4.15 Beregening

Versie: maart 2020

4.15.1 Opkomstberegening

Als er (veel) bietenzaad droog in het zaaibed ligt en er is op korte termijn geen uitzicht op regen, dan kan men overwegen om te beregenen. Hierdoor kan men zorgen voor een gelijkmatige opkomst en een regelmatig gewas. Bovendien zorgt een snelle opkomst voor een langere groei­periode.

Voor opkomstberegening luidt het advies om ongeveer 15 mm water per keer te geven. Overschrijd deze hoeveelheid op slemp­gevoelige percelen niet!

Vaak is twee keer beregenen noodzakelijk. Het gewenste interval tussen twee beregeningen is afhankelijk van het weer (zon, wind, temperatuur), maar bedraagt gemiddeld circa vijf dagen.

Het beregeningswater mag niet te zout zijn, maximaal 1.200 mg chloride per liter. Dit komt overeen met een EC-waarde van ongeveer 4,7. Dit maximale chloridegehalte ligt lager als kort voor het zaaien zout is toegediend in de vorm van kunstmest (bijvoorbeeld Kalkammon­salpeter of Kali-60) of als er een bodemherbicide is gebruikt. Hoeveel lager is niet exact aan te geven.

Opkomstberegening is ook mogelijk na de zaaibedbereiding, maar voor het zaaien.

Om het zaaibed goed te bevochtigen is vaak meer dan 20 mm water nodig. Deze methode is dan ook vooral geschikt voor zwaardere, niet slempgevoelige kleigronden.

4.15.2 Beregening in groeiseizoen

Voor het behalen van een zo hoog mogelijke opbrengst en een goede interne kwaliteit (suiker­gehalte en WIN) is een goede vochtvoorziening van het gewas in het groeiseizoen belangrijk. Dit hangt af van de hoeveelheid neerslag die in het groeiseizoen valt en het vocht­leverend vermogen van de grond.

Bieten verbruiken bij voldoende vocht globaal 400 tot 480 liter water per m2 tussen mei en oktober. In de maanden juni en juli is de waterbehoefte doorgaans het grootst. Het waterverbruik is in die maanden in totaal circa 275 liter per m2. Voor de productie van 1 kg droge stof verbruikt de suikerbiet ongeveer 210 liter water [2].

Opheffen vochttekort

Het vochtleverend vermogen van de grond wordt bepaald door de aard en samenstelling van de bodem (humusarm zand houdt minder vocht vast dan veen), de bewortelingsdiepte en de moge­lijke aanvoer van vocht vanuit het grondwater (capillaire opstijging). Wat dit laatste betreft is de samenstelling van de ondergrond en de afstand van het grondwater tot de onderkant van de bewortelde zone belangrijk. Op sommige percelen kan men deze afstand verkleinen en daarmee de droogtegevoeligheid verminderen door (onder)grondverbetering toe te passen. Hierbij moet men vooral denken aan het opheffen van storende lagen (bijvoorbeeld ploegzool, schelpenbank, oerbank, gliedelaag).

Andere maatregelen die men kan nemen om de beschikbare hoeveelheid water optimaal te benutten zijn:

  • het in stand houden of verhogen van het organische stofgehalte. Verhogen van het gehalte is, zeker op korte termijn, vrijwel onmogelijk;
  • zorgen dat water de bodem kan indringen (ploegen, spitten, (vastetand)cultivateren);
  • waterconservering en peilbeheer gericht op langer vasthouden van water. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van stuwen, het ophogen van slootbodems en het dempen van greppels.

Vochttekort kan men opheffen door te beregenen. Hoewel op zeekleigronden in Nederland gemiddeld bijna 20% van de percelen in droge jaren voor beregening in aanmerking komt [3], vindt dit hier zelden plaats. Vooral omdat er in de kuststreek geen water van goede kwaliteit beschik­baar is. Op zand- en dalgronden komen vooral de hoog gelegen percelen met een diepe grond­waterstand (geen capillaire opstijging) voor beregening in aanmerking. Gemiddeld voldoet op deze gronden ongeveer één op de drie percelen aan deze beschrijving.

Door de jaren heen beregent men bieten op de zandgronden het meest, vooral in het zuid­oostelijk zandgebied. Dit gold ook voor de droge jaren 2018, 2019 en 2020 (zie tabel 4.15.1).

