Ziekten en plagen

INSECTEN

Diverse insecten en plagen kunnen de bieten aantasten. Bodemplagen veroorzaken vooral plantwegval. Schade door bovengrondse insecten is divers. Zo kunnen aardvlooien gaatjes maken in kiembladeren en kunnen bladluizen virussen overbrengen.

BODEMPLAGEN

Schade door ondergrondse insecten kunt u beheersen door te kiezen voor pillenzaad met Force (10 g tefluthrin). Dit middel werkt alleen tegen de insecten die de suikerbiet ondergronds aantasten en heeft geen effect op bovengrondse insecten (zie tabel 1). In figuur 1 is te zien in welke gebieden pillenzaad met Force geadviseerd wordt. Op percelen met een zware druk van bodeminsecten kan de werking van Force onvoldoende zijn. Om een goede werking van Force te hebben, adviseren wij om niet dieper dan 1,5 tot 3 cm te zaaien in vochtige grond. Bij diepere zaai is het bovenste stukje van het hypocotyl niet beschermd.

In een los zaaibed kunnen bodeminsecten meer schade veroorzaken dan in een vast zaaibed. Schade kan beperkt worden door het zaaibed licht aan te drukken. Indien op een perceel de schadedrempels van stengelaaltjes, wortelknobbelaaltjes of trichodoriden worden overschreden en Vydate 10G in de zaaivoor wordt toegepast, dan kan worden overwogen om Force achterwege te laten, alhoewel de werking van Vydate 10G op bodeminsecten onder droge omstandigheden tegen kan vallen. Achterwege laten van Force kan niet op percelen waar ook ritnaalden en/of emelten aanwezig zijn en op percelen met een zwaardere druk van bodeminsecten. Naast Force en Vydate 10G heeft ook Belem (cypermethrin) sinds begin 2022 een toelating in suikerbieten. Vanuit andere gewassen is bekend dat het een werking heeft op ritnaalden. De werking op bodeminsecten in suikerbieten zal in 2022 nader onderzocht worden. Meer informatie over bodeminsecten vindt u ook in het bodemplagenschema (www.irs.nl/ bodemplagenschema).

Figuur 1 In gebieden met de rode kleur is het advies om Force (pillenzaad met insecticiden) te kiezen in verband met bodeminsecten zoals bietenkevertjes, wortelduizendpoten, miljoenpoten en/of springstaarten. In gebieden met een witte kleur is Force alleen maar te adviseren indien er schade door ritnaalden en/of emelten verwacht wordt.

Aardappelstengelboorder 

Aantasting door de aardappelstengelboorder kenmerkt zich door vraatgangen in de wortel in de buurt van slootkanten, waardoor planten kunnen wegvallen. Tot het achtbladstadium kunnen ze aantasting veroorzaken. Omdat ze zelden schade veroorzaken is een bestrijding niet nodig.

Bietenkevertje

Bietenkevertjes (1-1,5 mm lang) vreten aan de wortels en de stengel, waardoor kleine ronde gaatjes of vlekjes ontstaan en planten kunnen wegvallen. Ze komen voor op zavel-, klei- en lössgronden en veroorzaken de meeste schade op percelen biet-op-biet of biet-naast-biet. Ze kunnen zich lopend door of over de bodem over circa 30 meter verplaatsen van het perceel van vorig jaar naar het nieuw ingezaaide perceel.

Ondergrondse schade is te beperken door bietenzaad met Force te gebruiken. Zodra temperaturen boven 15°C komen, dan kunnen vluchten van bietenkevers worden waargenomen. Zie ook bietenkevers bij bovengrondse insecten.

Emelt

Emelten veroorzaken vraatschade aan kiemplanten met als gevolg plantwegval (figuur 2). Pillenzaad met Force geeft wel enige, maar vaak onvoldoende bescherming. Vydate 10G in de zaaivoor heeft een aanvullende, maar slechts redelijke werking.

Probeer dus te voorkomen dat er grasachtigen op het perceel staan wanneer de langpootmug haar eieren afzet (zie www.irs. nl/bodemplagenschema). Bij meer dan 100 emelten per m2 is het advies om uit te wijken naar een ander perceel indien mogelijk.

Figuur 2 Een emelt kan plantwegval veroorzaken tot het 6-bladstadium.

Miljoen- en wortelduizendpoot

Op zwaardere klei- of lössgronden met veel organische stof kunnen miljoen- en wortelduizendpoten schade veroorzaken aan jonge bietenplanten (figuur 3). Schade treedt vooral op bij percelen met een los zaaibed, bij diep zaaien en een trage opkomst. Pillenzaad met Force beperkt schade.

Figuur 3 Schade door wortelduizendpoten kenmerkt zich door zwarte langgerekte vraatplekken op de wortel.

Ondergrondse springstaarten

Ondergrondse springstaarten (ca. 1 tot 1,5 mm lang) vreten aan het kiemende zaad en veroorzaken daardoor langgerekte vraatplekken aan de kiemwortel (figuur 4). Hierdoor vallen planten weg of gaan krullen, waardoor ze niet meer opkomen. Ze komen vooral voor op zavel- en kleigronden. Schade treedt met name op bij percelen met een los zaaibed, weinig organische stof, bij diep zaaien en een trage opkomst. Het advies is dus om zaaien uit te stellen onder koude omstandigheden, het zaaibed licht aan te drukken, niet te diep te zaaien (ca. 1,5 tot 3 cm) in vochtige grond en eventueel direct na zaaien te rollen. Na een grasgroenbemester is de populatie hoger dan na bladrammenas. Pillenzaad met Force beperkt schade.

Figuur 4 Springstaarten (1 tot 1,5 mm lang) veroorzaken zeer veel, kleine vraatgaatjes op wortels en ondergrondse stengel (Foto H. Glas).

Ritnaald

Ritnaalden komen vooral voor op gescheurd grasland in het tweede jaar na het scheuren en kunnen stengels en wortels van jonge bieten tot het vier- tot zesbladstadium doorbijten. Door een halve aardappel 20 cm in de grond in te graven en twee weken later weer op te graven, krijgt u inzicht of u schade kunt verwachten. Dit is het geval als boorgaten van ritnaalden in deze aardappel zichtbaar zijn. Pillenzaad met Force beperkt de schade.


