4.3 Stikstofbemesting

Versie: maart 2021

De hoogte van de stikstofbemesting beïnvloedt het rendement van de teelt van suikerbieten. Te weinig stikstof betekent een lagere wortelopbrengst en te veel stikstof is nadelig voor het suiker­gehalte en de winbaarheidsindex (WIN). Vooral het suikergehalte is bij de uitbetaling erg belang­rijk. Bij de huidige uitbetalingsmethodiek met een gehalteverrekening van 9% is een één procent hoger suikergehalte financieel gezien ongeveer evenveel waard als acht ton per hectare extra aan wortelopbrengst. Hierbij is uitgegaan van 85 ton bieten per hectare.

4.3.1 Hoogte van de stikstofgift

De hoogte van de stikstofgift kan men bepalen door gebruik te maken van de adviesformule:

N-gift (kg/ha) = 200 – 1,7 × Nmin (tot 100 kg/ha in laag 0-60 cm).

De hoeveelheid Nmin kan men in de maanden januari en februari vaststellen door een grondmonster te laten analyseren. Dit kan eventueel ook in maart, maar dan bestaat de kans dat door oplopende (bodem)temperaturen de stikstofmineralisatie in de grond op gang komt en daardoor de Nmin-hoeveelheid in de grond toeneemt. De hoeveelheid Nmin in de formule is de hoeveelheid voor de plant beschikbare stikstof die na de voorgaande wintermaanden nog in het bodemprofiel (laag 0-60 cm) achtergebleven is.

Men kan de hoeveelheid Nmin in de bodem proberen in te schatten. Dit is eigenlijk alleen enigszins verantwoord als er geen dierlijke mest in het najaar is aangewend en/of als er geen groenbemester is geteeld. De Nmin-voorraad in de grond op percelen die geen dierlijke mest hebben gekregen, is door de jaren heen op zand­grond gemiddeld 25 kg per hectare, op zavel- en lichte kleigronden 35 à 40 kg per hectare en op de zwaardere kleigronden 50 à 55 kg per hecta­re. Na een natte winter is de Nmin-voorraad lager dan deze waarden, na een droge winter hoger. Bij een Nmin-voorraad tussen 100 en 140 kg per hectare is het advies om 30 kg stik­stof per hectare te geven en boven 140 kg per hectare om geen stikstof te geven; zie figuur 4.3.1.

Figuur 4.3.1 De stikstofbemestingsadvieslijn; de bodemvoorraad wordt bepaald in de laag 0-60 cm.

Het advies dat met de formule berekend is, moet (indien van toepassing) worden gecorrigeerd voor:

  • teelt van een groenbemester

Korting op N-gift (kg/ha):

type groenbemester1 onderwerken/afsterven in herfst onderwerken in voorjaar
zonder Nmin voorjaar met Nmin voorjaar
kruisbloemigen 30 0 40
vlinderbloemigen 60 40 60
grasachtigen 30 20 40

1 kruisbloemigen: bladrammenas, gele mosterd, bladkool;
vlinderbloemigen: klaversoorten en wikke;
grasachtigen: raaisoorten en winterrogge.

De korting geldt voor goed ontwikkelde groenbemesters. Voor matig ontwikkelde groenbemesters kan de helft van de in de tabel genoemde kortingen worden genomen.

  • dierlijke mestgift in voorafgaand najaar (N uit Norg)1 tabel 4.3.4;
  • gescheurd eenjarig grasland2 -20 kg;
  • gescheurd meerjarig grasland2 -45 kg;
  • slechte structuur, ondiepe beworteling +25 kg.
    1. De aftrek voor de toediening van dierlijke mest in het najaar is nodig, omdat er in het groei­seizoen (periode maart t/m augustus) een hoeveelheid stikstof uit de mest door minera­lisatie beschikbaar komt (zie paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.4). In de Applicatie Stikstofbemesting kan deze mestgift worden ingevuld, waarna in het advies een correctie voor de nalevering van stikstof wordt opgenomen. Bij opgave van het bepaal­de N-gehalte van de mest wordt bij de berekening hiervan uitgegaan. Als men het N-gehal­te niet opgeeft, wordt gerekend met het gemid­delde gehalte van de betref­fende mestsoort. Als er geen Nmin-monster wordt genomen, moet men de stikstof­werking van de in het najaar gegeven mest inschatten (zie paragraaf 4.3.4, tabel 4.3.3). De in tabel 4.3.3 genoemde werkingspercentages gelden voor percelen zonder groenbemester;
    2. Als er geen Nmin-monster is genomen, kan men voor eenjarig en meerjarig grasland res­pec­tievelijk 50 en 100 kg stikstof per hectare aftrekken.

