Onkruidbeheersing

INLEIDING

Onkruiden in suikerbieten zijn ongewenst omdat ze met bieten concurreren om ruimte, lucht, vocht en nutriënten. Dit gaat ten koste van de bietenopbrengst. Verder kan een hoge onkruiddruk leiden tot oogst- of verwerkingsproblemen en neemt de zaadvoorraad in de grond toe. Voorkomen moet worden dat onkruiden die de chemische onkruidbestrijding hebben overleefd zaad produceren. Deze onkruiden kunnen minder gevoelig zijn voor bepaalde actieve stof(fen), waardoor de chemische bestrijding steeds moeilijker wordt. Bovendien kunnen onkruiden ziekten en plagen overbrengen en/of vermeerderen. Voor een geslaagde bietenteelt is een goede onkruidbeheersing dus essentieel.

Hierna worden chemische en mechanische mogelijkheden voor een geslaagde onkruidbeheersing beschreven. Afgelopen jaren werd een nieuw systeem van onkruidbestrijding geïntroduceerd met het middel Conviso One, wat alleen in een ALS-tolerant ras kan worden toegepast. Elders in het hoofdstuk meer over het Conviso Smart systeem, aangevuld met een achtergrondartikel (pagina 14-15).

CHEMISCHE ONKRUIDBESTRIJDING

Chemische onkruidbestrijding vindt bij suikerbieten plaats na zaai en na opkomst van de bieten.

Vóór zaaibedbereiding

Onkruidbestrijding in bieten is alleen succesvol bij klein onkruid. Begin daarom met een schone lei en bestrijd grote(re) onkruiden vóór de zaaibedbereiding met glyfosaat. Voorkom structuurschade bij deze toepassing door te wachten totdat de grond berijdbaar is.

Na zaai
Bij de onkruidbestrijding na zaai van de bieten maken we onderscheid in de toepassing van glyfosaat en de inzet van bodemherbiciden.

Glyfosaat vooropkomst
Glyfosaat kan worden toegepast na het zaaien en voor opkomst van de bieten. Deze toepassing kan tot enkele dagen voor opkomst. Als u te kort voor opkomst spuit is er gevaar dat de bieten die op doorbreken staan, worden geraakt door het middel. Dus controleer goed hoe ver de bieten zijn, voordat u gaat spuiten. De bestrijding van het onkruid na zaai is vaak beperkt effectief door (gedeeltelijke) grondbedekking.

Bodemherbicide

Het spuiten van een bodemherbicide direct of kort na het zaaien kan het aantal onkruiden na opkomst van de bieten beperken en de groei van onkruiden vertragen, waardoor de bestrijding na opkomst eenvoudiger kan zijn. Bij een goede werking van bodemherbiciden kan soms een bespuiting na opkomst worden bespaard. Voorwaarde hiervoor is de beschikbaarheid van voldoende vocht. Geadviseerd wordt om te spuiten op vochtige grond; bij droge grond is het beter om, indien mogelijk, de bespuiting een paar dagen uit te stellen. Met name op zandgronden droogt de toplaag snel uit, waardoor de werking van bodemherbiciden tegen kan vallen. Ook op gronden met een hoog organisch stofgehalte (hoger dan ongeveer 5%) werken bodemherbiciden doorgaans slecht. Vandaar het advies om op deze gronden de onkruiden alleen na opkomst van de bieten te bestrijden.

Figuur 26 Toepassen bodemherbicide.

Tabel 10 Meerwaarde van toepassing van bodemherbicide na zaai van het gewas in aanbevolen dosering op moeilijk te bestrijden onkruiden.

middel aanbevolen dosering goede werking tegen
Centium 360 CS 50-100 ml/ha bingelkruid, hondspeterselie, kleefkruid, varkensgras, zwaluwtong
Goltix SC, Bettix SC 2 l/ha duivenkervel, kamille
Goltix Queen, Kezuro 2-3 l/ha bingelkruid, duivenkervel, hondspeterselie, kleefkruid

Figuur 27 Hondspeterselie.