Tabel 1
Werking Force (10g tefluthrin/eenheid zaad) en Vydate 10G (15 kg/ha) op de belangrijkste bovengrondse insecten en bodeminsecten. Force werkt het beste als er niet dieper dan 1,5 tot 3 cm gezaaid wordt. Vydate 10G werkt het beste in een vochtig zaaibed. Sinds begin 2022 heeft ook Belem (cypermethrin) een toelating in suikerbieten. De werking hiervan zal in 2022 nader worden onderzocht.

werking tegen werking
Force Vydate 10G
bladluizen, bietenvliegen, tripsen, aardvlooien, wantsen, schildpadtorretjes ○○○
  • ○○
bietenkevers bovengronds ○○○
  • ○○
bietenkevers ondergronds ●●○
  • ○○
ritnaalden ●●○
  • ○○
wortelduizendpoten ●●○ ●●○
miljoenpoten ●●○
  • ○○
springstaarten
  • ○○
●●○
emelten
  • ○○
  • ○○

○○○ = geen werking; ●○○ = matige werking; ●●○ = redelijke werking; ●●● = goede werking.

BOVENGRONDSE INSECTEN

Diverse bovengrondse insecten spelen een rol in de bietenteelt. Veruit de allerbelangrijkste is de groene perzikluis, omdat die vergelingsziekte kan overbrengen dat tot wel 50% schade kan veroorzaken (zie ook virussen). Het is daarom het advies om de beheersing van bovengrondse insecten volledig af te stemmen op de beheersing van groene perzikluizen en terughoudend te zijn met het gebruik van pyrethroïden; dus niet ingrijpen bij een klein beetje aantasting door bijvoorbeeld aardvlooien, bietenvliegen, bietenkevers, tripsen en bovengrondse springstaarten, maar pas als opbrengstderving gaat ontstaan. Gebruik van pyrethroïden heeft een negatief effect op natuurlijke vijanden en kan zelfs de aantallen groene perzikluizen doen oplopen en daarmee vergelingsziekte verergeren. Natuurlijke vijanden worden namelijk gedood, terwijl groene perzikluizen niet geraakt worden. Hierna kunt u meer lezen over de insecten, de schadedrempels en de manieren om ze te bestrijden. In tabel 3 vindt u een overzicht van de toegelaten insecticiden in de bietenteelt.

Aardvlo

Dit kevertje vreet kleine gaatjes in de kiembladeren en in de eerste echte bladeren van de bietenplant (figuur 5). Bestrijden om schade te voorkomen is meestal niet nodig.


Figuur 5
Een aardvlo is een klein, glanzend, bol kevertje.

Bietenkevertje

Bietenkevertjes (1-1,5 mm lang) vreten aan de bladranden tot aan het zesbladstadium. Ze komen voor op zavel-, klei- en lössgronden en veroorzaken de meeste schade op percelen biet-op-biet of biet-naast-biet. Zodra temperaturen boven 15 °C komen, kunnen vluchten van bietenkevers worden waargenomen. Een bespuiting met pyrethroïden leidde in veldproeven nooit tot een hogere opbrengst en daarom wordt een bespuiting tegen bietenkevers niet geadviseerd.

Bietenvlieg

De bietenvlieg komt op alle grondsoorten voor, maar veroorzaakt met name schade in de kustprovincies. De larve van de bietenvlieg veroorzaakt mineergangen in het blad. De bietenvlieg heeft drie generaties per jaar. De eerste generatie veroorzaakt de meeste schade. In tabel 2 staat de bestrijdingsdrempel weergegeven. Ingrijpen bij de eerste generatie is alleen rendabel op het moment dat de larven uit de eieren komen (figuur 6). Voor de eerste generatie is dit meestal in de 2e of 3e week van mei. Daarna is een bespuiting van de eerste generatie niet meer aan te raden. De 2e en 3e generatie van de bietenvlieg vinden plaats begin juni en eind augustus. Ingrijpen is dan alleen mogelijk met pyrethroïden en alleen rendabel als er meer eieren op een plant zitten dan het kwadraat van het aantal bladeren. Deze schadedrempel wordt zelden bereikt. In gebieden waar vergelingsziekte wordt verwacht, kan ingrijpen met pyrethroïden tegen de bietenvlieg leiden tot meer vergelingsziekte. Het kan daarom verstandig zijn om een bespuiting achterwege te laten tegen de bietenvlieg ondanks dat de schadedrempel overschreden wordt.

Tabel 2 Schadedrempel voor insecticide bespuitingen tegen bietenvlieglarven in de eerste generatie (mei).

bietenstadium aantal volle eitjes per plant
2-4 echte bladeren 10 of meer
4-6 echte bladeren 12 of meer
6 of meer echte bladeren 20 of meer

.
Figuur 6
De jonge larven van de bietenvlieg maken mineergangen in de bladeren.

Tabel 3 Insecticiden, werkzame stoffen, doseringen en toepassingsvoorwaarden, die zijn toegelaten in de bietenteelt.

insect insecticide werkzame stof dosering toepassingsvoorwaarden opmerkingen
aardappel- stengelboorders Sumicidin Super esfenvaleraat 0,45 l/ha max. twee toepassingen per jaar met een interval van minimaal 7 dagen. Dit middel is een pyrethroïde. Pyrethroïden hebben een nadelig effect op natuurlijke vijanden.
bladluizen Closer/

Batavia

sulfoxaflor/

spirotetramat

0,2 l/ha

0,45 l/ha

Closer: toepassen met minimaal DRT 90 driftreducerende maatregel.

Batavia: 1 l/ha Robbester of Actirob toevoegen voor verbeterde opname. Voor beide middelen geldt: verwijder bloeiende onkruiden.

