4.14 Wettelijke regels

Versie: maart 2021

De belangrijkste wettelijke regels over het gebruik van meststoffen staan in de Meststoffenwet, de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, het Uitvoerings­besluit Meststoffenwet en het Besluit gebruik meststoffen (BGM). Hieronder staat een selectie beschreven. Meer informatie is te vinden op www.rvo.nl.

4.14.1 Meststoffenwet, Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

Er gelden gebruiksnormen voor dierlijke mest, stikstof en fosfaat.

Gebruiksnorm dierlijke mest

De maximale stikstofgift (N-totaal) met dierlijke mest bedraagt 170 kg per hectare en op derogatiebedrijven 250 of 230 kg per hectare, afhankelijk van de ligging en grondsoort. Het gaat om gemiddelde maximale giften. Men mag dus het ene perceel meer en het andere perceel minder geven. De fosfaatgebruiks­norm mag men hierbij niet overschrijden.

Alle meststoffen waarin dierlijke mest voorkomt, worden beschouwd als dierlijke mest. Champost bijvoorbeeld (waar onder andere paardenmest in zit) valt onder dierlijke mest.

Gebruiksnorm stikstof

Voor ieder gewas is op basis van de geldende bemes­tings­adviezen vastgesteld hoeveel stikstof maximaal mag worden gegeven. Voor suikerbieten op klei bijvoorbeeld is de gebruiksnorm voor 2018 tot en met 2021 vastgesteld op 150 kg stikstof per hectare en op zand-, löss- en veengrond op 145 kg per hectare. Voor het zuidelijk zand- en lössgebied geldt een stikstofge­bruiksnorm voor suikerbieten van 116 kg per hectare. Op klei geldt een extra norm voor suikerbieten van 15 kg stikstof per hectare per jaar, mits men kan aantonen dat de gemiddelde wortelopbrengst van de laatste drie jaar hoger dan 75 ton per hectare was.

Als equivalente maatregel kan men een opbrengstafhankelijke verhoging van de stikstofgebruiksnorm voor (o.a.) suikerbieten aanvragen (onder voorwaarden; zie artikel 28c Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). Zie tabel 4.14.1.

Tabel 4.14.1 Toegestane verhoging van de N-gebruiksnorm voor suikerbieten in kg N per hectare per jaar, afhankelijk van de gemiddelde wortelopbrengst van de afgelopen drie jaren.

gem. wortelopbrengst

(ton/ha)

verhoging (kg N/ha)
55-65 5
65-75 15
75-85 30
85 of meer 35

Voor niet-vlinderbloemige groenbemesters (bladrammenas, gele mosterd, gras, granen) op klei en veen is de stikstofgebruiksnorm 60 kg per hectare, op zand en löss 50 kg per hectare. Voor vlinderbloemige groenbemesters (bijvoorbeeld wikke) geldt een stikstofgebruiksnorm van 30 kg per hectare op klei en veen en van 25 kg per hectare op zand en löss. Deze normen gelden onder de volgende voorwaarden:

Zand, veen en löss: groenbemester moet een teler uiterlijk 16 september inzaaien en na 1 december ploegen.

Klei: groenbemester moet een teler voor 16 september inzaaien en aantoonbaar minimaal 8 weken telen.

Als de groenbemester geteeld wordt op zand- of lössgrond en na een uitspoelingsgevoelig gewas, dan mag men maar 50% van de stikstofgebruiksnorm gebruiken.

Dit zijn de voorwaarden voor de mestwetgeving. Voor vergroening gelden andere voorwaarden.

Net als bij dierlijke mest is men vrij om het ene gewas meer en het andere gewas minder stikstof te geven. Bij de gebruiksnorm van stikstof gaat het om werkzame stikstof. Het werkingspercentage van kunstmeststikstof is op 100 gesteld. De werkingspercentages van dierlijke mest en andere mest­stoffen zijn lager vastgesteld. Voor dierlijke mest moet onderscheid gemaakt worden voor wat betreft het tijdstip van toedienen; zie tabel 4.14.2.