Figuur 28 Bingelkruid.

Wanneer bodemherbicide inzetten?

Voor een effectieve bestrijding van sommige probleemonkruiden, met name bingelkruid, hondspeterselie en kamille, is het advies om direct na zaai een bodemherbicide toe te passen. Wanneer kamille verwacht wordt: spuit na het zaaien 2 liter per hectare Goltix SC of Bettix SC. De kans op kamille is het grootst bij vroege zaai. Bij laat zaaien neemt de noodzaak van een bodemherbicide voor opkomst tegen kamille af.

Als hondspeterselie wordt verwacht is het advies Centium 360 CS, Goltix Queen of Kezuro voor opkomst te gebruiken. Spuit direct na zaai maximaal 100 milliliter (0,1 liter) per hectare Centium 360 CS. Bij natte en koude omstandigheden en een laag organisch stofgehalte (minder dan circa 2,5%) wordt 50 tot 70 milliliter per hectare Centium 360 CS aanbevolen. Onder deze omstandigheden kunnen hogere doseringen (bijvoorbeeld door overlappingen) leiden tot ernstige groeiremming of zelfs plantwegval. Ook onder groeizame omstandigheden is na toepassing van Centium 360 CS bijna altijd enige mate van witverkleuring van het blad zichtbaar. Witverkleuring van de bieten leidt niet tot opbrengstderving. Ten opzichte van metamitron heeft Centium 360 CS een betere werking op hondspeterselie, bingelkruid, kleefkruid, varkensgras en zwaluwtong. De werking tegen kamille en uitstaande melde is verwaarloosbaar. Als ook kamille verwacht wordt, meng dan Centium 360 CS met Goltix SC of Bettix SC.

Wanneer u een hoge bezetting van hondspeterselie en bingelkruid verwacht, dan kan voor opkomst ook met Goltix Queen worden gespoten (maximale dosering is 3 liter per hectare) of Kezuro (maximale dosering is 3,5 liter per hectare). Meerwaarde van het gebruik van een bodemherbicide na zaai is in tabel 10 samengevat.

Na opkomst

Bij de onkruidbestrijding na opkomst van de bieten maken we onderscheid in zaadonkruiden, wortelonkruiden, aardappelopslag en grasachtige onkruiden. Het Conviso Smart systeem wordt separaat behandeld.

Zaadonkruiden

Standaard is het lage doseringensysteem (LDS), bestaand uit lage doseringen fenmedifam, ethofumesaat, metamitron en plantaardige olie. Gebruik vanuit het oogpunt van milieu geen minerale olie. Plantaardige olie is veel minder milieubelastend doordat het biologisch afbreekbaar is in de grond. In het LDS kan gekozen worden voor losse componenten of combinatieproducten.

Metamitron (Goltix SC of Bettix SC) is een breedwerkend en gewasveilig herbicide in het LDS. Quinmerac toegevoegd aan metamitron (Goltix Queen/Kezuro) versterkt de werking op bingelkruid, duivenkervel en hondspeterselie. Vervanging van metamitron in het LDS door Dual Gold 960 EC of Frontier Optima wordt alleen aanbevolen wanneer er geen of weinig meldensoorten voorkomen, bovendien kunnen beide herbiciden pas vanaf het tweebladstadium van de bieten worden ingezet.