Algemene opmerkingen bij het advies:

  • correctie voor nalevering van gewasresten (uitgezonderd gescheurd grasland) is niet mee­ge­nomen, omdat de verschillen in nalevering tussen de gangbare voorvruchten van sui­kerbieten gering zijn (minder dan 10 kg per hectare);
  • de adviesformule is vastgesteld op basis van de resultaten van een groot aantal stikstofhoe­veelhedenproefvelden. De stikstofdepositie is dus (gemiddeld) in de formule verdiscon­teerd. Het advies hoeft hiervoor dus niet gecorrigeerd te worden. De stikstofdepositie in Nederland bedraagt overigens gemiddeld circa 15 kg per hectare;
  • er is geen correctie opgenomen voor het percentage lutum of organische stof. Uit de resul­taten van het grote aantal proefvelden die de basis van het stikstofbemestings­advies vormen, is niet gebleken dat een dergelijke correctie gerechtvaardigd is;
  • Tot 1990 werd er geen rekening gehouden met de kosten van de stikstofmeststoffen. Vanaf 1990 zijn de adviesgiften met 20 kg N per hectare verlaagd door het getal 220 in de adviesformule te verlagen naar 200.

De hoogte van de stikstofgift is onafhankelijk van het tijdstip van zaaien en oogsten van de bieten. Suikerbieten nemen namelijk het leeuwendeel van de benodigde hoeveelheid stikstof op in de periode juni tot en met augustus. Na augustus komt door mineralisatie genoeg stikstof in de grond vrij om aan de (geringe) stikstofbehoefte te voldoen. De hoogte van de optimale stikstofgift is onafhankelijk van de hoogte van de wortel- en suikeropbrengst.

De adviesformule geldt niet voor dal- en veengronden. Een Nmin-monster is op deze gronden minder betrouwbaar door de heterogene ondergrond. Voor deze gronden geldt een bruto ­advies van 150 kg stikstof per hectare. Als één of meer van de correctieposten van toepassing zijn, moet men het advies hiervoor corrigeren.

Men moet bij de stikstofbemesting rekening houden met de gebruiksnormen (zie paragraaf 4.14.1).

4.3.2 Tijdstip van toediening

Kleigrond

Op kleigrond kan men alle benodigde kunstmeststikstof al geven vanaf circa half februari. Bij stikstof strooien in februari bestaat de kans dat er nadien, onder erg natte omstandigheden, enig stikstofverlies optreedt. Het verlies blijft meestal beperkt tot maximaal circa 10 kg per hectare. Uitspoeling veroorzaakt een deel van dit verlies. Doorgaans zullen echter de verliezen door uitspoeling van kunstmeststikstof te verwaarlozen zijn. Voordat de nitraatstikstof uit kunstmest uit de bewor­telbare zone is verdwenen, moet er wel erg veel regen gevallen zijn. Per 100 mm neerslag­over­schot (neerslag minus verdamping) is de verplaatsing van nitraat­stikstof in de grond op klei- en zavelgronden respectievelijk 20 en 30 cm.

Als men stikstof strooit binnen circa drie weken voor de geschatte zaaidatum is het advies om, in ver­band met de kans op zoutschade, niet meer dan 120 kg N per hectare geven. De even­tueel res­teren­de benodigde hoeveelheid kan dan in het twee- tot zesbladstadium van de bieten toegediend worden.