Dit betreft een tijdelijke vrijstelling van 1 april tot en met 15 juli 2022. Zie ook Teelthandleiding 10.3.4.
Teppeki flonicamid 0,14 kg/ha max. een toepassing per seizoen. In verband met MRL alleen toepassen tot 10 bladstadium (uiterlijk 1 juni). Teppeki is veilig voor natuurlijke vijanden. Het werkt alleen op bladluizen.
Pirimor pirimicarb 0,4 kg/ha max. een toepassing per teeltcyclus. Op percelen die grenzen aan watergangen dient gebruik gemaakt te worden van een teeltvrije zone van 0,75 meter in combinatie met minimaal 90% driftreducerende doppen of een van de andere maatregelen zoals vermeld op het etiket. Een groot gedeelte van de groene perzikluizen is resistent voor pirimicarb. Dit product heeft daardoor niet de voorkeur bij de beheersing van vergelingsziekte. Werking van Pirimor op zwarte bonenluizen is goed.
emelten, bietenkevers, (ondergronds) springstaarten Force tefluthrin 50 ml/

100.000

zaden

Uitzaai van behandeld zaad alleen is toegelaten met behulp van precisiezaai van gepilleerd zaad, waarbij het behandelde zaad direct met grond bedekt wordt. Om vogels en zoogdieren te beschermen moet het product volledig in de bodem worden ingewerkt; zorg ervoor dat het product ook aan de kopakker is ondergewerkt en gemorst product verwijderd wordt. Resten van behandeld zaad nooit verspreiden of vervoederen aan dieren. Ook bij zaaien van behandeld zaaizaad is het belangrijk persoonlijke beschermingsmaatregelen te nemen. Zie hiervoor de folder ‘Veilig hanteren en gebruiken van behandeld zaaizaad’ van Syngenta. Zie verder hoofdstuk bodemplagen op pagina 3.
Vydate 10G oxamyl 10-15 kg/ha Granulaat dient te worden toegepast in de zaaivoor tijdens het zaaien. Draag geschikte handschoenen tijdens het mengen en laden. Om de vogels en zoogdieren te beschermen moet u gemorst product verwijderen. Om de vogels en de zoogdieren te beschermen moet het product volledig in de bodem worden ondergewerkt; zorg ervoor dat het product ook op de kopakker is ondergewerkt. Zie hoofdstuk bodemplagen op pagina 3. Vydate 10G heeft ook een werking op aaltjes. Zie hoofdstuk aaltjes op pagina 6.
Belem cypermethrin 12 kg/ha Granulaat dient te worden toegepast in de zaaivoor tijdens het Vanuit andere gewassen is bekend dat het een
zaaien (zie verder www.ctgb.nl) werking heeft op ritnaalden. Werking in suiker-
bieten wordt in 2022 nader onderzocht.
rupsen Decis e.a. deltamethrin 0,3 l/ha max. een toepassing per seizoen.
tripsen Sumicidin Super esfenvaleraat 0,2 l/ha max. twee toepassingen per jaar met een interval van minimaal 7 dagen.
Decis e.a. deltamethrin 0,3 l/ha max. een toepassing per seizoen.
Karate Zeon lambda cyhalothrin 0,05 l/ha max. een toepassing per seizoen.

*) Stand van zaken 1 februari 2022. In de loop van 2022 kunnen de toelatingen en/of de toepassingsvoorwaarden aangepast worden. De actuele situatie staat vermeld op www.irs.nl of kijk op www.ctgb.nl voor de actuele toelating en gebruiksvoorschrift.

Bladluis

Tabel 4 Bestrijdingsdrempels zwarte bonenluis.

 

 

maand aantal zwarte bonenluizen
april t/m juni meer dan 50% van de planten bezet met kolonies van dertig tot vijftig luizen per plant
juli meer dan 75% van de planten bezet met grote kolonies van meer dan 200 luizen per plant

Tabel 5 Bestrijdingsdrempels groene bladluis

periode aantal groene bladluizen per tien planten
april, mei en eerste helft juni meer dan 2
tweede helft juni meer dan 5
eerste helft juli meer dan 50

De zwarte bonenluis veroorzaakt zuigschade aan bieten, terwijl de groene perzikluis en de sjalottenluis vergelingsziekte kunnen overbrengen. Een bespuiting is pas zinvol als de bestrijdingsdrempels worden overschreden (tabel 4 en 5). Daarom is wekelijks bladluizen tellen in een perceel essentieel. Houd hiervoor ook de bladluiswaarschuwingsdienst in de gaten.

Voor de bestrijding van groene bladluizen kan gebruik worden gemaakt van Teppeki. Teppeki mag alleen maar worden toegepast tot het 10 bladstadium (tot uiterlijk 1 juni) om risico op overschrijding van de MRL te voorkomen. Er zijn vrijstellingen aangevraagd voor andere insecticiden om groene perzikluizen te beheersen. Kijk voor de meest recente informatie op www.irs.nl. Vanwege verminderde gevoeligheid van groene perzikluizen voor Pirimor, wordt Pirimor afgeraden voor de beheersing van groene luizen. Zwarte bonenluizen zijn wel te bestrijden met Pirimor. Pirimor heeft een dampwerking en werkt vooral bij temperaturen hoger dan 20°C. Pyrethroïden hebben geen enkel effect op de groene bladluizen, omdat deze verstopt zitten aan de onderkant van de bladeren (figuur 7). Deze middelen kunnen de groei van de populatie zelfs bevorderen. Bovendien zijn veel populaties groene perzikluizen verminderd gevoelig voor pyrethroïden. Gebruik deze middelen dus zo min mogelijk in de bietenteelt, ook voor de beheersing van andere insecten. Insecticiden breken sneller af bij warm en zonnig weer en daarom is het aan te bevelen om in de avonduren een bestrijding uit te voeren met veel water.

Figuur 7 Groene perzikluizen bevinden zich vaak aan de onderzijde van de bladeren, waardoor ze lastig te raken zijn tijdens een bespuiting. Hierdoor zijn alleen systemische insecticiden effectief.

Rups

In de zomer kunnen verschillende soorten rupsen aan de bladeren vreten. Bestrijding is pas nodig wanneer 30% van het bladoppervlak dreigt te worden weggevreten en is daardoor zelden rendabel.