Tabel 11 Toevoegen middel in gangbare dosering aan standaard LDS-combinatie.

toevoeging middel gangbare dosering (bladstadium biet)
Centium 360 CS 20 ml/ha (2-blad), 40 ml/ha (4-blad), 50-100 ml/ha (6-blad of meer)
Dual Gold 960 EC 0,5 l/ha (vanaf 2-blad)
Frontier Optima 0,15 l/ha (2-blad), 0,3 l/ha (4-blad), 0,3-0,45 l/ha (6-blad of meer)
Lontrel 100, Vivendi 100 0,5 l/ha (vanaf kiemblad)
Safari, Shiro 15 g/ha (vanaf kiemblad)
Safari Duoactive 100 g/ha (2-blad op lichte grond met laag organische stof, anders vanaf kiemblad)
Tanaris 0,3 l/ha (2-blad), 0,6 l/ha (vanaf 4-blad)

Tabel 12 Gevoeligheid onkruiden in het kiemplantstadium voor verschillende LDS combinaties.

onkruid LDS LDS
+ quinmerac + ,015 Safari + 0,1 Safari Duoactive + 0,5 Dual Gold 960 EC + 0,3 Frontier Optima + 0,6 Tanaris + 0,04 Centium

360 CS

+ 0,5 Lontrel 100
bingelkruid 0 2 5 5 2 3 4 3 0
duivenkervel 3 3 4 5 4 4 4 3 3
ereprijs 3 4 4 4 4 4 5 3 3
herik 1 1 5 5 1 2 2 1 1
hondspeterselie 1 3 4 5 3 3 4 4 4
kamille 4 4 5 5 4 4 4 4 4
kleefkruid 2 3 5 5 2 3 4 4 2
knopkruid 3 3 4 4 4 4 4 3 4
koolzaadopslag 3 3 5 5 3 3 3 3 3
melganzenvoet 3 3 3 4 3 3 3 3 3
ooievaarsbek 1 1 3 3 4 3 3 1 1
papegaaienkruid 2 2 5 5 2 4 4 3 2
perzikkruid 3 3 4 5 3 4 4 4 4
straatgras 3 3 3 4 5 5 5 3 3
uitstaande melde 2 2 2 3 2 2 2 2 2
varkensgras 1 1 3 4 2 1 1 4 1
veerdelig tandzaad 0 0 5 5 0 0 0 0 5
waterpeper 2 2 5 5 2 2 2 4 2
zwaluwtong 3 3 4 4 4 3 3 4 4

5 = gevoelig; 0 = niet gevoelig

Tabel 13 Informatie gangbare, toegelaten herbiciden (l of kg per hectare).

werkzame stof gehalte merknaam voor opkomst max. dosering na opkomst max. dosering na opkomst max. aantal toepassingen max. per teelt min. interval (dagen) extra drift- reducerende maatregelen teeltvrije zone (m) toegestaan in grondwater- bescher- mingsgebied veiligheids- termijn (dagen)
clethodim 120 g/l Centurion Plus

0,5

1-2,5

2

1

1,0

2,5

7

nee ja, DRT 0,5

afh. DRT

ja ja 56

56

clomazone 360 g/l Centium 360 CS 0,2 0,1 4 0,2 7 nee 0,5 ja geen
clopyralid 100 g/l Lontrel 100, Cliophar 100 SL,

Vivendi 100

0,5

1,2

3

1

1,5

1,2

7

nee nee 0,5

0,5

ja, mrt-aug ja, mrt-aug geen geen
cycloxydim 100 g/l Focus Plus

2

4-5

2

1

4,0

5,0

10

nee nee 0,5

0,5

ja ja 56

56

dimethenamide-P 720 g/l Frontier Optima

0,3

0,45

0,9

3

2

1

0,9

0,9

0,9

7

7

nee nee nee 0,5

0,5

0,5

ja ja ja geen geen geen
dimethenamide-P/ quinmerac 333/167 g/l Tanaris 0,6 3 1,5 7 nee 0,5 ja, mrt-aug geen
ethofumesaat 200 g/l Ethofol 200 EC, Tramat 200 EC 1,0 8 4,0 7 nee 0,5 ja geen
500 g/l Oblix 500 SC 0,4 8 1,6 7 nee 0,5 ja geen
500 g/l Tramat 500 0,33 6 2,0 7 nee 0,5 ja geen
ethofumesaat/ fenmedifam 190/200 g/l Betanal Tandem