Het is ook mogelijk om de stikstof na opkomst van de bieten te geven, bijvoorbeeld in het tweebladstadium. Het voordeel is dat er dan over relatief vlak land gereden kan worden, eventueel gebruik makend van (spuit)sporen.

Drijfmest mag op kleigrond uitgereden worden van 16 februari tot en met 31 juli. Wanneer er een groenbemester wordt gezaaid mag dit tot 15 september. Vaste mest mag men op klei het hele jaar toepassen.

Zand-, dal- en lössgrond

Op zand-, dal- en lössgrond kan men zonder gevaar voor zoutschade alle benodigde stikstof, zowel organisch als anorganisch, kort voor het zaaien toedienen, mits u de meststof zoals gebruikelijk inwerkt. Een gedeelde toepassing is ook mogelijk, maar levert onder de gangbare omstandigheden geen voordeel op.

Drijfmest mag op zand-, dal- en lössgrond van 16 februari tot en met 31 juli gegeven worden. Bij de teelt van een groenbemester, dan mag dit tot en met 15 september. Vaste mest mag van 1 februari tot en met 31 augustus toegepast worden.

Het komt regelmatig voor dat de bieten in het begin van het groeiseizoen slecht groeien en er wat gelig uitzien. De oorzaak hiervan is vaak koude en/of zuurstoftekort door overvloedige neerslag. Stikstofgebrek kan hier niet de oorzaak van zijn. Op stikstofbemestingsproef­velden is op onbemeste veldjes voor begin juni zelden of nooit groeiachterstand geconstateerd. Op be­meste velden, bijvoorbeeld met 50 kg stikstof per hectare, was stikstofgebrek nooit voor circa half juni zichtbaar. Een lichte, gelige loofkleur kan ook een raseigenschap zijn. Rassen met een lichte loofkleur hebben niet meer stikstof nodig dan rassen met een donkere loofkleur. Toch is men vaak bij slecht groeiende, gelige bieten geneigd om extra stik­stof te strooien. Deze extra stikstof verlaagt het suikergehalte en de winbaarheidsindex en dus ook de finan­ciële opbrengst.

4.3.3 Wijze van toedienen

Volvelds

Het volvelds uitrijden van dierlijke mest dient emissiearm, dat wil zeggen in de grond, te worden uitgevoerd. Voor vloeibare meststoffen als urean en spuiwater bestaat zoˈn verplichting niet. Deze meststoffen bevatten doorgaans relatief veel ammoniumstikstof, waarvan bij het niet-inwerken een deel verloren kan gaan. Inwerken is dus aan te bevelen!

In de rij

Bij rijentoediening plaatst men de stikstof vijf à zes centimeter naast het zaad (aan één kant), op een diepte van ongeveer 5 centimeter. Door de stikstof in de rij toe te passen, wordt de stikstof beter benut. Hierdoor kan gemid­deld ongeveer 15% stikstof bespaard worden ten opzichte van volveldstoediening. Deze besparing kan oplopen tot 30% als de bieten vroeg gezaaid worden en een trage begingroei wordt verwacht. Er zijn aan­wij­zingen dat rijentoediening bij slechte bewortelingsmogelijkheden door bijvoorbeeld een slechte structuur en/of aaltjesaantasting tot een besparingseffect van 30% kan leiden.

Een bijkomend voordeel van rijentoediening is dat de meststof egaal wordt toegediend. Dit bevordert de gewasregelmaat. Bovendien worden overlappingen en strooibanen voorkomen. Omdat de meststoffen in de grond worden gebracht, zal er vrijwel geen stikstofemissie plaatsvinden, door bijvoorbeeld ammoniakvervluchtiging.

Tegenover de voordelen staat een extra investering en een hoger gewicht (meststoftank, soms zwaardere trekker) dat over het land moet. Ook het opnieuw vullen van de tank kost wat tijd.