Springstaart (bovengrondse)

Bovengrondse springstaarten veroorzaken schraapvraat en kleine gaatjes aan kiembladeren en eerste echte bladeren (figuur 8). Hierdoor kunnen er kleine bladmisvormingen ontstaan. Bestrijden om schade te voorkomen is meestal niet nodig.

Figuur 8 Bovengrondse springstaarten veroorzaken kleine vraatgaatjes midden in de bladeren.

Trips

Tripsen veroorzaken aantasting aan kiemplanten en planten in het tweebladstadium. Dit gebeurt met name op kleigronden bij droog en schraal weer op percelen met vlas of erwten als voorvrucht. Bestrijding kan met pyrethroïden, maar wordt niet aangeraden vanwege de negatieve effecten op natuurlijke vijanden.

Wants

In de buurt van bomen of singels kan schade door wantsen voorkomen. Als ze jonge planten aanprikken kan meerkoppigheid ontstaan. Bij oudere planten ontstaan vaak gele bladtoppen. Bestrijden is niet mogelijk.

AALTJES

Verschillende aaltjes kunnen schade veroorzaken aan suikerbieten. Schade kan zich uiten in een lagere opbrengst, hogere grondtarra en bij sommige aaltjes zelfs in rotte bieten. Meer informatie over aaltjes en gewasrotatie is te vinden op www.aaltjesschema.nl.

Bietencysteaaltjes

Er zijn twee soorten bietencysteaaltjes: witte bietencysteaaltjes (Heterodera schachtii) en gele bietencysteaaltjes (H. betae). Witte bietencysteaaltjes komen voor op alle grondsoorten. Gele bietencysteaaltjes komen voor op zand- en dalgronden. De partieel resistente rassen zijn tolerant en geven zonder de aanwezigheid van aaltjes een vergelijkbare opbrengst met het beste rhizomanieras. Bij aanwezigheid van bietencysteaaltjes geven deze rassen zelfs een hogere opbrengst dan de vatbare rassen. Het is altijd belangrijk om de besmetting met bietencysteaaltjes zo laag mogelijk te houden: hoe hoger de besmetting, hoe lager de opbrengst. Dit geldt ook voor de partieel resistente rassen. Bij aantallen hoger dan 1.500 eieren en larven per 100 ml grond is het advies om de bietenteelt en de teelt van andere waardplanten een aantal jaren uit te stellen op het betreffende perceel. Vydate 10G is niet effectief tegen bietencysteaaltjes. Meer informatie over bietencysteaaltjes vindt u op www.irs.nl.

Wortelknobbelaaltjes

Schade door wortelknobbelaaltjes is te herkennen aan knobbels op de wortels (figuur 9). Deze aaltjes zieken zeer snel uit als er geen waardgewas wordt geteeld. Laat daarom twee jaar voor de bietenteelt een grondmonster analyseren en kies vervolgens welke gewassen u als voorvrucht gaat telen (www.aaltjesschema.nl). Voorkom schade in bieten door het jaar voorafgaand aan bieten geen waardgewas te telen. Vanaf 500 larven van het maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi) en 2.500 larven van het bedrieglijk wortelknobbelaaltje (M. fallax) per 100 ml grond is het rendabel om Vydate 10G (15 kg/ha) toe te dienen als zaaivoortoepassing. Omdat aaltjes vaak pleksgewijs voorkomen, kunt u overwegen om alleen die plekken te behandelen. Vanaf teeltseizoen 2022 is er een beperkte hoeveelheid zaad beschikbaar van een bietenras met resistentie tegen Meloidogyne chitwoodi.

Figuur 9 Wortelknobbelaaltjes veroorzaken vertakkingen waardoor bieten achterblijven in groei.

Stengelaaltjes

Het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci) geeft vooral problemen op zavel- en kleigronden. Hoe zwaarder de grond, hoe makkelijker het aaltje kan overleven. Het schadebeeld kenmerkt zich in planten met groeistoornissen (o.a. meerkoppigheid). Later ontstaan verticale scheuren in de kop en kan de hele biet verrotten. Vydate 10G (15 kg/ha) in de zaaivoor beperkt de aantasting. Het stengelaaltje vermeerdert zeer sterk op uien, luzerne, bonen en erwten. Pas op met deze gewassen in de rotatie bij aanwezigheid van stengelaaltjes.

Trichodoriden

Trichodoridenaaltjes (vrijlevende aaltjes) geven vooral problemen op vochtige, lichte grond met weinig organische stof. Een besmetting met deze vrijlevende aaltjes kenmerkt zich door afwisselend goede en achterblijvende planten in de rij. Niet te vroeg zaaien kan schade beperken, net zoals het aanvoeren van organische stof en zorgen voor de juiste pH. De inzet van Vydate 10G als zaaivoortoepassing (10 kg/ha) is niet rendabel bij aantallen lager dan 150 larven per 100 ml grond. Omdat aaltjes vaak pleksgewijs voorkomen, kunt u overwegen om alleen die plekken te behandelen.

BODEMSCHIMMELS

Tabel 6 Effectiviteit van het fungicide hymexazool (Tachigaren) in het pillenzaad.

middel aphanomyces rhizoctonia pythium pleospora (phoma)
Tachigaren zeer goed geen goed onbekend

Aphanomyces

Deze schimmel (Aphanomyces cochlioides) kan kiemplantwegval, maar ook afdraaiers, insnoering en/of wortelrot later in het seizoen veroorzaken. Om kiemplantwegval door aphanomyces te voorkomen is al het pillenzaad behandeld met 14,7 gram hymexazool (Tachigaren) per eenheid zaad. Hymexazool geeft in het kiemplantstadium (tot circa 4 weken na het zaaien) een goede bescherming tegen de bodemschimmel aphanomyces (tabel 6). Bij zeer zware druk, vocht in combinatie met hoge temperaturen (>circa 18 graden), een te lage pH en/of slechte structuur kunnen bieten toch worden aangetast. Aantasting later in het seizoen uit zich in de vorm van afdraaiers, ingesnoerde wortels of zelfs wortelrot. Preventieve maatregelen zijn een (voldoende) hoge pH (>6) en een goede bodemstructuur. Bij een pH <6 kan aphanomyces sterk optreden wanneer de grond langere tijd nat is. Bij kiemplantwegval is dat een natte periode na het zaaien en bij wortelrot een natte periode tussen eind mei en eind juli. Afgelopen seizoen bleken Caprianna KWS en Dushi heel gevoelig voor aphanomyces wortelrot. Op zand- en dalgronden kunnen deze rassen beter worden vermeden.