1,5

1,0

3

6

4,0

4,0

5

5

nee nee 0,5

0,5

ja ja 90

90

200/200 g/l Powertwin 1,0 6 5,0 7 nee 0,5 ja geen
fenmedifam 160 g/l Astrix EC 1,0 8 6,0 7 nee 0,5 ja geen
Corzal SE 1,5 8 8,0 7 nee 0,5 ja geen
320 g/l Kontakt 320 SC 0,5 6 3,0 7 nee 0,5 ja geen

Tabel 13 vervolg.

werkzame stof gehalte merknaam voor opkomst max. dosering na opkomst max. dosering na opkomst max. aantal toepassingen max. per teelt min. interval extra drift- reducerende maatregelen teeltvrije zone (m) toegestaan in grondwater- bescher- mingsgebied veiligheids- termijn (dagen)
fluazifop-p-butyl 125 g/l Fusilade Max 3,0 1 3,0 nee 0,5 ja 56
foramsulfuron/ thiencarbazon-methyl 50/30 g/l Conviso One 0,5 2 1,0 10 ja, DRT 0,5 ja geen
1,0 1 1,0 ja, DRT afh. DRT ja geen
metamitron 700 g/l Bettix SC 3,0 1,0 8 5,0 5 nee 0,5 ja geen
Goltix SC 3,0 1,0 6 5,0 5 nee 0,5 ja geen
metamitron/ ethofumesaat 350/150 g/l Goltix Super 2,0 1,0 6 6,0 7 nee 0,5 ja geen
Metafol Super 2,0 1,5 6 6,0 5 nee 0,5 ja geen
metamitron/ quinmerac 525/40 g/l Goltix Queen 3,0

1,0

2,0

1,25

3

3

6

6,0

6,0

6,0

5

7

5

nee nee nee 0,5

0,5

0,5

ja ja ja geen geen geen
571/71 g/l Kezuro 3,5 1,3 3 3,5 7 nee 0,5 ja geen
propaquizafop 100 g/l Agil 100 EC 1,5 2 1,5 14 ja, DRT 0,5 ja 60
quizalofop-p-ethyl 50 g/l Pilot 2,0 2 2,0 21 ja, DRT 0,5 ja geen
s-metolachloor* 960 g/l Dual Gold 960 EC 1,0 4 1,5 7 ja, DRT 0,5 nee geen
triflusulfuron-methyl 50% Safari, Shiro 0,03 4 0,12 7 nee 0,5 ja geen
triflusulfuron-methyl/lenacil 7,1/71,4% Safari Duoactive 0,21 3 0,63 5 Ja, DRT 0,5 ja 28

* Niet op zandgrond

Spuit op klein onkruid

Voor een effectieve bestrijding is het belangrijk om het onkruid zo vroeg en klein mogelijk (kiembladstadium) te bestrijden, ongeacht het stadium van de bieten. Voer de bespuitingen uit op een droog gewas, bij voorkeur ’s avonds of ’s ochtends vroeg. Vooral als de onkruiden afgehard zijn is het van belang dat op moment van spuiten de relatieve luchtvochtigheid hoog is (meer dan 80%).

Verhoog dosering

Een lage dosering in het LDS is 0,5 liter per hectare van elk middel, namelijk 0,5 fenmedifam (160 g/l) + 0,5 metamitron + 0,5 ethofumesaat (200 g/l) + plantaardige olie. LDS kan bestaan uit losse componenten of uit combinatieproducten.

Mocht het, bijvoorbeeld door weersomstandigheden, niet gelukt zijn om de onkruiden in het kiemblad te bestrijden, dan is het vaak nodig om de dosering te verhogen. Vanaf het gestrekte kiembladstadium van de bieten kunt u de LDS-dosering met 50% en vanaf het tweebladstadium met 100% verhogen.

