5.6 Groenbemesters

Versie: juli 2019

De keuze van een groenbemester hangt af van verschillende aspecten. Zo zijn het zaaitijdstip en het doel van de teelt van belang. Een groenbemester kan worden ingezet om de aanvoer van organische stof te verhogen (zie hoofdstuk 4.13 ‘Organische stof’), uitspoeling van stikstof in de winter te beperken, onkruid te onderdrukken, aaltjes te reduceren of om aan de verplichting van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) te voldoen. Een verkeerde keuze van groenbemesters kan echter leiden tot een hogere druk van onkruiden en ziekten en plagen. Meer informatie over de teelt van groenbemesters met betrekking tot zaaien en bemesting kunt u vinden op Aaltjesschema.nl.

5.6.1 Teelt van bladrammenas en gele mosterd

Bladrammenas en gele mosterd zijn in het algemeen de meest geschikte groenbemesters voorafgaand aan de bieten (zie hoofdstuk 10 ‘Ziekten en plagen’). Het beste resultaat bereikt u door ze zo vroeg mogelijk te zaaien, zodat ze de bouwvoor goed doorwortelen. Vooral percelen met vroegruimende gewassen, zoals tulpen, plantuien, erwten, wintergerst of graszaad, zijn hiervoor zeer geschikt. De groenbemester kan zich dan goed ontwikkelen en levert hierdoor een uitstekende bijdrage aan de organischestofvoorziening. Bladrammenas kunt u zaaien tot begin september. Voor gele mosterd kan dat tot half september. Bladrammenas en gele mosterd ontwikkelen zich het beste als de grond voldoende los is. Ze zijn zeer gevoelig voor een slechte structuur. Zaai ze pas als de grond voldoende opgedroogd is. Geef voldoende stikstof (60-80 kg/ha). De stikstofgebruiksnormen kunt u vinden in hoofdstuk 4.14 ‘Wettelijke regels’ van de teelthandleiding of op www.rvo.nl. Indien u vroeg zaait (juli en augustus), dan heeft bladrammenas de voorkeur boven gele mosterd. Bladrammenas loopt namelijk opnieuw uit als u ze maait om zaadvorming tegen te gaan. Gele mosterd doet dit niet. Nadeel van bladrammenas en gele mosterd is dat het niet mogelijk is om wortelonkruiden te bestrijden. Dit kan wel in een grasgroenbemester, mits deze niet als vergroeningsmaatregel voor GLB wordt geteeld.

5.6.2 Invloed op ziekten en plagen

In de figuren 5.6.1, 5.6.2 en 5.6.3 staat een overzicht van de beste groenbemesters indien bepaalde aaltjes, insecten of schimmels op het perceel aanwezig zijn. Daarin is bijvoorbeeld te zien dat bladrammenas of gele mosterd zeer geschikt zijn op percelen waar alleen bietencysteaaltjes aanwezig zijn, maar bij de aanwezigheid van alleen verticillium hebben grasachtigen juist weer de voorkeur. Bedenk dus welke ziekten en plagen op een perceel aanwezig zijn en maak aan de hand daarvan de juiste keuzes.

5.6.3 Inzet mengsels van groenbemesters voor vergroeningseis GLB

Als u de groenbemester in wilt zetten om te voldoen aan de vergroeningseisen van het GLB, dan dient u een mengsel van groenbemesters in te zetten. Dit dient te bestaan uit tenminste twee verschillende soorten. Ook kan gras of een vlinderbloemige ingezaaid worden als ondervrucht in het hoofdgewas, bijvoorbeeld tarwe. De groenbemester dient ten minste 8 weken op het land te staan en dient uiterlijk 15 oktober te zijn ingezaaid. Het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen in de groenbemester is niet toegestaan (zie mijn RVO.nl). Een teler dient minimaal 75% van de door CSAR aanbevolen hoeveelheid zaaizaad te gebruiken per hectare (zie Advies zaaizaadhoeveelheden). Vanggewassen na maïs op uitspoelingsgevoelige gronden tellen niet mee als vergroeningseis. Een actueel overzicht van de toegestane groenbemesters en regelgeving vindt u op mijn RVO.nl.

Het voordeel van het telen van een mengsel is dat de kans op slagen groter is, doordat het uit meerdere componenten bestaat. Het nadeel van meerdere componenten is dat het mogelijk meer ziekten en plagen kan vermeerderen, zoals beschreven in paragraaf 5.6.2. Elke component in het mengsel telt voor een ziekte of plaag als een individuele teelt.

Figuur 5.6.1 Adviezen voor het inzaaien van groenbemesters bij aanwezigheid van aaltjes.

Figuur 5.6.2 Adviezen voor het inzaaien van groenbemesters bij aanwezigheid van plagen.

Figuur 5.6.3 Adviezen voor het inzaaien van groenbemesters bij aanwezigheid van schimmels.

Contactpersonen

André van Valen
Bodem / bemesting / zaaien / grondbewerking
Bram Hanse
Schimmels, bacteriën en virussen / diagnostiek
Elma Raaijmakers
Diagnostiek / nematoden / insecten
Linda Frijters
Coördinator proefvelden / nematoden / insecten
Sjef van der Heijden
Onkruidbeheersing / techniek

Mogelijk ook interessant