4.3.4 Keuze van de meststof

De stikstofbemesting kan men uitvoeren met kunstmeststikstof en/of organische mest. Als het stikstofgehalte van de organische mest tijdens het uitrijden niet bekend is en men uitgaat van een mediaan gehalte (zie tabel 4.3.2), dan is het advies om maximaal tweederde van de benodigde stik­stofgift in de vorm van organische mest toe te dienen. Na het bekend worden van het stikstofgehalte van de mest kan de eventueel resterende benodigde hoeveelheid stikstof met kunstmeststikstof worden gegeven. Als het stikstofgehalte van de mest tijdens het uitrijden bekend is, kan men zonder noemenswaardig bezwaar de volledige stikstofbehoefte met dierlijke mest dekken. Zorg dat de mest homogeen is en egaal wordt verspreid. De stelling dat bij gebruik van organische mest, vooral bij een lage Nmin-voorraad, een startgift met kunst­mest aan te raden is, is niet correct. Dit, omdat de stikstof in organische mest in principe hetzelf­de effect heeft op de suikerbieten als die in kunstmest. De voor de plant beschikbare stikstof in de mest bestaat grotendeels uit ammoniumstikstof. Deze is meestal binnen circa drie weken na toediening volledig omgezet in nitraat. Voor wat betreft de kunstmeststikstof zal op zand- en dalgrond de keuze vaak vallen op Kalkam­monsalpeter (KAS).

Op klei- en lössgronden zal de keuze meestal vallen op een mengmeststof of op KAS. Een selectie van stikstof- en stikstofhoudende meststoffen staat in tabel 4.3.1.

Tabel 4.3.1 Enkele van de belangrijkste stikstof- en stikstofhoudende meststoffen.

naam/soort gehalte (%) be1
N-totaal NO3 NH4 NH2 P2O5 K2O MgO
vaste N-meststoffen
Kalkammonsalpeter 27 13,5 13,5 0 0 0 0-4 -15
Ammonsulfaatsalpeter 26 7 19 0 0 0 0 -51
Kalksalpeter 15,5 14,4 1,1 0 0 0 0 +11
Unika chili2 14 11,5 2,5 0 0 0 0 +9,9
Nitrakali plus2 15 15 0 0 0 9 0
Unika calcium2 13 13 0 0 0 24 0 +12,2
Agrifirm bietenmix2 15,4 7,7 7,7 0 0 0 1,3
Ureum 46 0 0 46 0 0 0 -46
Sulfan (+ 6% S) 24 12 12 0 0 0 0 -34
vloeibare N-meststoffen
Urean 30 7,2-7,9 7,2-7,9 14-16 0 0 0 -30
Anasol 15 5,5 9,5 0 0 0 0 -21
Nitrosol 15 2,4 7,8 4,8 0 0 0 -25
NTS 27 3S 27 6,5 7,5 13 0 0 0 -31
NP-meststoffen
23-23 23 7,6-9 14,5-15,4 0 23 0 0 -34
26-7 26 12 14 0 7 0 0 -29
26-14 26 10,3-12 14-15,7 0 14 0 0 -32
NPK-meststoffen chloorarm3
7-14-28 7 2 5 0 14 28 0 +4
12-10-18 12 0-5 7-12 0 10 18 0 -5
15-15-15 15 2,5-6,5 8,5-12,5 0 15 15 0 -12
16-10-20 16 6,5-7 9-9,5 0 10 20 0 -8
NPK-meststoffen chloorhoudend
15-12-24 15 5,5-6,5 8,5-9,5 0 12 24 0 -5
17-17-17 17 6-7 10-11 0 17 17 0 -14
18-7-7 18 8-8,5 9,5-10 0 7 7 7 -7
20-10-10 20 9 11 0 10 10 0 -21

1 be = basenequivalent, weergegeven in kg CaO per 100 kg meststof. Is de waarde lager dan -5 dan is de meststof zuurwerkend, is de waarde hoger dan +5 dan is de meststof basisch werkend.