Onder droge omstandigheden laat met name melganzenvoet zich lastig bestrijden. Verhogen van de dosering fenmedifam en plantaardige olie is onder deze omstandigheden aan te raden.

Lastige onkruiden

Voor moeilijk te bestrijden onkruiden kunt u een extra middel aan de LDS-combinatie toevoegen. U kunt dan kiezen voor Centium 360 CS, Dual Gold 960 EC, Frontier Optima, Tanaris, Safari, Safari Duoactive of Lontrel 100 (zie tabel 11). In verband met gewasveiligheid worden de middelen Centium 360 CS, Dual Gold 960 EC, Frontier Optima en Tanaris pas vanaf het tweebladstadium van de suikerbieten geadviseerd. Daarnaast is voor Centium 360 CS, Frontier Optima en Tanaris nog een aanbevolen dosering per bladstadium van het gewas meegegeven, om deze middelen zo veilig mogelijk in te zetten. Dual Gold 960 EC mag niet op zandgronden worden gespoten.

In tabel 12 staat de gevoeligheid van onkruiden in het kiembladstadium voor de verschillende combinaties in het LDS. Voor de herkenning van onkruiden kunt u de app ‘Onkruidherkenning’ gebruiken: www.irs.nl/ applicatie-onkruidherkenning. De kolom ‘LDS’ geeft de gevoeligheid van de onkruiden aan voor de standaard LDS-combinatie. Bij de overige kolommen wordt de mogelijke meerwaarde van het toevoegen van een specifiek middel aangegeven.

In tabel 13 staan de in de bietenteelt gangbare, toegelaten onkruidbestrijdingsmiddelen (situatie op 01-02-2022). In deze tabel is tevens opgenomen hoe vaak u het betreffende middel in na-opkomst LDS-bespuitingen mag toepassen, welke maximale dosering is toegestaan en welke minimale interval u tussen twee bespuitingen moet aanhouden. Indien extra drift reducerende technieken bij de toepassing verplicht zijn (DRT), wordt voor extra informatie verwezen naar het etiket en/of de CTGB-site (ctgb.nl). Dit geldt ook, indien van toepassing, voor de teeltvrije zone. Tevens staat vermeld of het middel mag worden toegepast in grondwaterbeschermingsgebieden, eventueel met restrictie in een bepaalde periode. Indien van toepassing is ook de veiligheidstermijn tussen de laatste bespuiting en de oogst gegeven.

In tabel 14 staan de kleurcodes voor de milieubelastingspunten van de herbiciden bij twee organische stofgehalten en de prijzen. Voor de berekening is gebruik gemaakt van de laatste versie van de milieumeetlat (juni 2021) van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM). Streef daarbij naar een minimaal aantal punten per categorie (waterleven, bodemleven en grondwater).

Wortelonkruiden

Zodra de akkerdistels, melkdistels en klein hoefblad boven staan en blad vormen kunt u 0,5 liter per hectare Lontrel 100 of een ander clopyralid bevattend middel aan het LDS toevoegen. Doe dit onder groeizame omstandigheden (dunne waslaag, hoge temperatuur en hoge RV). Bij de bestrijding van wortelonkruiden is het belangrijk dat deze goed aan de groei zijn. Pas clopyralid daarom niet toe binnen tien dagen na gebruik van Safari of Safari Duoactive, vanwege de kans op slechtere werking bij de bestrijding van distels. Indien nodig kan deze bespuiting twee keer worden herhaald.

Een andere mogelijkheid is om één keer een aparte bespuiting uit te voeren met maximaal 1,2 liter per hectare Lontrel 100 + 1,0 liter per hectare plantaardige olie. Dit kunt u doen tot het acht- tot tienbladstadium van de bieten. Dit is het stadium waarbij de bladeren elkaar in de rij nog niet raken, meestal in de tweede helft van mei. Vanwege paraplu-werking van de bieten neemt daarna de effectiviteit van de bespuitingen af. Bij een aparte toepassing heeft pleksgewijze bestrijding met (rug)spuit de voorkeur. Overschrijd daarbij niet de wettelijke toegestane dosering.

