1.10 Zaadval van een niet-afgekapte schieter.

d. noodmaatregelen bij grote aantallen

Het schieterprobleem is op sommige percelen in Nederland, en nog meer in andere Europese landen, zó groot dat telers het met grof geweld moeten bestrijden. Hiervoor zetten ze (bij >500 schieters/ha) onkruidstrijkers met glyfosaat in of maaien ze de schieters (bij >10.000/ha) boven de bieten af. Het gebruik van glyfosaat heeft als groot bezwaar dat er rottende bieten in het geoogste product kunnen komen. Maaien heeft als nadeel dat het zaad dat op het onderste deel van de bloeistengels groeit, gewoon kan afrijpen.

e. Conviso Smart systeem

Conviso One wordt in de teelt van een ALS-tolerant bietenras gebruikt en heeft een goede werking op standaard onkruidbieten (niet-ALS-tolerant). Belangrijk blijft wel om van ALS-tolerante rassen alle schieters tijdig te verwijderen, de onkruidbieten die hieruit voortkomen zijn namelijk ongevoelig voor Conviso One, maar ook ongevoelig voor andere herbiciden uit dezelfde ALS-groep in andere teelten, zoals de herbiciden Atlantis Star en Capri Twin die in de graanteelt worden gebruikt.

6.1.8.4 Tot wanneer doorgaan met schieters verwijderen

In een bietengewas kunnen schieters nog tot ver in de campagne ontstaan. Afhankelijk van de weeromstandigheden kunnen ze nog rijp zaad vormen. De temperatuursom die nodig is vanaf de vorming van de bloeistengel tot rijp zaad, is ongeveer 350 graaddagen (de optelsom van de gemiddelde dagtemperaturen in een periode).

Blijf het perceel controleren en verwijder de schieters in ieder geval tot half september. Oogst u vroeg, dan kunt u iets eerder stoppen met het verwijderen van schieters. Oogst u laat (vanaf eind oktober), ga dan langer door.

6.1.8.5 Conclusie

Onkruidbieten kunnen uitgroeien tot een zeer ernstig onkruidprobleem. De aanpak van dit probleem is kostbaar. Laat het dus niet zover komen en pak het direct bij de eerste schieter aan.

Het is niet altijd duidelijk of het ˈnormaleˈ schieters zijn of schieters uit onkruidbieten, maar dit is niet belangrijk. In verband met mogelijke veronkruiding en andere fytosanitaire gevolgen, is het noodzakelijk alle schieters te verwijderen om te voorkomen dat er zich rijp zaad vormt.

Contactpersoon

Sjef van der Heijden
Onkruidbeheersing / techniek

Mogelijk ook interessant