Figuur 10 Aphanomyces kan kiemplantwegval en wortelrot veroorzaken. Het fungicide hymexazool in het pillenzaad beschermt de kiemplant tot ongeveer 4 weken na zaai.

Pythium

Om kiemplantwegval door pythium (Pythium ultimum) te voorkomen is het pillenzaad behandeld met 14,7 gram hymexazool (Tachigaren) per eenheid zaad (tabel 6). Pythium kan met name onder stresscondities voor kiemplantwegval zorgen. Vaak is hierbij sprake van zuurstofarme omstandigheden in de zaaivoor, veroorzaakt door bijvoorbeeld slemp of korstvorming. Dit zijn ideale omstandigheden voor de schimmel, maar hierdoor groeit de bietenplant ook langzamer. Daardoor is de bietenplant nog te klein als de fungiciden zijn uitgewerkt (na circa 4 weken).

Pleospora (Phoma)

Deze schimmel (Pleospora betae, voorheen Phoma betae genoemd) veroorzaakt kiemplantwegval, maar ook bladvlekken en wortelrot later in het seizoen. Het fungicide hymexazool in het pillenzaad helpt niet tegen wortelbrand door deze schimmel. De bladvlekken veroorzaken geen schade van betekenis en worden vaak bestreden met een bespuiting tegen bladschimmels (zie pagina 8). Het wortelrot kan voor problemen zorgen bij het bewaren van de suikerbieten na de oogst.

Rhizoctonia

Rhizoctonia (Rhizoctonia solani) veroorzaakt wortelbrand (plantwegval) en later in het seizoen wortelrot. Het fungicide hymexazool in het pillenzaad helpt niet tegen deze vorm van wortelbrand. Ook rhizoctoniaresistente rassen zijn gevoelig voor wortelbrand. Dit komt omdat de resistentie tegen rhizoctonia wortelrot pas later (na ca. 6-8 bladstadium) actief wordt. Later in het seizoen kan wortelrot, naast een sterke verlaging van het wortelgewicht ook zorgen voor een daling van het suikergehalte en de verwerkingskwaliteit. Het is daarom noodzakelijk vóór levering en bewaring de aangetaste bieten te verwijderen. Rhizoctoniaresistente rassen beperken de schade. Het resistentieniveau van deze rassen is echter niet volledig. Bij een vroege aantasting kan plantwegval optreden. Ook kunnen bij de oogst rotte bieten voorkomen. Daarom zijn aanvullende maatregelen nodig. Deze bestaan uit het zorgen voor goede teeltomstandigheden door geen waardgewassen voorafgaand aan de bieten te telen en te zorgen voor een goede bodemstructuur.

Granen en aardappelen, eventueel gevolgd door bladrammenas of gele mosterd, zijn goede voorvruchten. Gras en maïs zijn waardgewassen, maar vertonen zelf weinig ziekteverschijnselen. Ook na de voorvruchten (was)peen, schorseneren en andere groentesoorten, kan rhizoctonia versterkt optreden.

Naast een slechte bodemstructuur en lage pH, verhogen vochtige en warme omstandigheden tijdens de groei de mate van aantasting. Ook schoffelen of aanaarden, met name in juni, kan de rhizoctonia-aantasting versterken doordat grond met daarin de schimmel, in de kop van de bieten terecht komt. Rhizoctoniaresistente rassen zijn gevoeliger voor de vorming van schieters dan rassen zonder deze resistentie.

Figuur 11 Wortelrot veroorzaakt door rhizoctonia. Kenmerkend zijn de donkere scherp afgebakende lesies.

Overige soorten wortelrot

Wortelrot kan ook veroorzaakt worden door verticillium (Verticillium dahliae), violetwortelrot (Helicobasidium purpureum) en pleospora (phoma; Pleospora betae). Voor de herkenning en meer informatie over de beheersing, zie hoofdstuk 10.5 van de teelthandleiding op de website van het IRS (www.irs.nl).

BLADSCHIMMELS

In suikerbieten komen diverse bladschimmels voor die schade kunnen doen. Dit zijn cercospora, stemphylium, ramularia, meeldauw en roest. Bij een ernstige aantasting van het blad sterft het loof versneld af en dalen het suikergehalte en het wortelgewicht. Voor de bestrijding zijn diverse middelen toegelaten (zie tabel 7) . De eerste behandeling met een fungicide moet plaatsvinden bij het verschijnen van de allereerste vlekjes in uw gewas. Ook de elicitor Charge kan worden ingezet. Dit middel moet vroeg in het seizoen worden ingezet. Bij een te late bestrijding van schimmels is de aantasting veel moeilijker in de hand te houden. Controleer uw bieten daarom regelmatig vanaf de gewassluiting, meestal circa half juni. Om u er op te attenderen uw perce(e)l(en) te controleren stuurt de bladschimmelwaarschuwingsdienst u een sms-bericht wanneer er in uw regio op twee percelen bladschimmels gevonden zijn. Ook zijn de infectiekansen voor cercospora en stemphylium via het Bieten Advies Systeem (BAS) op het ledenportaal of app en www.irs. nl inzichtelijk. Op basis van de infectiekansen en het perceelsrisico geeft de BAS-app ook adviesberichten, naast de waarschuwing van de bladschimmelwaarschuwingsdienst. De infectiekansen voor cercospora en stemphyli-um worden gemeten via een landelijk netwerk van sensoren in suikerbietenpercelen. Voor het grootste deel van de bietenpercelen in Nederland geldt dat voor het beste resultaat, het nodig is om uw perce(e)l(en) te controleren en pas een bespuiting uit te voeren als u de eerste aantasting door bladschimmels heeft aangetroffen. Een uitzondering hierop geldt voor de cercosporabeheersing op percelen met een (zeer) nauwe rotatie bieten (1 op 4 of korter) in met name het oosten van het land. Zie daarvoor de informatie onder het kopje ‘cercospora’ hiernaast. Wissel middelen met verschillende triazolen en strobilurines af om resistentievorming van bladschimmels te voorkomen of in geval van verminderde gevoeligheid en resistentie de effectiviteit van de bespuitingen zo groot mogelijk te maken. Houd rekening met de veiligheidstermijn van de middelen voor het oogsten van de bieten. De toegepaste middelen werken niet langer dan drie tot vier weken. Voor een effectieve bestrijding is het verstandig om ook na een bespuiting wekelijks op bladschimmels te blijven controleren en vervolgens te spuiten als er nieuwe vlekken zichtbaar zijn. Houd tijdens het seizoen de website van het IRS (www.irs.nl/bladschimmel) in de gaten voor de meest recente informatie.