Tabel 14 Overzicht aantal mogelijke herbicidentoepassingen (kg of l product per hectare), prijzen (exclusief BTW) en milieubelastingspunten bij twee organische stofgehalten van de bodem.

werkzame stof (merknaam) middelen- kosten (€/ha) milieubelastingspunten
waterleven 3 1,5-3% organische stof 3-6% organische stof
bodemleven grondwater bodemleven grondwater
voor opkomst
0,1 clomazone (Centium 360 CS) 19
2,0 metamitron (Bettix SC, Goltix SC) 70
3,0 metamitron/quinmerac (Goltix Queen) 107
3,5 metamitron/quinmerac (Kezuro) 137
na-opkomstcombinaties
LDS 1 32
LDS inclusief quinmerac 2 38
LDS + 0,015 Safari/Shiro 50
LDS + 0,1 Safari Duoactive 53
LDS + 0,5 Dual Gold 960 EC 45
LDS + 0,3 Frontier Optima 38
LDS + 0,6 Tanaris 56
LDS + 0,04 Centium 360 CS 41
LDS + 0,5 Lontrel 100 58
grassenmiddelen
0,75 Agil 100 EC 30
1,0 Centurion Plus 45
1,2 Focus Plus 29
0,9 Fusilade Max 35
0,9 Pilot 36

toelichting: Waterleven, bodemleven en grondwater

0-100 MBP

100-1000 MBP

>1000 MBP

>1000 MBP

    1. LDS = 0,5 fenmedifam (160 g/l) + 0,5 metamitron + 0,5 ethofumesaat (200 g/l) + 0,5 olie. LDS kan bestaan uit losse componenten of uit de volgende combinatieproducten:
      • fenmedifam + ethofumesaat: 0,5 Betanal Tandem / Powertwin;
      • metamitron + ethofumesaat: 1 Goltix Super / Metafol Super
    2. 0,7 Goltix Queen in plaats van 0,5 metamitron.
    3. Bij de berekening van de milieubelastingspunten voor het waterleven is gerekend met een drift van 1%. Als er geen sloten om het perceel liggen, tellen deze punten niet mee.

Aardappelopslag: voorkomen is beter dan bestrijden

Aardappelopslag kan (grotendeels) worden voorkomen door geen aardappelen direct voorafgaand aan de bieten te telen. Vermindering van aardappelopslag wordt ook bereikt door de rooiverliezen bij de aardappeloogst te beperken en/of het aardappelgewas te bespuiten met maleinehydrazide (Royal MH of Crown MH). Houd de achterblijvende aardappelen aan de oppervlakte door een niet-kerende grondbewerking uit te voeren.

Aardappelopslag in bieten geeft concurrentie en vormt al snel nieuwe knollen. Hierdoor kunnen aardappelcystenaaltjes zich blijven vermeerderen. Verder kan aardappelopslag een besmettingsbron zijn voor Phytophthora infestans en kunnen virussen en insecten (onder andere de coloradokever) zich vermeerderen. Bestrijd daarom tijdig aardappelopslag!

Aardappelopslag wordt het beste met glyfosaat bestreden

Hiervoor worden aanstrijkers gebruikt of hand-apparatuur, zoals een Selector bij een lage bezetting. Lees zorgvuldig het Wettelijk Gebruiksvoorschrift (WG) om na te gaan of en op welke wijze het glyfosaat-bevattende middel mag worden toegepast. Andere chemische middelen, zoals Safari, Frontier Optima, Dual Gold 960 EC of clopyralid-bevattende middelen (o.a. Lontrel 100), geven onvoldoende bestrijding van aardappelopslag. Vaak zorgen deze middelen enkel voor verbranding en/of tijdelijke groeiremming van het aardappelloof. De knolvorming gaat bij deze middelen door. Uit fytosanitair oogpunt is het echter noodzakelijk dat ook de ondergrondse delen volledig worden bestreden. In het uiterste geval kunnen aardappelcystenaaltjes (Globodera pallida of G. rostochiensis) zich blijven vermeerderen en wordt het vruchtwisselingseffect geheel te niet gedaan. Zie ook www.irs.nl/aardappelopslag.