Tabel 4.14.2 Werking van stikstof in stelsel van gebruiksnormen (2020).

mestsoort werking voorjaar werking najaar
zand, löss klei, veen zand, löss klei, veen
varkensdrijfmest 80 60 verbod verbod
overige soorten drijfmest 60 60 verbod verbod
vaste mest varkens, pluimvee, nertsen 55 55 verbod 55
vaste mest rundvee 40 40 verbod 30
vaste mest overige soorten 40 40 verbod 30
compost 10 10 10 10
champost 25 25 25 25
overige organische meststoffen 50 50 50 50

In de tabel is zichtbaar dat de najaarstoediening van drijfmest is verboden. Dit verbod geldt vanaf 1 augustus, met uitzondering van percelen waar voor 15 september een groenbemester wordt ingezaaid. Op die percelen mag tot en met 15 september drijfmest worden uitgereden. Op zand- en lössgrond mag vaste mest worden uitgereden tot en met 31 augustus. Onder ˈoverige organische meststoffenˈ valt onder andere Betacal.

Gebruiksnorm fosfaat

De fosfaatgebruiksnorm is afhankelijk van de fosfaattoestand van de bodem. Deze toestand moet blijken uit bemonstering en analyse van de oppervlakte bouwgrond. Als de bodem niet bemonsterd en geanalyseerd is, moet men de laagste fosfaatgebruiksnorm (categorie hoog) hanteren. In tabel 4.14.3 staan de fosfaatgebruiksnormen voor bouwland.

Tabel 4.14.3 Fosfaattoestand en gebruiksnormen voor bouwland vanaf 2021, gebaseerd op het P-AL-getal en de P-CaCl2-getal.

indeling klassen P-CaCl2-getal indeling klassen P-AL-getal
<21 21 – 30 31 – 45 46 – 55 >55
<0,8 arm (120) arm (120) arm (120) laag (80) laag (80)
0,8 – 1,4 arm (120) arm (120) arm (120) laag (80) neutraal (70)
1,5 – 2,4 arm (120) arm (120) laag (80) neutraal (70) ruim (60)
2,5 – 3,4 arm (120) laag (80) neutraal (70) ruim (60) hoog (40)
>3,4 laag (80) laag (80) neutraal (70) ruim (60) hoog (40)

De equivalente maatregelen voor verhoging van de fosfaatgebruiksnorm zijn in 2020 komen te vervallen.

Fosfaatklasse arm

Voor fosfaatarme en -fixerende gronden geldt een fosfaatgebruiksnorm van 120 kilo per hectare per jaar, zolang aan de voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden staan op de website van de RVO.

Fosfaatklasse hoog

In de fosfaatklasse hoog is een mogelijkheid om vijf kilo extra fosfaat aan te voeren bovenop de gebruiksnorm van 40 kilo, mits aan de voorwaarden in artikel 33b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt voldaan. Daarvoor moet aantoonbaar ten minste 20 kilo fosfaat afkomstig zijn uit organische stofrijke bronnen:

– Strorijke vaste mest van rundvee, schapen, geiten of paarden;

– Dikke fractie van mest van rundvee;

– Champost;

– GFT compost;

– Groencompost.

De fosfaatwerking van alle fosfaathoudende meststoffen is op 100% gesteld. Er is één uitzon­dering: fosfaat in compost is voor 50% vrijgesteld met een maximum van 3,5 kg P2O5 per ton droge stof.

Zuiveringsslib en compost

Zuiveringsslib en compost moeten onder andere voldoen aan kwaliteitsnormen voor de gehalten aan zware meta­len en organische stof (of NW bij zuiveringsslib). Als aan één of meerdere normen niet wordt voldaan, dan mag de meststof niet worden toegediend. In tabel 4.14.5 staan de kwaliteitsnormen van zuiveringsslib en compost vermeld.

Tabel 4.14.5 Minimaal vereiste organische stofgehalte (of NW) in per­centage op droge stof en de maximaal toegelaten gehalten aan zware metalen en arseen in zuiverings­slib en compost in mg per kg droge stof.

zuiveringsslib compost
organische stof 50 10
(of NW) 25
zware metalen
cadmium (Cd) 1,25 1
chroom (Cr) 75 50
koper (Cu) 75 90
kwik (Hg) 0,75 0,3
nikkel (Ni) 30 20
lood (Pb) 100 100
zink (Zn) 300 290
arseen (As) 15 15

– voor compost zijn geen eisen geformuleerd voor NW.

4.14.2 Besluit gebruik meststoffen

Gebruiksnormen zuiveringsslib

Zuiveringsslib mag men alleen toedienen als uit de analyse van een grondmonster blijkt dat de grond voldoet aan de toetsingswaarden die in het Besluit Gebruik Meststoffen (BGM) (bijlage 3) vermeld staan.