Tabel 7 Fungiciden voor de bestrijding van bladschimmels.*

 

middel dosering werkzame stof groep/ klasse maximaal aantal toepassingen veiligheidstermijn
Charge 1) 3 l/ha chitosan hydroxychloride elicitor / activator 4-8 0 dagen
Borgi / Score 250 EC / Mavita 250 EC 2)+3) 0,4 l/ha difenoconazool triazool 2 28 dagen
Difure Solo 6) 0,5 l/ha difenoconazool triazool 2 21 dagen
Spyrale 2)+3)+5) 1 l/ha difenoconazool / fenpropidin triazool / niet ingedeeld 2 28 dagen
Bicanta 3)+4)+5)+6) 1 l/ha difenoconazool / azoxystrobine triazool / strobilurine 2 35 dagen
Sphere 3)+4)+5)+7) 0,25-0,35 l/ha trifloxystrobine / cyproconazool strobilurine / triazool 2 21 dagen
Mirador Xtra 2)+3)+4)+5)+7) 1 l/ha azoxystrobine / cyproconazool strobilurine / triazool 2 35 dagen
Micro Special Liquid 8) 3-5 l/ha zwavel multi-site contact 2 3 dagen

*) Stand van zaken 5 mei 2022. In de loop van 2022 kunnen de toelatingen en/of de toepassingsvoorwaarden aangepast worden.

De actuele situatie staat vermeld op www.irs.nl/bladschimmel of kijk op www.ctgb.nl voor de actuele toelating en gebruiksvoorschrift.

  1. Dit middel heeft een elicitor werking: het stimuleert de natuurlijke afweer tegen bladschimmels en werkt daarom het best bij vroege toepassing.
  2. Om het grondwater te beschermen mag dit product niet worden gebruikt in grondwaterbeschermingsgebieden.
  3. Op percelen die grenzen aan oppervlaktewater is toepassing uitsluitend toegestaan wanneer gebruik gemaakt wordt van één van de in het gebruiksvoorschrift opgenomen driftreducerende maatregelen.
  4. Dit middel bevat een strobilurine, er mag maximaal 2x per seizoen een middel met een strobilurine worden gebruikt.
  5. Spyrale heeft een goede, Bicanta, Sphere en Mirador Xtra hebben een beperkte nevenwerking tegen stemphylium.
  6. Om het grondwater te beschermen mag een middel met difenocaozool slechts ééns per twee jaar op hetzelfde perceel worden toegepast in grondwaterbeschermingsgebieden.
  7. Voor dit middel geldt een opgebruiktermijn tot 30-11-2022.
  8. Toepassen tot uiterlijk eind juli en wanneer er op het hele perceel gebruik gemaakt wordt van één van de in het gebruiksvoorschrift opgenomen driftreducerende maatregelen.

Cercospora

De schimmel Cercospora beticola kan in suikerbieten tot 40% lagere suikeropbrengst geven. Deze schimmel ontwikkelt zich het beste bij hoge luchtvochtigheid (RV >96%) en hoge temperaturen (23-30˚C). Voor de bestrijding van cercospora gelden een aantal extra aanbevelingen van het Fungicide Resistance Action Committee (FRAC). Om resistentie tegen strobilurinen tegen te gaan is het nodig om middelen die strobilurinen bevatten (Sphere, Bicanta en Mirador Xtra) maximaal 50% van het aantal bespuitingen in te zetten en mag er maar twee maal in het seizoen een middel worden gespoten dat strobilurinen bevat (zie tabel 7). Charge is een elicitor, waardoor het vroeg moet worden toegepast om de afweer van de plant te stimuleren. Daarom is het voor goede werking belangrijk om het vlak na gewassluiting (bijvoorbeeld bij de eerste hoge DIV- waarden), gevolgd door een fungicide bij het verschijnen eerste vlekjes. Eventueel kan Charge dan ca 2 weken na de fungicidebespuiting voor de tweede keer worden ingezet. Gebruik Charge niet te laat in het seizoen (na tweede helft augustus), omdat een elicitor ook negatieve effecten kan hebben op de energieverdeling van de planten. Charge kan niet worden gemengd met fungiciden. De inzet van Charge maakt het mogelijk om het aantal fungicidenbespuitingen te reduceren van 3-4 naar 1-2 met behoudt van effectiviteit. Charge inzetten in een maximaal schema van 3-4 fungicidenbespuitingen levert geen meerwaarde op.

Wissel middelen met verschillende werkzame stoffen zoveel mogelijk af in opeenvolgende bespuitingen en seizoenen om te voorkomen dat resistentievorming onbeheersbaar wordt. Ook in geval van verminderde gevoeligheid van isolaten is het belangrijk om de beschikbare middelen maximaal af te wisselen.

Vermijd bij aantasting door cercospora bij de eerste bespuiting een middel dat een strobilurine bevat. Voeg om de werking van middelen te versterken een hulpstof voor opnamebevordering zoals Promotor (0,4 l/ ha) toe. Blijf wekelijks controleren en voer een vervolgbespuiting uit wanneer de cercosporavlekken zich uitbreiden, ook al is dat kort na de vorige bespuiting! Kies bij een vervolgbespuiting altijd voor een ander middel (met werkzame stoffen uit andere fungicide-groepen) dan die bij de vorige bespuiting is gebruikt.

