1.4 Rassenkeuze

versie: augustus 2021

De gegevens over de rassen in de rassenlijst zijn verkregen uit onderzoek dat minimaal gedu­rende drie jaar is verricht op meerdere proefvelden, die verspreid over het land zijn aangelegd. Dit is een solide basis voor een verantwoorde rassenkeuze. Bij de rassenkeuze dient een teler eerst te kiezen voor de juiste resistenties, bestaande uit resistenties tegen (aanvullend) rhizomanie, rhizoctonia en bietencysteaaltjes. Het onderstaande diagram is een hulp bij die keuze:

Diagram Description automatically generated

1.4.1 Rhizomanie

Alle in Nederland verkochte suikerbietenrassen zijn sinds 2007 partieel resistent tegen rhizo­manie. Deze resistentie berust op het gebruik van één resistentiegen (Rz1). Ook bij toepassing van deze rassen kunnen later in het seizoen een beperkt aantal planten met een bleekgeel of bleekgroen verkleurd loof voorkomen. Dit zijn de zogenaamde ˈblinkersˈ, waarvan er niet meer dan circa 2-5% egaal verspreid op een perceel aanwezig mogen zijn.

Eind 2010 is vastgesteld dat op percelen met extreem veel blinkers (meer dan circa 2-5%) of op plekken en stro­ken met blinkers een resisten­tiedoorbre­kende variant (bijvoorbeeld met de nadere variant aanduiding AYPR, TYPR of VYPR) van het rhizomanievirus voorkomt. Deze varianten doorbreken de resistentie van het resistentiegen (Rz1). Om dergelijke varianten te beheersen is aanvullende resistentie nodig. Een ras met aanvullende resistentie tegen rhizomanie bevat twee resistentiegenen (Rz1 en Rz2). Op de Aanbevelende Rassenlijst en in de Brochure Suikerbietenzaad wordt de mate van aanvullende resistentie expliciet vermeld bij deze rassen in de laatste kolom (zeer goed, goed of matig). Meer informatie over rhizomanie kunt u lezen in paragraaf 10.7.1 ˈRhizomanieˈ van de teelthandleiding.

1.4.2 Rhizoctonia

De bodemschimmel Rhizoctonia solani komt veel voor op zandgrond, maar soms ook op andere grondsoorten en kan veel schade aan de bieten veroorzaken. Chemische be­strijding is niet mogelijk. Rhizoctoniaresistente rassen beperken veelal de schade. Is er risico op rhizoctonia, dan is het advies om een rhizoctoniaresistent ras te bestellen. Of er rhizoctonia op een perceel zal voorkomen is nooit met zekerheid te voorspellen, maar het risico is groot als in een gebied veel rhizoctonia voorkomt en in het bouwplan regelmatig goede waardplanten van rhizoctonia voorkomen. De bekendste waardplant is maïs, maar ook gladiolen, lelies en enkele vollegrondsgroenten, zoals (was)peen, kunnen rhizoctonia vermeerderen. In de bovenstaande gevallen is een rhizoctoniaresistent ras de beste keuze. Dit geldt ook voor kleipercelen als daar eerder problemen waren met rhizoctonia. Op percelen waar een risico op rhizoctonia bestaat komen soms ook bietencysteaaltjes voor. In dat geval is het advies om een rhizoctoniaresistent ras te gebruiken met tevens bietencysteaaltjesresistentie.

Het resistentieniveau van de rassen verschilt. Dit wordt in de rassenlijst weergegeven met de aanduiding zeer goed, goed of matig. Deze classificatie is gebaseerd op een cijfer voor rhizoctonia-aantasting (ziekte-index) gemeten in kunstmatig geïnfecteerde proeven. Als een teler veel rhizoctonia verwacht, dan kan hij het beste kiezen voor een ras met een (zeer) goede resistentie.

De resistentie van deze rassen is niet volledig. Vooral bij een vroege aantasting kan nog plantuitval plaatsvinden. Bij een zware besmetting kunnen ook later in het seizoen deze bietenrassen aangetast worden en gaan rotten. De kans op schade door rhizoctonia neemt toe door een slechte structuur en door de teelt van waardgewassen. Zorg daarom vooral voor een goede structuur van de grond en beperk de teelt van bieten na risicovolle gewassen. Goede voorvruchten zijn: granen, aardappelen, blad­rammenas en gele mosterd. Alle rhizoctoniaresistente rassen zijn ook resistent tegen rhizomanie. De relatieve opbrengst- en kwaliteitsgegevens van deze rassen en het resistentieniveau staan vermeld in de eerste tabel van de Brochure Suikerbietenzaad.