Tabel 4.15.1 Gemiddeld aantal keren dat er beregend is en het gemiddeld aantal millimeters dat beregend is in 2018, 2019 en 2020 (bron: Unitip).

regio 2018 2019 2020
aantal giften aantal mm totaal aantal giften aantal mm totaal aantal giften aantal mm totaal
Flevoland 1,9 39 1,3 23 1,3 20
Holland 1,6 34 1,0 17 1,7 26
Noordelijke klei 1,1 30 1,4 39 1,3 24
Noordelijke lichte grond 2,8 80 2,3 69 1,8 48
Zuidoostelijk klei/löss 2,5 74 1,9 52 2,0 46
Zuidoostelijk zand 4,1 118 3,4 102 3,4 98
Zuidwesten 1,9 50 1,7 39 1,6 29
Nederland 3,2 90 2,8 82 2,3 56

Tijdstip beregenen

Bladverwelking door droogte is vrijwel nooit positief, maar ook zelden ernstig, zolang het blad niet beschadigd is [5,6]. Daarom wordt ook gezegd dat men met beregenen moet beginnen als het loof van de bieten ˈs nachts niet meer (helemaal) overeind komt. In die situatie is er meestal sprake van beschadigd (afgestorven/verbrand) blad. Dan is er sprake van verminderde groei en dus opbrengstderving. Als er beregeningsmogelijkheden zijn en er wordt op korte termijn geen neerslag van betekenis verwacht, dan moet men niet langer met beregenen wachten.

Verder speelt het tijdstip van droogte een rol bij de hoogte van de verliezen door droogte. Zowel uit vroeger onderzoek uit ons land als uit onderzoek in het buitenland bleek dat een vochttekort in het begin van de groeiperiode (rond het sluiten van het gewas) nadeliger is dan een later vochttekort [4].

In tegenspraak hiermee is dat in een driejarig Duits onderzoek bleek dat een twee weken durende droogtestress begin juli nauwelijks opbrengstverlies opleverde, in tegenstelling tot een twee weken durende droogtestress eind augustus. Deze droogteperiode kostte gemiddeld bijna 13% opbrengst [7].

Men kan het juiste moment van beregenen trachten in te schatten op basis van bodemvocht­bepalingen, bijvoorbeeld met behulp van sensoren. Onderzoek moet uitwijzen of deze methode perspectief biedt.

Ook kan men een vochtbalans opstellen met behulp van weergegevens (neerslag – verdamping), rekening houdend met de eigenschappen van de bodem.

Hoeveelheid water

Een watergift van 40 mm (30 mm effectief), gevolgd door eenzelfde gift na tien dagen (bij aanhoudende droogte) gaf in onderzoek de hoogste opbrengst [2] en is ook een praktische adviesgift.

Kwaliteit van het water

Beregeningswater moet aan een aantal kwaliteitseisen voldoen. De belangrijkste is dat het water niet te zout mag zijn, alhoewel suikerbieten beter tegen zout water kunnen dan veel andere gewassen. De meeste akkerbouwgewassen verdragen water met een chloridegehalte tot 900 mg per liter. Suikerbieten (en granen) verdragen water met een chloridegehalte tot 1.200 mg per liter. Naast het chloridegehalte hebben ook andere ionen invloed op de kwaliteit. Hoge gehalten aan bijvoorbeeld ijzer, bicarbonaat, borium en sulfaat kunnen de gewasgroei negatief beïnvloeden. Bij aanwezigheid van bicarbonaat en minimaal 5 mg ijzer per liter treedt bruinverkleuring van de bladeren op. Als er daarnaast ook nog chloride en/of sulfaat in het water zit, ontstaat verbranding in de vorm van stipjes of vlekken. Als het sulfaat- en/of chloridegehalte meer dan 50 mg per liter bedraagt, is het maximaal toelaatbare ijzergehalte 10 mg per liter.

Effect op opbrengst en interne kwaliteit

Bij vochttekort bedraagt het effect van beregening op de wortelopbrengst gemiddeld ongeveer 200 kg per hectare per mm effectief water. Onder effectief water verstaan we beregeningswater dat daadwerkelijk voor het gewas beschikbaar is. Globaal 75% van de watergift is voor het gewas beschikbaar en is dus effectief water. De spreiding rondom de gemiddelde toename van het wortelgewicht is vrij groot en is onder andere afhankelijk van het tijdstip waarop het vocht­tekort optreedt. In tabel 4.15.2 staan de resultaten van een berege­ningsproef van het IRS, aangelegd in 1989, op een perceel droogtegevoelige zandgrond in Bergeijk. Al vroeg (in juni) was er sprake van vochttekort. In totaal is zeven keer beregend, tussen 18 juni en 13 september, met 40 mm water per keer.