Op percelen met een zeer hoge cercospora-druk (rotatie van 1 op 4 of krapper op lichte gronden) kunnen de bespuitingen ook uitgevoerd worden op basis van de infectiekansen (DIV-waarden) voor cercospora. Een bespuiting kan dan uitgevoerd worden wanneer de som van de DIV-waarden van twee opeenvolgende dagen 6 of meer is. Een cercospora-aantasting wordt hierdoor bestreden na infectie voordat de symptomen zichtbaar zijn. De zogenoemde latente periode kan voor cercospora 7 tot 18 dagen bedragen. Het grote voordeel van spuiten op de DIV- waarden is dat de bespuitingen beter worden getimed. Echter, het nadeel van het gebruik van de DIV-waarden zonder te wachten op de eerste vlekjes is wel dat er vaak extra bespuitingen moeten worden uitgevoerd.

Spuiten op basis van de DIV-waarden (bij zowel spuiten zonder te wachten en spuiten bij wel te wachten op de eerste aantasting) geeft alleen een goed resultaat indien dit gebeurt op basis van gegevens van een sensor die op het betreffende perceel staat opgesteld. Meer informatie over het gebruik van de DIV-waarden in de bladschimmelbeheersing leest u op pagina 23.

Figuur 12 Zware aantasting door cercospora zorgt voor het afsterven van het loof. Door verminderde fotosynthesecapaciteit en hergroei van nieuw blad kan de schade oplopen tot een ca. 40% lagere suikeropbrengst.

Stemphylium

Stemphylium (Stemphylium beticola) ontwikkelt zich het beste over een breed temperatuurtraject (13-23˚C) bij heel hoge luchtvochtigheid (circa 100%) of lange bladnatperioden. Voor de bestrijding van stemphylium is er een specifiek middelenadvies. Op proefvelden is een goede nevenwerking van Spyrale en een matige nevenwerking van Bicanta, Sphere en Mirador Xtra gevonden. Bestrijding is nodig vanaf de allereerste vlekjes. Stemphylium kan tot 40% schade veroorzaken in suikerbieten.

Vanwege de goede beheersingsmogelijkheden voor stemphylium met de toegelaten middelen is het niet nodig te spuiten voor er symptomen (vlekjes) zichtbaar zijn.

Ramularia

Ramularia beticola ontwikkelt zich het beste bij hoge luchtvochtigheid (RV >95%) en koel (16-18˚C) weer. De schade kan 10-15% bedragen. Alle toegelaten fungiciden hebben een goede werking tegen ramularia. Daarom is het niet nodig te spuiten voor er symptomen (vlekjes) zichtbaar zijn.

Roest

In suikerbieten wordt roest veroorzaakt door de schimmel Uromyces betae. Deze schimmel kan 5-10% schade veroorzaken en ontwikkelt zich het beste bij een hoge luchtvochtigheid en koeler (15-22˚C) weer. Alle toegelaten fungiciden hebben een goede werking tegen roest. Daarom is het niet nodig te spuiten voor er symptomen (puistjes) zichtbaar zijn.

Echte meeldauw

De echte meeldauw in suikerbieten wordt veroorzaakt door Erysiphe betae. Deze schimmel kan 5-10% schade veroorzaken en ontwikkelt zich het beste bij droog (RV 30-40%) en warm (25-30˚C) weer. Van de toegelaten fungiciden hebben Borgi/Score 250 EC/Mavita 250 EC en Difure Solo een iets minder goede werking. De overige toegelaten fungiciden hebben allen een goede werking tegen echte meeldauw. Daarom is het niet nodig te spuiten voor er aantasting zichtbaar is.

Valse meeldauw

Na de gewassluiting kan valse meeldauw (Peronospora farinosa) optreden. Doorgaans betreft het één of enkele planten op een perceel, soms worden grote plekken of perceelsgedeelten aangetast. Bij aantasting door valse meeldauw krullen de hartbladeren naar beneden om, zijn gekroesd, dikker en grijsgroen verkleurd. Later worden ze zwart en sterven af. De buitenste bladeren kleuren geel. Vooral op de onderkant van het hartblad is een dikke grijze donslaag van sporen te zien. De schimmel gedijt goed bij hoge luchtvochtigheid (tot 90%) en lage temperaturen (tot 15°C). Hij kan bieten-, spinazie- en chenopodiumsoorten aantasten. Valse meeldauw is niet te bestrijden, omdat er geen middelen zijn toegelaten. Meestal beperkt de aantasting zich tot enkele planten of plekken op het perceel, wat niet leidt tot noemenswaardige schade.

Overige bladziekten

In de loop van het seizoen komen, vaak na zware regen- of hagelbuien, nog andere bladziekten voor, zoals de schimmel alternaria en de bacterie pseudomonas. Bestrijding van aantasting veroorzaakt door pseudomonas is niet mogelijk omdat pseudomonas een bacterie is. Bestrijding van alternaria is niet nodig. Alternaria is een secundaire ziekteverwekker, wanneer de eerste (primaire) oorzaak wordt verholpen (bijv. magnesiumgebrek) verdwijnt ook de aantasting door alternaria.

 

Figuur 13 Aantasting van Alternaria alternata als secundaire ziekteverwekker in een blad met magnesiumgebrek.

VIRUSSEN

Rhizomanie

Het rhizomanievirus komt in heel Nederland voor. Daarom wordt het hele suikerbietenareaal met rhizomanieresistente rassen ingezaaid. Deze rassen bevatten allemaal hetzelfde resistentiegen (Rz1). In veel regio’s zijn percelen met deze rassen met plekken of stroken met meer dan 2-5% planten met rhizomaniesymptomen (blinkers) te vinden. Soms is het al egaal over het perceel verspreid en hebben veel planten deze symptomen. Soms zijn de symptomen minder duidelijk. Hoe eerder in het seizoen de plant aangetast wordt en symptomen ontwikkelt, hoe duidelijker deze zijn. Onderzoek heeft uitgewezen dat op deze percelen een resistentiedoorbrekende variant (bijvoorbeeld AYPR, TYPR of VYPR) van het rhizomanievirus aanwezig is. Kies op deze percelen voor een ras met aanvullende rhizomanieresistentie. Kies bij een te verwachten zware aantasting altijd voor een ras met goede of zeer goede aanvullende rhizomanieresistentie.