2 Unika chili bevat ook 2,5% SO3, 8,5% Na2O en 0,2% B. Nitrakali plus bevat tevens 21% Na2O en 0,05% B. Unika Calcium bevat tevens 12% CaO. Agrifirm bietenmix bevat tevens 18,4% Na2O, 1,3% MgO, 0,2% B en 6,2% SO3.

3 chloorarm = <2% Cl; chloorhoudend = >2% Cl.

Tabel 4.3.2 Samenstelling in gram per kg product1 van de belangrijkste dierlijke mest­soorten, digestaat en compost. Waarde is niet bekend als er niets is ingevuld.

soort ds os N-totaal Nmin Norg P2O5 K2O MgO Na2O dichtheid

(kg/m3)

dunne mest
varkens 107 79 7,0 3,7 3,3 3,9 4,7 1,5 1,2 1040
zeugen 67 25 5,0 3,3 1,7 3,5 4,9 1,4 0,9 1024
rundvee 92 71 4,0 1,9 2,1 1,5 5,4 1,2 0,7 1005
rosékalveren 94 71 5,6 3,0 2,6 2,6 5,0 1,6 1,2
witvleeskalveren 22 17 2,6 2,1 0,5 1,1 4,5 1,7 1,6
gier
varkens 20 5 6,5 6,1 0,4 0,9 4,5 0,2 0,1 1010
zeugen 10 10 2,0 1,9 0,1 0,9 2,5 0,2 0,2
rundvee 25 10 4,0 3,8 0,2 0,2 8,0 0,2 1,0 1030
vaste mest
pluimvee

(zonder nadroging)

562 416 28,4 2,9 25,7 23,0 19,2 5,5 1,7 605
kippenstrooisel 677 359 29,0 3,7 25,3 25,6 18,2 7,5 3,4 600
vleeskuikens 628 419 34,1 8,5 25,6 16,6 19,4 7,1 3,0 605
rundvee grupstal 267 155 7,7 1,1 6,6 4,3 8,8 4,1 1,1 900
mestproducten
Fertex2 30 12 22 8
mineralenconcentraat 37 14 8,2 7,5 0,7 0,4 9,7
digestaat2
Betafert basis 75 40 4,0 1,5 5,5 1,3
Betafert vast 370 160 9,0 5,5 6,0 4,0
Top Soil terrafert 275 171 12 3,7 8,2 3,2
compost
champost 336 211 7,6 0,4 7,2 4,5 10,0 2,3 0,9 550
GFT 696 242 8,9 0,8 8,1 4,4 7,9 3,3 800
groencompost 559 179 5,0 0,5 4,5 2,2 4,2 1,8 800

1 Gekozen is voor de mediane samenstelling, omdat ze minder wordt beïnvloed door sterk afwijkende waarden in de gegevenssamenstelling dan het rekenkundig gemiddelde. Vaak wijkt de mediane samenstelling niet erg af van de gemiddelde samenstelling. Van de mestproducten, de digestaten en de compostsoorten is wel de gemiddelde samenstelling weergegeven.

2 Indicatieve waarden.

Bron: Handboek Bodem en Bemesting. Voor digestaten: Crop Solutions.

Als men dierlijke mest gebruikt, moet men voor wat betreft de daarin aanwezige stikstof reke­ning houden met werkingspercentages. Deze per­centages zijn vooral afhankelijk van de soort mest, het tijdstip van toedienen en de wijze van inwerken. Ze geven aan welk deel van de totale hoeveelheid stikstof in de mest eenzelfde wer­king heeft als kunstmeststikstof. In tabel 4.3.3 staan de werkingspercentages van in het najaar toege­diende vaste mest vermeld. Deze percen­tages gelden voor onbeteelde percelen, gemiddelde weersomstandigheden en gemiddelde Nmin- en Norg-gehalten van de mest. Als er een Nmin-bemonstering van de grond plaatsvindt in bijvoorbeeld februari, zijn deze werkingspercentages niet relevant. In het Nmin-monster wordt gemeten hoeveel Nmin uit dierlijke mest na de winter is overgebleven. Deze hoeveelheid neemt men dus mee in de bere­kening van het stikstofbemestingsadvies. Van dit advies moet men vervol­gens nog een hoe­veelheid stikstof aftrekken voor stikstof uit dierlijke mest die pas in het groeiseizoen als Nmin beschikbaar komt. In de Applicatie stikstofbemesting (www.irs.nl) wordt deze hoeveelheid berekend op basis van de getallen die in tabel 4.3.4 staan.