Grasachtige onkruiden

Hanenpoot en straatgras zijn goed te bestrijden door aan de LDS-combinatie tijdig Dual Gold 960 EC, Frontier Optima of Tanaris toe te voegen. Spuit bij voorkeur voordat de grassen gekiemd zijn of uiterlijk direct na kieming. Voor een goede werking van deze bodemherbiciden is voldoende bodemvocht belangrijk.

Grassenbestrijdingsmiddelen in LDS-combinatie

Bij de bestrijding van de meeste grasachtige onkruiden is het mogelijk om aan de LDS-combinatie een verlaagde dosering van een grassenbestrijdingsmiddel toe te voegen (zie tabel 15). Doe dit alleen als de grassen in een jong groeistadium zijn, in elk geval voordat ze beginnen met uitstoelen en als de grassen niet geremd zijn door een voorafgaande bespuiting van bijvoorbeeld Safari of Centium 360 CS. In verband met kans op gewasschade geen grassenbestrijdingsmiddel toevoegen aan een LDS-combinatie met daarin Dual Gold 960 EC, Frontier Optima of Tanaris.

Grassenbestrijdingsmiddelen aparte toepassing

Een aparte bespuiting met een grassenbestrijdingsmiddel wordt geadviseerd bij de bestrijding van straatgras, kweek en resistente duist. Dit advies geldt ook in het geval dat het niet gelukt is om tijdig te spuiten en de grassen zijn uitgestoeld. Laat bij voorkeur minimaal drie dagen zitten tussen een LDS- en een aparte grassenbestrijding. In tabel 14 staan de kleurcodes voor de milieubelastingspunten van de grassenmiddelen, bij twee organische stofgehalten en bij een gangbare dosering (aparte bespuiting ter bestrijding van stuifdek gerst).

Conviso Smart systeem

Conviso Smart is een alternatief systeem voor onkruidbeheersing in suikerbieten. Hierbij zijn ALS-tolerante bietenrassen (genaamd: Smart) ontwikkeld, waarin het middel Conviso One (ALS-remmer) ingezet kan worden. Voor 2022 zijn diverse ALS-tolerante bietenrassen beschikbaar, met diverse resistenties. De opbrengsten van deze rassen zijn lager dan vergelijkbare niet-ALS-tolerante rassen. Zie voor meer informatie op pagina 14 en 15.

Tabel 15 Dosering (l/ha) van grassenbestrijdingsmiddel bij toepassing op niet-uitgestoelde grassen, bij toevoeging aan LDS-combinatie.

merknaam grassoort
duist 1, graanopslag, hanenpoot, windhalm en wilde haver kweek 2 raaigras stuifdek gerst 2 straat- gras 3
Agil 100 EC 0,75 1,5 0,75 1,2
Centurion Plus 0,5-1,0 2,5 1,0 1,0 1,0
Focus Plus 1,0-1,2 5,0 1,2 2,0
Fusilade Max 0,9 3,0 1,5
Pilot 0,9 3,0 0,9 1,5

– = onvoldoende effect voor een advies

  1. bij resistente duist Focus Plus of Centurion Plus inzetten.
  2. aparte bespuiting van kweek en stuifdek gerst (niet toevoegen aan LDS).
  3. de genoemde dosering is alleen voldoende effectief tegen jong, niet uitgestoeld straatgras.