Meer informatie over rhizoctonia kunt u lezen in paragraaf 10.5.1 ˈRhizoctoniaˈ van de teelthandleiding.

1.4.3 Bietencysteaaltjes

In vrijwel alle teeltgebieden komen aantastingen door bietencysteaaltjes voor. Er zijn twee soor­ten: het witte bietencysteaaltje (Heterodera schachtii) en het gele bietencysteaaltje (Heterodera betae). Bietencysteaaltjesresistente rassen beperken de vermeerdering van en de schade door zowel het witte als het gele bietencysteaaltje. Deze rassen zijn partieel resistent. Dit betekent dat er nog altijd vermeerdering kan zijn van het bietencysteaaltje. De vermeerdering is echter wel flink minder dan bij de vatbare rassen. Vanwege de kans op vermeerdering zijn aanvullende maatregelen nodig, zie hiervoor hoofdstuk 10.2.3 ˈBietencysteaaltjesˈ.

De relatieve opbrengst- en kwaliteitsgegevens van de partieel resistente rassen staan vermeld in tabel 2 van de Brochure Suikerbietenzaad. Op proef­velden met een matige tot zeer zware beginbesmetting van bietencysteaaltjes is de opbrengst van de resistente rassen aanzienlijk hoger dan die van de vatbare rassen. De teler dient er zich echter wel van bewust te zijn dat ook de partieel resistente rassen enige schade ondervinden bij zeer hoge dichtheden en dat aanvullende maatregelen dus nodig zijn. De in de tabel vermelde opbrengsten zijn bepaald op proefvelden met bietencysteaaltjes.

Onder niet besmette omstandigheden is de financiële opbrengst van de meeste van deze rassen vergelijkbaar met die van de rhizomanieresistente rassen. In tabel 3 van de Brochure Suikerbietenzaad kan de teler bietencysteaaltjesresistente rassen vergelijken met rhizomanierassen zonder bietencysteaaltjesresistentie onder niet-besmette omstandigheden. Al bij een lichte besmetting of bij twijfel over de aanwezigheid van bietencysteaaltjes kan het lonen om een bietencysteaaltjesresistent ras te kiezen. De teler dient wel rekening te houden met hogere zaadkosten voor deze rassen. Heeft het perceel geen bietencysteaaltjes (bij voorkeur met een grondmonsteranalyse vastgesteld), dan kan de teler eveneens een keuze maken uit de lijst van rhizomanieresistente rassen. Het advies is om bij een rotatie van suikerbieten of andere waardplanten van bietencysteaaltjes (bijv. spruitkool of koolzaad) van 1 op 5 of krapper te kiezen voor een bietencysteaaltjesresistent ras.

1.4.4 Bladgezondheid

In de Aanbevelende Rassenlijst en Brochure Suikerbietenzaad 2021 is ook informatie opgenomen over de bladgezondheid van rassen ten aanzien van cercospora op basis van drie jaar onderzoek. De bladgezondheid wordt weergegeven met een klassering die loopt van cijfer 9 (zeer hoge bladgezondheid) tot 4 (zeer lage bladgezondheid). Deze indeling is gebaseerd op waarnemingen die in 2018, 2019 en 2020 zijn uitgevoerd op speciaal aangelegde proefvelden voor beoordeling van de bladgezondheid van rassen. Deze proefvelden zijn aangelegd in regio’s waar een hoge bladschimmeldruk verwacht werd en tijdens het groeiseizoen zijn geen fungicidebespuitingen uitgevoerd. In 2018, 2019 en 2020 ontstond vooral aantasting door cercospora en niet of nauwelijks door andere bladschimmels. Daardoor konden alleen voor cercospora betrouwbare gegevens verzameld worden. In september/oktober waren er duidelijke verschillen in aantasting zichtbaar in het veld en zijn de rassen beoordeeld. Uiteindelijk vertoonden echter bijna alle rassen een dermate zware aantasting dat het blad massaal afstierf wat een (forse) opbrengstderving geeft. Daarom dient er rekening mee gehouden te worden dat aandacht voor bladschimmelbeheersing tijdens het seizoen onverminderd nodig blijft, ook bij rassen met een hoog cijfer voor bladgezondheid. Hierbij speelt ook mee dat we in Nederland te maken hebben met vijf bladschimmels: cercospora, stemphylium, ramularia, roest en meeldauw. Om schade te voorkomen moeten ze allemaal beheerst worden. Bladvlekken kunnen op elkaar lijken, maar toch veroorzaakt zijn door verschillende schimmels. Dit heeft ook als consequentie dat de bladgezondheid van rassen ten aanzien van een van deze bladschimmels niets zegt over de bladgezondheid ten aanzien van een andere bladschimmel. Er blijven dan altijd nog vier andere over die schade kunnen doen.