De gebruikte hoeveelheid vloeibare zuiveringsslib mag op bouwland niet groter zijn dan 2 ton droge stof per hectare per jaar. De toegestane dosering steekvast zuiveringsslib mag niet groter zijn dan 4 ton droge stof per hectare per twee jaren.

Uitrijregels
  • Dierlijke mest, kunstmeststikstof en zuiveringsslib mag men niet toedienen als de bodem geheel of gedeeltelijk bevroren is, geheel of gedeeltelijk bedekt is met sneeuw, of wanneer de bovenste laag is verzadigd met water.
  • Zuiveringsslib en compost moet men zo gelijkmatig mogelijk over het perceel versprei­den.
  • Voor zuiveringsslib gelden dezelfde regels voor het uitrijden en inwerken (emissiearme aanwending) als voor dierlijke mest.
  • Compost hoeft men niet emissiearm aan te wenden.
  • Op gronden met een hellingspercentage van zeven of meer is het gebruik van dierlijke mest­stoffen, kunstmeststikstof en overige organische meststoffen slechts onder voorwaar­den toe­gestaan.

Uitrijverboden dierlijke mest bouwland

Op alle grondsoorten is het verboden om drijfmest uit te rijden vanaf 1 augustus tot en met 15 februari. Indien een teler een groenbemester teelt, mag hij in de maand augustus en tot en met 15 september ook drijfmest toepassen wanneer de groenbemester tot die datum wordt gezaaid.

Vaste mest mag een teler op zand-, dal- en lössgrond niet toepassen vanaf 15 september tot en met 31 januari. Op klei- en veengrond mag een teler het hele jaar vaste mest uitrijden.

Emissiearm aanwenden van dierlijke mest op bouwland

  • Drijfmest moet in één werkgang op de grond worden gebracht en ingewerkt, zodanig dat de mest niet meer zichtbaar is.
  • Op beteeld bouwland wordt de drijfmest in de grond gebracht in sleufjes van maximaal 5 cm breed.
  • Op onbeteeld bouwland wordt de drijfmest in de grond gebracht in sleufjes van maximaal 5 cm breed en minimaal 5 cm diep.
  • Vaste mest moet in maximaal twee direct opeenvolgende werk­gangen op de grond worden gebracht en ingewerkt, zodanig dat de mest niet meer zichtbaar is.

Op bouwland gelegen op Texel en op zandgrond in het veenkoloniaal gebied hoeft men ter voorkoming van winderosie de drijfmest niet emissie­arm aan te wenden.

Gebruiksverbod kunstmeststikstof

In de periode van 16 september tot en met 31 januari is het verboden om kunstmeststikstof te gebruiken. Er zijn een paar uitzonderingen:

  • bouwland dat gelijkmatig is beteeld met vollegrondsgroente;
  • fruitteelt op bouwland in de periode 16 september tot en met 15 oktober;
  • gebruik van ureum in de fruitteelt op bouwland;
  • hyacinten- en tulpenteelt op bouwland in de periode van 16 september tot en met 31 januari.

Vernietigen van grasland

De voor de akkerbouw belangrijkste regels voor het vernietigen van grasland zijn:

  • op klei- en veengrond mag men grasland scheuren (vernietigen) in de periode 1 februari tot en met 15 september. Op kleigrond mag ook grasland gescheurd worden in de periode 1 november tot en met 31 december, mits het eerstvolgende gewas een ander gewas is dan gras;
  • op zand- en lössgrond mag men grasland scheuren in de periode tussen 1 februari en 31 mei. Voorwaarde voor scheuren is dat direct aaneensluitend een stikstofbehoeftig gewas wordt geteeld. Een lijst met stikstofbehoeftige gewassen en overige regels rondom grasland scheuren staan op de website van RVO.

Gras voor graszaad valt niet onder deze regels.

4.14.3 Activiteitenbesluit Milieubeheer

Ondernemers zijn verplicht om bij het kunstmest strooien langs oppervlaktewater gebruik te maken van kantstrooiapparatuur.

Bij gebruik van bladmeststoffen moet men kantdoppen gebruiken om te voorkomen dat er middel in het oppervlaktewater komt.

Contactpersoon

André van Valen
Bodem / bemesting / zaaien / grondbewerking

Mogelijk ook interessant