APPLICATIE ONKRUIDBEHEERSING

Sinds begin 2021 is een compleet nieuwe versie van de applicatie van IRS-LIZ-Onkruidbeheersing (www.irs.nl/ILO) beschikbaar. Het programma is in een moderne stijl opgebouwd, waardoor het eenvoudig en overzichtelijk te gebruiken is. Deze applicatie is ook zeer geschikt om met een smartphone of tablet te gebruiken, het kan via www.irs-onkruidbeheersing.nl worden geïnstalleerd.

Figuur 29 Icoon applicatie op mobiel apparaat.

Op een mobiel apparaat kan de applicatie IRS-LIZ-Onkruidbeheersing opgeslagen worden en is het benaderbaar via het icoontje van figuur 29 en natuurlijk de IRS-app. Op basis van bietenstadium, onkruidstadium en toepassingsomstandigheden wordt een advies van middelen gegeven. Als aanvulling is nu een compleet overzicht beschikbaar met de ingevulde gegevens. Waarbij door het invullen van de perceelsgrootte de benodigde hoeveelheid aan middelen wordt uitgerekend per perceel.

Figuur 30 Overzicht advies middelen.

GEÏNTEGREERDE ONKRUIDBEHEERSING

Geïntegreerde onkruidbeheersing koppelt de voordelen van chemische en mechanische onkruidbestrijding. Hierbij wordt de eerste kiemgolf van het onkruid chemisch bestreden en de resterende onkruiden mechanisch. GPS en/of camera-gestuurde schoffelmachines kunnen vanaf het tweebladstadium worden ingezet. Inzet van een wiedeg kan vanaf het vierbladstadium door voorzichtig volvelds te eggen. Het onkruid moet hiervoor net niet boven komen, in ieder geval niet groter dan het kiembladstadium.

Een andere methode is schoffelen tussen de rijen van de bieten. Het schoffelen kan in één werkgang worden gecombineerd met een rijenbespuiting. Bespuit bij rijenbespuiting een strook van 17 tot 20 cm breed. Bij een strookbreedte van 17 cm moet de dosering 33-40% en bij een strookbreedte van 20 cm 40-50% van de volveldsdosering zijn, waarbij het percentage van de dosering afhankelijk is van de spuittechniek.

Figuur 31 Wiedeggen in suikerbieten.

Vanaf het vier- tot zesbladstadium kan er geschoffeld worden in combinatie met vingerwieders in de rijen. Hiermee kan een rijenbespuiting worden uitgespaard. Het schoffelen kan doorgaan totdat het gewas gesloten is. De effectiviteit van mechanische onkruidbestrijding wordt bepaald door het aantal bewerkingen en de omstandigheden van

Figuur 32 Schoffelen met vingerwieders.

de grond, het onkruid en de bieten. Een meerwassige opkomst en een stuifdek gerst beperken in een vroeg stadium de mogelijkheden van mechanische onkruidbestrijding doordat er bietenplantjes onder de grond komen en/of het stuifdek gerst wordt vernietigd. Verder werkt één enkele mechanische bewerking doorgaans onvoldoende of negatief. Dit kan juist leiden tot veel nakiemers doordat er onkruidzaad in betere kiemomstandigheden is gebracht. Dit voorkomt u door de mechanische onkruidbestrijding meerdere keren te herhalen totdat het bietengewas gesloten is. Van belang is dat dit gebeurt als het onkruid klein is en onder voldoende droge omstandigheden om verplanten te voorkomen.

Vlak voor sluiting van het gewas kunt u door een schoffelof aanaardbewerking onkruiden bestrijden die ontsnapt zijn bij de chemische bestrijding. Aard de bieten niet zwaar aan. Dit bemoeilijkt een goede ontbladering bij de oogst. Op rhizoctonia-gevoelige gronden kan zwaar aanaarden bovendien de besmetting met rhizoctonia bevorderen.

Onkruidbeheersing

Mogelijk ook interessant