Daarnaast is er voor stemphylium vastgesteld dat de gevoeligheid van rassen afhankelijk is van het isolaat en dus kan verschuiven door de jaren heen.

Keuze van een ras met hoge bladgezondheid is daarom niet voldoende om schade te voorkomen. Ook bij deze rassen ligt de schadedrempel bij de eerste aantasting/vlekjes.

Om schade veroorzaakt door de vijf bladschimmels, cercospora, stemphylium, ramularia, roest en meeldauw te voorkomen, moeten ze worden bestreden. Hiervoor is de bladschimmelwaarschuwingsdienst actief. Voor alle rassen geldt dat als er een waarschuwing (sms) uitgaat, ze gecontroleerd moeten worden op bladschimmels. Pas wanneer na een grondige controle de eerste vlekjes van één of meerdere bladschimmels zijn gevonden, is het nodig om een bespuiting met een fungicide uit te voeren. Zie voor meer informatie: www.irs.nl/bladschimmel en paragraaf 10.4 ˈBladschimmelsˈ in de teelthandleiding.

1.4.5 Conviso Smart

Voor percelen waar onkruidbieten of bepaalde probleemonkruiden verwacht worden is de inzet van een Conviso Smart ras te overwegen. Conviso Smart rassen hebben een resistentie tegen het herbicide Conviso One. Sinds 2019 zijn op beperkte schaal de eerste ervaringen in de praktijk opgedaan met een Conviso Smart ras. Op de Aanbevelende Rassenlijst voor 2021 is voor het eerst een Conviso Smart ras opgenomen. In de Brochure Suikerbietenzaad 2021 zijn eveneens twee Conviso Smart rassen opgenomen die nog maar twee jaar onderzocht zijn. Conviso Smart rassen zijn beperkt beschikbaar en alleen in overleg met Cosun te bestellen. Zie voor meer informatie paragraaf 6.1.6 ‘Conviso Smart systeem’ in de teelthandleiding.

1.4.6 Aphanomyces

In 2016 en in mindere mate 2014 zijn veel telers overvallen door het optreden van aphanomyces in de bieten. Voor Nederland was de schaal waarop het in 2016 voorkwam ongebruikelijk groot. Aantasting kwam in dat jaar vooral voor op zand- en dalgrond met een pH lager dan 6,0 en hing samen met de extreme hoeveelheid neerslag in juni en juli. In alle rassen kwam aantasting voor, maar in sommige rassen meer dan in andere. Dit kwam ook naar voren uit de beoordeling van bieten van enkele rassenproeven in Noordoost- en Zuidoost-Nederland. In 2021 is op diverse percelen op zand- en dalgrond na overvloedige neerslag in mei en juni wederom aantasting door aphanomyces ontstaan. Bij diverse rassen is in meer of mindere mate aantasting waargenomen, waarbij vooral het ras Caprianna KWS gevoelig blijkt te zijn voor aphanomyces. Deze informatie was niet eerder naar voren gekomen in de drie eerdere jaren waarin dit ras onderzocht is en waarin aphanomyces op de proefvelden en in de praktijk niet of nauwelijks tot problemen heeft geleid. Om het risico te beperken is het advies om het ras Caprianna KWS niet te zaaien op zand- en dalgrond. Er is onvoldoende informatie beschikbaar om de gevoeligheid voor aphanomyces van de andere rassen die momenteel beschikbaar zijn aan te geven. Hiervoor is nader onderzoek nodig.

Contactpersoon

Martijn Leijdekkers
Rassen / bewaring / interne kwaliteit

Mogelijk ook interessant