De stikstofwerking van in het najaar toegediende vaste kippenmest, vooral die van vlees­kui­kens, kan overschat zijn van­wege de hoge Norg-fractie in deze mest. Een deel van deze Norg-fractie is urinezuur, dat eigenlijk tot de Nmin-fractie behoort1. Vaste kippenmest wordt echter niet of nauwelijks in de bietenteelt gebruikt.

Tabel 4.3.3 De stikstofwerking van in het najaar toegediende vaste dierlijke mest in percentage van het N-totaalgehalte van de mest. Dunne mestsoorten mogen in genoemde maanden niet en/of niet op onbeteelde percelen worden toegediend.

toedieningstijdstip vaste mestsoort
kippenstrooisel vleeskuikens rundvee
augustus 20 25 20
september 20 30 20
oktober 30 35 25
november 30 40 30
december 40 50 35

Tabel 4.3.4 De hoeveelheid stikstof als percentage van N-totaal, dat tussen 1 maart en 31 augustus vrijkomt uit de organische stof in dierlijke mest en compost.

mestsoort toedieningstijdstip
maand aug sept okt nov dec
dunne mest
varkens 10 12
zeugen 10 12
kippen 10 13
rundvee 10 13
vaste mest
leghennen 22 28 35 40 43
kippenstrooisel 20 20 30 30 40
vleeskuikens 19 24 29 33 36
rundvee 18 20 24 26 28
varkens 17 20 23 25 27
compost
champost 10 10 10 10 10
GFT 10 10 10 10 10

In tabel 4.3.5 staan de stikstofwerkingspercentages van in het voorjaar toegediende dierlijke mest vermeld. Dit van zowel de hoeveelheid Nmin, Norg en N-totaal. Wanneer jaarlijks dierlijke mest wordt gebruikt zijn de werkingspercentages hoger. Voor dunne mest van varkens zijn ze ongeveer 10 procentpunten hoger en voor rundvee ongeveer 20 procentpunten.

De stikstofwerkingscoëfficiënten die worden gehanteerd in de mestwetgeving, staan in paragraaf 4.14.1.

Voor zowel kunstmest als dierlijke mest is een egale verspreiding belangrijk voor de opbrengst en de interne kwaliteit van de suikerbieten. Voor de aanwending van dierlijke mest zijn wettelijke regels gesteld. De belangrijkste staan vermeld in paragraaf 4.14.

Tabel 4.3.5 De stikstofwerking van in het voorjaar (februari, maart, april) toegediende dierlijke mest en compost, uitgaande van mediane gehalten (tabel 4.3.2). Toediening van dunne mest en gier door bouwlandinjectie, vaste mest en compost bovengronds verspreid en direct daaropvolgend ingewerkt.

mestsoort stikstofwerkingspercentage
Nmin Norg N-totaal
dunne mest
varkens 95 55 75
zeugen 95 55 80
rundvee 95 15 55
rosékalveren 95 20 60
witvleeskalveren 95 15 80
gier
rundvee 95 15 90
varkens 95 55 90
zeugen 95 55 90
vaste mest
pluimvee (droog) 75 55 57
kippenstrooisel 75 55 55
vleeskuikens 75 50 55
rundvee 75 20 30
compost
champost 30
GFT compost 15
groencompost 10

1 G.L. Velthof, P.J. van Erp en J.C.A. Steevens. Karakterisering en stik­stof­mineralisatie van organische meststoffen in een nieuw daglicht; Meststoffen 1999; NMI.

Contactpersoon

André van Valen
Bodem / bemesting / zaaien / grondbewerking

Mogelijk ook interessant