Tabel 4.15.2 Opbrengst en interne kwaliteit beregeningsproefveld Bergeijk 1989.

object wortelopbrengst

(t/ha)

suikergehalte

(%)

suikergewicht

(t/ha)

K Na aN WIN
(mmol/kg biet)
beregend 84,2 15,9 13,4 52 6 28 86,9
niet beregend 42,0 14,7 6,2 53 9 38 84,1

De toename van de wortelopbrengst per mm effectief water was op dit proefveld:

(84,2 – 42,0) / ((7 × 40) × 0,75) = 0,2 ton/ha.

Uit Unitip-gegevens van 2008 tot en met 2013 blijkt dat de gemiddelde suikeropbrengst van beregende zandpercelen 1.240 kg per hectare hoger is dan van niet-beregende zandpercelen. De gemiddelde totale watergift was 57 mm per hectare (bron: Unitip 2013, Suiker Unie).

Aan het einde van een droogteperiode is het suikergehalte vaak hoog (hangt onder andere af van ernst en duur van vochttekort). De eerste weken na beregening of neerslag zal het suikergehalte fors dalen. Dit komt vooral door vochtopname. Op langere termijn zal het suikergehalte weer toenemen. Dit wordt geïllustreerd in tabel 4.15.3. In deze tabel wordt de ontwikkeling van het suikergehalte en de interne kwaliteit weergegeven in een periode kort voor het einde van de droogte (eind augustus) tot half oktober. In de droogteperiode hadden de bieten vrijwel het gehele bladapparaat verloren.

Tabel 4.15.3 Verloop interne kwaliteit na periode van droogte, Wouwse Plantage 2003.

object suikergehalte K Na K+Na aN WIN
  (%) (mmol/kg biet)  
vlak voor einde droogte (27-08-03) 21,8 66 2,9 69 65 86,4
paar weken na regen (17-09-03) 15,9 49 2,6 51 38 86,3
circa half oktober 16,4 45 2,7 48 31 87,8

Uit vroeger IRS-onderzoek bleek dat de opbrengst en interne kwaliteit van de bietenrassen toen identiek op vochttekort reageerden.

Rentabiliteit van beregening

Beregening is rendabel als de kosten van aanschaf en gebruik van de beregeningsapparatuur op zijn minst door de financiële meeropbrengst van de gewassen wordt gecompenseerd. Dit moet men in bedrijfsverband beoordelen. De droogtegevoeligheid van de grond en het bouwplan zijn in grote mate bepalend voor de rentabiliteit.

Uit modelberekeningen bleek dat beregening van suikerbieten op droogtegevoelige grofzandige zandgrond gemiddeld over 42 jaar rendabel was [1, 2]. Of beregening bij de huidige kosten en bietenprijzen ook nu nog rendabel is, kan per bedrijf verschillen.

4.15.3 Literatuur

  1. Dekkers, W.A. en Smid, J.: Meerjarig rendement van beregenen op noordelijke zand- en dalgronden. Verslag nr. 224, Proefstation voor de Akkerbouw en de Groenteteelt in de Vollegrond, december 1996.
  2. Vandenbosch, T., Philipsen, B., Janssen, S., Huybrechts, M., Wera, G., van den Pol-van Dasselaar, A., Alblas, J., Grashoff, K.: Droogtetolerantie van landbouwgewassen in het Benelux Middengebied. Literatuurstudie juni 2000.
  3. Beregeningsonderzoek in de akkerbouw. Inventarisatie van de bestaande kennis en van de onderzoeksbehoefte. Verslag van de gespreksgroep beregening akkerbouw. Directie Landbouwkundig Onderzoek, juli 1979.
  4. Houtman, H.J.: Beregening van suikerbieten. Maandblad Suiker Unie 27 nr. 6/7 – juni/juli 1993.
  5. Ober, E. (Brooms Barn, UK): persoonlijke mededeling.
  6. Windt, A.: Das Geheimnis der hohen Rübenerträge 2003. Top Agrar 2/2004.
  7. Kachel, K., Roth, D.: Ergebnisse und Empfehlungen zur Zuckerrübenberegnung mit hinweisen für ihre Einordnung in Spitzenbedarfszeiten. Feldwirtschaft 31 (1990) 5.

Contactpersoon

André van Valen
Bodem / bemesting / zaaien / grondbewerking

Mogelijk ook interessant