Vragen over aaltjes/bladrammenas

Het actieplan aaltjesbeheersing heeft waarschuwingsfolders (rode lampen) gemaakt. Als een teler een analyse laat doen en een aaltje komt in een bepaalde mate voor, dan wordt de waarschuwingsfolder meegestuurd. Hieronder kunt u klikken op het betreffende aaltje om de folder te bekijken:

Bietencysteaaltje (Heterodera schachtii of Heterodera betae)
Maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi)
Bedrieglijke maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne fallax)
Noordelijk wortelknobbelaaltje (Meloidogyne hapla)
Vrijlevende aaltjes (Trichodoriden)

In het voorjaar kunt u het beste een BCA1 type bladrammenas zaaien. Voor een nateelt, na een vroegruimend gewas, maken we geen onderscheid tussen de types. Zitten er op uw perceel ook maiswortelknobbelaaltjes (Meloidogyne chitwoodi) of bedrieglijke maiswortelknobbelaaltjes (Meloidogyne fallax), kies dan voor een bladrammenas met aanvullende resistentie tegen deze aaltjes, om vermeerdering te voorkomen.

Er zijn zeer veel verschillende soorten aaltjes. Het aaltjesschema is te vinden op de website: www.aaltjesschema.nl. Deze geeft een duidelijk overzicht welke aaltjes zich vermeerderen op bieten en de mate van aantasting.

Dit is geheel afhankelijk van de duur van de teelt en de temperatuur gedurende de teelt van bladrammenas. Staat het gewas het gehele seizoen op het land, dan kan een reductie van wel dan 80% gehaald worden. Wordt de bladrammenas ingezet als nateelt, maar dan wel vroeg gezaaid bij een gunstige temperatuur bij een goede structuur van de grond, dan is een extra reductie tot wel 35% mogelijk.

Gele mosterd is net als bladrammenas in te zetten om de besmetting met bietencysteaaltjes te reduceren. Wordt een groenbemester als braakgewas gezaaid, dan heeft bladrammenas de voorkeur. Deze loopt weer uit na maaien. Maaien is nodig om zaadvorming en dus opslag te voorkomen. Gele mosterd heeft als nateelt de voorkeur, omdat deze zich sneller ontwikkelt, wat kan leiden tot een hogere aaltjesreductie.

Informatie over de verschillende aaltjes is te vinden in de Applicatie 'Ziekten en plagen'.  Bovendien is er informatie over bietencysteaaltjes te vinden in de Teelthandleiding. Het verloop van de besmetting van witte bietencysteaaltjes onder uw omstandigheden is te berekenen met de Applicatie 'Witte bietencysteaaltjesmanagement'.

Het aantal cysten zegt op zichzelf niets. Het aantal levenskrachtige cysten geeft aan hoeveel van de gevonden cysten ook daadwerkelijk eieren en larven bevatten. Het aantal eieren en larven bepaalt de mate van besmetting en is dus ook het belangrijkste gegeven.

Nee, dit kunnen bijvoorbeeld havercysten zijn. Bovendien zegt het aantal cysten niets over de mate van besmetting. Laat in zo'n geval een grondmonster analyseren op bietencysteaaltjes om de mate van besmetting van te stellen. Je weet dan ook of je maatregelen moet nemen in de toekomst (zoals de inzet van bietencysteaaltjes resistente rassen en/of vanggewassen).

Tegen gele bietencysteaaltjes kunt u dezelfde maatregelen nemen als tegen witte bietencysteaaltjes. Bladrammenas en gele mosterd is tegen beide soorten resistent. Partieel resistente bietencysteaaltjesrassen zorgen voor minder vermeerdering van dit aaltje en geven vanaf een zeer lichte besmetting ook financieel een hogere opbrengst.

« Terug naar overzicht

Leren van de Gewichts- en kwaliteitsopgave

De gegevens die iedere teler na levering van de bieten toegestuurd krijgt kan eveneens nuttige informatie bevatten over de teelt van het afgelopen seizoen. Grote verschillen in kwaliteitscijfers tussen de geleverde vrachten kunnen duiden op een heterogeen perceel of haarden van ziekten en plagen. In dit bericht zijn links naar meer informatie te vinden over de belangrijkste oorzaken van een slechte bietenkwaliteit en eventuele verbetermaatregelen.

Toelatingssituatie

Een actuele lijst van in suikerbieten toegelaten gewasbeschermingsmiddelen is te raadplegen op onder andere de IRS-site: www.irs.nl/toelatingssituatie. Deze lijst wordt geactualiseerd door de BO Akkerbouw.