Tip: Leg als er blinkers op het perceel te zien zijn, dit vast in Unitip. Bij de zaadbestelling wordt u dan de volgende bietenteelt op dit perceel automatisch geattendeerd om te kiezen voor een ras met aanvullende rhizomanieresistentie.

Figuur 14 Rhizomanie veroorzaakt blinkers in een bietengewas. Bij een zware besmetting vallen ze veel minder goed op!

Vergelingsziekte

Vanaf juni tot aan de oogst verschijnen pleksgewijs lichtgele tot oranjeachtige bladeren in het gewas (figuur 15). De bladschijf is dik en bros. Vanuit de infectiehaarden verspreiden de virussen (BYV, BMYV en BChV) zich over het perceel. Ze worden voornamelijk overgebracht door de groene perzikluis. Dit gebeurt enkele weken voordat de symptomen van het vergelingsvirus zichtbaar zijn. Voor de bestrijding is het advies om de vector te bestrijden en geen pyrethroïden te gebruiken. Pyrethroïden kunnen de aantallen bladluizen juist bevorderen (zie Bladluis op pagina 6), doordat ze niet de bladluizen doden, maar wel de natuurlijke vijanden doden, die belangrijk zijn bij de beheersing van bladluizen en daarmee vergelingsziekte.

Figuur 15 Plekken vergelingsziekte worden pas na circa 6 weken na besmetting zichtbaar in bietenpercelen. Daarom is het belangrijk vanaf opkomst wekelijks de aantallen groene bladluizen te tellen. Dit voorkomt de ziekte niet, maar beperkt de schade wel.

 

OVERIGE ZIEKTEN EN PLAGEN

Slakken

Slakken vreten aan planten in het kiem- en tweebladstadium, waardoor planten weg kunnen vallen (figuur 16). Schade is te beperken met slakkenkorrels op basis van ijzer(III)fosfaat. Als u slakken alleen aan de perceelsranden signaleert of als ze uit de slootkanten komen, kunt u overwegen om alleen de randen te behandelen. Factoren die de aanwezigheid van slakken bevorderen zijn: vocht, een hoog gehalte aan organische stof, slootkanten, onkruid, grof zaaibed en aangrenzend grasland. Welke voorvruchten u het beste kunt vermijden vindt u in het bodemplagenschema (www.irs.nl/bodemplagenschema).


Figuur 16
Vreterij door slakken komt vooral voor op percelen met een grof zaaibed.

Muizen

Muizen vreten ongekiemde bietenzaden op (figuur 17). Dit gebeurt vooral bij vroege zaai en trage kieming. U kunt schade voorkomen door een aantal dagen voor het zaaien langs de perceelsgrenzen alternatief voedsel, zoals gerst, tarwe of zonnepitten aan te bieden. Zo leren de muizen de voerplaatsen te vinden.

Eventueel kunt u het voedsel breedwerpig over het perceel strooien. Als u het alternatief voedsel verhit, dan kiemt het niet bij wegleggen of uitstrooien.

Figuur 17 Muizen breken bietenzaden open en vreten vervolgens het embryo eruit, zodat het zaadje niet meer kan kiemen.

Zilverziekte

De symptomen van zilverziekte worden veroorzaakt door de bacterie Curtobacterium flaccumfaciens pv. betae. Deze bacterie is zaadoverdraagbaar. Tegen deze bacterie bestaat in het veld geen enkele beheersingsmaatregel. De belangrijkste symptomen van curtobacterium zijn: verdikte en brosse bladeren, barstjes in het blad en het blad scheurt makkelijk. De bladeren hebben een matgrijze/zilverachtige reflectie en de aangetaste bieten blijven achter in groei. De vaatbundels in de wortels zijn bruin verkleurd. Tot nu toe worden bieten met dit ziektebeeld slechts sporadisch aangetroffen.

Tabel 8 Dosering, middelkosten (€/ha excl. Btw) van gewasbeschermingsmiddelen (m.u.v. herbiciden) bij twee organische stofgehalten van de bodem.

actieve stof merknaam dosering middelenkosten 1,5-3% organische stof 3-6% organische stof
waterleven

1)

bodemleven grondwater bodemleven grondwater
(l of kg/ha) (€/ha)
bodembehandeling
cypermethrin Belem 12 n.b. n.b. n.b. n.b. n.b. n.b.
oxamyl Vydate 10G 3) 15 218
zaadbehandeling (driftpercentage 0%)
hymexazool Tachigaren 0,021 n.v.t.
tefluthrin Force 0,010 30
fungiciden, gewasbespuiting
azoxystrobine + cyproconazool Mirador Xtra 1 39
cyproconazool + trifloxystrobine Sphere 0,35 40
difenoconazool Borgi, Mavita 250 EC, Score 250 EC 0,4 29
difenoconazool Difure Solo 0,5 27
difenoconazool + azoxystrobine Bicanta 1,00 38
fenpropidin + difenoconazool Spyrale 1,00 34
insecticiden, gewasbespuiting
deltamethrin Decis EC 0,3 12
esfenvaleraat Sumicidin Super 2)+3) 0,45 16
flonicamid Teppeki 0,14 27
lambda-cyhalothrin Karate Zeon, Ninja 0,05 6
pirimicarb Pirimor 0,4 28
slakkenmiddelen
ijzer(III)fosfaat Derrex 7,0 25
Iroxx 7,0 39
Sluxx HP 7,0 35

toelichting: Waterleven, bodemleven en grondwater

0-100 MBP

100-1000 MBP

>1000 MBP

>1000 MBP

  1. Bodem en zaadbehandeling zijn driftarme technieken en daardoor is het effect op waterleven 0.
  2. Uitgerekend met maximaal 2 toepassingen per jaar.
  3. De maximale concentratie is genoemd, halve dosering is ook mogelijk.
Ziekten en plagen

Mogelijk ook interessant